Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BV8727

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
182745 - HA ZA 11-769
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Non-conformiteit tweedehands auto.

In geval van consumentenkoop ontstaat de bevoegdheid van de koper om de koopovereenkomst te ontbinden pas wanneer de verkoper zijn verplichting om binnen redelijke tijd en zonder overlast voor de koper te zorgen voor vervanging van de afgeleverde zaak niet nakomt. De rechtbank is van oordeel dat de aangeboden auto niet heeft te gelden als een vervangende auto, omdat deze een andere kleur had, van een ander type was en een ander optiepakket had dan de overeengekomen auto, zodat daarmee vaststaat dat de aangeboden auto niet gelijkwaardig was aan die auto. Ook vanwege de aan het aanbod verbonden voorwaarde van finale kwijting behoefde eiser het aanbod van gedaagde niet te accepteren. De aanspraak op vervanging van een afgeleverde zaak laat het recht op schadevergoeding immers onverlet.

Op 20 juli 2010 heeft de toenmalige gemachtigde van eiser per brief aan gedaagde medegedeeld dat indien gedaagde niet zou zorgen voor herstel van de auto, eiser de koopovereenkomst zou ontbinden. Eiser had vanaf dat moment rekening te houden met een mogelijke ontbinding van de koopovereenkomt, zodat op hem de zorgplicht ex artikel 6:273 BW kwam te rusten. Door daarna met de auto te blijven rijden heeft hij zijn zorgplicht geschonden en daarom is de waardevermindering van de auto vanaf 20 juli 2010 aan hem toe te rekenen, zodat hij daarvoor een vergoeding dient te voldoen.

Gedaagde voert voorts aan dat zij op grond van artikel 11 van de tussen partijen toepasselijke algemene voorwaarden niet aansprakelijk is voor de door eiser gevorderde gevolgschade.

Vooropgesteld zij dat eiser een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zodat sprake is van consumentenkoop. Zoals ter comparitie met partijen besproken dient de rechter op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a. 4 juni 2009, C-243/08) ambtshalve te beoordelen of het beding waarop gedaagde zich beroept onredelijk bezwarend is. Op consumentenovereenkomsten is de Richtlijn 93/13/EEG inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) van toepassing. In de Richtlijn is bepaald dat een oneerlijk beding de consument niet mag binden. Bij artikel 3 lid 3 van de Richtlijn is een indicatieve lijst gevoegd van mogelijk oneerlijke bedingen. Het beding waar het hier om gaat is een beding als bedoeld in onderdeel b van die lijst, welk beding ook is opgenomen in artikel 6:237 sub f BW en derhalve vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn. Het enkele feit dat gedaagde vervangend vervoer heeft aangeboden maakt, anders dan gedaagde heeft aangevoerd, niet dat het beding van artikel 11 van de algemene voorwaarden niet onredelijk bezwarend is.

De conclusie is dat het beding onredelijk bezwarend is en daarom op grond van artikel 3:40 juncto 6:233 onder a juncto 6:237 sub f BW als nietig moet worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 182745 / HA ZA 11-769

Vonnis van 15 februari 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. M.A.M. Euverman,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTOCLEANING CENTRE OVERVEEN B.V.,

gevestigd te Badhoevedorp,

gedaagde,

advocaat mr. J. Veenis.

Partijen zullen hierna [eiser] en ACC genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 oktober 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 23 november 2011 met daaraan gehecht de brief van mr. Euverman van 9 december 2011 en het antwoord daarop van de rechtbank van 14 december 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. ACC heeft bij overeenkomst d.d. 31 oktober 2009 (hierna: de koopovereenkomst) aan [eiser] een Volkswagen Passat met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) verkocht. De koopsom voor de auto bedroeg EUR 12.250,00 inclusief BTW.

