Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW1151

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
15/700353-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 14 jaar voor het medeplegen van moord op een 32-jarige Turkse man, gepleegd in Zaandam op 14 februari 2010. De aanleiding tot de moord is gelegen in het feit dat het slachtoffer de familie van verdachte geld afperste. Verdachte heeft daarbij de medeverdachte - een kennelijke buitenstaander - ingeschakeld. Verdachte heeft een kennelijk leugenachtige verklaring afgelegd en ook wisselend en elkaar uitsluitende verklaringen afgelegd. De vorderingen van twee van de drie benadeelde partijen zijn afgezien van de gevorderde immateriële schade toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700353-11

Uitspraakdatum: 6 april 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 3 november 2011, 16 januari 2012, 19 maart 2012, 20 maart 2012 en 23 maart 2012 in de zaak tegen:

[verdachte 1],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 februari 2010 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere kogels afgevuurd op het lichaam van die [het slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (zowel onder het parketnummer 15/700353-11 als onder het eerdere parketnummer 15/740225-10). Wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze - afgezien van de immateriële schade, nu op vergoeding van die schade geen recht bestaat - kunnen worden toegewezen en heeft zij gevorderd daarbij telkens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden1

In de avond van 14 februari 2010 is [het slachtoffer], geboren op 16 juni 1977, in Zaandam door een misdrijf om het leven gekomen. Onder de naam Meander is door de politie Zaanstreek-Waterland een onderzoek ingesteld, teneinde de dader(s) van dit misdrijf te achterhalen. Uit dit onderzoek is het volgende naar voren gekomen.

Op 14 februari 2010 maakte [het slachtoffer] (verder: [het slachtoffer]) gebruik van het telefoonnummer [06-nummer A].2

Dit nummer is op 14 februari 2010 driemaal gebeld door het telefoonnummer [06-nummer B], respectievelijk om 20.29 uur (gespreksduur van 16 seconden), 20.42 uur (gespreksduur van 42 seconden) en om 20.47 uur (gespreksduur van 15 seconden).3 Het nummer [06-nummer B] was in gebruik bij verdachte [verdachte 1].4 Na 14 februari 2010 om 20.47 uur is dit telefoonnummer niet meer in gebruik geweest; het toestel horende bij dit nummer is uitgezet.5

Op 14 februari 2010, omstreeks 20.50 uur - drie minuten na voornoemd telefoongesprek, dat ook het laatste telefoongesprek van [het slachtoffer] op nummer [06-nummer A] was6 - verliet [het slachtoffer] de flat van zijn ouders aan de [straatnaam 1] te Zaandam.7 [het slachtoffer] stapte vervolgens bij zijn vrienden, [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], in een auto.

Zijn vrienden, die net naar de MacDonalds waren geweest, vroegen [het slachtoffer] of hij wat wilde eten. [het slachtoffer] zei "dat zijn eten er zo aan zou komen".8 Volgens de vrienden bedoelde [het slachtoffer] hiermee, dat zijn geld er aan zou komen. Het ging om geld dat [het slachtoffer] van meerdere personen afperste.9 Volgens [getuige 2] had [het slachtoffer] gezegd dat zijn "Zenci" had gebeld en dat zijn eten er zo aan kwam.10 "Zenci" is het Turkse woord voor neger.11 Vrijwel direct nadat [het slachtoffer] had gezegd dat zijn eten er aan kwam, stapte hij weer uit de auto en liep hij in de richting van de flat.12

Uit onderzoek is gebleken dat [het slachtoffer] geld afperste van [betrokkene 1] ([betrokkene 1]), zijnde de zwager van [verdachte 1].13 [het slachtoffer] wilde in totaal € 10.000,- van [betrokkene 1] hebben en er was inmiddels al € 6.000,- aan [het slachtoffer] betaald. Dat was in drie termijnen gebeurd van twee keer € 2.500,- en één keer € 1.000,-. Deze betalingen waren via een vriend van [betrokkene 1], te weten [betrokkene 2], gegaan. Bij de eerste betaling was [verdachte 1] ook aanwezig. [betrokkene 1] had hem het geld voor [het slachtoffer] gegeven.14 Alle betalingen vonden plaats bij de flat aan de [straatnaam 1] te Zaandam, vlak bij het zwembad.15

