Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BV7836

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-03-2012
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
15/740402-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Onderzoek Paard. In verband met een overval op een juwelier in Haarlem heeft de rechtbank Haarlem een minderjarige jongen een straf van 24 maanden jeugddetentie waarvan 6 voorwaardelijk is opgelegd, met een proeftijd van 2 jaren. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting primair bewijsuitsluiting, subsidiair strafvermindering bepleit omdat de wijze van het verkrijgen van de camerabeelden van de overval niet conform het toepasselijke strafvorderlijk kader heeft plaatsgevonden, door het ontbreken van de vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank heeft het verweer verworpen daar bewijsuitsluiting slechts in aanmerking komt indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Daarom volstaat de rechtbank met de constatering dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en zal niet overgaan tot uitsluiting van enig bewijsmiddel of tot vermindering van de op te leggen straf. De raadsvrouw heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de verbaliseringsplicht ex artikel 152 Sv is geschonden, waardoor de afdoening van de zaak door het onderzoek in dat kader flinke vertraging heeft opgelopen, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering.De rechtbank is echter van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van schending van een verbaliseringsplicht. De officier van justitie had gevorderd dat de rechtbank gebruik maakte van de mogelijkheid die de wet biedt om een minderjarige volgens het strafrecht voor volwassenen te bestraffen. De rechtbank zag echter vanwege zijn vertraagde en gestagneerde ontwikkeling geen aanleiding die uitzondering toe te passen en van de hoofdregel af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740402-11

Uitspraakdatum: 5 maart 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek op de terechtzitting van 7 oktober 2011, 14 oktober 2011, 5 januari 2012, 9 februari 2012 en 20 februari 2012 in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in [detententieadres] te Amsterdam.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 oktober 2010 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid (gouden) juwelen (met een gezamenlijk gewicht van (ongeveer) 5600 gram), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam juwelier] (gevestigd aan de [a-straat]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die juwelen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking (te weten het met (een) hamer(s) en/of (andere) zware en/of harde voorwerp(en) inslaan van één of meer vitrinekast(en) waarin die juwelen zich bevonden), en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of in de [a-straat] aanwezig (winkelend) publiek, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met één of meer van zijn mededader(s), met/op een motorscooter en/of een motor is/zijn gegaan naar die juwelier, waarna verdachte en/of zijn mededader(s):

- met een helm en/of een shawl en/of een pet op/over zijn/hun gezicht en/of hoofd, in elk geval met (deels) bedekt(e) gezicht(en), die juwelier is/zijn binnengegaan, en/of

- daarbij één of meer vuurwapen(s) en/of (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) heeft/hebben vastgehouden en/of gericht op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of heeft/hebben geroepen tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] "bukken, bukken", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- met één of meer hamer(s) en/of (andere) zware en/of harde voorwerp(en) meerdere, althans één vitrine(s) heeft/hebben ingeslagen, en/of

- (buiten in de [a-straat]) één of meer vuurwapen(s) en/of (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) zichtbaar voor het aldaar aanwezige (winkelend) publiek heeft/hebben vastgehouden en/of in de lucht gehouden, en/of

- dat/die vuurwapen(s) en/of op vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en) heeft/hebben gericht op die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4], en/of

- op die motorscooter en/of die motor is/zijn gestapt en met (zeer) hoge

snelheid is/zijn gaan rijden en/of daarbij die [slachtoffer 5] (die één van de overvallers vasthield) heeft/hebben meegesleept (waardoor/waarbij die [slachtoffer 5] ten val is gekomen).

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte met toepassing van het volwassenen strafrecht als bedoeld in artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. Bewijs

4.1. Bewijsverweer

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat de wijze van het verkrijgen van de zich in het dossier bevindende camerabeelden van de overval van 27 oktober 2010 niet conform het toepasselijke strafvorderlijk kader heeft plaatsgevonden omdat de vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering (Sv), op basis waarvan de camerabeelden zijn verstrekt, ontbreekt. Nu dit vormverzuim niet meer kan worden hersteld, dienen de camerabeelden - en al hetgeen daaruit is voortgekomen - van het bewijs te worden uitgesloten, aldus de raadsvrouw.

Ervan uitgaande dat de camerabeelden niet vrijwillig door aangever aan politie of justitie zijn afgegeven stelt de rechtbank vast dat zich in het dossier geen vordering tot afgifte van de camerabeelden van 27 oktober 2010 ex artikel 126nd Sv bevindt. Gelet op de mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting blijkt deze vordering niet te zijn gedaan, ondanks een andersluidende mededeling in het proces-verbaal van bevindingen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat een vormverzuim dat niet meer kan worden hersteld. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit enkele vormverzuim niet tot bewijsuitsluiting kan leiden en acht het volgende daartoe redengevend.