2.2. In de op de koopovereenkomst toepasselijke algemene voorwaarden van ACC is opgenomen, voor zover relevant voor het onderhavige geschil:

Artikel 7 Garantie en aankoopkeuring

(…)

7.4 Eventuele aankoopkeuringen zijn voor rekening van de Klant.

Artikel 11 Aansprakelijkheid

ACC is niet aansprakelijk voor directe of gevolgschade door welke oorzaak dan ook ontstaan aan roerende of onroerende zaken, aan goederen of aan personen, een en ander tengevolge van of in de ruimste zin verband houdende met de door ACC geleverde zaken. Het hiervoor gestelde geldt niet indien de schade het gevolg is van grove schuld of

opzet van de zijde van ACC.

2.3. [Eiser] heeft bij brief van 27 januari 2011 de koopovereenkomst ontbonden.

2.4. Tussen 31 oktober 2009 en 27 januari 2011 is ongeveer 35.000 kilometer met de auto gereden.

2.5. Tussen partijen staat vast dat er problemen zijn met de motor van de auto.

3. Het geschil

3.1. [Eiser] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst per 27 januari 2011 is ontbonden;

- ACC te veroordelen om aan [eiser] binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis een bedrag van EUR 16.333,27 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag;

- ACC te veroordelen in de proceskosten, inclusief het nasalaris van de advocaat.

3.2. [Eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. [Eiser] stelt dat hij daartoe gerechtigd was, omdat ACC tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenis jegens [eiser] en daarnaast in verzuim is. De tekortkoming in de nakoming bestaat er in dat de auto niet aan de koopovereenkomst beantwoordt. De auto vertoont gebreken, welke zich onder meer manifesteren in het onregelmatig draaien van de motor. [Eiser] vordert terugbetaling van de koopsom en vergoeding van gevolgschade die hij heeft geleden.

3.3. ACC voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ontbinding van de koopovereenkomst

4.1. Allereerst dient vastgesteld te worden of sprake is van non-conformiteit als bedoeld in artikel 7:17 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Hiervoor is bepalend of de auto aan de koopovereenkomst beantwoordt, hetgeen betekent dat deze de eigenschappen dient te bezitten die de koper op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten.

4.2. Bij de beoordeling of de auto beantwoordt aan de koopovereenkomst geldt de toestand van de auto ten tijde van de levering als uitgangspunt. Bij gebreken die na de levering aan het licht komen dient daarom vastgesteld te worden of deze ten tijde van de levering reeds aanwezig waren. Daarbij geldt dat van gebreken die binnen zes maanden na de levering aan het licht komen, wordt vermoed dat deze het gevolg zijn van de toestand waarin de auto zich ten tijde van de levering bevond, tenzij feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die er op wijzen dat deze gebreken het gevolg zijn van gebeurtenissen na de levering.

4.3. [Eiser] heeft – ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een gebrek aan de auto – een keuringsrapport van de ANWB d.d. 19 november 2009 overgelegd, waarin staat vermeld dat de motor van de auto onregelmatig draait. ACC erkent dat sprake is van een onregelmatig draaiende motor en tussen partijen is niet in geschil dat dit niet is overeengekomen. Het gebrek is binnen zes maanden na de levering van de auto aan het licht gekomen en feiten of omstandigheden die er op wijzen dat dit gebrek het gevolg is van gebeurtenissen na de levering zijn gesteld noch gebleken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het gebrek ten tijde van de levering reeds aanwezig was dan wel dat dit het gevolg is van de toestand waarin de auto zich op dat moment bevond. Hieruit volgt dat de auto niet aan de koopovereenkomst beantwoordt, zodat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst op grond waarvan [eiser] deze in beginsel mocht ontbinden, tenzij de tekortkoming – gezien haar geringe betekenis – deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (artikel 7:22 lid 1 sub a BW). De bevoegdheid tot ontbinding ontstaat pas wanneer herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de verkoper niet gevergd kunnen worden, dan wel indien verkoper niet binnen redelijke termijn tot – in dit geval – herstel of vervanging is overgegaan (artikel 7:22 lid 2).