Uit onderzoek is bovendien naar voren gekomen dat een afspraak stond voor de avond van 14 februari 2010, waarbij door of namens [betrokkene 1] het resterende bedrag van € 4.000,- aan [het slachtoffer] zou worden betaald.16

Toen [het slachtoffer] op 14 februari 2010 weer uit de auto stapte en in de richting van flat liep, liep hij, via de achterzijde van de auto, naar de zijkant van de flat, aan de kant van het zwembad.17 Enkele seconden later hoorden [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] meerdere knallen, waarvan ook verschillende buurtbewoners getuige zijn geweest.18 [getuige 1] opende daarop zijn portier en hij zag dat [het slachtoffer] op een afstand van ongeveer 10 meter achter de auto stond, voorover gebogen, bij de steeg naast de flat. Hij zag dat er een persoon bij [het slachtoffer] stond en dat deze een vuurwapen, een pistool, in zijn hand hield. [getuige 1] zag vervolgens dat die persoon, op een afstand van ongeveer 1 à 1,5 meter, gericht op [het slachtoffer] schoot. Hierna ging deze persoon de steeg naast de flat en het zwembad in. [het slachtoffer] liep voorover gebogen terug naar de auto, met zijn armen/handen voor zijn borst/buik, en viel vlak voor de voorzijde van de auto op de grond neer.19

Op 14 februari 2010 om 20.52 uur komt de 112-melding van [getuige 2] bij de alarmcentrale binnen.20 De nadien toegesnelde ambulancemedewerkers hebben [het slachtoffer] direct de ambulance ingelegd en hebben nog levensreddende handelingen proberen te verrichten, maar dat heeft niet mogen baten.21 [het slachtoffer] is op 14 februari 2010 overleden.22

Uit een uitgevoerde sectie op het lichaam van [het slachtoffer], verricht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), blijkt dat het intreden van de dood bij [het slachtoffer] wordt verklaard door bloedverlies en weefselschade als gevolg van een tweetal perforaties, passend bij doorschoten, door de borst.23 Uit nader onderzoek van het NFI, ook verricht aan de kleding van [het slachtoffer], is gebleken, dat sprake is van twee schootsbanen. De ene baan verloopt vanaf de rechterzijde van de borst naar de linkerzijde van de rug, waarbij er sporen zijn aangetroffen die wijzen op een schoots-afstand tussen 10 en 150 centimeter. De andere baan verloopt vanaf de linker zij/rug naar de linkerzijde van de borst.24

[getuige 4] heeft verklaard dat hij in de avond van 14 februari 2010 samen met [getuige 5] (de rechtbank begrijpt: [getuige 5]) naar de (flat) [flatnaam] in Zaandam is gereden, waar zij rond 20.55 uur moeten zijn geweest. De [flatnaam] is het woonadres van [verdachte 1].25 Hij zag toen dat [verdachte 1] en een Antilliaanse man uit de richting van (de parkeerplaats van) het winkelcentrum kwamen lopen. [verdachte 1] en de man stapten in de auto, waarna zij - in opdracht van [verdachte 1] - de Antilliaanse man in de wijk '[wijknaam]' te Zaandam hebben afgezet. [verdachte 2] woonde op 14 februari 2010 op de [straatnaam], gelegen in de wijk [wijknaam] te Zaandam.26 [getuige 4], [getuige 5] en [verdachte 1] zijn daarna doorgereden. De volgende morgen, 15 februari 2010, vertelde [verdachte 1] aan [getuige 4] dat hij, [verdachte 1], en die jongen (naar de rechtbank begrijpt: de Antilliaanse man) samen die Turk hadden doodgeschoten. [verdachte 1] zei, dat hij bij de moord aanwezig was geweest en dat het moest gebeuren.27 [getuige 4] had de Antilliaanse man tijdens een eerder politieverhoor op een hem getoonde foto herkend, maar in opdracht van [betrokkene 1] had hij toen gezegd dat hij de man niet herkende. Wanneer hem deze foto vervolgens opnieuw wordt getoond, herkent [getuige 4] de persoon op deze foto voor 100% als de Antilliaanse man over wie hij heeft gesproken. De persoon op de foto is [verdachte 2].28

