Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BV7957

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-03-2012
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
15/700254-11 en 05/505462-09 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige strafkamer. Vrijspraak van het onder de feiten 1 en 2 primair implictiet ten laste gelegde, te weten de respectievelijke opzetvarianten van heling en witwassen.

Uitspraken in verband met de overval op een juwelier te Haarlem in oktober 2010 waarbij drie verdachten zijn veroordeeld en zes verdachten zijn vrijgesproken. De in totaal negen verdachten zijn allen jeugdige mannen, drie van hen zelfs minderjarig.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden wegens schuldheling en witwassen. Tevens tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 75 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/700254-11 en 05/505462-09 (TUL)

Uitspraakdatum: 5 maart 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 oktober 2011, 14 oktober 2011, 9 februari 2012 en 20 februari 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1990 te 's-Hertogenbosch,

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 29 oktober 2010 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, een hoeveelheid (gouden) juwelen (met een gezamenlijk gewicht van ongeveer 5600 gram), waaronder in elk geval vijf, althans één of meer, collier(s), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die juwelen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door

misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 2

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 oktober 2010 tot en met 1 november 2010, te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een hoeveelheid (gouden) juwelen (met een gezamenlijk gewicht van ongeveer 5600 gram), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een

voorwerp, te weten die juwelen, was, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf, immers heeft hij, verdachte, (één of meer van) die/dat juwe(e)l(en) omgesmolten en/of diamant(en) en/of zirkonia(s) uit één of meer van die/dat siera(a)d(en) verwijderd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Daarnaast vordert de officier van justitie de tenuitvoerlegging van de door de politierechter te Arnhem d.d. 8 februari 2010 voorwaardelijk opgelegde straf , te weten een werkstraf voor de duur van 75 uur, bij niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 37 dagen hechtenis.

4. Bewijs

4.1. Vrijspraak feit 1 (impliciet) primair en 2 (impliciet) primair

Uit de in het dossier opgenomen stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt niet dat verdachte - al dan niet in voorwaardelijke zin - wist dat de sieraden van misdrijf afkomstig waren. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van de opzetvariant van zowel heling als witwassen.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden feit 1 (impliciet) subsidiair en 2 (impliciet) subsidiair1

Aanleiding onderzoek

Op 27 oktober 2010 is de juwelierswinkel [naam], gelegen in de [adres] te Haarlem, overvallen.2 Deze winkel is eigendom van [naam eigenaar]3 Daarbij is een hoeveelheid sieraden weggenomen, met een schoongewicht van 5,6 kilogram (5600 gram) 14 karaats goud.4

Uit het onderzoek dat vervolgens naar aanleiding van deze overval is ingesteld, genaamd onderzoek 12-km-Paard, is uit CIE informatie een telefoonnummer van één van de vermoedelijke overvallers van juwelier [naam] naar voren gekomen. Van dit nummer zijn de historische verkeersgegevens opgevraagd en geanalyseerd.5

Enkele maanden eerder, op 18 juni 2010, werd een overval gepleegd op de juwelierszaak [naam] aan de [straatnaam] te Amsterdam.6 In het kader van dat onderzoek heeft van

6 oktober 2010 tot en met 3 november 2010 een telefoontap gelopen op het telefoonnummer [telefoonnummer 1], dat bij [medeverdachte 2] in gebruik zou zijn.7 Er is toestemming verleend deze gegevens ook in het onderhavige onderzoek te gebruiken.8 Vervolgens zijn de getapte telefoongesprekken in het kader van het onderhavige onderzoek opnieuw uitgeluisterd.

