Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW0667

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/5487
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De BES eilanden vallen niet onder het begrip ‘Nederland’ van artikel 1, onderdeel c, van de Wmkob. In dat geval moet de AOW-gerechtigde om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming kob op grond van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen aantonen dat ten minste 90% van zijn wereldinkomen, in Nederland aan de belastingheffing is onderworpen. Eiser, wonende op Bonaire, voldoet niet aan die eis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-1038
V-N Vandaag 2012/952
V-N 2012/29.21.25

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 11/5487

Uitspraakdatum: 3 april 2012

Uitspraak in het geding tussen

X, wonende te Bonaire, eiser,

gemachtigde: A (wonende te Bonaire),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Op 6 juli 2011 heeft eiser middels een daartoe ingericht aanvraagformulier verweerder verzocht om tot betaling van de tegemoetkoming op grond van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (Wmkob) over te gaan.

1.2. Verweerder heeft bij beschikking van 10 augustus 2011 het verzoek afgewezen.

1.3. Verweerder heeft het daartegen gerichte bezwaar afgewezen bij uitspraak van 29 september 2011.

1.4. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

1.5. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.6. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2012. Van de zijde van eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. Namens verweerder is verschenen K. van Ingen, vergezeld van drs. J.A.N. van Gessel van de Belastingdienst Buitenland/kantoor Heerlen. Op dezelfde zitting zijn behandeld de zaken over hetzelfde onderwerp met zaaknummers 11/5072, 11/5230, 11/5753, 11/5215 en 11/5319.

2. Vaststaande feiten

2.1. Eiser, geboren op 19 september 1940, is woonachtig te Bonaire.

2.2. Eiser is rechthebbende op een AOW-uitkering, een – door de Rijksdienst Caribisch Nederland te verstrekken – AOV-uitkering en een overheidspensioen vanuit de BES eilanden.

2.3. Tot juni 2011 ontving eiser een tegemoetkoming op grond van artikel 33b van de AOW (in deze uitspraak aangeduid als: tegemoetkoming AOW). Die tegemoetkoming bedroeg laatstelijk € 33,09 bruto per maand.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of eiser per 1 juni 2011 recht heeft op de tegemoetkoming op grond van de Wmkob (in deze uitspraak aangeduid als: tegemoetkoming kob) en of eiser aanspraak heeft op een proceskostenvergoeding.

3.2. Eiser beantwoordt de in geschil zijnde vraag bevestigend. Verweerder neemt het standpunt in dat eiser geen recht heeft op de tegemoetkoming kob en ook niet op een proceskostenvergoeding.

3.3. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van artikel 14 van de Wmkob is artikel 33b AOW met ingang van 1 juni 2011 komen te vervallen. Op grond van de Wmkob kan met ingang van 1 juni 2011 recht bestaan op de tegemoetkoming kob.

4.2. De Wmkob bevat onder meer de volgende bepalingen:

“Artikel 1. Definities

In deze wet en de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

b. binnenlandse belastingplichtige: belastingplichtige als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

c. buitenlandse belastingplichtige: belastingplichtige als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, die aantoont dat ten minste 90% van zijn wereldinkomen, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, in Nederland aan de belastingheffing naar het inkomen is onderworpen;

d. ouderenkorting: heffingskorting als bedoeld in de artikelen 8.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en 22b van de Wet op de loonbelasting 1964;

(…)

Artikel 3. Tegemoetkoming

De binnenlandse of buitenlandse belastingplichtige die de leeftijd heeft bereikt waarop recht kan ontstaan op de ouderenkorting, heeft recht op een tegemoetkoming. Bij algemene maatregel van bestuur wordt de hoogte van de tegemoetkoming vastgesteld (…).”

4.3. Eiser neemt het standpunt in dat hij onder de Nederlandse belastingheffing valt. Hiertoe heeft eiser aangevoerd dat onder ‘Nederland’ in bedoeld artikel 1 moet worden verstaan zowel het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden als de BES eilanden.

