Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BV8985

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-03-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
12/475
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het onderzoek van verweerder onvoldoende grondslag biedt voor de conclusie dat G. zijn hoofdverblijf had in verzoeksters woning.

Ook is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster al geruime tijd in de uitkering zit, zodat verweerder kan weten hoe haar psychische gesteldheid is. Ten onrechte heeft verweerder zich geen rekenschap gegeven van het feit dat de manier waarop verzoekster het inlichtingenformulier heeft ingevuld, te wijten is aan haar borderlinestoornis. De gevraagde voorlopige voorziening wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 - 475 WWB

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 maart 2012

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. H. Loth, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2012 heeft verweerder de uitkering die verzoekster ontving in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) met ingang van 8 december 2011 ingetrokken, omdat verzoekster in ieder geval vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voert met [naam] (hierna: [naam]).

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 31 januari 2012 bezwaar gemaakt. Bij brief van eveneens 31 januari 2012 heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 20 februari 2012, waar verzoekster zich heeft laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [naam], en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door R.G. van der Eijk, werkzaam bij de gemeente Purmerend. Tevens waren ter zitting aanwezig P. Risah en N.P.L. Wetsteijn, beiden als medewerker handhaving werkzaam bij de gemeente Purmerend.

2. Overwegingen

2.1 Verzoekster ontving vanaf 20 september 2000 van verweerder een bijstandsuitkering. Zij heeft de zorg voor een kind, [naam], geboren op [geboortedatum]. Naar aanleiding van een anonieme tip dat verzoekster zou samenwonen met [naam], die de vader van [naam] zou zijn, heeft verweerder een onderzoek naar verzoeksters woon- en leefsituatie gestart. Daarbij zijn onder meer gegevens opgevraagd bij de GBA, Suwinet en Nuon. Voorts zijn in de periode tussen 8 december 2011 en 12 januari 2012 waarnemingen verricht bij de woning van verzoekster en hebben de medewerkers handhaving van de gemeente op 18 januari 2012 en op 23 januari 2012 onaangekondigde huisbezoeken gebracht aan de woning van verzoekster. Uit de waarnemingen is naar voren gekomen dat [naam] elke ochtend om ongeveer 08.10 uur met de dochter van verzoekster de woning verliet, de dochter naar school bracht en vervolgens naar de woning terugkeerde. Bij het eerste huisbezoek is alleen [naam] aangetroffen met het kind. Hij heeft verklaard dat hij de vader van [naam] is, dat verzoekster was opgenomen in Dijk en Duin, dat hij het huis beheerde en dat hij er elke dag was. Bij het tweede huisbezoek was alleen verzoekster aanwezig. Als gevolg van het intimiderende gedrag van verzoekster is het huisbezoek afgebroken. Hierna heeft verweerder in het bestreden besluit beslist dat verzoekster, in ieder geval vanaf 8 december 2011, een gezamenlijke huishouding voert met [naam]. Gelet hierop had verzoekster vanaf 8 december 2011 geen recht meer op bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder.

2.2 Verzoekster kan zich niet met dit besluit verenigen. Zij ontkent dat zij met [naam] een gezamenlijke huishouding voert. Zij stelt dat het besluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert en op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

2.3 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.4 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.5 De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat het verzoek om voorlopige voorziening verband houdt met de intrekking van een reeds in 2000 toegekende bijstandsuitkering. Uit de stukken blijkt voorts dat verzoekster lijdt aan een borderline-persoonlijkheidsstoornis en de zorg heeft voor een minderjarig kind. Het gaat hier derhalve om een kwetsbaar gezin dat reeds lange tijd van een bijstandsuitkering afhankelijk is. In zo’n geval zal verweerder, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, extra zorgvuldigheid moeten betrachten alvorens tot een ingrijpend besluit als de intrekking van de uitkering te komen.

