Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BV3166

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-01-2012
Datum publicatie
08-02-2012
Zaaknummer
188156 / HA RK 11-167
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK HAARLEM

Wrakingskamer

zaaknummer: 188156 / HA RK 11-167

datum beslissing: 31 januari 2012

Op verzoek van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A.P.C. DE BOER BEHEER B.V.

2. de rechtspersoon naar Engels recht

D-DEVELOPMENT LTD.,

verzoekers,

raadsman mr. R.J.A. van den Munckhof, advocaat te Amsterdam.

1. Procesverloop

1.1. Bij schriftelijk verzoek van 22 december 2011 hebben verzoekers de wraking verzocht van mr. [A], hierna te noemen: de rechter, in de bij deze rechtbank, sector civielrecht aanhangige zaak onder zaak-/rolnummer: 180396 / HA ZA 11-491 tussen M.J. Verlaat Beheer B.V. en A.P.C. de Boer Beheer B.V. c.s.

1.2. De rechter heeft niet berust in het wrakingsverzoek en heeft schriftelijk haar reactie op het verzoek gegeven.

1.3. Verzoekers, de wederpartij in de hoofdzaak en de rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 23 januari 2012. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun raadsman. De wederpartij in de hoofdzaak is eveneens verschenen, bijgestaan door haar raadsman. De rechter is niet verschenen.

2. Vaststaande feiten

2.1. Op grond van de stukken, alsmede het verhandelde ter zitting wordt door de wrakingskamer het volgende als vaststaand aangenomen.

2.2. Bij dagvaarding van 4 april 2011 heeft M.J. Verlaat Beheer B.V. (hierna: Verlaat Beheer) een bodemzaak aanhangig gemaakt tegen verzoekers. Tevens heeft Verlaat Beheer een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ingesteld (hierna te noemen: ‘het eerste incident’). Verzoekers hebben daarop bij conclusie van antwoord in het incident gereageerd. Na de conclusies van repliek en dupliek heeft Verlaat Beheer op 8 juni 2011 een akte uitlating producties ingediend. Bij emailbericht van 10 juni 2011 heeft de advocaat van verzoekers bezwaar gemaakt tegen de akte, omdat deze – zo schrijft hij – een verkapte (nadere) conclusie was. De advocaat van verzoekers heeft de rolrechter primair verzocht de akte te weigeren en buiten beschouwing te laten en subsidiair in de gelegenheid te worden gesteld op de akte te antwoorden. De advocaat van Verlaat Beheer heeft hier bij faxbericht van 10 juni 2011 op gereageerd. Vervolgens heeft de griffier beide advocaten bij brief van 16 juni 2011 bericht dat de rolrechter de akte van Verlaat Beheer toestaat en dat verzoekers in de gelegenheid worden gesteld op de rol van 29 juni 2011 bij antwoordakte te reageren. Vervolgens heeft de rechtbank op 5 oktober 2011 vonnis gewezen in het eerste incident.

2.3. Voorafgaand aan het vonnis in het eerste incident heeft Verlaat Beheer op 27 juli 2011 bij incidentele conclusie een tweede vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ingesteld (hierna te noemen: ‘het tweede incident’) en in dat kader – kort gezegd – gevorderd om verzoekers op straffe van een dwangsom te veroordelen binnen twee dagen na het uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis diverse gegevens te verstrekken. Verzoekers hebben hierop gereageerd bij conclusie van antwoord in het tweede incident. In reactie hierop heeft Verlaat Beheer op de rol van 7 september 2011 een akte uitlating producties genomen. Bij emailbericht van 12 september 2011 heeft de advocaat van verzoekers bezwaar gemaakt tegen deze akte, omdat het – zo schrijft hij – opnieuw een verkapte conclusie betrof. Daarnaast heeft hij zich beklaagd over het feit dat hij voor de tweede keer in de procedure moet vragen om een antwoordakte te mogen nemen, terwijl de rolrechter die gelegenheid ambtshalve had moeten bieden. Alleen al om het risico van afhankelijkheidsschijn te voorkomen en de ‘subjective test’ te kunnen doorstaan ligt het voor de hand dat de (rol)rechter de gedaagde partij ten laatste gelegenheid tot commentaar geeft, aldus de advocaat van verzoekers. Bij brief van 15 september 2011 heeft de advocaat van Verlaat Beheer op het emailbericht gereageerd. De griffier heeft vervolgens namens de behandelend rechter bij emailbericht van 20 september 2011 aan beide advocaten laten weten dat de akte uitlating producties wordt teruggezonden aan mr. Koekkoek en dat hij in de gelegenheid wordt gesteld op de rol van 28 september 2011 een aangepaste versie van de akte in te dienen die alleen inhoudt het uitlaten op de producties die door verzoekers zijn gevoegd bij de conclusie van antwoord in het tweede incident van 24 augustus 2011. Op de rol van 28 september 2011 heeft de advocaat van Verlaat Beheer opnieuw een akte uitlating producties genomen. Bij emailbericht van dezelfde datum heeft de advocaat van verzoekers ook tegen deze akte bezwaar gemaakt, omdat – zo schrijft hij – de aangepaste akte wederom een verkapte conclusie is. De advocaat heeft daarom primair verzocht de akte te weigeren en buiten beschouwing te laten en subsidiair in de gelegenheid te worden gesteld op de akte te antwoorden. Bij emailbericht van 29 september 2011 heeft de advocaat van Verlaat Beheer gereageerd, waarna bij rolbeslissing van 6 oktober 2011 als volgt op het bezwaar is beslist:

“[…]

De rolrechter zal de zaak verwijzen naar de rol van 2 november 2011 voor vonnis in het (tweede) incident. Voor zover Verlaat Beheer in haar akte reageert op andere punten dan de inhoud van de door De Boer Beheer c.s. bij conclusie van antwoord in het incident overgelegde producties dan wel nieuwe standpunten inneemt, zal de rechtbank aan de stellingen van Verlaat Beheer voorbij gaan.

[…]”.

2.4. Op 7 december 2011 heeft de rechtbank vonnis gewezen in het tweede incident en verzoekers – kort gezegd – veroordeeld om binnen twee dagen na betekening schriftelijk diverse gegevens, waaronder contactgegevens en actuele account- en inloggegevens van partners, te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.5. De hoofdzaak staat thans op de rol voor conclusie van antwoord.

3. Standpunten van verzoekers

3.1. De advocaat heeft namens verzoekers – samengevat – de volgende gronden voor het wrakingsverzoek aangevoerd.

1. Verzoekers hebben duidelijk aangegeven een groot belang te hebben bij het niet verstrekken van de gevraagde gegevens aan Verlaat Beheer en zij hebben herhaaldelijk en uitdrukkelijk hun vrees voor ernstige benadeling door Verlaat Beheer geuit. Ondanks de overtuigende argumenten en de in hoge mate aannemelijk gemaakte ernstige verwijten van de kant van verzoekers heeft de rechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis de vordering van Verlaat Beheer grotendeels toegewezen en verzoekers verplicht bepaalde gegevens te verstrekken. Dit alles terwijl Verlaat Beheer geen spoedeisend belang had bij de door haar gevraagde provisionele voorziening en zij haar verwijten niet aannemelijk heeft gemaakt. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de rechter tot deze kennelijk onjuiste en roekeloze beslissing is gekomen. Verzoekers kunnen niet anders dan concluderen dat die beslissing is ingegeven uit partijdigheid.

2. De rechter heeft tenminste tweemaal en waarschijnlijk driemaal het beginsel van hoor en wederhoor veronachtzaamd door verzoekers niet ambtshalve toe te staan een antwoordakte te nemen. Slechts na beklag werden zij daartoe in de gelegenheid gesteld.

3. De rechter heeft ten onrechte twee ‘aktes’ toegelaten, terwijl dat verkapte conclusies waren. In haar rolbeslissing heeft de rechter ten aanzien van de laatste akte (de wrakingskamer begrijpt: de akte op de rol van 28 september 2011) laten weten dat zij nieuwe stellingen van Verlaat Beheer zou negeren. Het is echter volstrekt ondoorzichtig en niet controleerbaar welke delen van het processtuk de rechter heeft gefilterd en welke niet. Hierdoor is de mogelijkheid open gebleven dat de rechter stellingen uit de ten onrechte geaccepteerde akte heeft meegewogen in het vonnis in het tweede incident. Verzoekers vermoeden dat zulks ook daadwerkelijk is gebeurd, nu de rechter in haar vonnis heeft overwogen dat Verlaat Beheer op haar beurt verzoekers ervan beticht onzorgvuldig met de belangen van Go2Web te zijn omgesprongen en de vrees voor onrechtmatig handelen geheel wederzijds is. Deze tekst van deze overweging komt overeen met de tekst die in de betreffende akte is gebruikt en die buiten beschouwing gelaten had moeten worden. Verzoekers leiden daaruit af dat de rechter de stellingen van Verlaat Beheer toch heeft gelezen. De rechter had dan ook nooit mogen beslissen de akte toe te staan, terwijl verzoekers daarop niet mochten reageren,