4.4. ACC stelt dat [eiser] de koopovereenkomst niet had mogen ontbinden omdat hem een redelijk alternatief ten dienste stond. Zij heeft [eiser] ingevolge artikel 7:21 sub c BW een vervangende auto aangeboden, te weten een Volkswagen Passat met kenteken [kenteken], type Variant 1.9 TDI 77KW Comfort (hierna: de aangeboden auto) van hetzelfde bouwjaar en met een kilometerstand van 189.000 kilometer, onder de voorwaarde van finale kwijting. ACC stelt dat de aangeboden auto gelijkwaardig was aan de door [eiser] gekochte auto en dat [eiser] deze op onterechte gronden heeft geweigerd, zodat sprake is van schuldeisersverzuim (artikel 6:58 juncto artikel 6:266 BW) aan de zijde van [eiser].

4.5. [Eiser] erkent dat ACC hem een auto ter vervanging heeft aangeboden. Hij betwist echter dat deze auto gelijkwaardig was aan de door hem van ACC gekochte auto. Hij voert aan dat de aangeboden auto een lagere dagwaarde en een lagere verkoopprijs had. Daarnaast was de aangeboden auto beige of champagne van kleur terwijl [eiser] bewust een auto met een donkere kleur had gekocht. Voorts was de aangeboden auto van het type Comfortline, terwijl [eiser] een Sportline had gekocht. Uit een overgelegde brochure van Volkswagen blijkt dat de Sportline een duurdere auto is dan de Comfortline. Daarnaast bevatte de vervangende auto in tegenstelling tot de auto van [eiser] geen GPS, carkit, radio-cdspeler en sportonderstel, aldus nog steeds [eiser]. [Eiser] is daarom niet akkoord gaan met het omruilen van de auto, ook omdat ACC finale kwijting als voorwaarde had gesteld.

4.6. ACC betwist dat een auto van het type Sportline meer waard is dan een Comfortline en voert aan dat de aangeboden auto een hogere dagwaarde had en voor wat betreft de uitvoering luxer was dan de auto van [eiser]. Dat de auto van [eiser] EUR 12.250,00 heeft gekost en de aangeboden auto een verkoopprijs had van EUR 9.950,00 komt doordat de verkoopprijs wordt bepaald door de inkoopprijs. ACC heeft geen rekening kunnen houden met de kleur van de auto. Zij heeft niet betwist dat de kleur van de aangeboden auto beige of champagne was. Overigens was ACC niet op de hoogte van de wensen van [eiser] met betrekking tot de kleur van de auto en gewenste opties. Als ACC hier wel van op de hoogte was geweest had zij [eiser] daarin tegemoet willen komen, zo voert zij aan.

4.7. De rechtbank stelt voorop dat in geval van consumentenkoop de bevoegdheid van de koper om de koopovereenkomst te ontbinden pas ontstaat wanneer de verkoper zijn verplichting om binnen redelijke tijd en zonder overlast voor de koper te zorgen voor vervanging van de afgeleverde zaak niet nakomt. De rechtbank is op grond van het voorgaande echter van oordeel dat de door ACC aangeboden auto niet heeft te gelden als een vervangende auto, zodat [eiser] dit aanbod niet behoefde te accepteren. De door ACC aangeboden auto had een andere kleur, was van een ander type en had een ander optiepakket, zodat daarmee vaststaat dat de aangeboden auto niet gelijkwaardig was aan de auto van [eiser]. Hetgeen overigens door partijen over en weer is gesteld en betwist betreffende de eigenschappen van de beide auto’s kan, wat daar ook van zij, gelet op het voorgaande buiten beschouwing worden gelaten. Ook vanwege de aan het aanbod verbonden voorwaarde van finale kwijting behoefde [eiser] het aanbod van ACC niet te accepteren. De aanspraak op vervanging van een afgeleverde zaak laat het recht op schadevergoeding immers onverlet.

