Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BV7698

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-02-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
189033 - HA RK 12-7
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Verzoek tot wraking lid meervoudige kamer afgewezen. Volgend verzoek tot wraking van lid meervoudige kamer zal niet in behandeling worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Wrakingskamer

zaaknummer: 189033 / HA RK 12-7

datum beslissing: 17 februari 2012

Op verzoek van:

[verzoekster],

verzoekster.

1. Procesverloop

1.1 Bij schriftelijk verzoek van 24 januari 2012 heeft verzoekster de wraking verzocht van mr. [A], hierna te noemen: de rechter, in de bij deze rechtbank, sector civiel recht, aanhangige voordracht ex artikel 319 Faillissementswet in de bij brief van 11 januari 2012 aan verzoekster genoemde schuldsaneringsregelingen, hierna te noemen: de voordracht; of: de hoofdzaak.

1.2 De rechter heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3 Verzoekster en de rechter zijn ter zitting van 10 februari 2012 verschenen en gehoord.

2. Het standpunt van verzoekster

2.1 Verzoekster heeft ter onderbouwing van het verzoek - samengevat - het volgende aangevoerd. De rechter kan niet onafhankelijk zijn, omdat hij van 2006 tot begin 2011 als rechter-commissaris werkzaam was bij Team Insolventies en de medewerkers zeer intensieve privé-werkcontacten onderhouden. De rechter zou in het kader van de beoordeling van de voordracht een oordeel dienen te vellen over zijn directe collega’s. De rechter kan daarom geen onpartijdig oordeel uitspreken. Uit het standpunt van de rechter, dat het gedrag van collega-rechters geen onderwerp bij de beoordeling van de voordracht zal zijn, moet zijn partijdigheid en vooringenomenheid worden afgeleid. De procedurele gang van zaken is volstrekt onbegrijpelijk. De rechter heeft in strijd met het procesreglement niet om verhinderdata voor de behandeling ter zitting van de voordracht verzocht. Waar eerst slechts een probleem leek te bestaan met de zaak [X], is verzoekster vervolgens geconfronteerd met een oproep op een termijn van een week voor de behandeling van een voordracht tot ontslag in alle schuldsaneringszaken waarin zij tot bewindvoerder is benoemd. Deze gang van zaken voor een procedure met zeer grote belangen voor verzoekster, waarvoor extra voorbereidingstijd noodzakelijk is, is misdadig.

3. Beoordeling

3.1 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

3.2 De rechter stelt zich in zijn reactie op het standpunt dat er geen gronden voor wraking zijn. Er zijn geen intensieve privé-werkcontacten tussen hem en de leden van Team Insolventies. Er bestaat nog wel eens twijfel over de vraag of rechters van een zelfde rechtbank over elkanders gedrag kunnen oordelen (bijvoorbeeld in het kader van een verzoek tot wraking), maar in het onderhavige geval gaat het om de beoordeling van een voordracht naar aanleiding van gedragingen van verzoekster en niet om de beoordeling van het gedrag van een collega-rechter. Daarnaast wordt de zaak meervoudig behandeld. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de zaak niet met voldoende distantie behandeld gaat worden.

3.3 De feiten en omstandigheden die verzoekster ter onderbouwing van het wrakingsverzoek naar voren heeft gebracht, leveren geen grond op voor het oordeel dat het fungeren van de rechter in de beoordeling van de voordracht tot schade aan de rechterlijke onpartijdigheid zou kunnen lijden. Gesteld noch gebleken is dat de rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, zodat de subjectieve toets geen grond voor wraking oplevert. De enkele omstandigheid dat de rechter eerder werkzaam is geweest bij het Team Insolventies leidt niet tot het oordeel dat de vrees voor partijdigheid van verzoekster objectief gerechtvaardigd is. Het standpunt van de rechter dat het gedrag van collega-rechters geen onderwerp van de beoordeling van de voordracht zal zijn getuigt niet van vooringenomenheid omdat de rechter hiermee slechts een correcte weergave van het beoordelingskader in de hoofdzaak geeft. Ter beoordeling van de rechtbank in de hoofdzaak is immers of er gronden van ontslag aanwezig zijn. Tegenover de betwisting door de rechter heeft verzoekster haar stelling dat de rechter intensieve privécontacten met de medewerkers van Team Insolventies onderhoudt onvoldoende onderbouwd. De omstandigheid dat de planning van de behandeling ter zitting van de voordracht heeft plaatsgevonden zonder de verhinderdata van verzoekster op te vragen, noch de omstandigheid dat de voordracht betrekking heeft op alle schuldsaneringszaken, leveren een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de rechter op.

3.4 De aangevoerde feiten en omstandigheden vormen derhalve geen grond voor wraking. De rechtbank zal het verzoek afwijzen.

3.5 De rechtbank ziet voorts aanleiding om toepassing te geven aan artikel 39, vierde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat gebleken is van misbruik van het rechtsmiddel wraking. Verzoekster heeft immers na het onderhavige wrakingsverzoek eerst een lid de wrakingskamer gewraakt, en nadat dat wrakingsverzoek was afgewezen de huidige wrakingskamer opnieuw gewraakt, daarbij een verbod op nieuwe wrakingen negerend. Voorkomen dient te worden dat de inhoudelijke behandeling van de voordracht te lang op zich laat wachten. Een volgende wraking van een lid van de meervoudige kamer die de voordacht behandelt wordt derhalve niet in behandeling genomen.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1 wijst het verzoek om wraking af;

4.2 bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen;

4.3 beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster en de rechter een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

4.4 beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.J. van Andel, voorzitter, en mrs. Th.S. Röell en mr. C.A.M. van de Rest-van der Heijden, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2012 in tegenwoordigheid van mr. M.W. Koenis als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.