Volgens [getuige 4] stonden [getuige 5] en hij slechts een paar minuten bij de [flatnaam] te Zaandam, toen hij [verdachte 1] en die Antilliaanse man zag. [verdachte 1] en de man kwamen van het winkelcentrum en niet van de [flatnaam] vandaan.29 Uit onderzoek is gebleken dat de afstand tussen de [straatnaam 1] te Zaandam (de plaats delict) en de plaats waar [getuige 4], [verdachte 1] en [verdachte 2] op 14 februari 2010 heeft gezien, is af te leggen in ongeveer 6 1/2 à 7 1/2 minuut, waarbij ervan is uitgegaan dat de eerste 200 meters hardlopend en de overige meters met versnelde pas zijn afgelegd.30

Het telefoonnummer [06-nummer B], in gebruik bij [verdachte 1], heeft op 14 februari 2010 om 18.30 uur en 19.53 uur telefonisch contact gelegd met het telefoonnummer [06-nummer C], welk nummer in gebruik was bij [verdachte 2].31 [verdachte 2] heeft ook bevestigd dat hij op 14 februari 2010 telefonisch contact heeft gehad met [verdachte 1].32

[verdachte 2] is op 17 februari 2010 vertrokken naar [land].33 34

Uit afgeluisterde telefoongesprekken is gebleken dat [getuige 5] ([getuige 5]) op 17 februari 2010 [getuige 6], die werkzaam is bij het telecombedrijf [bedrijfsnaam],35 heeft gevraagd om het telefoonnummer [06-nummer B] zo spoedig mogelijk te wissen dan wel te blokkeren, vanwege een mogelijk politieonderzoek.36 37 Volgens [getuige 5] gingen deze gesprekken over de 06 van [verdachte 1]. [verdachte 1] had hem gevraagd het nummer te blokkeren.38

Gelet hierop en gezien de inhoud van de overige bewijsmiddelen, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij op de avond van 14 februari 2010 niet de gebruiker was van het telefoonnummer [06-nummer B],39 kennelijk leugenachtig en bezigt zij deze verklaring om die reden mede tot het bewijs. Het kan niet anders dan dat verdachte deze verklaring heeft afgelegd om de waarheid te bemantelen.

[verdachte 1] heeft - na zijn eerste aanhouding in deze zaak (de zaak met het parketnummer 15/740225-10) - in voorarrest gezeten van 20 april 2010 tot 29 juni 2010.40

[verdachte 2] heeft - na zijn eerste aanhouding in deze zaak (de zaak met het parketnummer 15/740950-10 - in voorarrest gezeten van 18 augustus 2010 tot 29 oktober 2010.41

Op 18 augustus 2010, omstreeks 19.12 uur, wordt een gesprek tussen [verdachte 1] ([bijnaam verdachte 1]) en [getuige 7] in de auto van [verdachte 1] opgenomen. 's Middags had [verdachte 1] telefonisch van de politie gehoord dat [verdachte 2] was aangehouden. Over het gesprek heeft de politie het volgende gerelateerd:

"[verdachte 1] zegt dat ze hem de foto van die man getoond hebben. [getuige 7] vraagt wat [verdachte 1] toen gezegd heeft en zegt [verdachte 1] 'ik beroep op mijn zwijgrecht.. tot het eind..'.