De rechtbank kan, indien sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, op grond van artikel 359a lid 1 sub b Sv bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, worden uitgesloten van het bewijs. Volgens vaste jurisprudentie komt bewijsuitsluiting slechts in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Dat een dergelijk voorschrift of rechtsbeginsel in de onderhavige zaak is geschonden, is niet gebleken. Gelet op het vorenstaande volstaat de rechtbank met de constatering dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en zal niet overgaan tot uitsluiting van enig bewijsmiddel.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden [1]

De overval

Op woensdag 27 oktober 2010 opende [slachtoffer 1] samen met haar zuster [slachtoffer 2] (gelet op de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] zal de rechtbank daar waar de meisjesnaam van haar zuster [slachtoffer 2] in het dossier is gebruikt, deze lezen als [slachtoffer 2]) rond 10.15 uur de juwelierswinkel [naam juwelier], gelegen aan de [a-straat] te Haarlem[2], welke winkel eigendom is van hun beider broer [getuige 1].[3] Rond 11:18 uur hoorden zij een hard motorgeluid, dat voor de winkel stopte.[4] Op het moment dat [slachtoffer 1] naar de kassa liep, halverwege in de winkel, zag zij een grote man binnenkomen, die helemaal in het zwart gekleed was en een pistool in één van zijn handen had. De man had het pistool met de loop op haar gericht. Vervolgens kwamen er nog drie andere mannen de zaak binnen. De man met het pistool schreeuwde: "Bukken, bukken", en [slachtoffer 1] is daarop direct achter de toonbank op haar hurken gaan zitten. Zij hoorde vervolgens heel veel glasgerinkel. Zij zag dat de overvaller met een voorwerp het glas van de vitrines achter haar stuk sloeg en over de toonbank heen leunde om de daar aanwezige juwelen uit de vitrinekast te pakken. De winkel was een grote ravage. Overal lag glas en er lagen twee grote hamers in de winkel.[5]

[Slachtoffer 2] bevond zich achter het muurtje achterin de winkel, niet toegankelijk voor klanten, en was daar bezig met reparatiewerkzaamheden. Zij zag kort nadat zij het luide geluid van een scooter vlakbij de winkel hoorde, drie personen met versnelde pas de winkel binnenkomen. Op dat moment zag zij nog geen wapens maar wel dat deze drie personen waren voorzien van een klein model moker. Zij zag de mannen direct achter de toonbanken aan de oostzijde van de winkel komen. Ze zakte door haar knieën en liet aan hen haar handen zien door deze omhoog te houden, terwijl ze naar de grond keek. Ondertussen hoorde zij het geluid van het inslaan van de vitrinekastdeuren en het verwijderen van de bakken waarin de sieraden opgeslagen lagen. Tijdens het inslaan van de vitrinekasten keek zij nog een keer opzij en zag zij onder meer in het winkelgedeelte een dader staan die in één van zijn handen een pistool had. Ze zag dat hij het wapen op haar zus gericht hield.[6]

De bij de overval weggenomen sieraden hebben in totaal een schoongewicht goud van 5,6 kilogram (5600 gram) 14 karaats.[7]

Op 28 oktober 2010 heeft [getuige 1] aan de politie camerabeelden van de overval overhandigd.[8] Op de camerabeelden van 27 oktober 2010 is te zien dat om 11:17 uur een motorfiets met twee personen en kort daarachter een scooter met twee personen de [a-straat] te Haarlem in komen rijden. De bestuurder van de motorfiets heeft een grijze joggingbroek en een zwarte jas aan, loopt op sportschoenen en draagt een zwarte pothelm met vizier. Hij heeft een donkerrode sjaal voor zijn mond. Hij heeft een gezet postuur. Beide voertuigen worden geparkeerd en de vier mannen komen de winkel binnen. De hoofden van de mannen zijn bedekt met een helm of een pet. De bijrijders hebben slagvoorwerpen in hun handen die lijken op hamers. Een bijrijder (passagier op de scooter bij aankomst) loopt naar het achterste deel van de winkel, en wijst daarbij met zijn linkerhand in de richting van de medewerkster, waarin hij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft. De mannen slaan vervolgens de vitrinekasten kapot en doen de tableaus met sieraden in tassen. De bestuurder van de motorfiets pakt een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uit zijn broek of jas, loopt naar een medewerkster van de winkel en richt het vuurwapen op haar. De medewerkster gaat in elkaar gedoken achter de toonbank zitten. De bestuurder van de motorfiets slaat vervolgens met zijn rechterhand/vuurwapen de vitrinekasten stuk.

De mannen zijn vervolgens bezig met het inslaan van ruiten en het in tassen stoppen van tableaus met sieraden. De bestuurder van de motorfiets heeft inmiddels ook een hamer gepakt om de vitrinekasten stuk te slaan.

Terwijl de bestuurder van de motorfiets naar de passagier van de motorfiets loopt, valt deze hamer op de grond en blijft achter. De passagier (passagier bij aankomst) van de scooter is naar buiten gegaan, is op de scooter gestapt en rijdt de scooter voor de ingang van de winkel. Hij heeft in zijn rechterhand een voorwerp dat lijkt op een vuurwapen. Hierna strekt hij zijn rechterarm uit en richt over zijn linkerschouder naar achteren, op de hierna beschreven personen. Op dat zelfde moment is te zien dat een vrouw aan komt rennen in de richting van deze man, zij schrikt, stopt abrupt met rennen en rent naar rechts. Kort achter de vrouw volgt een man, die tevens schrikt. Hij maakt vervolgens dezelfde beweging als de vrouw. De bestuurder van de motorfiets is met een tas met sieraden de winkel uitgelopen naar de motorfiets. De passagier van de motorfiets rent naar buiten in de richting van de motorfiets met een plateau sieraden onder de arm, die hij in de tas stopt die de bestuurder bij zich had.