4.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] de koopovereenkomst mocht ontbinden en per 27 januari 2011 heeft ontbonden, zodat de gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

Afschrijving auto

4.9. Partijen dienen na ontbinding van de koopovereenkomst de door hen ontvangen prestatie ongedaan te maken. [Eiser] vordert op deze grond restitutie van de koopsom van EUR 12.250,00. ACC stelt dat de te restitueren koopsom moet worden verminderd wegens de waardevermindering die de auto heeft ondergaan tengevolge van het gebruik door [eiser]. Tussen de datum van aankoop van de auto en het moment van ontbinding is een periode van vijftien maanden verstreken waarin ongeveer 35.000 kilometer met de auto is gereden. ACC heeft koerslijsten van de ANWB overgelegd (productie G.3 en G.4) waaruit zou volgen dat hetzelfde voertuig met een kilometerstand van 205.000 kilometer EUR 750,00 meer waard is en dat een dergelijke auto gedurende vijftien maanden ongeveer EUR 1.500,00 in waarde vermindert. Op grond van het voorgaande stelt ACC zich op het standpunt dat de te restitueren koopsom met EUR 2.200,00 moet worden verminderd. De rechtbank begrijpt dat EUR 2.250,00 bedoeld is.

4.10. [Eiser] voert aan dat ACC betreffende de waardevermindering onvoldoende heeft gesteld en dat voor zover sprake is van waardevermindering deze voor rekening van ACC moet komen omdat [eiser], zo stelt hij, geen andere keuze had dan met de auto door te rijden. Voorts voert [eiser] aan dat hij weliswaar 35.000 kilometer met de auto heeft gereden, maar dat deze ook twee keer voor een langere periode heeft stilgestaan.

4.11. Tussen partijen staat vast dat in een periode van vijftien maanden ongeveer 35.000 kilometer met de auto is gereden. [Eiser] heeft niet betwist dat sprake is van waardevermindering van de auto, zodat dit rechtens vaststaat. [Eiser] zal derhalve tekortschieten in zijn ongedaanmakingsverbintenis waarvan de nakoming blijvend onmogelijk is. Aan de orde is voorts of de waardevermindering van de auto aan [eiser] kan worden toegerekend en of hij gehouden is de schade die ACC daardoor lijdt te vergoeden, hetgeen door [eiser] wordt betwist. Op 20 juli 2010 heeft de toenmalige gemachtigde van [eiser] per brief aan ACC medegedeeld dat indien ACC niet zou zorgen voor herstel van de auto, [eiser] de koopovereenkomst zou ontbinden. [Eiser] had vanaf dat moment rekening te houden met een mogelijke ontbinding van de koopovereenkomt, zodat op hem de zorgplicht ex artikel 6:273 BW kwam te rusten. Door daarna met de auto te blijven rijden heeft [eiser] zijn zorgplicht geschonden en daarom is de waardevermindering van de auto vanaf 20 juli 2010 aan hem toe te rekenen, zodat hij daarvoor aan ACC een vergoeding dient te voldoen. [Eiser] zou immers ongerechtvaardigd worden verrijkt ten koste van ACC indien hij met een geslaagd beroep op ontbinding de volledige koopsom terug zou krijgen zonder een vergoeding te betalen voor de daarmee samenhangende waardevermindering van de auto. In de omstandigheid dat [eiser] de auto enige tijd niet heeft kunnen gebruiken, ziet de rechtbank aanleiding om de aan [eiser] toe te rekenen waardevermindering te matigen tot een bedrag van EUR 2.000,00.

4.12. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door [eiser] gevorderde koopsom van EUR 12.250,00 met EUR 2.000,00 moet worden verminderd, zodat ACC een bedrag van EUR 10.250,00 aan [eiser] dient te restitueren.

4.13. [Eiser] is voorts gehouden de auto aan ACC te retourneren.

Gevolgschade

4.14. ACC voert als meest verstrekkende verweer aan dat zij op grond van artikel 11 van de tussen partijen toepasselijke algemene voorwaarden niet aansprakelijk is voor de door [eiser] gevorderde gevolgschade.

4.15. Beoordeeld dient te worden of ACC zich op dit beding kan beroepen. Vooropgesteld zij dat [eiser] een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zodat sprake is van consumentenkoop. Zoals ter comparitie met partijen besproken dient de rechter op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a. 4 juni 2009, C-243/08) ambtshalve te beoordelen of het beding waarop ACC zich beroept onredelijk bezwarend is. Op consumentenovereenkomsten is de Richtlijn 93/13/EEG inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) van toepassing. In de Richtlijn is bepaald dat een oneerlijk beding de consument niet mag binden. Bij artikel 3 lid 3 van de Richtlijn is een indicatieve lijst gevoegd van mogelijk oneerlijke bedingen. Het beding waar het hier om gaat is een beding als bedoeld in onderdeel b van die lijst, welk beding ook is opgenomen in artikel 6:237 sub f BW en derhalve vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn. Het enkele feit dat ACC vervangend vervoer heeft aangeboden maakt, anders dan ACC heeft aangevoerd, niet dat het beding van artikel 11 van de algemene voorwaarden niet onredelijk bezwarend is.