[verdachte 1]: ze zijn woest geworden.. Ik heb [bijnaam verdachte 2] ook enkele dagen geleden ontmoet/tegen gekomen ik heb tegen hem gezegd... ik lieg niet tegen jou broeder!.. blijf op je NEE staan (...).. tot het eind swa.. begrijp je?

[getuige 7]: ehem..

[verdachte 1]: want ze kunnen mij geen moer doen.. ze hebben mij drie maanden vastgehouden."42

Volgens [getuige 7] gaat dit gesprek over [verdachte 2] en over de moordzaak waarvoor [verdachte 1] had vastgezeten.43

Op 20 augustus 2010 is [verdachte 2] door de rechter-commissaris gehoord in welk verhoor [verdachte 2] aangeeft dat hij op 14 februari 2010 samen met zijn toenmalige vriendin [getuige 8], zijn ex-vriendin [betrokkene 3], zijn broer [broer verdachte 2], een vriend [getuige 9] en zijn zoon [naam] thuis was op de [straatnaam] te Zaandam.44

Op 21 augustus 2010 belt [verdachte 2] met zijn vriendin [betrokkene 4] en zegt tegen haar dat zij mensen als [broer van verdachte 2], [betrokkene 3] en [getuige 9] moet bellen en tegen hen moet zeggen dat zij allemaal moeten komen verklaren dat hij, [verdachte 2], die zondag thuis was. Gebleken is dat [betrokkene 4] hierop deze mensen telefonisch heeft benaderd om voor [verdachte 2] te komen getuigen.45 Eén van deze mensen, [getuige 9], heeft verklaard dat de vriendin van [verdachte 2] hem gebeld heeft en tegen hem heeft gezegd, dat hij moest zeggen dat [verdachte 2] samen met hem en een paar vrienden was. Volgens [getuige 9] is dit niet waar. [verdachte 2] is een goede vriend van hem, maar hij heeft geen zin om meineed te plegen.46

Na zijn tweede aanhouding in deze zaak is [verdachte 2] met een ander alibi gekomen. Hij verklaart dan dat hij omstreeks het tijdstip van de moord in de woning aan de [straatnaam] te Zaandam met de moeder van [betrokkene 4] heeft gebeld.47 Uit onderzoek is evenwel gebleken dat dit niet waar is.48

[verdachte 1] heeft verklaard dat hij een hekel heeft aan mensen zoals [het slachtoffer]; mensen die zomaar langskomen om je geld te pakken. De hele familie van zijn zwager [betrokkene 1] had er last van. [verdachte 1] was niet bang voor [het slachtoffer]. Volgens [verdachte 1] moet je als iemand zo hebberig wordt een STOP zetten en dat kan je niet als je bang bent.49

4.2. Bewijsoverwegingen

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen blijkt dat de rechtbank de resultaten van het zogenoemde telecom-onderzoek, voor wat betreft de plaatsbepaling en mogelijk afgelegde routes van mobiele telefoons, niet redengevend heeft geacht voor de bewezen-verklaring. Na zorgvuldige bestudering van die resultaten alsmede de rapporten en/of het verhoor van de deskundigen van KPN en Vodafone-NL is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat op grond van deze resultaten geen harde conclusies, in belastende noch in ontlastende zin, kunnen worden getrokken met betrekking tot de locaties van de mobiele telefoons.

Daarbij betrekt de rechtbank in haar overwegingen dat verdachte zich - zowel bij de politie als op de terechtzitting - voor wat betreft het door hem gestelde kwijtraken van de telefoon met het nummer [06-nummer B] en het al dan niet kennen van zijn medeverdachte [verdachte 2], wisselende en elkaar uitsluitende, verklaringen heeft afgelegd.

