Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW0589

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
543273 \ AO VERZ 12-25
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsontbinding. Verzoek afgewezen. Verdenking van diefstal in zorgcentrum onvoldoende om tot ontbinding over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rep.nr.: 543273 \ AO VERZ 12-25

datum uitspraak: 29 februari 2012

BESCHIKKING ONTBINDING ARBEIDSOVEREENKOMST

inzake

de stichting Stichting SHDH

te Haarlem

verzoekster

hierna: Stichting SHDH

gemachtigde: mr. M. Middeldorp

tegen

[werkn[werkneemster]

te [woonplaats]

verweerster

hierna: [werkneemster]

gemachtigde: mr. P.P. Hoyng

De procedure

Op 19 januari 2012 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen van Stichting SHDH.

[werkneemster] heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012. Op deze zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De gemachtigde van Stichting SHDH heeft pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro¬ken inhoud van de producties, staat tussen partij¬en het volgende vast:

a. [werkneemster], geboren op 10 januari 1975, is sinds 1 september 2099 bij Stichting SHDH in dienst, laatstelijk in de functie van medewerker huishouding tegen een salaris van € 1.094,38 bruto per maand inclusief vakantiegeld (en overige emolumenten).

b. Artikel 15 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

“De werknemer zal geen geschenken, beloningen, provisies, erfenissen of legaten aanvaarden van instanties of personen met hij uit hoofde van zijn functie in aanraking komt.”

c. Bij brief van 13 december 2011 heeft Stichting SHDH [werkneemster] medegedeeld dat zij vanaf 12 december 2011 is geschorst. Als reden voor die schorsing wordt in de brief vermeld dat is geconstateerd dat op 9 december 2011 een horloge van een van de bewoonsters werd vermist en dat dit horloge is gevonden in de vuilniszak die [werkneemster] had afgevoerd.

d. De schorsing is door Stichting SHDH daarna verlengd tot 27 december 2011, waarna Stichting SHDH [werkneemster] bij brief van 22 december 2011 heeft medegedeeld dat zij vanaf 27 december 2011 werd vrijgesteld van het verrichten van haar werkzaamheden met behoud van haar loon.

e. Bij brief van 29 december 2011 heeft Stichting SHDH het volgende aan [werkneemster] geschreven:

“(…)

Geconstateerd is dat SDHD niet onomstotelijk kan bewijzen dat u zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van het horloge (en de armband). Om die reden zult u niet op staande voet ontslagen worden. Daar staat tegenover dat er geen enkele aanwijzing is dat een andere medewerker bij de kwestie betrokken was. (…) Daarentegen zijn er vele aanwijzingen dat u bij deze diefstal en eerdere vermissingen wel degelijk betrokken bent geweest. Daarom (…) zal worden verzocht om de arbeidsovereenkomst (…) te ontbinden.”

Het verzoek

Stichting SHDH verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair wegens een dringende reden en subsidiair wegens veranderingen in de omstandigheden.

Ter toelichting stelt Stichting SHDH – samengevat – het volgende.

Stichting SHDH streeft naar beëindiging van de arbeidovereenkomst, omdat [werkneemster] het vermoeden, dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan (een poging tot) diefstal, niet heeft kunnen weerleggen.

Uit het ingestelde onderzoek is het volgende gebleken:

- Op 8 december 2011 is het horloge van mevrouw [X] ook kwijtgeraakt. Nadat zij dit had gemeld hebben twee medewerkers uitvoerig naar het horloge gezocht, ook in de handtas van mevrouw [X] Zij hebben het horloge niet kunnen vinden. Korte tijd later meldde [werkneemster] dat zij het horloge in de handtas van mevrouw [X] had gevonden.

- [werkneemster] had op 9 december 2011 geen reden om het appartement van mevrouw [X] binnen te gaan. Zij kon niet weten dat haar collega daar aanwezig was en zij had geen schoonmaakspullen bij zich.

- Het horloge is gevonden in een pedaalemmerzakje dat uit het appartement van de buren van mevrouw [X] afkomstig was. Dat appartement is wel door [werkneemster] schoongemaakt.

- De andere medewerkers die op 9 december 2011 op de afdeling werkzaam waren, waren alle op andere delen van de afdeling werkzaam. Zij hadden geen bemoeienis met de appartementen en zijn daar ook niet gesignaleerd.

Sedert de schorsing van [werkneemster] is het aantal diefstallen en verdwijningen gestopt.