4.16. De conclusie is dat het beding onredelijk bezwarend is en daarom op grond van artikel 3:40 juncto 6:233 onder a juncto 6:237 sub f BW als nietig moet worden beschouwd. Het verweer van ACC faalt daarom, zodat de rechtbank in het navolgende de afzonderlijke schadeposten zal behandelen.

a. Kosten vervangend vervoer

4.17. [Eiser] vordert een bedrag van EUR 2.562,96 wegens kosten die hij gemaakt heeft voor vervangend vervoer. [Eiser] zag zich genoodzaakt een auto te huren omdat zijn eigen auto gedurende langere tijd bij ACC stond ter reparatie.

4.18. ACC betwist dat zij aansprakelijk is voor de kosten van de door [eiser] vóór 22 mei 2010 gehuurde auto. ACC is namelijk per brief van 22 mei 2010 aansprakelijk gesteld vanwege wanprestatie, waardoor het verzuim eerst op die datum is ingetreden zodat zij niet aansprakelijk is voor de kosten van de facturen d.d. 28 november 2009, 29 januari 2010, 6 februari 2010, 12 februari 2010 en 18 februari 2010, aldus ACC.

4.19. Dit verweer faalt. Wanneer de schuldenaar die ondeugdelijk heeft gepresteerd de gelegenheid heeft alsnog deugdelijk na te komen, bestaat de mogelijkheid dat de schuldeiser ten gevolge van het gebrek in de aanvankelijk geleverde prestatie schade heeft geleden die hij niet zou hebben geleden indien aanstonds deugdelijk was gepresteerd en die niet door de vervangende prestatie wordt weggenomen. In zoverre is de tekortkoming dan niet voor herstel vatbaar en is de nakoming blijvend onmogelijk in de zin van artikel 6:74 en artikel 6:81 BW (HR 4 februari 2000, NJ 2000/258). De schade die [eiser] heeft geleden omdat hij een auto heeft moeten huren, zou hij niet geleden hebben indien ACC hem een deugdelijke auto had geleverd en zou niet weggenomen zijn indien hem alsnog een deugdelijke auto geleverd zou zijn, zodat de nakoming in zoverre blijvend onmogelijk is en geen verzuim is vereist. Uit het voorgaande volgt dat de verplichting van ACC tot vergoeding van de schade reeds bestaat vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Het gevorderde bedrag betreffende bovengenoemde facturen, in totaal EUR 1.077,13, zal daarom als overigens niet weersproken worden toegewezen.

4.20. Voorts betwist ACC dat zij gehouden is de kosten van de factuur van 8 december 2010 ad. EUR 1.277,58 volledig te vergoeden. ACC voert aan dat zij in een e-mail van 29 juli 2010 een leenauto heeft aangeboden. Deze leenauto had op naam van [eiser] geregistreerd en verzekerd moeten worden, omdat voor auto’s die tot de bedrijfsvoorraad behoren geen wegenbelasting wordt afgedragen en omdat deze niet verzekerd zijn. Volgens ACC is voornoemde gang van zaken niet ongebruikelijk en ook niet onredelijk. [Eiser] stelt zich op het standpunt dat het aanbod van ACC niet gezien kan worden als een aanbod tot vervangend vervoer omdat hij de leenauto zelf moest verzekeren en wegenbelasting moest afdragen. ACC voert aan dat zij desgevraagd bereid zou zijn geweest om bij te dragen in de kosten voor de wegenbelasting en verzekering. [Eiser] heeft het aanbod afgeslagen en heeft vervolgens – zonder dit aan ACC te melden – een auto gehuurd. Volgens ACC heeft [eiser] door dit aanbod af te wijzen zijn plicht tot schadebeperking geschonden en kan hij derhalve alleen aanspraak maken op het bedrag dat hij kwijt geweest zou zijn aan kosten voor de verzekering en wegenbelasting indien hij het aanbod wel geaccepteerd zou hebben.