Gezien de inhoud van de bewijsmiddelen kan het niet anders zijn dan dat verdachte en zijn medeverdachte zodanig nauw en bewust hebben samengewerkt, dat geoordeeld moet worden dat zij de moord op [het slachtoffer] "tezamen en in vereniging" hebben gepleegd, zoals bedoeld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht. Daaraan doet niet af dat niet met zekerheid is komen vast te staan wie van de verdachten de feitelijke schutter is geweest.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, ziet de rechtbank - zoals ook uit het voorgaande volgt - geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuige [getuige 4] en aan de juistheid van diens verklaring, voor zover deze tot het bewijs is gebezigd. [getuige 4] heeft zijn gedetailleerde verklaring in hoofdlijnen bij de rechter-commissaris - in het bijzijn van de verdediging - bevestigd en hij is bij die verklaring gebleven. Ook heeft [getuige 4] naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam en overtuigend uitgelegd waarom hij eerder anders heeft verklaard.

Voor het overige vindt het pleidooi van de verdediging zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Alternatieve scenario's zijn op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

De rechtbank komt derhalve op grond van de voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

4.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 14 februari 2010 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade Het slachtoffer van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere kogels afgevuurd op het lichaam van die [het slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van moord.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan de moord op [het slachtoffer]. In de avond van 14 februari 2010 is het slachtoffer omstreeks 20.50 uur op de openbare weg, door het afvuren van meerdere kogels, doodgeschoten. Het kan niet anders dan dat de moord op berekenende wijze is voorbereid en koelbloedig uitgevoerd.

Moord is een van de zwaarste misdrijven van het Wetboek van Strafrecht. De dood van het 32-jarige slachtoffer heeft voor de nabestaanden - onder wie zijn ouders, zus en dochter van 11 jaar oud - onpeilbaar veel leed veroorzaakt. Voorts is door het feit de rechtsorde ernstig geschokt. De moord heeft voor veel onrust gezorgd. Verschillende buurtbewoners hebben de knallen gehoord en hebben het bloedende slachtoffer op straat zien liggen. Gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving zijn hiervan het gevolg.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde komt alleen een vrijheidsbenemende straf van lange duur in aanmerking.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft de rechtbank, net als de officier van justitie, in ogenschouw genomen dat het slachtoffer zelf ernstige strafbare feiten pleegde jegens de familie van [verdachte 1]. De aanleiding tot de moord is immers gelegen in het feit dat het slachtoffer de familie van [verdachte 1] geld afperste. Hier staat echter tegenover dat (de familie van) [verdachte 1] niet naar de politie is gegaan en dat [verdachte 1] bewust voor eigen rechter heeft gespeeld, waarbij hij [verdachte 2] - een kennelijke buitenstaander - heeft ingeschakeld.

Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat hij, blijkens zijn (goeddeels zwijgende en ontkennende) proceshouding, geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden neemt.

