Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BV9699

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-03-2012
Datum publicatie
22-03-2012
Zaaknummer
15/701006-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; woning inbraak; diefstal met braak; medeplegen; diefstal in vereniging; opzetheling, meermalen gepleegd; vordering benadeelde partij; schadevergoedingsmaatregel; beslag; verbeurd verklaring; bewaring ten behoeve van de rechthebbende; teruggave aan rechthebbende; teruggave aan verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee woninginbraken en aan opzetheling. Door deze feiten is niet alleen materiële schade toegebracht aan de benadeelden, maar is ook een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Dit kan gevoelens van angst en onveiligheid en meer in het algemeen maatschappelijke onrust veroorzaken. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan, te meer nu de feiten zijn gepleegd op Eerste Kerstdag, een dag waarop veel mensen van huis zijn om Kerstmis met familie te vieren. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte blijkens zijn deels ontkennende opstelling zich geen rekenschap heeft gegeven van het laakbare van zijn handelen. Daar komt bij dat uit verdachtes justitiële documentatie blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest ter zake van vermogensdelicten. De rechtbank is, met de officier van justitie en in afwijking van het advies van de Reclassering Nederland, van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht in deze zaak niet passend is. Gelet op het door de reclassering als hoog gemiddeld ingeschatte recidiverisico, hetgeen bevestiging vindt in een recente veroordeling in Frankrijk voor een vermogensdelict, en het risico dat verdachte zich zal onttrekken aan voorwaarden dat door de reclassering eveneens als hoog wordt ingeschat, nu verdachte zich al eerder aan voorwaarden heeft onttrokken, ziet de rechtbank geen ruimte voor een werkstraf dan wel een deels voorwaardelijke straf. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden, waarbij voor wat betreft de duur daarvan zal worden aangesloten bij wat in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/701006-11

Uitspraakdatum: 12 maart 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 februari 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Nijmegen,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

feit 1:

hij op of omstreeks 25 december 2011 te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres] heeft weggenomen 7 gouden ketting(en) en/of 1 zilveren ketting en/of 3 paar gouden oorbellen en/of 7 gouden armband(en) en/of 10 gouden ring(en) en/of 1 gouden horloge en/of een hangertje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

feit 2

primair:

hij op of omstreeks 25 december 2011 te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (perceel: [adres 2]) heeft weggenomen twee, althans één of meer horloge(s) en/of een broche en/of een armband en/of zeven, althans één of meer ring(en) en/of een ketting, althans één of meer siera(a)d(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair:

hij op of omstreeks 25 december 2011 te Purmerend, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, twee, althans één of meer horloge(s) en/of een broche en/of een armband en/of zeven, althans één of meer ring(en) en/of een ketting, althans één of meer siera(a)d(en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die horloge(s) en/of die broche en/of die armband en/of die ring(en) en/of die ketting, althans die sier(a)ad(en) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

feit 3:

hij op of omstreeks 25 december 2011 te Purmerend, in elk geval in Nederland, een ring en/of een USB-stick (toebehorende aan [slachtoffer 4]) en/of een collier en/of een armband en/of twee, althans één of meer oorbel(len) en/of vier, althans één of meer ring(en) en/of een horloge, althans één of meer siera(a)d(en) (toebehorende aan [slachtoffer 5]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die ring en/of die USB-stick en/of dat collier en/of die armband en/of die oorbel(len) en/of die ring(en) en/of dat horloge, althans die siera(a)d(en) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met bepaling van de hoofdelijkheid.

Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie het volgende gevorderd:

- bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de nummers 1 tot en met 10, 25, 30, 32 en 35 tot en met 47;

- verbeurdverklaring van nummer 11;

- teruggave aan verdachte van de nummers 12, 13, 15, 48 en 49;

- teruggave aan de rechthebbende, zijnde aangever [slachtoffer 4], van de nummers 13A en 27;

- teruggave aan de rechthebbende, zijnde Hotel Campanile, van nummer 14A;

- teruggave aan de rechthebbende, zijnde aangever [slachtoffer 1], van nummer 14;

- teruggave aan de rechthebbende, zijnde aangever [slachtoffer 3], van de nummers 16 tot en met 19, 22, 26, 28, 29, 31, 33 en 34 en

- teruggave aan de rechthebbende, zijnde aangever [slachtoffer 5], van de nummers 20, 21, 23 en 24.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Feit 1

Op 25 december 2011 omstreeks 19.50 uur komt bij de politie een melding binnen dat er mogelijk wordt ingebroken op - naar later blijkt - het adres [adres] te Purmerend. Verbalisant ziet dat de deur aan de achterzijde, die wijd openstaat, is beschadigd, evenals het kozijn van de deur.2 Een collega-verbalisant ziet vanaf een schutting in de achtertuin van het adres [perceel] vier personen van achter een tuinhuisje vandaan komen en over de schutting klimmen naar de tuin van [perceel 2]. Daar klimmen de personen het daar gelegen garagedak op.3 De bewoner van [perceel 2] weet een van de mannen naar beneden te trekken. De man komt terecht in de tuin van [perceel 3], waar hij even later wordt aangehouden.4 Het betreft medeverdachte [medeverdachte 2].5 Onder een auto in de nabijheid van de woning [perceel 3], in de lengte van het voertuig, wordt een man aangetroffen. Een buurtbewoner schreeuwt: "Die hoort er ook bij, die heb ik met die andere jongens door mijn tuin zien rennen." De man, verdachte [verdachte], wordt daarop aangehouden.6 Een van de buurtbewoners wijst verbalisanten erop dat zijn schutting kapot is. Iets later zien verbalisanten in de aangrenzende tuin een man zitten, die daarop wordt aangehouden. Het betreft medeverdachte [medeverdachte 2].7 Een vierde persoon wordt aangehouden nadat hij heeft getracht nabij [perceel 3] via bosschages en een sloot weg te komen. Dit is medeverdachte [medeverdachte 3].8 In de achtertuin van [perceel], op de plek waar de vier verdachten hebben geprobeerd zich te verstoppen, worden in een bloempot alle bij de inbraak weggenomen sieraden aangetroffen. Het gaat om 7 gouden kettingen, 1 zilveren ketting, 3 paar gouden oorbellen, 7 gouden armbanden, 10 gouden ringen, 1 gouden horloge en een hangertje. Alle aangetroffen sieraden worden herkend door aangever [slachtoffer 1] en zijn vrouw [slachtoffer 2].9

Verdachte [verdachte] heeft tegenover de politie verklaard dat [voornaam medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3]), [voornaam medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]) en een andere jongen (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1]) met een schroevendraaier de achterdeur hebben opengebroken, waarna zij alle vier de woning zijn binnengegaan. Terwijl de andere drie naar boven liepen, bleef verdachte beneden. Op het moment dat de politie eraan kwam, zijn zij de woning uitgerend en zijn zij via diverse schuttingen in tuinen van andere woningen terechtgekomen.10

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat zijn cliënt van dit feit dient te worden vrijgesproken, omdat hij geen uitvoeringshandelingen heeft verricht en ook niet blijkt dat hij op de uitkijk stond. Zijn cliënt is niet naar boven gegaan en heeft de diefstal niet waargenomen. Er is derhalve geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het stelen van goederen, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande als volgt.

Verdachte heeft bekend dat hij heeft gezien dat zijn medeverdachten de woning openbraken en dat hij met hen de woning is binnengegaan. Op het moment dat de politie ter plaatse verscheen is verdachte met zijn medeverdachten op de vlucht geslagen. Zelfs indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de verklaring van verdachte, geldt dat hij, door onder aan of - zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard - midden op de trap te wachten terwijl zijn medeverdachten boven hun slag sloegen, een zodanige bijdrage heeft geleverd dat deze als medeplegen moet worden gekwalificeerd. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medepleger was van deze inbraak.