De man die eerst (bij aankomst) de scooter bestuurde, komt de winkel uit en stapt achter op de scooter.

De scooter rijdt vervolgens weg in oostelijke richting. De bestuurder van de motorfiets en de passagier zijn op de motorfiets gaan zitten en rijden weg. Terwijl zij wegrijden, rennen twee mannen achter de motorfiets die in oostelijke richting weg rijdt.[9]

Kort voor het moment van de overval liep [getuige 2] richting de C&A in de [a-straat].

Zij zag een motor en een groene scooter met grote snelheid de [a-straat] inrijden. Zij zag vier personen met alle vier een helm op en een shawl voor de mond. Het kenteken van de motor was [kenteken]. Op de motor zat voorop een dikke man met een grijze joggingbroek. Kort nadat zij de C&A in was gelopen, hoorde zij veel kabaal. Zij zag twee mannen in de juwelierswinkel aan de overkant achter de balie staan, die de ruiten van de vitrines met een hamer insloegen en de dozen met sieraden in tassen stopten. Zij zag het jongetje van de scooter over de balie springen. Hij was de laatste die naar buiten kwam. Vervolgens zag zij hen op hun voertuig stappen en wegrijden, eerst het scootertje en daarna de motor. De jongen van de Cinderella, de buurman, rende achter hen aan.[10]

Ook een andere bezoekster van de C&A in de [a-straat] hoorde dat een scooter en een brommer vlak voor de C&A werden geparkeerd. Zij zag vervolgens vier jongens de juwelierszaak in rennen en hoorde veel kabaal van glasgerinkel en zij zag dat daarna alle vier de jongens de juwelierszaak weer uit kwamen. Zij zag dat één van de jongens een vuurwapen in zijn hand had. Hij richtte het wapen naar boven, naar de lucht.[11]

Ten tijde van de overval stond [slachtoffer 3], een medewerkster van een in de [a-straat] gevestigde kledingwinkel, buiten voor de winkel. Zij zag vier personen, die zij niet kende, van wie twee bij de juwelier naar binnen gingen. Op het moment dat zij richting de juwelier liep, zag ze dat de bestuurder van de motorfiets zich omdraaide en een op een vuurwapen gelijkend object haar kant op richtte. De bestuurder van de motorfiets omschrijft zij als een persoon met een fors postuur.[12]

Door het tumult werd tevens de aandacht van [slachtoffer 4] getrokken. Hij zag in de [a-straat] ter hoogte van de C&A winkel in het midden twee scooters staan. Terwijl hij naar de personen op de scooter liep en tegen hen riep dat ze moesten stoppen, zag hij dat een van de personen op de scooter een wapen vanuit zijn binnenzak haalde en het op hem richtte.[13]

Ook een persoon genaamd [slachtoffer 5], medewerker van schoenenwinkel Cinderella, ging op het kabaal en geschreeuw af dat afkomstig was vanaf de [a-straat]. Hij zag vlakbij juwelier [naam juwelier] een motor op de weg staan. Hij hoorde dat de motor daarvan in werking was en zag dat er twee personen op zaten. De passagier achterop had een grote tas bij zich. Hij rende achter de motor aan en op het moment dat de motor weer bijna tot stilstand kwam, lukte het hem om de passagier bij zijn rechter schouder vast te pakken. Hij kon hem niet meer vasthouden, omdat de bestuurder van de motor op dat moment de motor weer in gang kreeg. Vol gas trok de bestuurder op waardoor hij meegetrokken werd en uiteindelijk ten val kwam.[14]

Betrokkenheid verdachte

Op 27 oktober 2010, omstreeks 11:30 uur, zag [getuige 4] vanuit oostelijke richting over de [b-straat] een scooter hard aan komen rijden. De scooter parkeerde strak tegen een witte bestelbus. [Getuige 4] zag dat de bestuurder van de scooter, die alleen op de scooter zat, afstapte, de schuifdeur aan de rechterzijde van deze witte bestelauto, die zij eerder die ochtend had zien parkeren in een parkeervak aan de noordelijke zijde van de straat, openmaakte en in de bestelbus dook. Nadat de bestuurder van de scooter in de auto gedoken was, hoorde zij dat de motor van de bestelauto gestart werd en zag ze de bestelauto direct wegrijden in oostelijke richting. Op het moment dat de bestelauto ter hoogte van de berging reed, kwam er een motor aanrijden. De bestuurder zat alleen op de motor en had ook heel veel haast. Voor de berging bracht hij zijn voertuig tot stilstand en stapte zodanig snel en onhandig af, dat zijn rechterbeen achter de bagagekoffer bleef hangen. Hierdoor kwam hij ten val. De bestuurder was een vadsig type. Hij droeg een donkere helm. Ze dacht dat hij een grijze joggingbroek met zwart kort leder jack aan had. Hij liep op gympen en had een getint uiterlijk.