4. Verzoekers hebben het vermoeden dat de rechter in deze zaak contact heeft gehad met de advocaat van Verlaat Beheer. Aanwijzingen hiervoor zijn te vinden in het feit dat in het elektronisch roljournaal van begin mei 2011 het door Verlaat Beheer te nemen processtuk om onverklaarbare reden is gewijzigd van een akte in een conclusie van repliek. De advocaat van verzoekers heeft geen verzoek hiertoe van de kant van Verlaat Beheer gezien en evenmin is een bericht omtrent deze mutatie van de rechtbank ontvangen. Gelet hierop kunnen verzoekers slechts aannemen dat er onderling contact is geweest tussen de advocaat van Verlaat Beheer en de rechter. Een tweede aanwijzing voor dergelijk contact is te vinden in het feit dat de advocaat van verzoekers op 7 december 2011 een bericht met als bijlage het vonnis van diezelfde datum ontving van de advocaat van Verlaat Beheer, terwijl hij de week daarvoor nog van de rechtbank had vernomen dat het vonnis was uitgesteld tot eind december. Dat de advocaat van Verlaat Beheer binnen een uur van het vonnis op de hoogte was, doet het vermoeden bestaan dat er (wederom) contact is geweest met de rechter.

5. Ondanks herhaaldelijk verzoek van verzoekers om deze complexe IT-zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer heeft de rechter in het vonnis in het tweede incident de beslissing daaromtrent aangehouden tot na de conclusie van antwoord. Zeker nu de rechter zich op bepaalde punten niet bepaald kundig op het gebied van IT heeft getoond, had doorverwijzing voor de hand gelegen. Het lijkt er dan ook op dat de rechter de zaak zo lang mogelijk enkelvoudig wil behandelen en op die manier beoogt een belangrijke stempel op de zaak te drukken.

6. De rechter heeft twee verschillende criteria gehanteerd bij de kostenveroordelingen in de twee vonnissen. In het vonnis in het tweede incident heeft de rechter verzoekers als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van Verlaat Beheer. In het vonnis in het eerste incident heeft de rechter daarentegen beslist dat beide partijen hun eigen kosten moeten dragen, omdat elk van hen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen. Dit terwijl Verlaat Beheer slechts op een ondergeschikt punt in het gelijk is gesteld en dus grotendeels in het ongelijk is gesteld. In het eerste incident hoeft Verlaat Beheer als grotendeels in het ongelijk gestelde partij dus alleen zijn eigen proceskosten te betalen, terwijl verzoekers in het tweede incident als grotendeels in het ongelijk gestelde partij ook de proceskosten van Verlaat Beheer moeten betalen. Dit kan niet anders worden uitgelegd dan als een teken van partijdigheid.

3.2. De bovenvermelde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd en bij elkaar opgeteld heeft de rechter blijk gegeven van subjectieve en objectieve partijdigheid, aldus verzoekers.