Feit 2 primair

Op 26 december 2011 doet [slachtoffer 3] aangifte van diefstal uit zijn woning gelegen aan het [adres 2] te Purmerend waarbij twee horloges, een broche, een armband, zeven ringen en een ketting zijn weggenomen. [slachtoffer 3] heeft zijn woning op 25 december 2011 omstreeks 15.00 uur verlaten. Wanneer hij op 25 december 2011 omstreeks 20.00 uur weer thuiskomt, ziet hij dat het licht in zijn woning brandt en dat het huis overhoop is gehaald. Uit de slaapkamer zijn enkele gouden sieraden weggenomen. Een raam aan de voorzijde van het huis staat open en de sluiting blijkt verbogen. Op 25 december 2011 omstreeks 19.00 uur is de schoonzoon van aangever nog bij de woning geweest en heeft toen geen verlichting zien branden. De inbraak is daarom vermoedelijk gepleegd tussen 19.00 uur en 20.00 uur.11

Op 25 december 2011 omstreeks 20.10 uur wordt verdachte [verdachte] samen met drie andere personen in Purmerend op heterdaad aanhouden als verdachte van een woninginbraak gepleegd rond 19.50 uur op het adres [adres] te Purmerend.12 Bij de aanhouding van verdachte [verdachte] wordt in een van de zakken van zijn kleding een contactsleutel van een Mercedes auto gevonden.13 Na onderzoek in de omgeving van de inbraak wordt op een parkeerplaats in Purmerend de auto gevonden waarop de sleutel past. Het blijkt een Mercedes met kenteken [kenteken] te zijn.14 In de armleuning van voornoemde Mercedes wordt een sok aangetroffen met daarin een hoeveelheid sieraden.15 Aangever [slachtoffer 3] en zijn vrouw [betrokkene] herkennen een aantal van de aangetroffen sieraden uit de Mercedes, namelijk een gouden horloge, een broche, negen ringen en een armband, als hun eigendom.16 Naast verdachte [verdachte] wordt ook medeverdachte [medeverdachte 3] in Purmerend aangehouden als verdachte van de woninginbraak gepleegd op [adres] te Purmerend.17 Eenmaal op het politiebureau vraagt medeverdachte [medeverdachte 3] of hij gebruik mag maken van het toilet. Verbalisant ziet dat [medeverdachte 3] tijdens het urineren een zwartkleurig zakje in het toilet gooit. Het zakje blijkt zilveren sieraden te bevatten.18 Op 6 januari 2012 verklaart [betrokkene] in een aanvullende verklaring behalve de in de aangifte vermelde sieraden ook een zwart foedraal redicuultje met enkele zilveren sieraden en een gouden broche te missen. Als haar de in de WC aangetroffen sieraden worden getoond, herkent zij het zwartkleurig stoffen zakje, een zilveren ketting met hanger, een zilveren ring, twee paar zilveren oorbellen, een gouden ruitvormige broche en een gouden spiraalvormige oorbel.19

Bij de bloempot in de tuin van [perceel] waarin een aantal sieraden werd aangetroffen lag tevens een schroevendraaier20 met een licht houten handvat.21 Sporenonderzoek heeft uitgewezen dat werktuigsporen die na de inbraak zijn aangetroffen op het adres [adres 2] zeer waarschijnlijk door deze schroevendraaier zijn veroorzaakt.22

Verdachte heeft tegenover de politie erkend dat hij de sleutel van de Mercedes bij zich droeg, maar hij zou deze sleutel van medeverdachte [medeverdachte 3] hebben gekregen.23 Ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij deze sleutel van medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gekregen.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, de wisselende - en niet nader onderbouwde - verklaringen van verdachte omtrent de sleutel van de Mercedes alsmede het zeer korte tijdsverloop tussen de woninginbraak aan het [adres 2] te Purmerend en de aanhouding van beide verdachten, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat het verdachte is geweest die tezamen met anderen, doch in elk geval met medeverdachte [medeverdachte 3], de woninginbraak heeft gepleegd.

