Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BV3898

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-01-2012
Datum publicatie
14-02-2012
Zaaknummer
AWB 10/6520 & 10/6907
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Utb. Verzoek om teruggaaf.

Boeking achteraf is niet in strijd met artikel 220 want er is geen sprake van een actieve gedraging van de douaneautoriteiten. De aangiften van eiseres dienen niet te worden bezien in samenhang met aangiften door andere cliënten van de gemachtigde van eiseres.

Verweerder was bevoegd utb’s uit te reiken omdat de bevoegdheid van de inspecteur niet is bepaald naar de geografische indeling van Nederland. De inspecteur is landelijk bevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-0484
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige douanekamer

Zaaknummers: AWB 10/6520 en 10/6907

Uitspraakdatum: 9 januari 2011

Uitspraak in de gedingen tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, [P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

Zaak 10/6520

Verweerder heeft op 20 april 2010 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (nummer [#], hierna: de utb) ten bedrage van € 38.444,04 aan douanerechten uitgereikt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 december 2010 de utb gehandhaafd.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.

Zaak 10/6907

Verweerder heeft bij beschikking van 11 november 2010 het verzoek van eiseres om teruggaaf afgewezen.

Met toestemming van verweerder heeft eiseres rechtstreeks beroep ingesteld tegen deze beschikking.

Beide zaken

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2011.

Namens eiseres is verschenen de gemachtigde, bijgestaan door zijn kantoorgenoten

[A] en [B]. Namens verweerder zijn verschenen mr. B.C. Brouwer en P.R.J. van Duijnen. Met toestemming van de rechtbank en verweerder hebben op verzoek van de gemachtigde van eiseres zes studenten de zitting bijgewoond.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Zaak 10/6520

2.1.1. Op 21 mei en 10 december 2007 heeft eiseres in totaal drie aangiften gedaan tot plaatsing van diverse goederen (sweaters en pullovers van breiwerk, voor heren, van katoen; sweaters van breiwerk, voor heren, van katoen en sweaters, truien, vesten e.d. van breiwerk, voor jongens of voor heren, van katoen) onder de douaneregeling in het vrije verkeer brengen. Als land van oorsprong is aangegeven Bangladesh. In verband met een verzoek om toepassing van een preferentiële maatregel is bij de aangifte telkens een Form A gevoegd. De aangiften zijn administratief afgedaan.

2.1.2. Van 16 tot en met 25 maart 2009 heeft OLAF, het antifraudebureau van de Europese Commissie, een onderzoek uitgevoerd in Bangladesh naar de authenticiteit en/of geldigheid van Form’s A afgegeven met betrekking tot kleding ingedeeld onder hoofdstukken 61 en 62 van het Geharmoniseerd Systeem. In het rapport van 25 maart 2009 is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“a) Certificates not issued by the EPB.

False GSP Form A certificates

These GSP Form A certificates were not registered in the only official register held by the Bangladeshi authorities in accordance with GSP rules. In addition, the signatures as well as the stamps were found to have been falsified. It has to be noted that there were also false certificates with identical sequence numbers that had been issued for genuine certificates. The content of false certificates did not correspond to the EPB records. (See statement of the EPB and list of false certificates as annex 1.)”

In bijlage 1 bij het rapport is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

ID MS MS REF NO GPS Form A Number Form A Date of Issue BUYER EXPORTER No EPB Confirmed Not in the register

[#1] NL NL[#] [#] 6-5-2007 [E] (…) [C] Limited [#] Not in the register

[#2] NL NL[#] [#] 6-5-2007 [E] (…) [C] Limited [#] Not in the register

[#3] NL NL[#] [#] 21-11-2007 [F] BV [D] Limited [#] Not in the register

2.1.3. Naar aanleiding van het onderzoek in Bangladesh is uiteindelijk de utb opgelegd.

Zaak 10/6907

2.2.1. Op 29 juni 2006 heeft eiseres een aangifte gedaan tot plaatsing van goederen (pullovers en vesten van breiwerk, voor heren, van katoen) onder de douaneregeling in het vrije verkeer brengen. In verband met een verzoek om toepassing van een preferentiële maatregel is bij de aangifte een Form A met het nummer [ #] gevoegd.

