Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW0082

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
15/801621-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

32 maanden gevangenisstraf voor het afhalen van een drugskoerier op Schiphol. Verdachte heeft samen met anderen handelingen verricht die waren gericht op het verder vervoer van de ingevoerde drugs en hij heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het medeplegen van het op 10 december 2011 door [koerier] opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/801621-11

Uitspraakdatum: 20 maart 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 maart 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder geregistreerde woon- of verblijfplaats hier te lande, doch verblijvende te Rotterdam,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 december 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Ten aanzien van het in beslag genomen geld heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dit aan verdachte dient te worden teruggegeven.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 10 december 2011 om 12:27 uur is vlucht PY 994 vanuit Paramaribo aangekomen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Bij een verscherpte douanecontrole op deze vlucht is de bagage gecontroleerd van passagier [naam koerier] (hierna ook: [koerier]), wonende te Rotterdam. In de rolkoffer van [koerier] is een aantal textielstukken aangetroffen die volgens het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) zijn geïmpregneerd met cocaïne.

Nadat [koerier] is aangehouden, vertelt hij dat er buiten twee a drie mensen staan te wachten en dat hij de rolkoffer met inhoud aan deze mensen moet overdragen. Hij geeft aan vrijwillig te willen meewerken aan het onderkennen van zijn mogelijke afhalers. Volgens [koerier] gaat het om een negroïde Surinaamse man met de bijnaam Stikko of Klikko. De verdovende middelen zijn voor deze man bestemd en moeten worden afgeleverd in een Turks café in Rotterdam. Volgens [koerier] zou hij door een of twee mannen worden afgehaald op de luchthaven. Eén opdrachtgever is volgens [koerier] een man met een creools uiterlijk die rond de vijfendertig jaar oud is. Hij vertelt verder dat er meerdere keren door één van zijn opdrachtgevers naar zijn mobiele telefoon is gebeld en op het moment dat verbalisanten de telefoon van [koerier] tonen, wordt er ingebeld door telefoonnummer [telefoonnummer]. [koerier] geeft aan dat dit het telefoonnummer van zijn opdrachtgever is en dat deze opdrachtgever op de luchthaven Schiphol is. Omstreeks 15:00 uur diezelfde dag wordt er door de Koninklijke Marechaussee (hierna: de KMar) een voorverkenning voor een mogelijke observatie uitgevoerd. Hierbij wordt gezien dat er in het zogenaamde afhalersgedeelte van Terminal 4 Aankomsthal Plaza drie negroïde mannen zijn, van wie later is vastgesteld dat dit onder andere [medeverdachte] en verdachte zijn. Zij kijken in de richting van de douaneuitgang van de Terminal 4 Aankomsthal. Verbalisanten hebben de mobiele telefoon van [koerier] meegenomen en als zij telefoonnummer [telefoonnummer] bellen, zien zij dat [medeverdachte] naar de mobiele telefoon in zijn hand kijkt. Verbalisanten stellen vast dat [medeverdachte] voldoet aan het door [koerier] gegeven signalement van zijn opdrachtgever. Even later zien verbalisanten [medeverdachte] en verdachte bij een bloemenstal staan en merken verbalisanten dat [medeverdachte] en verdachte opvallend veel belangstelling voor hen hebben en hun gangen nakijken. Enige tijd later komen verbalisanten [medeverdachte] en verdachte opnieuw tegen en merken zij dat genoemde mannen hen aankijken. Eén van de mannen spreekt verbalisanten aan met de woorden: “Is er wat?'' Als een van de verbalisanten zich bekendmaakt als opsporingsambtenaar, verklaart verdachte dat hij op Schiphol is om zijn neef [koerier] af te halen die eerder die dag zou zijn aangekomen vanuit Suriname. Vervolgens vraagt de KMar aan de douane om met de mobiele telefoon van [koerier] in te bellen op het nummer [telefoonnummer]. Daarop krijgt de mobiele telefoon van [medeverdachte] een oproep en als verbalisanten dit nummer met de telefoon van [medeverdachte] terugbellen, blijkt dat de mobiele telefoon van [koerier] een inkomende oproep krijgt van [telefoonnummer], zijnde het telefoonnummer dat in het bezit is van [medeverdachte]. Hierop zijn [medeverdachte] en verdachte aangehouden ter zake van vermoedelijke overtreding van de Opiumwet.

Op camerabeelden die zijn gemaakt door Camera Toezicht Ruimte is te zien hoe verdachte en [medeverdachte], al dan niet in het gezelschap van een negroïde man met rastahaar, zich tussen 12:21 uur en 15:28 uur ophouden op en rond de aankomsthallen van de luchthaven Schiphol, waarbij zij soms gezamenlijk te zien zijn en zij soms apart van elkaar lopen dan wel wachten.