De bestuurder is daarna opgestaan en op de bestelauto afgelopen. Doordat de bewoonster het geluid van de schuifdeur hoorde, vermoedde zij dat deze persoon ook in de bus was gestapt. Op datzelfde moment zag ze een derde jongen op de [b-straat] rennen in de richting van het vertrekkende busje. Hij had ook een helm op en droeg een grote boodschappentas. Deze jongen dook ook de rechterkant van de bestelauto in waarna de deur werd dichtgetrokken. Vervolgens reed de bestuurder met een bocht naar links over de [b-straat] weg.[15]

Aan [getuige 4] zijn foto's[16] van de scooter getoond. Zij herkende deze scooter aan de kleur en het model voor 100% als de scooter die in de [b-straat] kwam aanrijden.[17] Tevens werden haar foto's van de camerabeelden kort voor de overval op juwelier [naam juwelier] getoond.[18] Zij herkende de vadsige man op de foto als zijnde de bestuurder van de motor aan zijn postuur, kleding en de wijze waarop zijn gezicht onder zijn helm vandaan komt.[19]

De groene snorfiets, voorzien van het kenteken [kenteken] en de motorfiets, voorzien van het kenteken [kenteken], zijn op 27 oktober 2010 aangetroffen op de [b-straat] ter hoogte van de daar aanwezige parkeerplaatsen.[20]

Enkele maanden eerder, op 18 juni 2010, werd een overval gepleegd op de juwelierszaak [naam juwelier 2] aan [c-straat] te Amsterdam.[21] In dat kader heeft van 6 oktober 2010 tot en met 3 november 2010 een telefoontap gelopen op het telefoonnummer [telefoonnummer 1], dat bij medeverdachte [medeverdachte 1] in gebruik zou zijn.[22] Er is toestemming verleend deze gegevens ook in het onderhavige onderzoek te gebruiken.[23] Vervolgens zijn de getapte telefoongesprekken in het kader van het onderhavige onderzoek opnieuw uitgeluisterd.[24]

Uit één van deze getapte gesprekken komt naar voren dat [verdachte] met het toestel van [medeverdachte 1] op 27 oktober 2010 om 14:44 uur, derhalve enkele uren na de overval en nadat de getuige [getuige 4] de bestuurder van de motorfiets had zien vallen, belt naar het toestel van ene [M.]. [Verdachte] vertelt deze [M.] dat hij niet kan lopen en dat zijn hand helemaal opengesneden is.[25]

Tijdens het sporenonderzoek in de juwelierswinkel werd onder meer een hamer met een rood/ houtkleurige steel veilig gesteld (SIN AABE4586NL). Deze hamer lag halverwege de winkelvloer. Van de hamer is vervolgens een monster afgenomen[26] in het kader van DNA onderzoek.[27] [28] Van dit monster is een DNA profiel verkregen[29], dat is vergeleken met het DNA profiel van verdachte [verdachte].[30] [31] Vastgesteld is vervolgens dat het DNA materiaal van het monster matcht met het DNA profiel van [verdachte].[32]

Verdachte heeft een gezet postuur.[33] Op de camerabeelden van de overval is te zien dat er vier overvallers zijn en dat geen van de andere drie overvallers een gezet postuur heeft.[34] Voorts valt op deze beelden te zien dat de man met het gezette postuur in de winkel een hamer pakt en het glas van een vitrinekast kapot slaat. Enige momenten later is te zien dat de gezette man naar een mededader loopt en er tijdens het lopen een hamer op de grond valt. Deze hamer blijft op de grond achter. Man 1 en man 2 bevinden zich op dat moment halverwege de winkel.[35]

Uit de opnieuw uitgeluisterde tapgesprekken uit het hiervoor genoemde onderzoek naar de overval op de juwelierszaak [naam juwelier 2] te Amsterdam komt het volgende naar voren.

Op 29 oktober 2010 om 11:32 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door "[R.]" met de vraag waar hij is. [Medeverdachte 1] zegt dat hij nog staat te wachten op "die gast met die wakkie" (straattaal voor auto) en dat zij daarna "gelijk jullie kant op komen". [R.] zegt vervolgens dat hij, [medeverdachte 1], snel bij het café moet komen, "die gozer is daar aan het wachten, man". [36]

Op diezelfde dag om 11:51 en om 11:58 uur belt "[R.]" naar het telefoonnummer van juwelier [naam juwelier 3] te 's-Hertogenbosch.[37 ]

Om 14:37 uur wordt er een sms-berichtje naar het telefoonnummer van verdachte gezonden met de volgende tekst: "bel [N.] naar zijn nummer afz [R.]".[38]