Uit één van deze gesprekken blijkt dat op 29 oktober 2010 voornoemd nummer tussen

14:26 uur en 16:29 uur zendmasten in 's-Hertogenbosch aanstraalt.9

Op 29 oktober 2010 vinden er tussen 10:27 en 16:29 uur tussen het nummer in gebruik bij [medeverdachte 2] en het nummer [telefoonnummer 3] verschillende gesprekken plaats. In één van deze gesprekken, te weten dat van 14:55 uur, vraagt [medeverdachte 2] naar [voornaam 1], die vervolgens, wanneer hij aan de telefoon is gekomen, te horen krijgt dat hij moet komen als er geen klanten in de winkel zijn, "hij moet alleen komen".10 Het nummer [telefoonnummer 3] behoort toe aan ene [naam 1] die, zo blijkt uit zijn verklaring, op 29 oktober 2010 drie mensen, van wie [medeverdachte 2] tijdens de rit naast hem zat, naar Den Bosch heeft gebracht.11

Om 16:00 uur bellen twee andere verdachten van (betrokkenheid bij) de overval, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], met elkaar. In dit gesprek wordt besproken dat er "56" wordt betaald, dat "hij" niet genoeg in huis had en is gaan pinnen, "Nu nog twee dozo's" (tweeduizend in straattaal), zegt [medeverdachte 2].12 Later vinden er nog verschillende gesprekken plaats tussen [medeverdachte 2] en voornoemde [medeverdachte 3] onder meer over de verdeling van geld, waarbij gezegd wordt dat ieder er 14 krijgt.13

Op basis van de opgevraagde bankgegevens van verdachte kan worden vastgesteld dat hij zeer geregeld grote bedragen pint, waaronder op 29 oktober 2010 om 15:49 uur en 15:50 uur twee keer een bedrag van € 2.000,-, in de nabije omgeving van zijn winkel.14

Op 3 november 2010 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de winkel van verdachte te

's-Hertogenbosch, waarbij onder meer geld, sieraden, sloopgoud en horloges in beslag werden genomen.15 De in beslag genomen goederen zijn overgedragen aan de Belastingdienst en verzonden ter taxatie naar de firma "[naam firma]" te Gouda. Daar is geconstateerd dat in vijf in beslag genomen gouden colliers het meesterteken van een zogenaamd visje met daarin de letters [twee letters] was vastgelegd.16 Dit meesterteken is toegekend aan [naam benadeelde], de firma van [naam eigenaar], eigenaar van juwelierszaak [naam].17

Op 17 maart 2011 is [naam eigenaar] gehoord en zijn hem de vijf gouden colliers getoond.

[naam eigenaar] herkende vier van de vijf colliers (2 tot en met 5) aan het ingeslagen meesterteken. Een van de vijf colliers (nummer 1) herkende hij specifiek aan de schakelsoort (koffieboonschakel). Het was nooit door de klant aangekocht omdat de afwerking erg lelijk was.18 [naam eigenaar] weet zeker dat het collier met de koffieboonschakel niet is verkocht omdat, als deze ketting verkocht zou zijn, dat zeker in het logboek zou worden genoteerd, en iedereen zoiets zou hebben gehad van: "Hèhè eindelijk."19

Uit de facturen van [firmanaam 2]. te Amsterdam blijkt dat op 1 en 2 november 2010 door hen van de firma van verdachte in totaal 5413,7 gram goud, dat was omgesmolten in baren, is aangekocht.20 Verdachte kan zich herinneren dat hij de partij goud van circa 5,4 kilogram die hij begin november 2010 bij [firmanaam 2] heeft ingeleverd, had omgesmolten in baren.21

Tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op de terechtzitting van 10 oktober 2011 is een werknemer van verdachte, [getuige 1], als getuige gehoord. Deze heeft onder meer verklaard dat hij de zaakstelefoon onder zich had, dat hij de inkoop/verkoop van goud, sieraden en dergelijke deed en vervolgens de waarde van de ingekochte edelmetalen wel in geld uitbetaalde, maar dat hij niet zelf bevoegd was om bij het geld te komen. Dat moest verdachte altijd voor hem regelen.22