2.6 Ingevolge artikel 3, derde lid, Wwb is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.

2.7 Verweerder baseert het standpunt dat verzoekster en [naam] beiden hun hoofdverblijf hebben op het adres van verzoekster op de volgende feiten:

- de anonieme melding waaruit naar voren komt dat verzoekster samenwoont met [naam];

- de door de beide handhavingsmedewerkers verrichte observaties;

- de op 18 januari 2012 door [naam] afgelegde verklaringen;

- het overzicht van energieleverancier Nuon van 15 december 2011 waaruit volgens verweerder blijkt dat het energiegebruik aanzienlijk meer is dan het gemiddeld gebruik van een eenpersoonshuishouden;

- de omstandigheid dat verzoekster bij haar verhoor op 23 januari 2012 een aantal belangrijke vragen niet heeft ingevuld en bij het huisbezoek zodanig intimiderend gedrag heeft vertoond dat het verrichten van een volledig onderzoek onmogelijk was.

2.8 Desgevraagd heeft [naam] ter zitting uiteengezet dat hij met zijn zoon woont aan de [adres] en dat hij een vriendin heeft die in Amsterdam woont. Hij is al 35 jaar de huisvriend van de familie [naam] en biedt op verzoek van de familie van verzoekster hulp en ondersteuning aan haar, omdat zij als gevolg van haar borderline niet altijd in staat is haar leven op de rails te houden. Hij is niet de vader van [naam], maar hij beschouwt haar wel als zijn dochter. Hij komt vanuit zijn eigen huis elke dag omstreeks 06.00 uur naar verzoeksters woning om [naam] te verzorgen en naar school te brengen. [naam] fietst dan op haar eigen fiets. Daarna keert [naam] naar de woning van verzoekster terug waar hij wordt opgehaald door een vriend met wie hij vervolgens naar Amsterdam gaat. In de nacht van 17 op 18 januari 2012 heeft [naam] in de woning van verzoekster overnacht, omdat verzoekster kort daarvoor was opgenomen. Hij heeft de medewerkers bij het huisbezoek gezegd dat zij was opgenomen in Dijk en Duin, dit had moeten zijn de crisisdienst in Zaandam. [naam] zorgde op dat moment voor [naam] en voor de woning.

2.9 Namens verzoekster is ter zitting ook nog gewezen op onderlinge tegenstrijdigheden in de rapportages die door de handhavingsmedewerkers zijn opgesteld. Volgens verzoekster zijn de rapportages onzorgvuldig en dienen deze buiten beschouwing te blijven. Het overzicht van Nuon kan, volgens de gemachtigde, op zichzelf geen bewijs vormen van een meerpersoonshuishouden. Er kunnen immers grote verschillen bestaan in het energie- en waterverbruik van gezinnen. Gelet op het vorenstaande en op de verklaringen van [naam] ter zitting, bestaan er geen aanwijzingen voor een gezamenlijk hoofdverblijf van [naam] en verzoekster, aldus de gemachtigde van verzoekster.

2.10 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het onderzoek van de handhavingsmedewerkers onvoldoende feitelijke grondslag biedt voor de conclusie dat [naam] vanaf 8 december 2011 zijn hoofdverblijf had in de woning van verzoekster. Allereerst heeft verzoekster er terecht op gewezen dat de rapportages die door ieder van de handhavingsmedewerkers separaat zijn opgemaakt, onderlinge tegenstrijdigheden bevatten. De ene medewerker stelt in zijn - naar waarheid – opgemaakte rapportages vast dat [naam] bij het naar school brengen bij [naam] achterop zit. De ander stelt –eveneens naar waarheid -vast dat [naam] zelf fietst. Bedoelde tegenstrijdigheden doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van de rapportages.

De voorzieningenrechter acht voorts de verklaring van [naam] over zijn woonadres en de reden voor zijn zorg voor het gezin van verzoekster niet op voorhand onaannemelijk. De door de handhavingsmedewerkers verrichte observaties zijn hiermee ook niet in strijd. De observaties van de handhavingsmedewerkers vangen dagelijks (pas) aan om circa 7:45 uur. Op dat moment is [naam] volgens eigen verklaring reeds in de woning van verzoekster aanwezig. Aan de stelling van handhavingsmedewerker Wetsteijn ter zitting dat hij feitelijk al ’s morgens om 06.00 uur met zijn observaties begon en dat hij [naam] op dat tijdstip nooit de woning van verzoekster heeft zien binnengaan, gaat de voorzieningenrechter voorbij nu in de processen-verbaal uitdrukkelijk een (latere) aanvangstijd van de observaties staat aangegeven. Wetsteijn heeft er namelijk geen verklaring voor gegeven dat hij stelselmatig een onjuist aanvangsuur zou hebben opgegeven. Ook de verklaring van [naam] dat hij verzoeksters woning verlaat, nadat hij [naam] naar school heeft gebracht, wordt door de observaties van de handhavingsmedewerkers niet ontkracht. De medewerkers stellen slechts vast dat de fiets van [naam] nog voor het huis staat, maar hebben [naam] niet op een later tijdstip ter plaatse gesignaleerd. Bij het huisbezoek op 23 januari 2012 om 11.30 uur is [naam] ook niet aangetroffen.