Het blijft een feit dat een aantal bewoners en medewerkers hebben aangevoeld dat [werkneemster] verantwoordelijk was voor de diverse verdwijningen en dat met haar vertrek de rust op de afdeling is weergekeerd.

[werkneemster] is in de gelegenheid geweest toen mevrouw [X] aan het douchen was om het horloge weg te nemen. [werkneemster] beschikte over een zogeheten “masterkey” die voor alle appartementen hetzelfde is.

Op het moment dat [werkneemster] de vuilnis uit haar kar haalde om het in de container op het balkon te doen, zijn medewerkers de directeur gaan halen. Deze wilde niet direct de vuilniszak controleren om de rust te bewaren. Pas na het vertrek van [werkneemster] is de container op het balkon gecontroleerd.

Indien de kantonrechter van oordeel zou zijn dat geen sprake is van een dringende reden, dan stelt Stichting SHDH zich op het standpunt dat in elk geval sprake is van een verandering in omstandigheden die de ontbinding rechtvaardigt. In dat geval kan er geen sprake zijn van enige vergoeding aan [werkneemster].

Het verweer

[werkneemster] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [werkneemster] om toekenning van een vergoeding van € 10.000,00.

Ter toelichting voert [werkneemster] – samengevat – het volgende aan:

[werkneemster] betwist dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan (een poging tot) diefstal.

[werkneemster] heeft van 11.00 uur tot 11.20 uur in haar pauze koffie gedronken met collega’s en de kerstmarkt beneden in het gebouw De Rijp bezocht. Toen zij om 11.20 uur terugkeerde naar haar werkplek, hoorde [werkneemster] mevrouw Kalis in de kamer van mevrouw [X] praten. Zij heeft toen aan mevrouw Kalis gevraagd of deze haar kon helpen bij het vastmaken van een armbandje dat [werkneemster] op de kerstmarkt had gekocht. Mevrouw Kalis was toen al op zoek naar het horloge van mevrouw [X]

Het is niet juist dat [werkneemster] op 9 december 2011 de kamer van mevrouw [X] tweemaal zou hebben betreden. [werkneemster] heeft de kamer van mevrouw [X] op 9 december 2011 niet betreden, omdat deze kamer op vrijdag immers nooit wordt schoongemaakt.

De directeur heeft vervolgens alle medewerkers van de tweede etage bij elkaar geroepen en hij heeft met hen gesproken over de verdwijning van het horloge.

De directeur heeft aan het einde van de bijeenkomst niet duidelijk verzocht de werkzaamheden op te schorten en bij elkaar te blijven in de koffieruimte. Iedereen verliet na het vertrek van de directeur de koffieruimte. Het is juist dat [werkneemster], zoals gebruikelijk, op dat moment de vuilniszak van haar schoonmaakkar heeft weggegooid in de container op het balkon.

[werkneemster] werd op 9 december 2011 door de leidinggevende van de eerste verdieping om 13.45 uur naar huis gestuurd.

[werkneemster] is niet aanwezig geweest bij het onderzoek van de vuilniszak waarin de pedaalemmerzakjes zaten.

Ieder willekeurig iemand kan iets in de vuilniszak in de schoonmaakkar hebben gegooid. Tijdens de pauze van [werkneemster] heeft haar schoonmaakkar onbeheerd gestaan, terwijl het onderzoek van de container pas na het vertrek van [werkneemster] is verricht.

[werkneemster] bestrijdt voorts dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan de overige door Stichting SHDH gestelde verdwijningen van geld.

De beschuldigingen van Stichting SHDH zijn onterecht.

[werkneemster] is van mening dat de arbeidsovereenkomst niet ontbonden moet worden en zij wenst haar werkzaamheden zo spoedig mogelijk te hervatten.

Voor zover de kantonrechter van oordeel is dat wel sprake zou zijn van een gewichtige reden die ontbinding rechtvaardigt, dan is een aanzienlijke vergoeding op basis van de redelijkheid en billijkheid subsidiair op basis van correctiefactor C=5,4 geïndiceerd.

[werkneemster] valt geen rechtens relevant verwijt te maken. De door [werkneemster] geleden en nog te lijden schade is als gevolg van de valse beschuldigingen aanzienlijk.

De beoordeling van het verzoek

Ontbinding van de arbeidovereenkomst

1. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:685 lid 1 BW.

2. Zoals tussen partijen vast staat is geen bewijs voorhanden dat [werkneemster] daadwerkelijk de diefstal van het horloge van mevrouw [X] heeft gepleegd en/of dat zij zich zou hebben schuldig gemaakt aan een van de andere door Stichting SHDH gestelde verdwijningen.

3. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat van een dringende reden geen sprake is, zodat het verzoek niet op die grond kan worden toegewezen.

4. Vervolgens moet worden beoordeeld of Stichting SHDH zich terecht op gewijzigde omstandigheden beroept die erin bestaan dat zij het vertrouwen in [werkneemster] heeft verloren doordat deze de tegen haar gerezen verdenkingen onvoldoende zou hebben ontzenuwd.

5. De kantonrechter stelt voorop dat voor een zo ingrijpende maatregel als ontbinding van de arbeidsovereenkomst vereist is dat sprake is van sterke aanwijzingen die door [werkneemster] niet zijn weerlegd. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Hij overweegt daartoe het volgende.

6. Ter zitting moest Stichting SHDH terugkomen op haar eerdere stelling dat [werkneemster] op de bewuste dag van 9 december 2011 tweemaal in de kamer van mevrouw [X] is geweest. Voorts heeft zij ook moeten erkennen dat [werkneemster] met toestemming van een leidinggevende om 13.45 uur naar huis is gegaan. Daarmee ontvallen twee belangrijke aanwijzingen aan de grondslag van het verzoek. Immers, het verweer van [werkneemster] dat zij slechts eenmaal in de kamer van mevrouw [X] is geweest en dat zij met toestemming om 13.45 uur naar huis is gegaan, treft doel. Daarmee heeft zij dus de betrokken stellingen van Stichting SHDH afdoende weerlegd.

7. Stichting SHDH had het onderzoek aan de schoonmaakkar van [werkneemster] onmiddellijk tijdens het onderhoud in de koffieruimte en in ieder geval in aanwezigheid van [werkneemster] moeten verrichten. Zij heeft daar te lang mee gewacht, waardoor de mogelijkheid ontstond dat anderen zaken in de vuilniszak zouden deponeren.

8. Het feit dat na de schorsing van [werkneemster] geen verdwijningen meer zijn geconstateerd, zegt onvoldoende. Immers, het is binnen Stichting SHDH algemeen bekend dat er sprake was van diefstal van een horloge en dat daar onderzoek naar werd verricht. Het is dus geenszins uit te sluiten dat anderen zich thans koest houden en dat om die reden geen verdwijningen meer zijn geconstateerd.

9. Voorts kan de kantonrechter geen belang hechten aan de beschuldigingen met betrekking tot verdwijningen in het verleden. Daarvoor zijn onvoldoende aanwijzingen die in de richting van [werkneemster] wijzen. Als er in het verleden al sprake zou zijn geweest van verdenking tegen [werkneemster] dan had Stichting SHDH op dat moment al actie moeten ondernemen.

10. Ook de stelling van Stichting SHDH dat [werkneemster] in strijd met de voorschriften geschenken van bewoners heeft aangenomen, kan er niet toe leiden dat thans de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. [werkneemster] heeft in dat verband wel erkend dat zij een trui heeft aangenomen in de veronderstelling verkerende dat dit was toegestaan. Artikel 15 van de arbeidsovereenkomst laat er echter geen twijfel over bestaan dat ook het aannemen van een trui niet is geoorloofd. Dit op zichzelf staande feit is evenwel onvoldoende van gewicht om de ontbinding te rechtvaardigen. Daarbij weegt mee dat [werkneemster] reeds eerder hierop was aangesproken en dat dit feit destijds voor Stichting SHDH kennelijk geen aanleiding was voor verdere stappen.

11. Op grond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat [werkneemster] wel degelijk het vermoeden van Stichting SHDH heeft weerlegd en dat Stichting SHDH zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld geen vertrouwen meer te hebben in [werkneemster].

12. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Voor toewijzing van het verzoek met toekenning van een vergoeding aan [werkneemster] acht de kantonrechter voorts geen grond aanwezig, omdat dit onaanvaardbare gevolgen voor [werkneemster] met zich zou brengen. Zij heeft, zoals zij onweersproken heeft gesteld, jarenlang zonder problemen en naar tevredenheid van diverse werkgevers in de schoonmaakbranche gewerkt. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou met zich brengen dat [werkneemster] het etiket krijgt opgeplakt dat zij niet te vertrouwen is. Dat zou ertoe kunnen leiden dat zij nergens meer werk zou kunnen vinden.

13. Gezien de aard van de procedure worden de kosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

Wijst het verzoek af.

Bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde uitspraakdatum.

Coll.