Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BV9672

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-03-2012
Datum publicatie
22-03-2012
Zaaknummer
15/701005-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; woning inbraak; diefstal met braak; medeplegen; diefstal in vereniging; mishandeling; mishandeling van een ambtenaar in functie; gekwalificeerde mishandeling; vordering benadeelde partij; schadevergoedingsmaatregel; beslag; teruggave aan verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Door dit feit is niet alleen materiële schade toegebracht aan de benadeelden, maar wordt ook een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Dit kan gevoelens van angst en onveiligheid en meer in het algemeen maatschappelijke onrust veroorzaken. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan, te meer nu de feiten zijn gepleegd op Eerste Kerstdag, een dag waarop veel mensen van huis zijn om Kerst met familie te vieren. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte blijkens zijn ontkennende, athans zwijgzame opstelling geen verantwoordelijkheid neemt voor het laakbare van zijn handelen. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte een ambtenaar in functie heeft mishandeld. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Het feit is des te ernstiger nu hij de mishandeling heeft gericht tegen een politieagent die zich als zodanig had kenbaar gemaakt. De rechtbank ziet aanleiding de door de officier van justitie geformuleerde eis van vier maanden iets te matigen gelet op de straftoemeting in vergelijkbare gevallen en legt verdachte mitsdien een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/701005-11

Uitspraakdatum: 12 maart 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 februari 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Frankrijk),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag Hoorn, locatie Zwaag.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 25 december 2011 te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres] heeft weggenomen 7 gouden ketting(en) en/of 1 zilveren ketting en/of 3 paar gouden oorbellen en/of 7 gouden armband(en) en/of 10 gouden ring(en) en/of 1 gouden horloge en/of een hangertje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

feit 2

hij op of omstreeks 25 december 2011 te Purmerend, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, heeft getrapt en/of geschopt tegen de arm en/of de borst, althans het lichaam, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met bepaling van de hoofdelijkheid.

Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat de SIM-kaart en het geld worden teruggegeven aan verdachte.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Feit 1

Op 25 december 2011 omstreeks 19.50 uur komt bij de politie een melding binnen dat er mogelijk wordt ingebroken op - naar later blijkt - het adres [adres] te Purmerend. Verbalisant ziet dat de deur aan de achterzijde, die wijd openstaat, is beschadigd, evenals het kozijn van de deur.2 Een collega verbalisant ziet vanaf een schutting in de achtertuin van het adres [perceel] vier personen van achter een tuinhuisje vandaan komen en over de schutting klimmen naar de tuin van [perceel 2]. Daar klimmen de personen het daar gelegen garagedak op.3 De bewoner van [perceel 2] weet een van de mannen naar beneden te trekken. De man komt terecht in de tuin van [adres], waar hij even later wordt aangehouden.4 Het betreft verdachte [verdachte].5 Onder een auto in de nabijheid van de woning [adres], in de lengte van het voertuig, wordt een man aangetroffen. Een buurtbewoner schreeuwt: "Die hoort er ook bij, die heb ik met die andere jongens door mijn tuin zien rennen." De man, medeverdachte [medeverdachte 1], wordt daarop aangehouden.6 Een van de buurtbewoners wijst verbalisanten erop dat zijn schutting kapot is. Iets later zien verbalisanten in de aangrenzende tuin een man zitten, die daarop wordt aangehouden. Het betreft medeverdachte [medeverdachte 2].7 Een vierde persoon wordt aangehouden nadat hij heeft getracht nabij [adres] via bosschages en een sloot weg te komen. Dit is medeverdachte [medeverdachte 3].8 In de achtertuin van [perceel], op de plek waar de vier verdachten hebben geprobeerd zich te verstoppen, worden in een bloempot alle bij de inbraak weggenomen sieraden aangetroffen. Het gaat om 7 gouden kettingen, 1 zilveren ketting, 3 paar gouden oorbellen, 7 gouden armbanden, 10 gouden ringen, 1 gouden horloge en een hangertje. Alle aangetroffen sieraden worden herkend door aangever [slachtoffer 1] en zijn vrouw [slachtoffer 2].9

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft tegenover de politie verklaard dat [voornaam medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3]), [voornaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) en een andere jongen met een schroevendraaier de achterdeur hebben opengebroken, waarna zij allevier de woning zijn binnengegaan. Op het moment dat de politie eraan kwam, zijn zij de woning uitgerend en zijn zij via diverse schuttingen in tuinen van andere woningen terechtgekomen.10

Op grond van bovengenoemde redengevende feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medepleger was van deze inbraak.