Ook zijn bij het tweede huisbezoek op 23 januari 2012, geen kledingstukken of andere persoonlijke artikelen van [naam] in de woning aangetroffen. Nu het onderzoek geen duidelijk resultaat opleverde, had het voor de hand gelegen om ook een huisbezoek te brengen op het GBA-adres van [naam], dan wel om de door hem genoemde personen - zijn zoon en zijn vriendin – over zijn woonsituatie te horen.

2.11 De voorzieningenrechter zet voorts vraagtekens bij de conclusies die verweerder trekt uit het feit dat verzoekster het aan haar voorgelegde inlichtingenformulier onvolledig heeft ingevuld en het huisbezoek onverrichter zaken moest worden afgebroken. Gezien het feit dat verzoekster al meer dan tien jaar een uitkering ontvangt, acht de voorzieningenrechter het onaannemelijk dat de handhavingmedewerkers niet op de hoogte waren van verzoeksters medische toestand. Daarnaast had [naam] hen op 18 januari 2012 nog medegedeeld dat verzoekster bij Dijk en Duin (lees: de crisisdienst) was opgenomen. Dit in aanmerking nemend, kan de voorzieningenrechter niet begrijpen waarom de handhavingsmedewerkers zich geen rekenschap hebben gegeven van het feit dat de wijze waarop het formulier is ingevuld en de wijze waarop verzoekster hen bejegende tijdens het huisbezoek zeer wel verband konden houden met haar borderlinestoornis en haar onvermogen om zichzelf te beheersen en de gevolgen van haar daden te overzien. Ook hier had het voor de hand gelegen om verzoekster opnieuw op te roepen op een andere dag en/of haar in de gelegenheid te stellen zich te laten vergezellen door een vertrouweling/begeleider.

2.12 Ten slotte kan aan het overzicht van Nuon, waarnaar verweerder heeft verwezen, niet de betekenis worden toegekend die verweerder hieraan blijkbaar toekent, aangezien dit overzicht betrekking heeft op de periode tussen 12 februari 2009 en 26 januari 2011. Deze periode ligt volledig buiten de periode in geding.

2.13 De voorzieningenrechter acht verweerders conclusie dat sprake zou zijn van een gezamenlijk hoofdverblijf van verzoekster en [naam] in verzoeksters woning, aldus onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onderbouwd.

2.14 Nu niet is komen vast te staan dat sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf, kan er reeds om die reden geen sprake zijn van een gezamenlijke huishouding. De voorzieningenrechter kan, gelet daarop, thans in het midden laten of tussen verzoekster en [naam] sprake is van wederzijdse zorg.

2.15 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan het bezwaar van verzoekster tegen het bestreden besluit een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd. Uit het voorgaande volgt dat onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist. De voorzieningenrechter zal het verzoek daartoe dan ook toewijzen door het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na verzending van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar. Dit betekent dat verweerder zal moeten overgaan tot uitbetaling van verzoeksters Wwb-uitkering vanaf 8 december 2011.

2.16 Er bestaat eveneens aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van verweerder. In dit verband kent de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht twee punten toe: een punt voor het verzoek om voorlopige voorziening en een punt voor het verschijnen ter zitting. Een punt komt overeen met een bedrag van € 437,--. Omdat ten behoeve van verzoekster een toevoeging is afgegeven op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moeten de proceskosten worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

2.17 Tot slot zal de voorzieningenrechter gelasten dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 42,-- aan haar vergoedt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe.

3.2 schorst het bestreden besluit van 24 januari 2012 tot zes weken na verzending van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar;

3.3 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Purmerend in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,--, te betalen aan de griffier van de rechtbank;

3.4 gelast dat de het college van burgemeester en wethouders van Purmerend het door verzoekster betaalde griffierecht van € 42,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.