Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BV7313

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-02-2012
Datum publicatie
29-02-2012
Zaaknummer
186278-11-3566
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Alimentatie, veroordeling proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 186278/11-3566

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 21 februari 2012

in de zaak van:

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.T.A. Thijssen, kantoorhoudende te Nijmegen,

tegen

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.J. van Ommeren, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man van 8 augustus 2011, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 9 augustus 2011;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de vrouw van 27 september 2011, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 10 oktober 2011;

- het gewijzigde verzoekschrift van de man van 5 oktober 2011;

- de verwijzingsbeschikking van de rechtbank Arnhem van 17 oktober 2011 en de daarin genoemde stukken;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 11 januari 2012.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 januari 2012

in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen zijn op [datum] 1990 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] 2008 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van [datum] 2008.

2.2 Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen [naam]:

- [naam minderjarige 1], op [datum] 1994 in de gemeente [plaats], en

- [naam minderjarige 2], op [datum] 1997 in de gemeente [plaats].

2.3 Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2010 is bepaald dat

de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 250 per maand per kind moet voldoen.

2.4 Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2011 € 258,05 en met ingang van 1 januari 2012 € 261,41 per maand per kind.

3 Verzoek

Met als grondslag dat de beschikking van 23 juni 2010 door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan wettelijke maatstaven, heeft de man aanvankelijk verzocht deze beschikking te wijzigen in die zin dat hij voor [naam minderjarige 2] vanaf half februari 2011 geen kinderbijdrage meer verschuldigd zal zijn. De man voert aan dat [naam minderjarige 1] sinds februari 2011 bij hem woont en dat hij met de vrouw had afgesproken dat hij vanaf de datum waarop [naam minderjarige 1] bij hem kwam wonen, haar geen kinderbijdrage meer zou betalen. Bovendien moet, aldus de man, er rekening mee worden gehouden dat hij in verband met de komst van [naam minderjarige 1], minder is gaan werken, omdat [naam minderjarige 1] extra begeleiding nodig heeft. De man voert aan dat voor de beoordeling van zijn draagkracht voorts van belang is dat hij gehuwd is met een partner die een chronische ziekte heeft en dat hij onderhoudsplichtig is (geworden) voor de twee minderjarige kinderen van zijn echtgenote.

In zijn gewijzigde verzoek vraagt de man de rechtbank te bepalen dat hij vanaf half februari 2011 tot half september 2011 geen alimentatie voor [naam minderjarige 2] meer verschuldigd zal zijn.

Hij voert aan dat [naam minderjarige 1] sinds half september 2011 weer bij de vrouw woont. De man verzoekt de kinderbijdrage vanaf half september 2011 te bepalen op € 106,81 per kind per maand. Volgens de man moet er bij de vaststelling van de kinderbijdrage rekening mee worden gehouden dat hij voor vier kinderen onderhoudsplichtig is en dat zijn draagkracht gelijkelijk over die kinderen moet worden verdeeld.

De man verzoekt de rechtbank om, in afwijking van hetgeen in procedures tussen ex-partners gebruikelijk is, de vrouw in de kosten van de procedure te veroordelen. De man stelt dat hij, omdat de vrouw weigerde gemaakte afspraken na te komen, genoodzaakt was een verzoekschrift in te dienen en aldus extra kosten te maken.

4 Verweer en zelfstandig verzoek

4.1 De vrouw heeft betwist dat sprake zou zijn van omstandigheden die tot aanpassing van de vastgestelde bijdragen dienen te leiden. Zij voert aan dat zij de man van meet af aan heeft gezegd dat hij haar (uiteraard) geen kinderbijdrage voor [naam minderjarige 1] hoefde te betalen zolang [naam minderjarige 1] bij hem woonde. Aangezien [naam minderjarige 1] sinds 15 september 2011 weer bij haar woont, is op dit punt geen sprake (meer) van een wijziging van omstandigheden.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat het feit dat de man is gehuwd met een nieuwe partner die twee kinderen heeft, evenmin een relevante wijziging van omstandigheden vormt, aangezien de man sinds 2009, dus ook al ten tijde van de vaststelling van de kinderbijdrage, met zijn huidige partner en haar kinderen samenwoonde. Tenslotte voert de vrouw aan dat er, aangezien [naam minderjarige 1] 17 jaar is en prima voor zichzelf kan zorgen, voor de man geen enkele noodzaak was om minder te gaan werken. De vrouw wijst erop dat uit de overgelegde salarisspecificaties overigens niet blijkt dat de man daadwerkelijk minder is gaan werken.

4.2 De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man een volstrekt ongegrond verzoek heeft ingediend en dat het niet redelijk is dat hij het niet heeft ingetrokken nadat [naam minderjarige 1] weer bij haar is komen wonen. Zij benadrukt dat zij ermee ingestemd heeft dat de man haar gedurende de tijd dat [naam minderjarige 1] bij hem woonde, geen kinderbijdrage voor [naam minderjarige 1] zou betalen.