Feit 2

Op 25 december 2011 omstreeks 20.00 uur bevindt verbalisant [slachtoffer 3] zich in zijn vrije tijd in zijn woning gelegen aan [perceel 2] te Purmerend. Hij hoort zijn dochter zeggen dat er drie personen in zijn tuin lopen die er niet thuishoren. Verbalisant ziet twee personen in de richting van de schutting rennen en via een stoel en een plantenbak op de schutting klimmen. Vervolgens hoort hij vanuit een andere tuin een aantal personen met luide stem "Politie" roepen. Op basis van deze omstandigheden merkt verbalisant deze personen aan als verdachten. Hij maakt zich kenbaar als politieambtenaar door met luide stem te roepen: "Politie!".11 De twee verdachten trachten het dak op te komen, maar verbalisant weet één van de verdachten, door hem aangeduid als NN2, bij zijn broeksband vast te pakken. Verbalisant ziet dat verdachte NN2 zich half omdraait en in zijn richting kijkt. Vervolgens trekt NN2 zijn rechterbeen omhoog en probeert verbalisant [slachtoffer 3] met dit been tegen zijn hoofd te trappen. Verbalisant weet deze trap met zijn linkerarm af te weren, maar verdachte schampt de linkerarm van [slachtoffer 3] en raakt hem tegen zijn linkerborst. De verdachte NN2 wordt hierop aangehouden en geïdentificeerd als verdachte [verdachte].12 Door de trap van verdachte NN2 heeft verbalisant [slachtoffer 3] pijn aan zijn linkerarm en de linkerzijde van zijn borst ondervonden. Hij heeft pijn bij aanraking, beweging en ademhalen.13

Ter terechtzitting heeft verdachte erkend dat hij diegene is geweest die door de bewoner omlaag werd getrokken en daarna is aangehouden.14

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat niet uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte de politieambtenaar opzettelijk een trap heeft gegeven. Zijn cliënt zou op een schutting hebben gestaan en met kracht naar beneden zijn getrokken. Het is meer dan aannemelijk dat hierbij een botsing is veroorzaakt tussen de verbalisant en zijn cliënt waardoor de verbalisant pijn heeft ondervonden. Van een moedwillig trappen is echter geen sprake geweest, aldus de raadsman.

Voorts heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat uit het dossier niet valt af te leiden dat zijn cliënt wist dat het een politieambtenaar betrof. Verbalisant beschrijft zelf in zijn proces-verbaal dat hij door de omstandigheden zich niet kon legitimeren met het politie legitimatiebewijs. Ook kon zijn ambt niet worden afgeleid uit zijn kleding. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het hem onder feit 2 ten laste gelegde, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt dienaangaande als volgt.

Het verweer van verdachte ten aanzien van het ontbreken van opzet op het trappen vindt zijn weerlegging in de hiervoor opgenomen redengevende feiten en omstandigheden. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [slachtoffer 3] is op ambtsbelofte opgemaakt en de rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid hiervan.

Daarbij heeft verbalisant [slachtoffer 3] zich duidelijk kenbaar gemaakt als politieambtenaar door te roepen: "Politie,", hetgeen ook door buurvrouw [getuige 1] is gehoord.15 Het woord 'politie' lijkt zo op het Franse woord 'police' dat verdachte, die niet de Nederlandse maar wel de Franse taal machtig is, mag worden verondersteld dit te hebben begrepen.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte, terwijl hij wist dat hij met een politieambtenaar van doen had, doelbewust heeft getrapt tegen diens arm en borst. De rechtbank acht daarmee de mishandeling van een ambtenaar in functie wettig en overtuigend bewezen.