4.4. De rechtbank stelt vast dat eiser in ieder geval niet als binnenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 1, onderdeel b, van de Wmkob is aan te merken. Voor de toepassing van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 kan eiser immers niet worden aangemerkt als inwoner van Nederland, nu het in deze bepaling gehanteerde begrip ‘Nederland’ op grond van artikel 2, derde lid, onderdeel d, onder 3°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) moet worden gelezen als het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden.

4.5. Alsdan kan eiser slechts recht doen gelden op toepassing van de Wmkob indien hij als buitenlandse belastingplichtige in de zin van de Wmkob is aan te merken. De vraag waarvoor de rechtbank zich in dit verband ziet gesteld, is wat onder ‘Nederland’ in artikel 1, onderdeel c, van de Wmkob moet worden begrepen. Hoewel de Awr in de Wmkob niet van overeenkomstige toepassing is verklaard, behalve wat betreft het instellen van rechtsmiddelen tegen beschikkingen die zijn genomen op grond van de Wmkob (zie artikel 19 van de Wmkob), ziet de rechtbank niettemin aanleiding voor het antwoord op de vraag aansluiting te zoeken bij de Awr. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen de omstandigheid dat in artikel 1, onderdelen b en c, van de Wmkob naar artikel 2.1 van de Wet IB 2001 wordt verwezen waarop de bepalingen van de Awr wel van toepassing zijn, alsmede de omstandigheid dat in de toelichting op artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen is vermeld dat onder buitenland in dit verband ook worden verstaan de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Dit is voorts in overeenstemming met de uitdrukking “Nederland” als gebezigd in de Belastingregeling voor het land Nederland (zie artikel 1.1, onderdeel c) alsmede met de Belastingwet BES (zie artikel 1.3, onderdeel g). De rechtbank is dan ook van oordeel dat de BES eilanden niet vallen onder het begrip ‘Nederland’ van artikel 1, onderdeel c, van de Wmkob.

4.6. Nu tussen partijen – naar de rechtbank begrijpt – niet in geschil is dat op grond van de Belastingregeling voor het land Nederland het heffingsrecht ter zake van eisers inkomsten (zie onder 2.2) niet toekomt aan Nederland (het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk) maar aan Bonaire, voldoet eiser niet aan het in artikel 1, onderdeel c, van de Wmkob begrepen 90%-vereiste. Dat de belastingopbrengsten uit de BES eilanden en de belastingopbrengsten uit het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk – naar eiser onbestreden heeft gesteld – in dezelfde schatkist vloeien, doet daar niet aan af. Dit heeft ook te gelden voor eisers stelling dat op de website van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – naar eiser stelt – is vermeld dat bewoners van Caribisch Nederland sinds 10 oktober 2010 dezelfde rechten hebben als Nederlanders omdat de BES eilanden vanaf die datum Nederlandse gemeenten zijn.

4.7. Voor zover eiser betoogt dat de Wmkob – een wet in formele zin – leidt tot willekeur en dat ter zake sprake is van schending van het in artikel 1 van de Grondwet neergelegde verbod op discriminatie, kan dat betoog eiser niet baten. Het is de rechtbank op grond van artikel 120 van de Grondwet niet toegestaan een wettelijke regeling te toetsen aan het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel. Daarnaast is de rechtbank op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet bevoegd om de innerlijke waarde of billijkheid van een wet te beoordelen.

4.8. Eiser beroept zich er voorts op dat verweerder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, doordat verweerder onvoldoende voor het voetlicht heeft gebracht dat in de relevante regelgeving onder ‘Nederland’ niet het Caribisch deel van het land Nederland wordt begrepen. Voor zover eiser hiermee betoogt dat hij door verweerder op het verkeerde been is gezet, kan de rechtbank eiser daarin niet volgen. Ook in zoverre is het gelijk derhalve aan verweerder.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat het gelijk aan verweerder is. Gelet hierop alsmede op de omstandigheid dat bij de uitspraak op bezwaar de beschikking van verweerder van 10 augustus 2011 (de primaire beschikking) in stand is gelaten, heeft verweerder eisers verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarfase mogen afwijzen. De hiertegen gerichte grief faalt derhalve.

4.10. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, S.K.A. Efstratiades en mr. R. van Scharrenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.