Feit 3

Op 26 december 2011 doet [slachtoffer 4] aangifte van diefstal uit zijn woning gelegen op de [adres 3] te Badhoevedorp. Hij heeft zijn woning op 24 december 2011 omstreeks 14.30 uur verlaten. Wanneer hij op 25 december 2011 omstreeks 00.30 uur weer thuiskomt, ziet hij dat het huis overhoop is gehaald. Hij mist onder andere een gouden zegelring en een USB-stick met werkdocumenten erop.24

Op 26 december 2011 doet [slachtoffer 5] aangifte van woninginbraak gepleegd op het adres [adres 4] te Hoorn. De woninginbraak is gepleegd tussen 25 december 2011 10.30 uur en 26 december 2011 13.05 uur. Blijkens de bijlagen behorende bij de aangifte zijn bij de inbraak onder andere een collier, een armband, twee oorbellen, vier ringen en een horloge weggenomen.25

Op 25 december 2011 omstreeks 20.10 uur wordt verdachte [verdachte] samen met drie andere personen in Purmerend aangehouden als verdachte van een woninginbraak gepleegd op het adres [adres] te Purmerend.26 Bij de aanhouding van verdachte [verdachte] worden in zijn kleding een USB-stick en een contactsleutel van een Mercedes auto aangetroffen.27

Na onderzoek in de omgeving van de inbraak wordt op een parkeerplaats in Purmerend de auto gevonden waarop de sleutel past. Het blijkt een Mercedes met kenteken [kenteken] te zijn.28 In de armleuning van voornoemde Mercedes wordt een sok aangetroffen met daarin een hoeveelheid sieraden.29 De vrouw van [slachtoffer 5] herkent een aantal van de sieraden dat is aangetroffen in de Mercedes, namelijk een gouden collier, een gouden armband, een paar gouden oorbellen, drie gouden ringen, een kettinkje met hangertje en twee hangertjes, als hun eigendom.30

[slachtoffer 4] herkent een gouden zegelring die is aangetroffen in de Mercedes als zijn eigendom. Verder verklaart aangever [slachtoffer 4] dat er op de USB-stick zijn curriculum vitae en bestanden van zijn vorige werkgevers staan. Uit onderzoek naar de bestanden op USB-stick is gebleken dat er een bestand op staat met de naam: 'CV van [slachtoffer 4]'.31

Verdachte heeft tegenover de politie erkend dat hij de sleutel van de Mercedes bij zich droeg, maar hij zou deze sleutel van medeverdachte [medeverdachte 3] hebben gekregen.32 Ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij deze sleutel van medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gekregen.33

Over de USB-stick verklaart verdachte dat deze inderdaad in zijn jaszak is gevonden, maar deze jas zou niet van hemzelf maar van [medeverdachte 2] zijn.34

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, de wisselende - en niet nader onderbouwde - verklaringen van verdachte omtrent de sleutel van de Mercedes alsmede diens niet nader onderbouwde verklaring dat de jas waarin de USB stick is aangetroffen niet van hem zou zijn, gaat de rechtbank er vanuit dat het verdachte zelf is geweest die de Mercedes en de jas in gebruik had en dat hij zich bewust is geweest van de aanwezigheid van die goederen, waarvan is vast komen te staan dat deze gestolen waren, in de Mercedes respectievelijk de jaszak. Daarmee heeft verdachte deze goederen voorhanden gehad als bedoeld in artikel 416 van het Wetboek van strafrecht. Gelet op de aard van de goederen en het tijdstip waarop de goederen in zijn bezit zijn gekomen (Kerstmis), kan het volgens de rechtbank niet anders dan dat verdachte wist dat het gestolen goederen betrof. Hierdoor heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde opzetheling.

4.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

feit 1

hij op 25 december 2011 te Purmerend tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres] heeft weggenomen 7 gouden kettingen, 1 zilveren ketting, 3 paar gouden oorbellen, 7 gouden armbanden, 10 gouden ringen, 1 gouden horloge en een hangertje, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

feit 2 primair

hij op 25 december 2011 te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning [adres 2] heeft weggenomen twee horloges, een broche, een armband, zeven ringen en een ketting, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader(s), waarbij verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

feit 3

hij op 25 december 2011 te Purmerend, een ring en een USB-stick toebehorende aan [slachtoffer 4] en een collier, een armband, twee oorbellen en drie ringen, toebehorende aan [slachtoffer 5], voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die ring, die USB-stick, dat collier, die armband, die oorbellen en die ringen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Feit 2 primair:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Feit 3:

Opzetheling, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege Reclassering Nederland uitgebrachte rapport van 17 februari 2012 is gebleken.