2.2.2. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een brief aan verweerder, Afdeling Oorsprongszaken, afkomstig van “Export Promotion Bureau” van 31 januari 2008 waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:

“With reference to your fax mentioned above, this is to confirm you that we have examined our records and found that undernoted GSP Certificates in question have not been issued from Export Promotion Bureau, Dhaka, Bangladesh in favour of [zwartgemaakt] & [G] Limited. :

SI.No. GSP No. & Issue Date Name of the Exporter Name of the Importer Invoice No. & Date Quantity Impo[#]ry

3 [#] dt. 30-05-2006 [G] Limited. [E] B.V. [#]

dt. 15-05-2006 8,340 Pcs. The Netherlands

2. The photocopies of said GSP Certificate Form-A which was sent by you seems to be forged documents wherein forged seal and signature of the Officer of Export Promotion Bureau have been used in the box no. 11.

3. In view of the above, GSP Certificate Form-A said to have been issued in favour [zwartgemaakt] & [G] Ltd. should be treated as false and invalid. (…)”

2.2.3. Naar aanleiding van de onder 2.2.2 bedoelde brief is op 5 juni 2008 aan eiseres een utb opgelegd ten bedrage van € 6.803,52 aan douanerechten. Op 20 april 2009 heeft eiseres op grond van artikel 236 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) om teruggaaf verzocht van de betaalde douanerechten.

2.2.4. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een brief afkomstig van “Export Promotion Bureau, [adres]” van

9 november 2008 gericht aan “THE NETHERLANDS CUSTOMS AGENCY, THE NETHERLANDS” waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:

“THIS IS TO CERTIFY THAT “FORM A’’ ISSUED AGAINST ABOVE MENTIONED NUMBERS FOR THE COUNTRY OF THE NETHAERLANDS SIGNED BY UNDERSIGNED OF EXPORT PROMOTION BUREAU OF BANGLADESH UNDER GENERALIZED SYSTEMS OF PREFERENCES.

WE DO CONFIRM THAT EPB/[#] [#] DATED.16.05.2006, COMBINED DECLARATION AND CERTIFICATE IN FAVOR OF [E] B.V., THE NETHERLANDS IS GENUINE.”

2.2.5. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een brief aan verweerder, Afdeling Oorsprongszaken, afkomstig van “Export Promotion Bureau, ,[adres]” van 25 augustus 2010 waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:

“This has reference to your letters mentioned above. I would like to inform you that we have examined our records and found that the undernoted GSP Certificates of origin in question has not been issued from Export Promotion Bureau, Dhaka, Bangladesh and their particulars are furnished below:

SI.No. GSP No. & Issue Date Name of the Exporter Name of the Importer Invoice No. & Date Quantity Importing Country

01. [#] Date: 30.05.2006 [G] Ltd. [E]

B.V. [#]

Date: 15.05.2006 8340 Pcs. The Netherlands

2.0 The photocopy of the said GSP Certificate of Origin Form-A sent by you is forged document wherein forged seals and signatures of the concerned officer of Export Promotion Bureau were used in the box no. 11. Kindly also note that the certificate issued on 09-11-2008 in the name of the Assistant Director is also false.

3.0 In view of the above, GSP Certificate of Origin Form-A said to have been issued in favour of [G] Ltd. should be treated as false and invalid. (…)”

3. Geschil

In geschil is of de utb terecht is opgelegd en of verweerder het verzoek om teruggaaf terecht heeft afgewezen. Primair is in geschil of de boeking achteraf achterwege had moeten blijven op grond van artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW. Subsidiair is in geschil of verweerder bevoegd was om de utb’s uit te reiken.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de in zaak 10/6520 uitgereikte utb en toekenning van het verzoek om teruggaaf.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken en naar het aangehechte proces-verbaal.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank zal eerst het standpunt van eiseres over de bevoegdheid van verweerder beoordelen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de inspecteur van Belastingdienst/Douane[P] de utb onbevoegd heeft opgelegd dan wel dat deze inspecteur het besluit op het verzoek om teruggaaf onbevoegd heeft genomen, omdat eiseres is gevestigd te [Z] en ingevolge de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 de inspecteur van de Belastingdienst/Douane [Z1] bevoegd was, zijnde de inspecteur waaronder eiseres gelet op haar vestigingsplaats ressorteert. In dit kader voert eiseres voorts aan dat zij inzage wenst in het Mandaatbesluit om te kunnen toetsen of de ambtenaar die een bepaald besluit heeft genomen, hiertoe ook bevoegd was.

