Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW1191

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
15-710783-11 en 99-000275-31
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; huis- lokaalvredebreuk; diefstal; vordering herroeping v.i.; vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd wederrechtelijk binnendringen van een besloten erf, te weten de (achter)tuin van het huis, dat in gebruik is bij zijn ex vrouw. Verdachte wist dat hij zich niet aldaar en in de nabije omgeving van dat erf dan wel zijn ex vrouw mocht begeven, nu dat aan hem als bijzondere voorwaarde in de vorm van een contactverbod bij zijn voorwaardelijke invrijheidstelling was opgelegd. Voorts heeft verdachte op het moment dat hij in de (achter)tuin van zijn ex vrouw vertoefde een tweetal haar toebehorende damesslips weggenomen, zodat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van voornoemde damesslips. Door het plegen van voornoemde feiten, te weten huisvredebreuk en diefstal, wordt materiële en immateriële schade toegebracht aan de benadeelde, hetgeen maatschappelijke onrust veroorzaakt en bij veel mensen een groot gevoel van onveiligheid teweegbrengt. Bovendien wordt door het plegen van huisvredebreuk ook inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van burgers. Dit geldt te meer nu verdachte in het (recente) verleden onder meer is veroordeeld voor verkrachting en meermalen voor mishandeling van zijn (inmiddels voormalige) echtgenote. Deze zal zich door zijn handelen dan ook ernstig bedreigd hebben gevoeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/710783-11 en 99-000275-31 (vordering herroeping V.I.)

Uitspraakdatum: 6 april 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 maart 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Iran),

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 26 augustus 2011 te Beverwijk om (ongeveer) 03:10 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, op een besloten erf waar een woning staat, te weten op de [adres], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee damesslips, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Feit 2:

hij op of omstreeks 26 augustus 2011 te Beverwijk wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten erf gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [slachtoffer], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee (2) maanden. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van honderd en zeventien (117) dagen dient te worden toegewezen nu verdachte zich niet aan de aan die voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden algemene en bijzondere voorwaarden heeft gehouden.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

* de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 maart 2012, onder meer inhoudende dat hij wist dat hij niet in de tuin van zijn ex vrouw mocht komen;

* het proces-verbaal van bevindingen van de regiopolitie Kennemerland d.d. 26 augustus 2011 (proces-verbaal nummer: PL1256 2011094504-4);

* het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 26 augustus 2011 (proces-verbaal nummer: PL1256 2011094504-1);

* het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 26 augustus 2011 (proces-verbaal nummer: PL1256 2011094504-5).

De door de rechtbank als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

4.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1:

hij op 26 augustus 2011 te Beverwijk om ongeveer 03:10 uur gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op een besloten erf waar een woning staat, te weten op de [adres], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee damesslips toebehorende aan [slachtoffer].

Feit 2:

hij op 26 augustus 2011 te Beverwijk wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten erf gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [slachtoffer].

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

T.a.v. feit 1:

Diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt.

T.a.v. feit 2:

In het besloten erf bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd wederrechtelijk binnendringen van een besloten erf, te weten de (achter)tuin van het huis, dat in gebruik is bij zijn ex vrouw. Verdachte wist dat hij zich niet aldaar en in de nabije omgeving van dat erf dan wel zijn ex vrouw mocht begeven, nu dat aan hem als bijzondere voorwaarde in de vorm van een contactverbod bij zijn voorwaardelijke invrijheidstelling was opgelegd. Voorts heeft verdachte op het moment dat hij in de (achter)tuin van zijn ex vrouw vertoefde een tweetal haar toebehorende damesslips weggenomen, zodat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van voornoemde damesslips. Door het plegen van voornoemde feiten, te weten huisvredebreuk en diefstal, wordt materiële en immateriële schade toegebracht aan de benadeelde, hetgeen maatschappelijke onrust veroorzaakt en bij veel mensen een groot gevoel van onveiligheid teweegbrengt. Bovendien wordt door het plegen van huisvredebreuk ook inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van burgers. Dit geldt te meer nu verdachte in het (recente) verleden onder meer is veroordeeld voor verkrachting en meermalen voor mishandeling van zijn (inmiddels voormalige) echtgenote. Deze zal zich door zijn handelen dan ook ernstig bedreigd hebben gevoeld.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van twee (2) maanden weliswaar voldoende recht doet aan de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, maar dat mede gelet op de persoon van verdachte een langere straf - deels in voorwaardelijke vorm - als stok achter de deur passend en geboden is, zodat de rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd. Voorts zal de rechtbank daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

8. Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

8.1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 22 oktober 2010 in de zaak met parketnummer 15/700278-10 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem verdachte ter zake van mishandeling, bedreiging en verkrachting van zijn echtgenote veroordeeld tot - onder meer - een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dat vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Veroordeelde is op 19 juli 2011 op de voet van het bepaalde in artikel 15 en volgende van het Wetboek van Strafrecht voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de op 365 dagen gestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en de bijzondere voorwaarde dat hij gedurende een proeftijd van 117 dagen zich houdt aan een meldingsgebod bij GGZ Palier Reclassering, een ambulante behandeling volgt bij de Forensische Poli en op geen enkele wijze contact zoekt met [slachtoffer].

Op 25 oktober 2011 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen de vordering van 4 oktober 2011 van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem tot herroeping van voornoemde voorwaardelijke invrijheidstelling, omdat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de hem opgelegde algemene voorwaarde en de bijzondere voorwaarde met betrekking tot het contactverbod.

Op 23 maart 2012 is de vordering ter terechtzitting behandeld, gelijktijdig met de (nieuwe) strafzaak tegen veroordeelde onder parketnummer 15/710783-11. Veroordeelde is ter terechtzitting verschenen.

8.2. Beoordeling

De officier van justitie vordert thans, nu verdachte zich - gelet op hetgeen hem in de dagvaarding met het parketnummer 15/710783-11 is ten laste gelegd - niet heeft gehouden aan de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden algemene en bijzondere voorwaarden, dat de rechtbank de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal gelasten, en wel voor de duur van 117 dagen.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en de voorwaarde dat hij zich houdt aan het contactverbod, inhoudende dat hij op geen enkele wijze contact zoekt met [slachtoffer].

Immers heeft de rechtbank - zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven - wettig en overtuigend bewezen verklaard dat verdachte wederrechtelijk is binnengedrongen op het besloten erf in gebruik bij zijn ex vrouw [slachtoffer] en aldaar twee aan voornoemde [slachtoffer] toebehorende damesslips heeft weggenomen.

8.3. Beslissing

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank, gelet op de artikelen 15 en volgende van het Wetboek van Strafrecht, de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 117 dagen gelasten.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 15j, 57, 138, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de onder 4.2. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde feiten opleveren;

verklaart deze feiten strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIE (3) MAANDEN, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot ÉÉN (1) MAAND, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee (2) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

ten aanzien van v.i.-nummer 99-000275-31:

wijst toe de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte;

gelast dat het gedeelte van de vrijheidstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel moet worden ondergaan, te weten voor de duur van honderdzeventien (117) dagen.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.E. Patijn, voorzitter,

mr. M. Daalmeijer en mr. E.J. Bellaart, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 6 april 2012.