Uit het voorgaande komt naar voren dat enkele verdachten van (betrokkenheid bij) de overval op juwelierszaak [naam] twee dagen na de overval naar 's-Hertogenbosch reizen, waar zij aan verdachte de buit verkopen voor een bedrag van "56" (de rechtbank begrijpt: € 56.000,-, hetgeen overeenkomt met de inhoud van het tapgesprek dat ieder er 14 krijgt en het gegeven dat er vier overvallers zijn). Dit bedrag wordt door of namens verdachte contant uitbetaald. Uit de opgevraagde bankgegevens van verdachte blijkt dat hij rond het tijdstip dat de verdachten van de overval in zijn winkel zijn, twee keer een bedrag van € 2.000,- pint, hetgeen overeen komt met de inhoud van het hiervoor genoemde tapgesprek dat "hij niet genoeg in huis had" en "2 moest gaan pinnen". Het goud van de sieraden smelt verdachte, in ieder geval grotendeels, om in baren en verkoopt hij - vermoedelijk - enkele dagen later aan [firmanaam 2] in Amsterdam.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande bewezen dat verdachte op 29 oktober 2010 sieraden voorhanden heeft gehad, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze sieraden een criminele herkomst hadden. Gelet op de verklaring van getuige [getuige 1] ter terechtzitting gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte die partij sieraden en goud niet zelf in ontvangst heeft genomen. Dit gegeven maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, nu hij, zoals uit de verklaringen van zijn werknemer [getuige 1] en hemzelf blijkt, degene is die "over het geld gaat".

De partij sieraden had een aanzienlijke omvang in hoeveelheid én waarde en was niet via een veiling of de handel aangeboden, maar door - jeugdige - particulieren. Van verdachte kon en mocht worden verwacht en geëist dat hij, in geval hij een dermate groot bedrag als € 56.000,- contant heeft uitbetaald of laten uitbetalen, de verkopers van deze partij had bevraagd naar, en bij twijfel had doorgevraagd over, de herkomst van de sieraden. Ook kon van verdachte worden verlangd dat hij naderhand, bijvoorbeeld door het natrekken van op de sieraden aangebrachte meestertekens, onderzoek had gedaan naar de herkomst van de hem (via [getuige 1]) aangeboden partij. Door dit na te laten heeft verdachte verwijtbaar onzorgvuldig gehandeld.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1

hij op 29 oktober 2010 te 's-Hertogenbosch een hoeveelheid (gouden) juwelen met een gezamenlijk gewicht van ongeveer 5600 gram, waaronder in elk geval vijf colliers, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die juwelen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

Feit 2

hij in de periode van 29 oktober 2010 tot en met 1 november 2010, te 's-Hertogenbosch, van een voorwerp, te weten een hoeveelheid gouden juwelen met een gezamenlijk gewicht van ongeveer 5600 gram de herkomst heeft verhuld, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, immers heeft hij, verdachte, een of meer van die juwelen omgesmolten.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 schuldheling

Feit 2 schuldwitwassen

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland uitgebrachte rapport van 31 mei 2011 is gebleken. Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van 31 maart 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor vermogensmisdrijven is veroordeeld.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling en schuldwitwassen van een grote partij sieraden, afkomstig van een overval.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij niet de zorgvuldigheid heeft betracht die hem vanuit zijn professie - onder meer het inkopen van sieraden en goud/zilver - betaamt om te voorkomen dat hij - ongewild - eraan meewerkt dat overvallers hun buit kunnen afzetten en de gestolen sieraden vervolgens in een legaal circuit terechtkomen.

In de omstandigheid dat de schuldvariant van heling en witwassen bewezen is geacht, is naar het oordeel van de rechtbank grond gelegen om ten voordele van verdachte in belangrijke mate af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie gevorderd.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te Arnhem in de zaak met parketnummer [nummer] heeft de politierechter te Arnhem op 8 februari 2010 verdachte veroordeeld tot - onder meer - een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van vijfenzeventig (75) uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog zal worden ten uitvoer gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Om die reden zal de rechtbank, gelet op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht, de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke werkstraf gelasten.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

57, 417bis, 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 (impliciet) en 2 (impliciet) primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte de (impliciet) subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJF (5) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering van de officier van justitie en gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter d.d. 8 februari 2010 in de zaak met parketnummer [nummer] voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van vijfenzeventig (75) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door zevenendertig (37) dagen hechtenis;

heft op het bevel voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ph. Burgers, voorzitter,

mr. A. Eichperger en mr. K.G. Witteman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 maart 2012.

Parketnummer: 15/700254-11 en 05/505462-09 (TUL)

Inzake: [verdachte] blad 2

vonnis