Verder vinden er op 29 oktober 2010 tussen 10:27 en 16:29 uur tussen het nummer in gebruik bij verdachte en het nummer [telefoonnummer 2] verschillende gesprekken plaats. In één van deze gesprekken, te weten dat van 14:55 uur, vraagt [medeverdachte 1] naar [A.], die vervolgens, wanneer hij aan de telefoon is gekomen, te horen krijgt dat hij moet komen als er geen klanten in de winkel zijn, " hij moet alleen komen".[39]

De gebruiker van het nummer [telefoonnummer 2] heeft als bijnaam [C.] of [K.].[40]

In zijn verhoren bij de politie heeft medeverdachte [medeverdachte 2] onder meer verklaard dat hij voormeld telefoonnummer wel gehad zal hebben, wanneer de verhorende verbalisanten hem voorhouden dat hij dat nummer opgegeven heeft bij een fitnessclub. Verder heeft hij verklaard dat hij wel eens [C.] wordt genoemd. [Medeverdachte 2] heeft op 29 oktober 2010 drie mensen, van wie hij de namen niet wil noemen, naar Den Bosch gebracht.[41] Volgens [medeverdachte 2] had verdachte hem benaderd om te rijden. De tussen verdachte en [medeverdachte] op 28 oktober 2010 gevoerde en uitgeluisterde telefoongesprekken sluiten daarbij overigens ook aan.[42] [Medeverdachte 1] zat tijdens de rit naast hem. Als hem een foto wordt getoond van [medeverdachte 1], deelt hij mee dat deze [voornaam medeverdachte 1] als eerste was ingestapt. [Medeverdachte 2] had voor de rit € 150,- of zo (in een volgende verklaring heeft hij het over € 200,-) gekregen, maar hij had het geld teruggegeven en ook het door hem gebruikte telefoonnummer na 29 oktober 2010 weggegooid, omdat hij geen goed gevoel bij die contacten had.[43]

Daarnaast is vastgesteld dat het nummer in gebruik bij [medeverdachte 1] op 29 oktober 2010 tussen 14:26 uur en 16:29 uur zendmasten in 's-Hertogenbosch aanstraalt.[44]

Om 16:00 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door verdachte. Tijdens dit gesprek zegt [medeverdachte 1] dat er "56" wordt betaald, dat "hij" niet genoeg in huis had en is gaan pinnen, "Nu nog twee dozo's" (tweeduizend in straattaal).[45]

Kort hierna belt verdachte weer met [medeverdachte 1] en geeft daarbij aan hoe hij het geld verdeeld wil hebben.[46] Om 16.07 uur belt verdachte met [medeverdachte 1] en zegt: "Ieder heeft er veertien". Ook bespreken ze dat ze zullen zien wat ze aan [C.] (en anderen, zoals [B.], snor, die gozer met de bril) geven: "Hij hebt ons gebracht en zo", zegt [medeverdachte 1].[47]

Op basis van de opgevraagde bankgegevens van juwelier [juwelier 3] kan worden vastgesteld dat hij zeer geregeld grote bedragen pint, waaronder op 29 oktober 2010 om 15:49 uur en 15:50 uur twee keer een bedrag van € 2.000,-, in de nabije omgeving van zijn winkel.[48]

Op 3 november 2010 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de winkel van [juwelier 3] te Den Bosch, waarbij onder meer geld, sieraden, sloopgoud en horloges in beslag werden genomen.[49] De in beslag genomen goederen zijn overgedragen aan de Belastingdienst en verzonden ter taxatie naar de firma "WaarborgHolland" te Gouda. Daar is geconstateerd dat in vijf in beslag genomen gouden colliers het meesterteken van een zogenaamd visje met daarin de letters TG was vastgelegd.[50] Dit meesterteken is toegekend aan [naam firma], de firma van [getuige 1], eigenaar van juwelierszaak [naam juwelier].[51]

Op 17 maart 2011 is [getuige 1] gehoord en zijn hem de vijf gouden colliers getoond.

[Getuige 1] herkende vier van de vijf colliers (2 tot en met 5) aan het ingeslagen meesterteken. Een van de vijf colliers (nummer 1) herkende hij specifiek aan de schakelsoort (koffieboonschakel). Het was nooit door de klant aangekocht omdat de afwerking erg lelijk was.[52] [Getuige 1] weet zeker dat het collier met de koffieboonschakel niet is verkocht omdat, als deze ketting verkocht zou zijn, dat zeker in het logboek zou worden genoteerd en iedereen zoiets zou hebben gehad van: "Hèhè eindelijk."[53]

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte tezamen met drie mededaders op 27 oktober 2010 de overval op de juwelier [naam juwelier] te Haarlem heeft gepleegd, en voorts dat hij degene is geweest die bij aanvang van de overval buiten in de [a-straat] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [slachtoffer 3], die toevallig daar aanwezig was en vervolgens getuige was van de overval, heeft gericht en in de juwelierszaak met dit wapen één van de medewerksters heeft bedreigd.

Gelet op de posities waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], zich ten tijde van de overval, zoals blijkt uit hun verklaringen, in de winkel bevonden, en het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het uitlezen van de camerabeelden van deze overval, gaat de rechtbank ervan uit dat de bestuurder van de motorfiets het vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op [slachtoffer 1] heeft gericht en de passagier van de scooter (bij aankomst) op [slachtoffer 2].