De vrouw betwist dat partijen zouden hebben afgesproken dat de man in die periode geen kinderbijdrage voor [naam minderjarige 2] zou betalen. Zij wijst erop dat de door de man te betalen kinderbijdrage (pas) bij beschikking van 23 juni 2010 was bepaald en dat daarbij rekening was gehouden met de verhouding tussen de inkomens van partijen. De vrouw voert aan dat het, gelet op de hoogte van haar inkomen, financieel niet eens haalbaar zou zijn dat zij volledig de zorg voor [naam minderjarige 2] zou dragen zonder de kinderbijdrage van de man.

De vrouw concludeert dat het redelijk is dat in dit geval haar kosten van rechtsbijstand door de man worden voldaan en verzoekt de rechtbank de man in de kosten van de procedure te veroordelen.

5 Beoordeling

5.1 Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

5.2 De rechtbank overweegt dat het feit dat de man inmiddels met zijn partner gehuwd is, een wijziging van omstandigheden vormt. De vraag of deze wijziging van omstandighe-den tot aanpassing van de vastgestelde bijdrage noopt, wordt echter ontkennend beantwoord.

de periode februari 2011 tot 15 september 2011

5.3 Vooropgesteld wordt dat tussen partijen niet in geschil is dat de man gedurende de periode waarin [naam minderjarige 1] bij hem woonde, aan de vrouw geen kinderbijdrage voor [naam minderjarige 1] zal betalen.

Ten aanzien van de kinderbijdrage voor [naam minderjarige 2] in die periode is de rechtbank van oordeel dat de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet aannemelijk heeft gemaakt dat een afspraak tussen partijen tot stand is gekomen inhoudende dat de man aan de vrouw - tijdelijk - geen kinderbijdrage voor [naam minderjarige 2] (meer) verschuldigd zou zijn. Gesteld noch gebleken is dat de man zich, voorafgaand aan de indiening van zijn verzoekschrift, jegens de vrouw schriftelijk heeft beroepen op een mondelinge afspraak terzake. Evenmin heeft de man concrete en/of verifieerbare (financiële) informatie ingebracht waaruit bijvoorbeeld zou kunnen worden afgeleid dat hij, omdat [naam minderjarige 1] bij hem verbleef, geen draagkracht (meer) had om de kinderbijdrage voor [naam minderjarige 2] te blijven betalen.

Het, eerst ter zitting door de advocaat van de man gedane, verzoek in de gelegenheid te worden gesteld om alsnog de stukken waarover zij beschikt in het geding te brengen, is afgewezen na bezwaar van de advocaat van de vrouw daartegen en omdat gesteld noch gebleken is dat het niet mogelijk was de betreffende stukken binnen de in het Procesre-glement alimentatie genoemde termijn in het geding te brengen.

de periode vanaf 15 september 2011

5.4 De man heeft verzocht de kinderbijdrage met ingang van 15 september 2011 te bepalen op € 106,81 per kind per maand. Volgens de man is dat bedrag redelijk, aangezien hij voor vier kinderen onderhoudsplichtig is en zijn draagkracht gelijkelijk over hen dient te worden verdeeld. De man heeft een begroting van de draagkracht van de vrouw gemaakt en aangevoerd dat op grond van een vergelijking van de draagkracht van partijen, zijn aandeel in de kosten van de kinderen € 106,81 per maand per kind bedraagt.

5.5 De rechtbank stelt vast dat de man, ter onderbouwing van zijn verzoek, een summiere en onvolledige draagkrachtberekening heeft overgelegd, slechts voorzien van een drietal salarisstroken van hemzelf. Nadere schriftelijke onderbouwing en/of relevante (financiële) gegevens betreffende zijn partner en de kinderen voor wie hij naar zijn zeggen onderhoudsplichtig is, heeft de man niet verstrekt. Hij heeft bijvoorbeeld niets gezegd over (de mogelijkheid van) een bijdrage voor deze kinderen van hun biologische vader.

Ook ten aanzien van dit deel van het verzoek heeft de rechtbank een ter zitting gedaan verzoek om alsnog stukken te mogen overleggen afgewezen, met dezelfde motivering als onder 5.3 genoemd.

5.6 Op grond van het vorenstaande zullen beide onderdelen van het verzoek van de man als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

proceskostenveroordeling

5.7 Partijen hebben over en weer verzocht de wederpartij in de kosten van de procedure te veroordelen.

De hoofdregel van art. 237 lid 1 Rv luidt dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de proceskosten wordt veroordeeld. Weliswaar biedt de tweede volzin van dat artikellid de rechter de mogelijkheid om de proceskosten geheel of gedeeltelijk te compen-seren tussen — onder meer — (gewezen) echtgenoten, doch het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de wijze waarop de man de onderhavige procedure is gestart en heeft voortgezet, geen termen aanwezig zijn om af te wijken van de hoofdregel. De man zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld.

5.8 Dit leidt tot de volgende beslissing

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Wijst de verzoeken van de man af.

6.2 Veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw begroot op

€ 71 aan griffierecht en € 904 aan salaris van de advocaat.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.L. Diender, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J. Kroon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2012.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.