4.2. Deze grief faalt, aangezien op grond van artikel 3, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de bevoegdheid van de inspecteur niet is bepaald naar de geografische indeling van Nederland. Hieruit volgt dat de inspecteur landelijk bevoegd is. Eiseres refereert aan de zogenaamde ressorteerbepalingen in de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, waaruit een andere bevoegdheidsverdeling zou blijken. De rechtbank stelt voorop dat deze ressorteerbepalingen, als zijnde van lagere orde, in beginsel geen afbreuk doen aan de geldigheid en de reikwijdte van een bepaling in de AWR; een wet in formele zin. Deze bepalingen hebben dan ook niet tot gevolg dat de landelijke bevoegdheid die in de AWR is neergelegd, wordt beperkt in de door eiseres bepleite zin. Deze ressorteerbepalingen zijn in het leven geroepen om te bereiken dat belastingplichtigen zo veel mogelijk inzicht hebben in welke inspecteur en ontvanger hun fiscale aangelegenheden pleegt te regelen (zie de toelichting op de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2002, 247). De rechtbank heeft voorts geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaren die de bestreden besluiten hebben genomen. Nu de interne werk- en bevoegdheidsverdeling niet is bedoeld om de belangen van eiseres te beschermen, zal de rechtbank geen gevolg geven aan de wens van eiseres om verweerder te vragen om het interne mandaatbesluit te overleggen.

4.3. Voorts is in geschil of de boeking achteraf achterwege had moeten blijven op grond van artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW omdat sprake zou zijn van een actieve gedraging van de douaneautoriteiten. Op eiseres rust de bewijslast haar stelling aannemelijk te maken.

4.4.1. Eiseres stelt zich op het standpunt dat sprake is van een vergissing, een actieve gedraging, van de Nederlandse douaneautoriteiten. De aangiften die namens eiseres zijn ingediend, dienen te worden bezien in samenhang met de aangiften die door twee andere cliënten van de gemachtigde van eiseres zijn gedaan. Eiseres leidt uit de volgende omstandigheden af dat sprake is van een actieve gedraging:

- Er zijn voldoende aanwijzingen dat functionarissen van het EPB valse certificaten hebben afgegeven. Het EPB is door corruptie en wanbeleid zijn verplichtingen niet nagekomen;

- Al deze aangiften zijn niet gecontroleerd, terwijl de aangiften van andere aangevers wel zijn gecontroleerd. Er was gelet op de waarschuwing van de Europese Commissie voldoende aanleiding om te controleren;

- Er zijn certificaten met dezelfde nummers afgegeven. Dit had kunnen worden ontdekt indien een goed register en controle daarvan waren bijgehouden.

- Er is sprake van verwijtbaar handelen door de douaneautoriteiten van de Europese Unie. De controleverplichtingen van artikel 94 van de Toepassingsverordening communautair douanewetboek (hierna: TCDW) zijn niet nagekomen. Weliswaar bevat artikel 94 van de TCDW geen directieve normen, maar helemaal niet controleren staat gelijk aan plichtsverzaking. Dit kan niet voor rekening van eiseres komen.

4.4.2. Verweerder stelt zich op het tegenovergestelde standpunt. Er is wel degelijk gecontroleerd, alleen niet de vier in geding zijnde aangiften. Een van deze aangiften is in het kader van een controle na invoer gecontroleerd. De desbetreffende formulieren A zijn ter verificatie naar het EPB gestuurd. De douaneautoriteiten van de Europese Unie doen wat zij kunnen. Het is van belang in het oog te houden dat de overeenkomsten over preferenties worden gesloten met ontwikkelingslanden. Met deze landen onderhandelt de Europese Unie afzonderlijk. Per land verschilt het protocol. Ook omdat deze landen minder ontwikkeld zijn op het gebied van automatisering, is het niet mogelijk om de maatregelen te treffen die de gemachtigde van eiseres voorstelt. Formulieren A die door toedoen van corruptie zijn afgegeven, kunnen niet aan het EPB worden toegerekend. Deze zijn vals. De verantwoordelijkheid voor het gebruik van een formulier A berust bij de aangever. Deze kan niet op de Europese Unie worden afgewenteld.

4.5.1. De rechtbank verwerpt het standpunt van eiseres dat verweerder de op grond van artikel 94 van de TCDW op hem rustende verplichting heeft verzaakt om formulieren A ter verificatie naar het EPB te sturen en dat dit gevolgen dient te hebben voor de onderhavige beroepen.