[koerier] heeft verklaard dat hij benaderd is door een paar 'gasten' in Rotterdam die hem vroegen om cocaïne mee te nemen. Tevens verklaart [koerier] dat zij hem in de maling hebben genomen. Als hij gepakt zou worden wist hij van tevoren dat hij ongeveer een jaar zou moeten zitten. De afspraak zou zijn een kilo of anderhalve kilo. [koerier] zou voor het meenemen van cocaïne een beloning van maximaal vierduizend euro krijgen. Degene die hem op pad stuurde, heeft hij op de avond dat hij werd aangehouden bij de advocaat gezien. Deze man zou [koerier] van de luchthaven komen afhalen en [koerier] kent hem als [voornaam medeverdachte]. Hij komt van Rotterdam en is werkzaam als bezorger voor een apotheek.

[medeverdachte] brengt naar eigen zeggen voorgeschreven medicaties weg, via apotheek Exler in Rotterdam Noord. [medeverdachte] is op 10 december 2011 naar Schiphol gegaan om daar te wachten op [koerier]. [medeverdachte] heeft als bijnamen Cleo, [voornaam medeverdachte], Clicks, Click en Cle.

Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn vriend mee was om [koerier] op te halen en dat hij van hem heeft gehoord dat [koerier] op Schiphol zou aankomen. Ook verklaart verdachte dat vrienden hem wel eens Stiko noemen. Verdachte heeft verder in zijn telefoon een foto van [koerier].

4.2. Bewijsoverweging

Vrijspraak?

De raadsvrouw van verdachte heeft algehele vrijspraak bepleit. Volgens de verdediging blijkt niet dat verdachte ten tijde van het ophalen van [koerier] wist dat laatstgenoemde naar Suriname zou gaan om drugs op te halen en zou terugkeren met een paar kilo cocaïne. [koerier] zou over verdachte niet belastend hebben verklaard. Er is géén bewijsmateriaal aanwezig waaruit blijkt dat verdachte op enig moment geweten heeft dat [koerier] drugskoerier was. De door verdachte afgelegde verklaringen worden niet weersproken en op essentiële onderdelen ondersteund door onderzoeksresultaten.

Meer in het bijzonder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte een geldbedrag van € 500,00 aan “Rasta” heeft gegeven. Rasta zou dit bedrag aan [koerier] hebben gegeven om dit weer namens verdachte aan Melissa (de moeder van een van de kinderen van verdachte) te geven in Suriname. Omdat Melissa aan verdachte had laten weten dat zij het bedrag niet heeft ontvangen, wilde verdachte van [koerier] weten waarom hij het geldbedrag niet had afgegeven. Daarom zou verdachte zijn meegegaan naar Schiphol. Op 10 december 2011 zou verdachte zijn gebeld door [medeverdachte] en Rasta die hem zeggen dat [koerier] die dag aan zou komen en vragen hem of hij meekomt naar Schiphol. Verdachte wist niet dat [koerier] een drugskoerier was. Het was hem te doen om die € 500,00 die niet zou zijn afgegeven.

Het gedrag van verdachte op Schiphol is volgens de raadsvrouw evenmin overtuigend bewijs van enige strafbare betrokkenheid en is zelfs een ontlastende aanwijzing. Verdachte heeft niet de benen genomen toen hij het wachten beu was. In tegenstelling tot Rasta heeft hij zich niet uit de voeten gemaakt. Het gedrag van Rasta past bij een betrokkene die weet heeft van de drugs. Verdachte zou zelfs de KMar-verbalisanten hebben aangesproken en gevraagd hebben waar [koerier] bleef, dit terwijl verdachte eerder veroordeeld is wegens overtreding van de Opiumwet.

Volgens de raadsvrouw ontbreekt op grond van het voorgaande bewijs voor het opzettelijk medeplegen van de invoer van cocaïne en dient verdachte te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank over het bewijsverweer

De rechtbank verwerpt dit verweer nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [koerier], [medeverdachte] en – mogelijk – “Rasta”.

In de telefoon van verdachte is een aantal sms- en pingberichten aangetroffen die in november 2011 (rond het vertrek van [koerier]) en december 2011 (rond de aankomst van [koerier]) zijn verzonden en ontvangen. De inhoud daarvan – die van versluierende aard is – heeft naar het oordeel van de rechtbank betrekking op (het afhalen van) een drugskoerier en geen betrekking op het al dan niet betalen van een geldbedrag aan een zekere Melissa of “Melli”. Uit genoemde berichten maakt de rechtbank overigens op dat verdachte op 10 december 2011 zenuwachtig wordt door het wegblijven van deze koerier na de landing op Schiphol. Tenslotte kan niet onvermeld blijven dat door de recherche Rotterdam-Rijnmond is aangegeven dat [medeverdachte] en verdachte geen onbekenden zijn wat betreft zaken met verdovende middelen en dat zij hierbij veelal samenwerken met een groep mensen uit Rotterdam.