7.1. Hoofdstraf

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee woninginbraken en aan opzetheling. Door deze feiten is niet alleen materiële schade toegebracht aan de benadeelden, maar is ook een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Dit kan gevoelens van angst en onveiligheid en meer in het algemeen maatschappelijke onrust veroorzaken. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan, te meer nu de feiten zijn gepleegd op Eerste Kerstdag, een dag waarop veel mensen van huis zijn om Kerstmis met familie te vieren. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte blijkens zijn deels ontkennende opstelling zich geen rekenschap heeft gegeven van het laakbare van zijn handelen. Daar komt bij dat uit verdachtes justitiële documentatie blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest ter zake van vermogensdelicten.

De rechtbank is, met de officier van justitie en in afwijking van het advies van de Reclassering Nederland, van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht in deze zaak niet passend is. Gelet op het door de reclassering als hoog gemiddeld ingeschatte recidiverisico, hetgeen bevestiging vindt in een recente veroordeling in Frankrijk voor een vermogensdelict, en het risico dat verdachte zich zal onttrekken aan voorwaarden dat door de reclassering eveneens als hoog wordt ingeschat, nu verdachte zich al eerder aan voorwaarden heeft onttrokken, ziet de rechtbank geen ruimte voor een werkstraf dan wel een deels voorwaardelijke straf.

De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden, waarbij voor wat betreft de duur daarvan zal worden aangesloten bij wat in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd.

7.2. Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een schroevendraaier met een licht houten handvat (nummer 11 van de beslaglijst) dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde feiten met behulp van dat voorwerp is begaan of voorbereid.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- nummer 13A. een USB-stick;

- nummer 27. een goudkleurige ring, dienen te worden teruggegeven aan [slachtoffer 4], aangezien die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- nummer 14. een goudkleurig sieraad, dient te worden teruggegeven aan [slachtoffer 1], aangezien die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- nummer 20. twee oorbellen;

- nummer 21. een goudkleurige ring;

- nummer 23. een goudkleurige ring;

- nummer 24. een goudkleurige ring, dienen te worden teruggegeven aan [slachtoffer 5], aangezien die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- nummer 14A. een sleutel, dient te worden teruggegeven aan hotel Campanile, aangezien die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten

- nummer 16. een goudkleurige armband;

- nummer 17. een goudkleurige ring;

- nummer 18. een zilverkleurige ring;

- nummer 19. een zilverkleurige ring;

- nummer 22. een goudkleurig horloge;

- nummer 26. een goudkleurige ring;

- nummer 28. een goudkleurige ring;

- nummer 29. een goudkleurige ring;

- nummer 31. een zilverkleurige ring;

- nummer 33. een goudkleurige ring;

- nummer 34. een goudkleurige ring, dienen te worden teruggegeven aan [slachtoffer 3], aangezien die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- nummer 1. een zilverkleurige ring;

- nummer 2. een zilverkleurige halsketting;

- nummer 3. vier zilverkleurige oorbellen;

- nummer 4. een goudkleurig sieraad;

- nummer 5. een goudkleurige oorbel;

- nummer 6. een spel van Nintendo;

- nummer 7. een telefoontoestel Apple Iphone;

- nummer 8. een sleutel van een Mercedes;

- nummer 9. een personenauto, merk Mercedes, kleur grijs;

- nummer 10. een Duitse kentekenplaat met kenteken [kenteken];

- nummer 25. een goudkleurige ring;

- nummer 30. een goudkleurige ring;

- nummer 32. een zilverkleurige ring;

- nummer 35. een goudkleurige hanger;

- nummer 36. een goudkleurige hanger;

- nummer 37. een meerkleurige halsketting;