3.3. Weliswaar waren bovengenoemde gronden reeds bekend na het vonnis van 7 december 2011, maar om te kunnen voldoen aan de eis dat bij een wraking alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen, was nader onderzoek door de advocaat noodzakelijk. Dat onderzoek was verder noodzakelijk om te controleren of de in dit verzoek geformuleerde gronden klopten met de feiten. Om beide redenen moest het omvangrijke procesdossier opnieuw worden bestudeerd. Dit heeft de nodige tijd gekost. Daar komt nog bij dat pas kort voor de indiening van dit wrakingsverzoek het volledige spectrum aan wrakingsgronden compleet is, nu gebleken is dat Verlaat Beheer zich – ondanks herhaalde verzoeken – niet wenst uit te laten over de wenselijkheid van verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer. Dit feit vormt voor verzoekers ondersteuning van het vermoeden dat (de advocaat van) Verlaat Beheer het volste vertrouwen in de rechter heeft en dat er een voor hen onzichtbaar doch hoogst ongewenst contact tussen (de advocaat van) verzoekers en de rechter bestaat. De omstandigheden waar artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) op doelt, zijn daarmee eerst ten tijde van het indienen van dit wrakingsverzoek compleet. Hoewel alles in het werk is gesteld om het onderhavige wrakingsverzoek zo spoedig mogelijk in te dienen, is dat – mede vanwege een drukke decembermaand en onvoorziene persoonlijke omstandigheden – niet eerder gelukt dan 22 december 2011. Eerdere indiening was redelijkerwijs niet mogelijk, zodat moet worden geconcludeerd dat dit wrakingsverzoek tijdig is ingediend, aldus verzoekers.

4. Standpunten van de rechter

4.1. De rechter heeft – samengevat – het volgende tot haar verweer aangevoerd:

- de meeste wrakingsgronden komen erop neer dat verzoekers het inhoudelijk niet eens zijn met het incidentele vonnis van 7 december 2011. De aangewezen weg is in dat geval het instellen van hoger beroep.

- anders dan verzoekers suggereren, is er geen contact geweest met (de advocaat van) Verlaat Beheer.

- het bezwaar van de advocaat van verzoekers tegen de (eerste) akte van Verlaat Beheer (de wrakingskamer begrijpt: de akte op de rol van 7 september 2011) is gegrond geacht, omdat deze neerkwam op een verkapte conclusie. Om die reden is de griffie verzocht de advocaat van Verlaat Beheer te verzoeken de akte aan te passen. Na bezwaar van de advocaat van verzoekers tegen de inmiddels aangepaste akte van Verlaat Beheer (de wrakingskamer begrijpt: de akte op de rol van 28 september 2011) heeft de griffie op verzoek van de rechter partijen bericht dat de rechtbank eventuele nieuwe stellingen in de aangepaste akte buiten beschouwing zou laten. De rechter is niet betrokken geweest bij meer beslissingen van roltechnische aard dan bovengenoemde.

- het was verantwoord het incident enkelvoudig te behandelen en de beslissing of het geschil in de hoofdzaak meervoudige behandeling behoeft, is in overeenstemming met vast beleid, overgelaten aan de zogenoemde AC selectioneur.

5. Standpunten van de wederpartij

5.1. De advocaat van Verlaat Beheer heeft – samengevat – het volgende naar voren gebracht.

5.2. Het verzoek tot wraking is pas op 22 december 2011 ingediend, terwijl verzoekers reeds na het vonnis in het tweede incident van 7 december 2011 bekend waren met de feiten en omstandigheden waarop het verzoek is gebaseerd. Voor zover er na het vonnis al nader onderzoek door de advocaat noodzakelijk was, is dat in ieder geval geen reden om het verzoek tot wraking niet direct te doen. Het wrakingsverzoek is dan ook te laat ingediend en om die reden moeten verzoekers niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.3. De door verzoekers aangevoerde omstandigheden leveren voorts geen enkele aanwijzing op waaruit blijkt dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert die – objectief – gerechtvaardigd is dan wel dat de rechter subjectief partijdig is. Daarnaast heeft te gelden dat een verzoek tot wraking niet bedoeld is om onwelgevallige rechterlijke beslissingen middels een verkapt hoger beroep ter discussie te stellen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat daaraan in de weg. Evenmin leent een wrakingsverzoek zich voor een beslissing tot verwijzing naar de meervoudige kamer.

5.4. Verlaat Beheer heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van het wrakingsverzoek en heeft verzocht verzoekers te veroordelen in haar proceskosten in deze wrakingsprocedure.

6. Ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

6.1. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

6.2. In de onderhavige zaak heeft de rechter als ‘incidentenrechter’ geoordeeld over de ingestelde incidentele vorderingen. Nu de incidentele vorderingen met het vonnis van 7 december 2011 zijn afgedaan, zal de behandeling van de materiële geschilpunten in de hoofdzaak weer worden voortgezet. Verzoekers gaan er klaarblijkelijk vanuit dat de rechter die de incidentele vorderingen heeft behandeld per definitie ook de hoofdzaak zal behandelen. Die aanname is niet juist. Conform het beleid bij deze rechtbank zal eerst na de conclusie van antwoord door de zogenoemde ‘AC selectioneur’ – een ervaren senior rechter – worden beoordeeld of in de zaak een ambtshalve comparitie moet plaatsvinden en of de zaak moet worden behandeld door een specialistische rechter. Tevens geeft de AC selectioneur een indicatie of de zaak zich leent voor enkelvoudige of meervoudige behandeling. Na de AC selectie worden door het planningsbureau van de griffie – afhankelijk van de beoordeling door de AC selectioneur – een of meer rechters aan de zaak gekoppeld. Deze toewijzing van rechters heeft in de onderhavige zaak nog niet plaatsgevonden, zodat op dit moment nog niet bekend is of de gewraakte rechter de hoofdzaak zal behandelen. Nu dit op voorhand evenmin kan worden uitgesloten, zal de wrakingskamer de rechter bij deze stand van zaken nog als behandelend rechter in de zin van artikel 36 Rv beschouwen.

6.3. In artikel 37 Rv worden nadere eisen vermeld waaraan een wrakingsverzoek moet voldoen. Het verzoek op grond van het eerste lid moet worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden, die tot het verzoek aanleiding geven, aan de verzoeker bekend zijn geworden. Het wrakingsverzoek moet derhalve worden ingediend op het moment dat bij verzoeker de schijn van partijdigheid ontstaat, waarbij de verzoeker overigens wel enige bedenktijd moet worden gegund.

6.4. Deze bedenktijd alsmede het gegeven dat het enige tijd kost om een wrakingsverzoek op schrift te stellen in aanmerking genomen, is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek tijdig na het vonnis van 7 december 2011 is ingediend. Het vorenstaande geldt echter alleen voor zover het feiten en omstandigheden betreft die zijn te herleiden tot het vonnis van 7 december 2011 en niet voor feiten en omstandigheden die al eerder aan verzoekers bekend waren en reeds toen het vermoeden van partijdigheid hebben doen ontstaan.

6.5. Verzoekers hebben in hun wrakingsverzoek (grond 2) aangevoerd dat de rechter tenminste tweemaal het beginsel van hoor en wederhoor heeft veronachtzaamd en daarnaast het verdedigingsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door hen niet ambtshalve in de gelegenheid te stellen een antwoordakte te nemen en ten onrechte verkapte conclusies toe te staan. Uit hetgeen verzoekers en hun advocaat hieromtrent hebben aangevoerd, blijkt dat op het moment dat deze kwestie in juni en september 2011 speelde bij verzoekers reeds een vermoeden van partijdigheid is ontstaan. Zo schrijft de advocaat van verzoekers in zijn emailbericht van 12 september 2011 aan de rechtbank, waarin hij zich beklaagt over de schending van het beginsel van hoor en wederhoor, reeds over de schijn van partijdigheid. Naar het oordeel van de wrakingskamer hadden verzoekers reeds op dat moment een wrakingsverzoek kunnen indienen. Nu zij dat niet hebben gedaan, kunnen zij de gang van zaken omtrent de aktes thans niet (meer) aan hun wrakingsverzoek ten grondslag leggen. Voor zover die feiten en omstandigheden wel (mede) aan het wrakingsverzoek ten grondslag zijn gelegd leggen, blijven deze als te laat aangevoerd buiten beschouwing.

6.6. Het vorenstaande geldt niet voor de rolbeschikking van 6 oktober 2011, nu de daarin vervatte beslissing om stellingen te negeren verband houdt met het vonnis van 7 december 2011. Verzoekers hebben pas na ontvangst van dat vonnis kunnen controleren of de rechter bepaalde stellingen al dan niet buiten beschouwing heeft gelaten.

7. Beoordeling

7.1. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn. Het subjectieve oordeel van verzoekers is hierbij niet doorslaggevend.

7.2. Verzoekers hebben zes gronden voor wraking aangevoerd. Het merendeel van die gronden komt erop neer dat verzoekers het niet eens zijn met beslissingen van de rechter in het vonnis van 7 december 2011. De wrakingskamer stelt in dat kader voorop dat een onwelgevallige beslissing van de rechter op zichzelf onvoldoende grond is voor wraking. Dat kan anders zijn indien de beslissing of de motivering daarvan zo onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter niet onpartijdig is dan wel jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert.