4.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 27 oktober 2010 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid (gouden) juwelen met een gezamenlijk gewicht van (ongeveer) 5600 gram, toebehorende aan Juwelier [naam juwelier], gevestigd aan de [a-straat], waarbij verdachte en zijn mededaders die juwelen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, te weten het met hamers en andere zware en harde voorwerpen inslaan van vitrinekasten waarin die juwelen zich bevonden, en welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en/of van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en in de [a-straat] aanwezig (winkelend) publiek, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededaders de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders op een motorscooter en een motor is gegaan naar die juwelier, waarna verdachte en/of zijn mededader(s):

- met een helm en/of een shawl en/of een pet op/over hun gezicht en/of hoofd, die juwelier zijn binnengegaan, en

- daarbij vuurwapens of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp hebben vastgehouden en gericht op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en heeft geroepen tegen die [slachtoffer 1] "bukken, bukken", en

- met hamers en/of andere zware en harde voorwerpen vitrines hebben ingeslagen, en

- buiten in de [a-straat] een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp zichtbaar voor het aldaar aanwezige winkelend publiek hebben vastgehouden en/of in de lucht gehouden, en

- dat vuurwapen of op vuurwapen gelijkend voorwerp hebben gericht op die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4], en

- op die motorscooter en die motor zijn gestapt en met zeer hoge snelheid zijn gaan rijden en daarbij die [slachtoffer 5] (die één van de overvallers vasthield) heeft meegesleept waardoor die [slachtoffer 5] ten val is gekomen.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van de vanwege de Raad voor de Kinderbescherming uitgebrachte rapporten van 30 mei 2010 en 13 september 2011 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op klaarlichte dag tezamen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een zeer brutale gewapende overval op een juwelier in het drukbezochte centrum van Haarlem.

Daarbij heeft verdachte met een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp een toevallige passant buiten de winkel bedreigd en eenmaal in de winkel een medewerkster bedreigd en samen met zijn mededaders de vitrines in de winkel op brute wijze gesloopt om zo de sieraden weg te kunnen nemen. Na het verlaten van de juwelierszaak heeft een van zijn mededaders met een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gedreigd naar omstanders die op dat moment in de winkelstraat aanwezig waren. Voor zowel de medewerkers van de juwelier als het winkelend publiek in de [a-straat] in Haarlem is de situatie zeer bedreigend geweest. Slachtoffers van dergelijke traumatische gebeurtenissen kunnen vaak langdurig lijden onder de psychische gevolgen hiervan.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte eerder ter zake van vermogensmisdrijven is veroordeeld, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden om zich opnieuw schuldig te maken aan een dergelijk feit. Deze delicten behoren tot een categorie strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde. Zij veroorzaken grote gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

De maatschappij dient te worden beschermd tegen feiten als door de verdachte tezamen met zijn mededaders gepleegd. De op te leggen straf dient mede om anderen van het plegen van soortgelijke delicten te weerhouden.

Toepassing meerderjarigenstrafrecht

De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte, met toepassing van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht, te berechten volgens het volwassenen strafrecht. Hij heeft daartoe gewezen op de ernst van het feit, de professionele en weloverwogen wijze waarop verdachte de overval heeft gepleegd en zijn proceshouding in onderhavige zaak.

Het standpunt van de officier van justitie om verdachte te berechten volgens het volwassenen strafrecht wordt niet ondersteund door de conclusie uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 13 september 2011. Bij verdachte is volgens dit rapport sprake van een sterke beïnvloedbaarheid. Daarnaast is een ontwikkelingsvertraging dan wel -stagnatie bij hem geconstateerd, waarbij pervasieve problematiek op de voorgrond lijkt te staan.

Het materiële strafrecht kent als hoofdregel dat personen die ten tijde van het begaan van het strafbare feit minderjarigen waren, volgens het minderjarigenstrafrecht worden bestraft. Bij wijze van uitzondering kan een minderjarige volgens het meerderjarigenstrafrecht worden bestraft, indien de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, daartoe aanleiding geven. Met name geeft de persoonlijkheid van verdachte, zoals hiervoor overwogen, geen aanleiding het meerderjarigenstrafrecht toe te passen. Nu de rechtbank geen aanleiding ziet af te wijken van de hoofdregel van artikel 77a van het Wetboek van Strafrecht, zal zij verdachte berechten volgens het jeugdstrafrecht.

Niet indienen van een vordering ex artikel 126nd Sv

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat het vormverzuim tengevolge van het ontbreken van een vordering ter verkrijging van de camerabeelden ex artikel 126nd Sv van de overval op 27 oktober 2010, niet meer kan worden hersteld en subsidiair tot strafvermindering dient te leiden.

Zoals hiervoor reeds overwogen heeft de rechtbank vastgesteld dat dit een vormverzuim betreft dat niet meer kan worden hersteld.

