Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BV8883

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-02-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
15-801617-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen; invoer cocaïne te Schiphol; teruggave in beslag genomen geld.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ruim 1,6 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf van aanzienlijke duur als straf in aanmerking. De rechtbank merkt op dat de door de officier van justitie gevorderde (duur van deze) straf niet in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd, zodat de rechtbank ten voordele van verdachte van voornoemde eis zal afwijken en aansluiting zal zoeken bij de straf die ten aanzien van vergelijkbare hoeveelheden pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding om daarvan af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/801617-11

Uitspraakdatum: 23 februari 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 februari 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Suriname,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Grave, locatie Oosterhoek.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 december 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1627,0 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien (16) maanden met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van 570,00 euro aan verdachte zal worden teruggegeven.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden1

Verdachte is op 10 december 2011 vanuit Suriname aangekomen op de luchthaven Schiphol, gelegen in de gemeente Haarlemmermeer. Verdachte was op de luchthaven Schiphol in het bezit van een bruine trolley en een rode koffer. Bij een douanecontrole is in de bruine trolley een blauwe plastic tas inhoudende een drietal dozen gevuld met in plastic verpakte bonbons aangetroffen. Na verwijdering van het plastic van een willekeurig gekozen bonbon werd een witkleurig en tevens chemisch ruikend bolletje zichtbaar. Met behulp van een fretboortje is een hoeveelheid van deze witte stof uit de bonbon gehaald. Dit materiaal is aan een MMC test onderworpen die een positieve kleurreactie gaf, zodat mocht worden aangenomen dat de geteste stof vermoedelijk cocaïne betrof.2 In de drie dozen bonbons die zich in de bruine trolley bevonden werden 125 bonbons met daarin pakketjes met een witkleurige stof met een nettogewicht van 1.627 gram aangetroffen.3 Uit nader onderzoek van een drietal monsters door het Douanelaboratorium is gebleken dat het materiaal cocaïne betrof.4

Verdachte heeft zowel ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee en de rechter-commissaris als ter terechtzitting verklaard dat hij niet wist dat zich in zijn koffer cocaïne bevond. Hij heeft op de luchthaven Zanderij te Paramaribo twee stuks ruimbagage bij de balie van SLM ingecheckt. Nadat hij had ingecheckt is hij naar een plaats gegaan waar hij mocht roken. Aldaar is hij aangesproken door een man die hem vroeg of hij tegen een kleine vergoeding een klein pakketje voor hem wilde meenemen. Verdachte heeft dit geweigerd. Toen hij naar het vliegtuig liep heeft hij zijn handbagage in een karretje geplaatst, maar daarvan geen label of bewijs ontvangen, en is hij - naar eigen zeggen - zijn handbagage vervolgens een tijdje uit het oog verloren. Verdachte ontkent derhalve dat hij de cocaïne opzettelijk Nederland heeft ingevoerd. Namens verdachte is dan ook vrijspraak van het hem ten laste gelegde feit bepleit.

De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een passagier die per vliegtuig bagage met zich voert, met de inhoud daarvan bekend kan worden verondersteld en voor die inhoud dan ook verantwoordelijk is. Van dat uitgangspunt moet worden afgeweken wanneer op grond van feiten en omstandigheden aannemelijk is dat die passagier met die inhoud niet bekend was en daarmee niet bekend had behoren te zijn.

De verklaring van verdachte ter onderbouwing van zijn stelling dat hij niet wist dat hij cocaïne met zich meevoerde, acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk en derhalve ongeloofwaardig. Zo heeft verdachte op de terechtzitting verklaard dat hij op 5 december (2011, rb) naar het reisbureau heeft gebeld om te informeren naar de prijs van een ticket, dat hij op 8 december (2011, rb) het ticket niet heeft kunnen kopen omdat hij zijn paspoort niet bij zich had en het ticket om die reden op die dag heeft besteld en dat hij op 9 december (2011, rb) het ticket heeft gekocht en betaald en daarbij een beetje korting heeft gekregen. Die verklaring strookt echter niet met de op de 'Electronic Ticket Receipt' vermelde 'Ticket Issue Date: 5 Dec 2011'.5 De rechtbank leidt hieruit af dat het ticket op 5 december 2011 is afgegeven. Voorts wordt op de kwitantie, waaruit blijkt dat de kosten van het ticket zijn betaald, de datum van 8 december 2011 vermeld.6