- nummer 38. een goudkleurige hanger;

- nummer 39. een goudkleurige hanger;

- nummer 40. een goudkleurige armband;

- nummer 41. een meerkleurige armband;

- nummer 42. een goudkleurig sieraad;

- nummer 43. twee oorbellen;

- nummer 44. een goudkleurig sieraad;

- nummer 45. twee goudkleurige oorbellen;

- nummer 46. twee goudkleurige oorbellen;

- nummer 47. drie goudkleurige halskettingen, dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, aangezien tot nu toe geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- nummer 12. een zwarte sok;

- nummer 13. een zwarte handschoen;

- nummer 15. een zwart telefoontoestel;

- nummer 48. zeven papieren;

- nummer 49. een paar schoenen van Gucci,dienen te worden teruggegeven aan verdachte, aangezien die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9. Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

9.1. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 709,76 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van € 200,00 het volgende. Er bestaat, gelet op de van toepassing zijnde bepalingen uit het burgerlijk recht, eerst dan een verplichting tot schadevergoeding, indien de geschonden norm strekt tot bescherming van het slachtoffer tegen de schade zoals het slachtoffer die geleden heeft. In het onderhavige geval beoogt de geschonden norm, artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht, de bescherming van iemands vermogen. Voor een vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, immateriële schade, zou slechts ruimte zijn indien vast zou komen te staan dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als bijzonder ernstig is ervaren. Hiertoe is in casu onvoldoende gesteld of gebleken.

De benadeelde partij zal daarom voor wat betreft dit deel van zijn vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 509,76 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal in zoverre worden toegewezen.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht. Daarom zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 509,76.

9.2. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 350, - ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 primair ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit de vergoeding van de tijdsbesteding ten gevolge van de inbraak van een bedrag van € 100, - en een immateriële schade van € 250, -.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van € 250,- het volgende. Er bestaat, gelet op de van toepassing zijnde bepalingen uit het burgerlijk recht, eerst dan een verplichting tot schadevergoeding, indien de geschonden norm strekt tot bescherming van het slachtoffer tegen de schade zoals het slachtoffer die geleden heeft. In het onderhavige geval beoogt de geschonden norm, artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht, de bescherming van iemands vermogen. Voor een vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, immateriële schade, zou slechts ruimte zijn indien vast zou komen te staan dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als bijzonder ernstig is ervaren. Hiertoe is in casu onvoldoende gesteld of gebleken.

De benadeelde partij zal daarom voor wat betreft dit deel van zijn vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 100,- rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 primair bewezen verklaarde feit. De vordering zal in zoverre worden toegewezen.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij [slachtoffer 3] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht. Daarom zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 100,-.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 36f, 57, 311, 416 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde feiten opleveren;

verklaart deze feiten strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) maanden;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

verklaart verbeurd het op de beslaglijst vermelde voorwerp met:

- nummer 11. een schroevendraaier met een licht houten handvat;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden materiële schade tot een bedrag van € 509,76 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer 1], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 509,76 bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 3] geleden materiële schade tot een bedrag van € 100,- en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer 3], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 100,- bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

gelast de teruggave aan de rechthebbende [slachtoffer 4} van de op de beslaglijst vermelde voorwerpen met:

- nummer 13A. een USB-stick;

- nummer 27. een goudkleurige ring;

gelast de teruggave aan de rechthebbende [slachtoffer 1] van het op de beslaglijst vermelde voorwerp met:

- nummer 14. een goudkleurig sieraad;

gelast de teruggave aan de rechthebbende [slachtoffer 5] van de op de beslaglijst vermelde voorwerpen met:

- nummer 20. twee oorbellen;

- nummer 21. een goudkleurige ring;

- nummer 23. een goudkleurige ring;

- nummer 24. een goudkleurige ring;

gelast de teruggave aan hotel Campanile van het op de beslaglijst vermelde voorwerp met:

- nummer 14A. een sleutel;

gelast de teruggave aan de rechthebbende [slachtoffer 3] van de op de beslaglijst vermelde voorwerpen met:

- nummer 16. een goudkleurige armband;

- nummer 17. een goudkleurige ring;

- nummer 18. een zilverkleurige ring;

- nummer 19. een zilverkleurige ring;

- nummer 22. een goudkleurig horloge;

- nummer 26. een goudkleurige ring;

- nummer 28. een goudkleurige ring;

- nummer 29. een goudkleurige ring;

- nummer 31. een zilverkleurige ring;

- nummer 33. een goudkleurige ring;

- nummer 34. een goudkleurige ring;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de beslaglijst vermelde voorwerpen met:

- nummer 1. een zilverkleurige ring;

- nummer 2. een zilverkleurige halsketting;

- nummer 3. vier zilverkleurige oorbellen;

- nummer 4. een goudkleurig sieraad;

- nummer 5. een goudkleurige oorbel;

- nummer 6. een spel van Nintendo;

- nummer 7. een telefoontoestel Apple Iphone;

- nummer 8. een sleutel van een Mercedes;

- nummer 9. een personenauto, merk Mercedes, kleur grijs;

- nummer 10. een Duitse kentekenplaat met kenteken DO-NK635;

- nummer 25. een goudkleurige ring;

- nummer 30. een goudkleurige ring;

- nummer 32. een zilverkleurige ring;

- nummer 35. een goudkleurige hanger;

- nummer 36. een goudkleurige hanger;

- nummer 37. een meerkleurige halsketting;

- nummer 38. een goudkleurige hanger;

- nummer 39. een goudkleurige hanger;

- nummer 40. een goudkleurige armband;

- nummer 41. een meerkleurige armband;

- nummer 42. een goudkleurig sieraad;

- nummer 43. twee oorbellen;

- nummer 44. een goudkleurig sieraad;

- nummer 45. twee goudkleurige oorbellen;

- nummer 46. twee goudkleurige oorbellen;

- nummer 47. drie goudkleurige halskettingen;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst vermelde voorwerpen met:

- nummer 12. een zwarte sok;

- nummer 13. een zwarte handschoen;

- nummer 15. een zwart telefoontoestel;

- nummer 48. zeven papieren;

- nummer 49. een paar schoenen van Gucci.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. T. Avedissian, voorzitter,

mrs. M.A.E. de Jong-Overtoom en K. G. Witteman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Keulers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 maart 2012.

Mr. Witteman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 112)

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 december 2011 (dossierpagina 095)

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 december 2011 (dossierpagina 104-105).

5 Proces-verbaal aanhouding d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 120)

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 112-113)

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 113)

8 Proces-verbaal aanhouding d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 144).

9 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] d.d. 26 december 2011 (dossierpagina 21-24) en proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2012 (dossierpagina 50-51).

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 26 december 2011 (dossierpagina 183-185).

11 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] d.d. 26 december 2011 (dossierpagina 24-27).

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 112-114).

13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 108).

14 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 108).

15 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 december 2011 (dossierpagina 124-125).

16 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 december 2011 (dossierpagina 127-128).

17 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 143-145).

18 Proces-verbaal van relaas d.d. 27 december 2011 (dossierpagina 9-20).

19 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 januari 2012 (dossierpagina 47-48).

20 Proces-verbaal bevindingen d.d. 26 december 2011 (dossierpagina 096).

21 Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 210).

22 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2012 (dossierpagina 134-136).

23 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 december 2011 (dossierpagina 186-188).

24 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] d.d. 28 december 2011 (dossierpagina 38-39).

25 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5] d.d. 28 december 2011 (dossierpagina 40-46).

26 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 112-114).

27 Proces-verbaal van relaas d.d. 27 december 2011 (dossierpagina 14) en kennisgeving van inbeslagneming (dossierpagina 240).

28 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 108).

29 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 december 2011 (dossierpagina 124-125).

30 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 januari 2012 (dossierpagina 71-72).

31 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 december 2011 (dossierpagina 131-132).

32 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 december 2011 (dossierpagina 186-188).

33 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 december 2011 (dossierpagina 186-188).

34 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 februari 2012.