4.5.2. De rechtbank stelt hierbij voorop dat uitsluitend de onderhavige, namens eiseres ingediende beroepen ter beoordeling voorliggen. Het standpunt van de gemachtigde van eiseres dat ook de omstandigheden van door hem namens twee andere cliënten ingediende beroepen in de beschouwing dienen te worden betrokken, vindt geen steun in het recht. De gemachtigde heeft de rechtbank niet het verband duidelijk kunnen maken dat de drie betrokken bedrijven verbindt, anders dan dat zij dezelfde gemachtigde hebben. De rechtbank benadrukt dat een kwalificerend verband moeilijk voorstelbaar is, omdat in rechte te beschermen vertrouwen in het algemeen ten opzichte van een bepaalde belastingplichtige wordt gewekt. Het vertrouwen dat eventueel bij anderen wordt gewekt, brengt niet mee dat bij eiseres het vertrouwen heeft kunnen ontstaan dat bij haar niet zou worden nagevorderd. De tekst van artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW biedt hiervoor geen aanknopingspunten.

4.5.3. Artikel 94 van de TCDW beschrijft de procedure waarop de controle achteraf van formulieren A plaatsvindt, maar bevat geen directieve normen waarop eiseres een beroep kan doen. Dat verweerder de in geding zijnde formulieren A in eerste instantie geen van alle aan een dergelijke controle heeft onderworpen, blijft dan ook zonder gevolgen. De rechtbank voegt hieraan toe dat verweerder ter zitting op geloofwaardige wijze heeft verklaard dat de douaneautoriteiten wel controleren, maar dat het gelet op de hoeveelheid formulieren A en de diversiteit van de met de verschillende landen van oorsprong gemaakte afspraken niet mogelijk is om meer of andere maatregelen te treffen dan die, die al zijn getroffen. Anders dan de gemachtigde van eiseres heeft gesteld, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat selectie op basis van risicoanalyse in plaats van een 100%-controle voor een goede balans zorgt tussen de risico’s die de diverse betrokkenen lopen. Het is niet in het belang van het bedrijfsleven dat alle aangiften ten invoer vooraf worden gecontroleerd, zoals eiseres kennelijk wenst.

4.5.4. Het beroep dat eiseres doet op de uitspraak van de Hoge Raad van 25 september 2009, nr. 07/10290, faalt, omdat de feiten die aan deze uitspraak ten grondslag liggen, wezenlijk verschillen van de feiten die in de onderhavige beroepen zijn vastgesteld. Het geval waarin de Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof te Amsterdam bevestigde dat sprake was van een actieve gedraging betrof 29 aangiften ten invoer, waarbij vaststond dat een aantal aangiften voor soortgelijke goederen gedaan door deze belanghebbende – over welke aangiften niet was nagevorderd – fysiek was opgenomen. Deze fysieke opname vormde de actieve gedraging, waaraan de desbetreffende belanghebbende voor de in geding zijnde aangiften het door artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW beschermde vertrouwen kon ontlenen. Van een actieve gedraging is in het onderhavige geval geen sprake.

4.6. Het standpunt van eiseres dat onbevoegd, door corrupte medewerkers van het EPB, afgegeven formulieren A toch als bevoegd afgegeven dienen te worden beschouwd, kan niet worden gevolgd. Dergelijke op illegale wijze afgegeven formulieren A, die logischerwijze niet worden geregistreerd in de administratie van het EPB, dienen evenzeer als ‘vals’ te worden aangemerkt. De acceptatie van deze formulieren A zou misbruik en fraude aanmoedigen en strijdig zijn met doel en strekking van de regelgeving rond het APS, dat is bedoeld om bepaalde landen te bevoordelen. Daarin past niet dat dit voordeel toch wordt toegekend in gevallen van misbruik en fraude, waarbij, zoals hier, niet is komen vast te staan dat de goederen uit één van de bevoordeelde landen afkomstig zijn.

4.7. Ter zitting heeft eiseres een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel omdat twee formulieren A tijdens een controle na invoer zijn ingenomen en eiseres vervolgens, tot het opleggen van de utb, niets heeft vernomen. De rechtbank stelt voorop dat artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW vorm geeft aan het gecodificeerde vertrouwensbeginsel. Voor toepassing van een ander, bijvoorbeeld een nationaal, vertrouwensbeginsel is geen plaats. Uit de toetsing aan artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW hiervóór is al gebleken dat geen sprake is van een actieve gedraging. Het stilzitten van verweerder na het innemen van de beide formulieren A betekent dus niet dat boeking achteraf in zoverre achterwege had moeten blijven.

4.8. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen aan¬lei¬ding aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en

mr. A.J. Roke, rechters, in tegenwoordigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.