De alternatieve lezing die verdachte heeft gegeven omtrent zijn aanwezigheid op Schiphol, te weten het informeren bij [koerier] omtrent een via een derde aan hem meegegeven geldbedrag voor Melissa, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] hem belde met de vraag of hij meeging naar Schiphol om [koerier] op te halen. [koerier] heeft verklaard dat hij op verzoek van [medeverdachte] cocaïne zou meenemen. Het wekt dan ook bevreemding dat [medeverdachte] op Schiphol, een openbare plaats waar veel opsporingsambtenaren zijn, op het moment dat hij daar een drugskoerier komt afhalen hierbij een niet-ingewijde zou betrekken, die bovendien deze koerier wil aanspreken op iets heel anders, een geldbedrag, en daarmee de aandacht van opsporingsambtenaren zou kunnen trekken. Bovendien leidt de rechtbank uit de door verdachte tegenover de KMar afgelegde verklaring af dat [koerier] bij zijn vriendin om de hoek woont en dat hij [koerier] nog wel een keertje tegenkomt in Rotterdam-Noord. Voor verdachte was er dan ook geen dringende noodzaak om [koerier] juist op Schiphol op het geldbedrag aan te spreken, waarbij hij niet alleen naar Schiphol moet reizen, maar ook veel tijd kwijt zou kunnen zijn met het wachten op [koerier]. Daarbij komt dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de manier waarop de foto van [koerier] in zijn telefoon is gekomen. Verdachte heeft in eerste instantie verklaard dat hij deze foto heeft gekregen van “Rasta”, zegt daarna dat hij de foto zelf met zijn telefoon heeft gemaakt en komt daarna weer terug op zijn eerste verklaring over dit punt.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande de verklaring van verdachte dat hij niets heeft geweten van de cocaïnesmokkel door [koerier], gelegd naast de ongewone en verdachte omstandigheden van het geval, ongeloofwaardig. Dit houdt in dat, waar van verdachte naar aanleiding van voorgehouden vaststaande feiten redelijke, verifieerbare verklaringen mochten worden verwacht, deze verklaringen niet zijn gegeven, zodat aan de uitleg van verdachte geen gewicht kan worden toegekend. Dientengevolge worden de verklaringen van verdachte zo onwaarschijnlijk geacht, dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk bekend was met de aanwezigheid van cocaïne bij [koerier].

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte op 10 december 2011 naar Schiphol is gereisd met het kennelijke doel om de drugskoerier [koerier] af te halen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte samen met anderen handelingen heeft verricht die waren gericht op het verder vervoer van de ingevoerde drugs en dat hij zich aldus schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het op 10 december 2011 door [koerier] opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne.

Wat betreft het voorwaardelijke onderzoeksverzoek van de raadsvrouw ziet de rechtbank, gelet op het vorenoverwogene, geen aanleiding om de reeds ter terechtzitting gemotiveerde afwijzing van deze verzoeken te heroverwegen.

4.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 10 december 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Wat betreft de hoeveelheid cocaïne die [koerier] meevoerde, overweegt de rechtbank het volgende. De officier van justitie heeft ten aanzien van de strafmaat aangegeven dat opvalt dat er enig verschil is waar te nemen tussen de in het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen vermelde goederen waarin zich cocaïne zou bevinden en een notitieschema van het NFI waarin bedoelde goederen zijn opgesomd. Gelet op het verschil tussen de lijst van de KMar en de lijst van het NFI, heeft de officier van justitie bij de bepaling van de strafmaat de op het notitieschema vermelde categorieën D en F buiten beschouwing gelaten. Gelet op het door het NFI verrichte onderzoek en rekening houdend met het uitsluiten van het gewicht aan cocaïne van de categorieën D en F, zal de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat ervan uitgaan dat verdachte handelingen heeft verricht die waren gericht op het medeplegen van de (verlengde) invoer van netto ruim twee kilo cocaïne, dus niet op de door het NFI berekende hoeveelheid van 2,7 kilogram.

Verdachte heeft zich samen met anderen derhalve schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ruim twee kilo cocaïne. Medeverdachte [medeverdachte] heeft [koerier] opdracht gegeven deze cocaïne mee te nemen en [medeverdachte] en verdachte waren op Schiphol aanwezig om deze koerier af te halen. Verdachte neemt door zijn rol van afhaler een belangrijke plaats in binnen organisaties die zich bezighouden met internationale drugshandel. Immers, zij zijn de koppeling tussen de koerier en de organisatie en dragen er zorg voor dat de gesmokkelde drugs - veilig - bij de organisatie terechtkomt. Terwijl de koerier - tegen een geringe beloning - de meeste risico's loopt, blijven mannen als verdachte en [medeverdachte] bij de opsporing en vervolging vaak buiten schot, terwijl zij juist degenen zijn die veel meer profiteren van de aanzienlijke winsten die met de handel in cocaïne worden gemaakt.

Verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen zeer schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheden waren van dien aard dat deze bestemd moeten zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Met de handel in deze stoffen wordt veel geld verdiend. Kennelijk heeft verdachte zich met voorbijzien aan de gezondheidsrisico’s van anderen uitsluitend laten leiden door het oogmerk van financieel gewin.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding af te wijken van de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 47 van het Wetboek van strafrecht;

artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert;

verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 (zegge: tweeëndertig) maanden;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van:

2. Geld Euro

28 bb van 20 euro

3. Geld Euro

16 bb van 10 euro

4. Geld Euro

12 bb van 5 euro.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.M. Jansen, voorzitter,

mrs. A.E. Patijn en S.C.A. van Kuijeren, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 maart 2012.