4.21. De rechtbank begrijpt dat ACC een beroep doet op eigen schuld van [eiser] als bedoeld in artikel 6:101 BW. Dit verweer slaagt. Het door ACC gedane aanbod betreffende de leenauto moet als een redelijk aanbod worden beschouwd. Dat [eiser] de auto zelf moest verzekeren en wegenbelasting diende af te dragen doet daar op zichzelf niet aan af. Door het aanbod af te wijzen zonder met ACC te bespreken wie de kosten zou moeten dragen van verzekering en wegenbelasting en door vervolgens zonder aan ACC te melden een auto te huren, heeft [eiser] toerekenbaar bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Daar staat tegenover dat het op de weg van ACC had gelegen om eerder dan nu het geval is geweest – namelijk pas ter comparitie – aan [eiser] te melden dat ACC bereid was bij te dragen in de kosten voor verzekering en wegenbelasting. Omdat beide partijen naar het oordeel van de rechtbank evenredig hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade begroot de rechtbank de aan ACC toerekenbare schade van [eiser] op de helft van het gevorderde bedrag, zodat een bedrag van EUR 638,79 zal worden toegewezen.

b. Bergingskosten

4.22. [Eiser] vordert een bedrag van EUR 208,25 voor kosten die hij gemaakt stelt te hebben voor het laten bergen van de auto toen hiermee niet meer gereden kon worden. Dit deel van de vordering is door ACC niet betwist en zal worden toegewezen.

c. Facturen ANWB

4.23. [Eiser] vordert vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt in verband met een tweetal door de ANWB uitgevoerde keuringen van de auto. Het betreft de facturen d.d. 16 november 2009 van EUR 206,01 en d.d. 8 maart 2010 van EUR 53,00. [Eiser] heeft de auto op 16 november 2009 door de ANWB laten keuren omdat hij een vreemd geluid hoorde bij het draaien van de motor. Door de ANWB is toen vastgesteld dat sprake was van een onregelmatig draaiende motor. Volgens [eiser] was dit geen aankoopkeuring, omdat deze diende ter vaststelling van de schade en de koop op dat moment al was gesloten. Nadat ACC diverse reparaties aan de auto had uitgevoerd heeft [eiser] de auto op 8 maart 2010 opnieuw door de ANWB laten keuren om er zeker van te zijn dat de gebreken waren opgelost.

4.24. ACC voert aan dat de kosten van de keuring d.d. 16 november 2009 geen enkel verband houden met de eventuele tekortkomingen van de auto. Bovendien wordt in artikel 7.4 van de toepasselijke algemene voorwaarden bepaald dat kosten voor een aankoopkeuring voor rekening van de klant blijven.

4.25. Naar het oordeel van de rechtbank is de keuring d.d. 16 november 2009 niet aan te merken als een aankoopkeuring. Deze keuring diende ter vaststelling van de schade, omdat deze werd uitgevoerd nadat [eiser] een ongewoon geluid hoorde bij het draaien van de motor en bovendien de koop al was beklonken. Het beroep van ACC op artikel 7.4 van de algemene voorwaarden gaat daarom niet op, zodat de vordering voor dit deel zal worden toegewezen. De vordering betreffende de kosten voor de keuring d.d. 8 maart 2010 zijn door ACC niet betwist en zal daarom ook worden toegewezen.

d. Factuur ACC

4.26. [Eiser] vordert een bedrag van EUR 120,00 voor de door ACC gefactureerde kosten wegens revisie van de cilinderkop. ACC betwist deze vordering en voert aan dat het gefactureerde bedrag ziet op nieuwe gloeibougies en dat de revisie van de cilinderkop kosteloos en onder de garantie is uitgevoerd. Voorts voert ACC aan dat geen grond bestaat voor terugbetaling van het gevorderde bedrag.