Verder heeft verdachte tijdens de terechtzitting verklaard dat hij in Nederland bij zijn schoonvader '[naam]' in Breda zou logeren, hetgeen hij ook eerder in zijn verklaring bij Koninklijke Marechaussee had gezegd. Bij aankomst in Nederland heeft verdachte tegenover de douaneambtenaren echter verklaard dat hij bij zijn zwager '[naam]' in Rotterdam zou verblijven.7 Dat verdachte op een adres in Rotterdam zou verblijven lijkt overeen te stemmen met het op de bruine koffer aangetroffen naamlabel, waarop de naam van verdachte en het adres [adres] te Rotterdam zijn vermeld. Verdachte heeft ter zitting ontkend dat hij dit label heeft beschreven en aan de koffer heeft bevestigd en aangegeven dat dit adres hem niets zegt. Die verklaring valt moeilijk te rijmen met het zich in het dossier bevindende verzekeringsbewijs van de reisverzekering - die verdachte naar eigen zeggen voor deze reis naar Nederland heeft afgesloten - waarop hetzelfde adres in Rotterdam staat vermeld.

Daar komt bij dat het een feit van algemene bekendheid is dat vanuit Suriname per vliegtuig veel drugs naar Europa worden gesmokkeld, met name ook door koeriers die ten behoeve van organisaties handelen en weten wat zij doen. Het is onwaarschijnlijk dat een organisatie - op de wijze zoals uit de verklaring van verdachte zou volgen - ruim zestienhonderd gram cocaïne, een hoeveelheid die een aanzienlijke straatwaarde vertegenwoordigt, laat vervoeren door een onwetende en onbekende koerier. Het voorgaande zou immers aanzienlijke risico's voor de organisatie met zich meebrengen, zoals het risico van verlies van de cocaïne wanneer de koerier alsnog besluit de spullen niet mee te nemen of af te geven aan een ander. Ook bestaat het risico dat de koerier later niet meer kan worden achterhaald of dat de koerier de drugs voortijdig zelf ontdekt. De rechtbank neemt hierbij eveneens in aanmerking dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat organisaties die cocaïne naar Nederland willen smokkelen daarvoor een manier kiezen die het uiterst onzeker maakt of de beoogde koerier de cocaïne wel meeneemt en weer aan hen afgeeft.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verklaring van de verdachte als volstrekt ongeloofwaardig ter zijde moet worden gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zijn verklaring slechts afgelegd om te verhullen dat hij welbewust betrokken is geweest bij het cocaïnetransport. Nu ook anderszins geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die aanleiding geven om van voormeld uitgangspunt af te wijken, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte willens en wetens de cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

4.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 10 december 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 1627,0 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ruim 1,6 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf van aanzienlijke duur als straf in aanmerking.

De rechtbank merkt op dat de door de officier van justitie gevorderde (duur van deze) straf niet in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd, zodat de rechtbank ten voordele van verdachte van voornoemde eis zal afwijken en aansluiting zal zoeken bij de straf die ten aanzien van vergelijkbare hoeveelheden pleegt te worden opgelegd.

Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding om daarvan af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van in totaal 570,00 euro aan verdachte dient te worden teruggegeven. Op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is een verband tussen dit geldbedrag en het bewezen verklaarde feit onvoldoende aannemelijk geworden.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert;

verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJFTIEN (15) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- een geldbedrag van 570,00 euro.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.P.W. van de Ven, voorzitter,

mr. M. Hoendervoogt en mr. I.H. Lips, rechters,

in tegenwoordigheid van S.J. de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 23 februari 2012.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 10 december 2011 (dossierparagraaf 1.1).

3 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 12 december 2011 (dossierparagraaf 1.1.5).

4 Een geschrift, te weten het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 15 december 2011, kenmerk 11534 X 11 (los opgenomen).

5 Bijlage bij het proces-verbaal van onderzoek paspoort en reisbescheiden (dossierparagraaf 1.1.3).

6 Bijlage bij het proces-verbaal van onderzoek bagage, overige goederen, bagagelabels, claimtags (dossierparagraaf 1.1.4).

7 Proces-verbaal van aanhoudingen en bevindingen d.d. 10 december 2011 (dossierparagraaf 1.1).