8. Vorderingen benadeelde partijen

8.1. Vordering benadeelde partij [benadeelde 1] en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde 1] (de zus van het slachtoffer) heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.300,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, voor wat betreft de materiële schade tevens vermeerderd met de wettelijke rente. De gestelde materiële schade bestaat uit € 500,- aan telefoonkosten en € 800,- aan reis- en vervoerkosten, in verband met de begrafenis van het slachtoffer in Turkije. De gestelde immateriële schade bestaat uit een bedrag van € 5.000,-.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade ten bedrage van in totaal € 1.300,- rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit en - nu dit bedrag ook verder niet is weersproken door de verdediging - voor vergoeding in aanmerking komt. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Wat betreft de immateriële schade is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat deze, gezien de onderbouwing, niet voor vergoeding in aanmerking komt. Naar huidig recht kan voor het verdriet van het overlijden van een naaste geen smartengeld worden gevorderd. Voor zover de immateriële schade ziet op zogenoemde shockschade, is de rechtbank van oordeel dat beoordeling hiervan een onevenredige belasting vormt voor het strafgeding. De benadeelde partij dient zich hiervoor tot de burgerlijke rechter te wenden. Met betrekking tot dit deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: medeplegen van moord) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.2. Vordering benadeelde partij [benadeelde 2] en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde 2] (de vader van het slachtoffer) heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.200,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, voor wat betreft de materiële schade tevens vermeerderd met de wettelijke rente. De gestelde materiële schade bestaat uit € 500,- aan telefoonkosten, € 1.200,- aan reis- en vervoerkosten, € 1.500,- aan kosten voor de marmeren grafsteen plus gravering en € 2.000,- aan kosten met betrekking tot de plechtigheid, in verband met de begrafenis van het slachtoffer in Turkije. De gestelde immateriële schade bestaat uit een bedrag van € 5.000,-.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade ten bedrage van in totaal € 5.200,- rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit en - nu dit bedrag ook verder niet is weersproken door de verdediging - voor vergoeding in aanmerking komt. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Wat betreft de immateriële schade is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat deze, gezien de onderbouwing, niet voor vergoeding in aanmerking komt. Naar huidig recht kan voor het verdriet van het overlijden van een naaste geen smartengeld worden gevorderd. Voor zover de immateriële schade ziet op zogenoemde shockschade, is de rechtbank van oordeel dat beoordeling hiervan een onevenredige belasting vormt voor het strafgeding. De de benadeelde partij dient zich hiervoor tot de burgerlijke rechter te wenden. Met betrekking tot dit deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: medeplegen van moord) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.3. Vordering benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] (de moeder van het slachtoffer) heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Naar huidig recht kan voor het verdriet van het overlijden van een naaste geen smartengeld worden gevorderd. Voor zover de immateriële schade ziet op zogenoemde shockschade, is de rechtbank van oordeel dat beoordeling hiervan een onevenredige belasting vormt voor het strafgeding. De benadeelde partij dient zich hiervoor tot de burgerlijke rechter te wenden. De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 47, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert.

Verklaart dit feit strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (zowel onder parketnummer 15/740225-10 als onder parketnummer 15/700353-11), bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden materiële schade tot een bedrag van € 1.300,- en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1], voornoemd, rekeningnummer [nummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.300,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden materiële schade tot een bedrag van € 5.200,- en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2], voornoemd, rekeningnummer [nummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.200,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 61 (éénenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J. Kronenberg, voorzitter,

mr. E.P.W van de Ven en mr. S. Jongeling, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.P. van Os,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 april 2012.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 14 februari 2010 (dossierpagina 482, laatste alinea), proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 februari 2010 (dossierpagina 487), proces-verbaal relaas optreden plaats delict d.d. 12 april 2011 (dossierpagina 107) en proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 februari 2010 (dossierpagina 3218).

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2010 (dossierpagina's 3221-3222) en proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 februari 2010 (dossierpagina's 3218-3222).

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 april 2010 (dossierpagina's 3269-3277), proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2010 (dossierpagina's 3293-3299), proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 maart 2010 (dossierpagina's 3223-3225) en proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 maart 2010 (dossierpagina's 3226-3228).

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 maart 2010 (dossierpagina 3223, laatste alinea) en proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2010 (dossierpagina's 3291-3292).

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 februari 2010 (dossierpagina's 3218-3220) en proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2010 (dossierpagina 3221-3222).

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 maart 2010 (dossierpagina 256).

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 14 februari 2010 (dossierpagina 376), proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 14 februari 2010 (dossierpagina 483) en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 15 februari 2010 (dossierpagina 566).

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 15 februari 2010 (dossierpagina 383), proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 16 februari 2010 (dossierpagina 492) en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 15 februari 2010 (dossierpagina 566).

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 8 maart 2010 (dossierpagina 506).

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 8 maart 2010 (dossierpagina 506).

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 14 februari 2010 (dossierpagina 376).

13 Proces-verbaal van aangifte [betrokkene 1] d.d. 1 maart 2010 (dossierpagina's 9029-9038), proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte 1] d.d. 25 februari 2010 (dossierpagina's 10023-10025), proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 2] d.d. 27 april 2010 (dossierpagina 9185) en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 16 februari 2010 (dossierpagina 491, onder, en dossierpagina 492, onder).