4.27. Dit verweer van ACC slaagt. De koper van een tweedehands auto moet rekening houden met gebreken die het gevolg zijn van slijtage. [Eiser] heeft niet weersproken dat het gefactureerde bedrag ziet op nieuwe gloeibougies. Het moet er daarom voor worden gehouden dat deze kosten verband houden met normale slijtage. Deze kosten komen daarom voor rekening van [eiser]. Het gevorderde bedrag van EUR 120,00 zal daarom worden afgewezen.

e. Facturen Vallei Auto Groep

4.28. [Eiser] vordert vergoeding van een drietal facturen die hij heeft voldaan aan Vallei Auto Groep. De eerste nota d.d. 15 december 2009 bedraagt EUR 672,59 wegens een uitgevoerde noodreparatie. ACC betwist dat zij gehouden is deze schade te vergoeden. Zij voert daartoe aan dat de kosten van het acute probleem van de kapotte kabelboom EUR 46,71 bedragen en dat de overige werkzaamheden niet acuut waren.

4.29. Naar het oordeel van de rechtbank komt het gevorderde bedrag van EUR 672,59 voor vergoeding in aanmerking, omdat niet is aangevoerd of gebleken dat de kosten het gevolg zijn van normale slijtage, het gebrek zich minder dan twee maanden na de levering van de auto heeft geopenbaard en derhalve het gevolg is van de ondeugdelijke prestatie van ACC, zodat ACC op grond van wanprestatie gehouden is de schade te vergoeden. De vraag of sprake was van een acuut probleem kan gelet op het voorgaande dan ook buiten beschouwing blijven.

4.30. De facturen van Vallei Auto Groep d.d. 2 maart 2010 van EUR 119,77 en d.d. 16 juni 2010 van EUR 348,94 zijn niet betwist en zullen derhalve worden toegewezen.

Rente en kosten

4.31. [Eiser] vordert de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 28 juli 2010, althans 4 februari 2011, tot aan de dag van volledige betaling. De wettelijke rente zal worden toegewezen, nu dit voor toewijzing in aanmerking komt en niet is betwist.

4.32. Voor de facturen van de ANWB ad. EUR 53,00 en EUR 206,01 en de facturen van Vallei Auto Groep ad. EUR 672,59, EUR 119,77 en EUR 348,94 (in totaal een bedrag van EUR 1.400,31) geldt 28 juli 2010 als datum waarop de wettelijke rente is gaan lopen, gelet op de ingebrekestelling van 20 juli 2010. Dit geldt eveneens voor de facturen voor de huurdauto d.d. 28 november 2009, 29 januari 2010, 6 februari 2010, 12 februari 2010 en 18 februari 2010 (in totaal een bedrag van EUR 1.077,13).

4.33. Voor de wettelijke rente over de te restitueren koopsom ad. EUR 10.250,00 en het toe te wijzen bedrag van EUR 638,79 betreffende de factuur d.d. 8 december 2010 voor de huurauto, geldt 4 februari 2011 als datum waarop de wettelijke rente is gaan lopen, gelet op de ingebrekestelling van 27 januari 2011.

4.34. Voor de bergingskosten ad. EUR 208,25 geldt de dag van de dagvaarding als datum waarop de wettelijke rente is gaan lopen.

4.35. ACC zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 90,81

- griffierecht 588,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.582,81

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat de tussen ACC en [eiser] gesloten koopovereenkomst is ontbonden per 27 januari 2011,

5.2. veroordeelt ACC om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 13.574,48 (dertienduizend vijfhonderd vierenzeventig euro en achtenveertig eurocent euro en achtenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over:

- EUR 2.477,44 vanaf 28 juli 2010;

- EUR 10.888,79 vanaf 4 februari 2011;

- EUR 208,25 vanaf 14 juni 2011;

tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt ACC in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.582,81,

5.4. veroordeelt ACC tevens in de nakosten, aan de zijde van [eiser] bepaald op EUR 131,00 voor nasalaris advocaat, te vermeerderen voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest met EUR 68,00 voor nasalaris advocaat en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2012.?