4.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat

Feit 1

hij op 25 december 2011 te Purmerend tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres] heeft weggenomen 7 gouden kettingen, 1 zilveren ketting, 3 paar gouden oorbellen, 7 gouden armbanden, 10 gouden ringen, 1 gouden horloge en een hangertje, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

Feit 2

hij op 25 december 2011 te Purmerend, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft getrapt tegen de arm en de borst, waardoor voornoemde ambtenaar pijn heeft ondervonden.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Feit 2

Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Door dit feit is niet alleen materiële schade toegebracht aan de benadeelden, maar wordt ook een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Dit kan gevoelens van angst en onveiligheid en meer in het algemeen maatschappelijke onrust veroorzaken. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan, te meer nu de feiten zijn gepleegd op Eerste Kerstdag, een dag waarop veel mensen van huis zijn om Kerst met familie te vieren. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte blijkens zijn ontkennende, athans zwijgzame opstelling geen verantwoordelijkheid neemt voor het laakbare van zijn handelen.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte een ambtenaar in functie heeft mishandeld. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Het feit is des te ernstiger nu hij de mishandeling heeft gericht tegen een politieagent die zich als zodanig had kenbaar gemaakt.

De rechtbank ziet aanleiding de door de officier van justitie geformuleerde eis van vier maanden iets te matigen gelet op de straftoemeting in vergelijkbare gevallen en legt verdachte mitsdien een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur op.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten 4.550 euro, 100 dollar, 35 Engelse ponden en een SIM-kaart, dienen te worden teruggegeven aan verdachte, aangezien geen verband is vast te stellen tussen het onder verdachte aangetroffen geld en de SIM-kaart en de bewezen verklaarde feiten.

9. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 709,76 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van € 200,00 het volgende. Er bestaat, gelet op de van toepassing zijnde bepalingen uit het burgerlijk recht, eerst dan een verplichting tot schadevergoeding, indien de geschonden norm strekt tot bescherming van het slachtoffer tegen de schade zoals het slachtoffer die geleden heeft. In het onderhavige geval beoogt de geschonden norm, artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht, de bescherming van iemands vermogen. Voor een vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, immateriële schade, zou slechts ruimte zijn indien vast zou komen te staan dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als bijzonder ernstig is ervaren. Hiertoe is in casu onvoldoende gesteld of gebleken. De benadeelde partij zal daarom voor wat betreft dit deel van zijn vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 509,76 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal in zoverre worden toegewezen.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht. Daarom zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 509,76.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 57, 300, 304, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde feiten opleveren;

verklaart deze feiten strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van honderd (100) dagen.

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden materiële schade tot een bedrag van € 509,76 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer 1], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 509,76 bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst vermelde voorwerpen met:

- 1. een geldbedrag van 4550 euro;

- 2. een geldbedrag van 100 US-dollar;

- 3. een geldbedrag van 35 Engelse pond;

- 4. een SIM-kaart;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. T. Avedissian, voorzitter,

mr. M.A.E. de Jong-Overtoom en mr. K.G. Witteman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Keulers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 maart 2012.

Mr. Witteman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 112)

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 december 2011 (dossierpagina 095)

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 december 2011 (dossierpagina 104-105).

5 Proces-verbaal aanhouding d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 120)

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 112-113)

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 113)

8 Proces-verbaal aanhouding d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 144).

9 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] d.d. 26 december 2011 (dossierpagina 21-24) en proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2012 (dossierpagina 50-51).

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] d.d. 26 december 2011 (dossierpagina 183-185).

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 december 2011 (dossierpagina 104) en proces-verbaal aangifte [getuige 1] d.d. 4 januari 2012 (dossierpagina 30)

12 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 25 december 2011 (dossierpagina 141-142).

13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 december 2011 (dossierpagina 104-105).

14 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 februari 2012.

15 Proces-verbaal van aangifte door [getuige 1] d.d. 4 januari 2012 (dossierpagina 30-31).