De rechtbank kan, indien sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, op grond van artikel 359a lid 1 sub b Sv bepalen dat dit tot strafvermindering moet leiden. De rechtbank ziet echter in de onderhavige zaak daartoe geen aanleiding, nu de waarborgen van een 'fair trial' voor verdachte niet zijn geschonden en verdachte door dit verzuim ook overigens niet in zijn belangen is geschaad. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank evenmin overgaan tot strafvermindering.

Verbaliseringsplicht

De raadsvrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verbaliseringsplicht ex artikel 152 Sv is geschonden, nu van het bezoek dat de rechercheurs op 12 januari 2011 aan de juwelier hebben gebracht, direct nadat deze een ontmoeting had gehad met enkele personen die zich kenbaar hadden gemaakt als 'tipgevers', en hetgeen zich daarvoor had afgespeeld, eerst op 25 januari 2012, op verzoek van de officier van justitie, door één van hen een proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt. De politie had, aldus de raadsvrouw, in het kader van de opsporing de verplichting om dit direct te verbaliseren. De schending van de verbaliseringsplicht heeft voor verdachte als nadeel gehad dat de afdoening van de zaak door het onderzoek naar mogelijk betaald tipgeld flinke vertraging heeft opgelopen.

De raadsvrouw verzoekt dit nadeel met toepassing van artikel 359a Sv te compenseren in de hoogte van een eventueel op te leggen straf.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Artikel 152 Sv schrijft voor dat de in die bepaling genoemde opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing, nader gedefinieerd in art. 132a Sv, is verricht of bevonden. Redelijke uitleg van die bepaling in het licht van de aan een eerlijk proces te stellen eisen brengt mee dat het de in die bepaling genoemde opsporingsambtenaren slechts dan vrij staat het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten indien hetgeen door hen is verricht of bevonden naar hun, aan toetsing door de officier van justitie onderworpen, oordeel redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing (HR 19 december 1995, NJ 1996, 249, bevestigd in HR 5 oktober 2010, LJN BL5629).

De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat de afspraak van de juwelier met de mogelijke 'tipgevers' geen voor het onderzoek bruikbare informatie heeft opgeleverd, zodat de bevindingen omtrent deze ontmoeting, waarvan de politie door de juwelier op voorhand op de hoogte was gesteld, redelijkerwijs niet van belang konden zijn voor enig door deze rechtbank te nemen beslissing. Dit was reeds tamelijk kort na voormelde ontmoeting duidelijk geworden. De betrokken opsporingsambtenaren hebben dan ook met zijn goedvinden van het opmaken van een proces-verbaal van bevindingen afgezien, aldus de officier van justitie.

Onder deze omstandigheden, bezien in het licht van de hiervoor aangehaalde jurisprudentie, is de rechtbank van oordeel dat het de opsporingsambtenaren vrij stond om af te zien van het opmaken van een of meer proces(sen)-verbaal van bevindingen omtrent ontmoetingen dan wel gesprekken met de potentiële tipgevers dan wel andere betrokkenen, zodat van schending van een verbaliseringsplicht zoals door de raadsvrouw betoogd geen sprake is.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte tijdens die proeftijd ervan wordt weerhouden strafbare feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de jeugdreclassering gedurende de proeftijd noodzakelijk, ook als dat inhoudt dat verdachte een behandeling volgt bij de Bascule. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. vermeld;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van VIERENTWINTIG (24) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot zes (6) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee (2) jaren;

bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dit inhoudt dat hij behandeling volgt bij de Bascule;

geeft in het kader van deze bijzondere voorwaarde bovengenoemde instelling tevens de opdracht tot het verlenen van hulp en steun ex artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ph. Burgers, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. A. Eichperger en mr. K.G. Witteman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 maart 2012.

Voetnoten:

[1] De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

[2] Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 27 oktober 2010, zaaksdossier map 1, dossierpagina 46.

[3] Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 27 oktober 2010 met bijlagen, zaaksdossier map 1, dossierpagina 73.

[4] Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 27 oktober 2010, zaaksdossier map 1, dossierpagina's 47; proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 27 oktober 2010 met bijlagen, dossierpagina 74.

[5] Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 27 oktober 2010, zaaksdossier map 1, dossierpagina 48.

[6] Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 27 oktober 2010 met bijlagen, zaaksdossier map 1, dossierpagina 74.

[7] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 december 2010, zaaksdossier map 1, dossierpagina 71.

[8] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 oktober 2010, zaakdossier map 1, dossierpagina 292.

[9] Proces-verbaal van bevindingen, inclusief camerabeelden, d.d. 16 november 2010, zaaksdossier map 1, dossierpagina's 361 tot en met 382.

[10] Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], d.d. 1 november 2010, zaaksdossier map 1, dossierpagina 155.

[11] Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 9 november 2010, zaaksdossier map 1, dossierpagina's 160 tot en met 161.

[12] Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3], d.d. 27 oktober 2012, zaaksdossier map 1, dossierpagina 117.

[13] Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] d.d. 3 november 2010, zaaksdossier map 1, dossierpagina's 164 tot en met 165.