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] d.d. 2 april 2010 (dossierpagina's 9047-9048), proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 2] d.d. 27 april 2010 (dossierpagina 9185 en dossierpagina's 9189-9190) en proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 1] d.d. 22 april 2010 (dossierpagina 10049).

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 2] d.d. 26 april 2010 (dossierpagina 9190) en proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 1] d.d. 22 april 2010 (dossierpagina 10049).

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] d.d. 2 april 2010 (dossierpagina 9045), proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 2] d.d. 26 april 2010 (dossierpagina's 9191-9192) en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 8 maart 2010 (dossierpagina 509, boven).

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 14 februari 2010 (dossierpagina 483, onder).

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 14 februari 2010 (dossierpagina 376), proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 14 februari 2010 (dossierpagina 483), proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 16 februari 2010 (dossierpagina 566), proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 februari 2010 (dossierpagina 172) en proces-verbaal van buurtonderzoek d.d. 15 februari 2010 (dossierpagina 178).

19 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 14 februari 2010 (dossierpagina 376).

20 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2010 (dossierpagina 129).

21 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 mei 2010 (dossierpagina's 227-230).

22 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 februari 2010 (dossierpagina 185).

23 Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 15 maart 2010 (Dossier Forensisch Onderzoek, pagina's 77-87).

24 Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 23 april 2010 (Dossier Forensisch Onderzoek, pagina's 324-343).

25 Proces-verbaal van aanhouding [verdachte 1] d.d. 20 april 2010 (dossierpagina 10028).

26 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 2] (inbewaringstelling) door de rechter-commissaris d.d. 20 augustus 2010 (dossierpagina 50094).

27 Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 4] d.d. 2 maart 2011 (dossierpagina 9390, en dossierpagina's 9392-9394).

28 Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 4] d.d. 2 maart 2011 (dossierpagina 9393, boven).

29 Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 4] d.d. 2 maart 2011 (dossierpagina 9407-9410).

30 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 maart 2011 (dossierpagina 331-334).

31 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2011 (dossierpagina 8028), proces-verbaal onderzoek Meander d.d. 27 juni 2011 (dossierpagina 8021) en processen-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 2] d.d. 19 augustus 2010 (dossierpagina's 50057-50058 en dossierpagina 50071).

32 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 2] (inbewaringstelling) door de rechter-commissaris d.d. 20 augustus 2010 (dossierpagina 50094).

33 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 oktober 2010 (dossierpagina's 7150-7153).

34 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 2] d.d. 18 augustus 2010 (dossierpagina's 50044-50066).

35 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] d.d. 28 april 2010 (dossierpagina 870).

36 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 maart 2010 (dossierpagina's 1859-1863) en proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2010 (dossierpagina's 1864-1866).

37 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] d.d. 28 april 2010 (dossierpagina's 874-875).

38 Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 5] (inbewaringstelling) door de rechter-commissaris d.d. 29 april 2010 (dossierpagina 9310).

39 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 19 maart 2012.

40 Proces-verbaal persoonsdossier [verdachte 1] d.d. 18 mei 2011 (dossierpagina 10004 en 10013).

41 Proces-verbaal persoonsdossier [verdachte 2] d.d. 18 mei 2011 (dossierpagina 50004 en 50013).

42 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2010 (dossierpagina's 2079-2081).

43 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7]d.d. 9 juni 2011 (dossierpagina's 8108-8109).

44 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 2] bij rechter-commissaris d.d. 20 augustus 2010 (dossierpagina 50094).

45 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 september 2010 (dossierpagina's 1911-1912, in combinatie met dossierpagina's 1916-1920).

46 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] d.d. 21 augustus 2010 (dossierpagina's 1592-1593).

47 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 2] d.d. 17 mei 2011 (dossierpagina's 50474-50476).

48 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 mei 2011 (dossierpagina's 50506-50508).

49 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 1] d.d. 22 april 2010 (dossierpagina's 10050-10052).