[14] Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 5] d.d. 29 oktober 2010 met bijlagen, zaaksdossier map 1, dossierpagina's 98 en 99.

[15] Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], zaaksdossier map 1, dossierpagina's 174 tot en met 177.

[16] Schriftelijk stuk, te weten twee foto's opgenomen als bijlage 4 bij verhoor [getuige 4], zaaksdossier map 1, dossierpagina's 185 en 187.

[17] Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], zaaksdossier map 1, dossierpagina 176.

[18] Schriftelijk stuk, te weten drie foto's opgenomen als bijlage bij verhoor [getuige 4], zaaksdossier map 1, dossierpagina's 188, 189 en 190.

[19] Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], zaaksdossier map 1, dossierpagina 177.

[20] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 oktober 2010, zaaksdossier map 1, dossierpagina 217.

[21] Proces-verbaal bevindingen d.d. 22 juni 2010, zaaksdossier "onderzoek Mokka", map 17, dossierpagina's 021 en 022.

[22] Schriftelijk stuk, te weten een machtiging van de rechter-commissaris met betrekking tot [telefoonnummer 1], d.d. 6 oktober 2010, zaaksdossier "onderzoek Mokka".

[23] Schriftelijk stuk, te weten een toestemming gebruik gegevens voor een ander doel d.d. 7 december 2010, persoonsdossier map 4, dossierpagina 910.

[24] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2011, zaaksdossier map 2, dossierpagina 516.

[25] Schriftelijk stuk, te weten een tapgesprek d.d. 27 oktober 2010, persoonsdossiermap 7, dossierpagina 1395.

[26] Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 11 januari 2011, zaaksdossier map 2, dossierpagina 577 en 579, en foto's dossierpagina's 591 tot en met 594.

[27] Proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoek sporen d.d. 22 november 2010, zaaksdossier map 2, dossierpagina's 631 tot en met 633.

[28] Schriftelijk stuk, te weten de benoeming en opdracht deskundige DNA-onderzoek, d.d. 22 november 2010, zaaksdossier map 2, dossierpagina's 642 tot en met 643.

[29] Schriftelijk stuk, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 27 december 2010, zaaksdossier map 2, dossierpagina 648.

[30] Proces-verbaal aanwezigheid opsporingsambtenaar bij afname celmateriaal ter bepaling DNA profiel, d.d. 7 april 2011, persoonsdossier map 7, dossierpagina 1446 tot en met 1447.

[31] Schriftelijk stuk, te weten een benoemding en opdracht deskundige DNA onderzoek d.d. 7 april 2011, zaaksdossier map 7, dossierpagina 1450.

[32] Schriftelijk stuk, te weten een rapport van het NFI d.d. 13 april 2011, zaaksdossier map 2, dossierpagina 657.

[33] Waarneming van de rechtbank ter terechtzitting op7 oktober 2011, 12 oktober 2011, 14 oktober 2011, 5 januari 2012 en 9 februari 2012..

[34] Proces-verbaal van bevindingen,d.d. 16 november 2010, zaaksdossier map 1, dossierpagina's 361 tot en met 382.

[35] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 november 2010, zaaksdossier map 1, dossierpagina 365 en bijbehorende foto's op pagina 376 en 377.

[36] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2011, zaaksdossier map 2, dossierpagina 523.

[37] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 maart 2011, persoonsdossier map 3, dossierpagina 843.

[38] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2011, persoonsdossier map 6, dossierpagina 1212.

[39] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2011, persoonsdossier map 10, dossierpagina's 1735 en 1736.

[40] Proces-verbaal van bevindingen d.d.30 maart 2011, persoonsdossier map 8, dossierpagina's 1472 en 1473.

[41] Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 6 april 2011, persoonsdossier map 8, dossierpagina's 1517 tot en met 1519

[42] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2011, zaaksdossier map 2, dossierpagina 522

[43] Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 6 april 2011, persoonsdossier map 8, dossierpagina's 1517 tot en met 1519

[44] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 maart 2011, zaaksdossier map 2, dossierpagina 474.

[45] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2011, zaaksdossier map 2, dossierpagina 524.

[46] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2010, zaaksdossier map 2, dossierpagina 525.

[47] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2011, zaaksdossier map 2, dossierpagina 525.

[48] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 januari 2011, zaaksdossier map 16, bijlage pagina's 76 tot en met 77 (inclusief bijlage 1 en 2, pagina's 78 tot en met 84).

[49] Schriftelijk stuk, te weten een inventarisatie in beslag genomen roerende zaken, zaaksdossier map 16, bijlage pagina's 146 tot en met 154.

[50] Schriftelijk stuk, te weten een brief d.d. 16 maart 2011, zaaksdossier map 16, bijlage pagina 176.

[51] Schriftelijk stuk, te weten een brief van Waarborg Platina, Goud en Zilver NV, zaaksdossier map 16, dossierpagina 178

[52] Proces-verbaal van verhoor aangever [getuige 1] d.d. 17 maart 2011, zaaksdossier map 16, bijlage pagina's 188 tot en met 189.

[53] Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris d.d. 27 maart 2011.