7.3. De eerste grond is gericht tegen de beslissing van de rechter om de vordering van Verlaat Beheer grotendeels toe te wijzen en verzoekers te verplichten bepaalde gegevens te verstrekken en strekt ten betoge dat deze beslissing kennelijk onjuist is en nooit genomen had mogen worden. Naar het oordeel van de wrakingskamer is echter geen sprake van een beslissing of de motivering die zo onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter niet onpartijdig is dan wel jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, zodat deze grond niet tot een succesvolle wraking kan leiden. De vraag of de beslissing inhoudelijk juist is, dient in hoger beroep aan de orde te komen. Een wraking is daarvoor niet het geëigende middel. De stelling van verzoekers – wat daar ook van zij – dat een hoger beroep in dit geval zinloos zou zijn, omdat “het kwaad al was geschied” doet aan dit gesloten systeem van rechtsmiddelen niet af.

7.4. Verzoekers hebben als derde grond aangevoerd dat de rechter de aangepaste akte van Verlaat Beheer op de rol van 28 september 2011 niet had mogen toestaan en daarbij niet had mogen beslissen dat zij nieuwe stellingen van de kant van Verlaat Beheer zou negeren. Deze beslissing is volgens verzoekers volstrekt ondoorzichtig, omdat niet controleerbaar is welke delen van het processtuk de rechter heeft gefilterd en welke niet. De rechter heeft de stellingen vervolgens niet goed gefilterd, nu het vonnis van 7 december 2011 deels is gebaseerd op stellingen die zij had moeten negeren, aldus verzoekers. De wrakingskamer overweegt hieromtrent dat de beslissing om de aangepaste akte alsnog toe te staan en nieuwe stellingen te filteren een procesbeslissing is die wellicht niet gebruikelijk, maar niet zo onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter partijdig is dan wel jegens verzoekers een vooringenomenheid koestert. Evenmin is aannemelijk geworden dat de rechter stellingen die zij had moeten filteren aan haar vonnis ten grondslag heeft gelegd. Ter zitting gevraagd naar concrete passages waaruit dat zou kunnen blijken, hebben verzoekers erop gewezen dat in rechtsoverweging 3.4 van het vonnis van 7 december 2011 een formulering is gebruikt die overeenkomt met een stelling in de akte die genegeerd had moeten worden. Nu deze stelling – zo hebben ook verzoekers ter zitting verklaard – eveneens in eerdere processtukken van de kant van Verlaat Beheer voorkomt, kan daaruit niet worden afgeleid dat de rechter stellingen ten onrechte niet heeft gefilterd. Desondanks komt het de wrakingskamer raadzaam voor om in toekomstige gevallen een dergelijke akte geheel te weigeren dan wel concreet aan te geven welke stellingen buiten beschouwing zullen worden gelaten. Dit om te voorkomen dat bij een van partijen daarover onduidelijkheid kan ontstaan. Van vooringenomenheid van de rechter door te kiezen voor deze oplossing of door de wijze van filteren van de stellingen in de akte is naar het oordeel van de wrakingskamer echter niet gebleken. Evenmin is de vrees van verzoekers daartoe objectief gerechtvaardigd.

7.5. De vijfde grond is gericht tegen de processuele beslissingen van de rechter om het tweede incident niet meervoudig te behandelen en de beslissing over de verwijzing van de hoofdzaak naar een meervoudige kamer aan te houden in plaats van de zaak – gelet op de complexiteit – aanstonds naar de meervoudige kamer te verwijzen. De wrakingskamer overweegt hierover het volgende. Incidenten – ook meer complexe – worden in beginsel enkelvoudig behandeld en indien de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening zou zijn ingediend in kort geding zou deze door de voorzieningenrechter als enkelvoudige rechter zijn behandeld. In het licht hiervan is de beslissing om de tweede incidentele vordering enkelvoudig te behandelen niet onbegrijpelijk en levert deze geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de rechter niet onpartijdig is dan wel jegens verzoekers een vooringenomenheid koestert. Het vorenstaande geldt eveneens voor de beslissing van de rechter om de beslissing over de verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer aan te houden totdat in de hoofdzaak de conclusie van antwoord is genomen. De rechter heeft met haar beslissing tot aanhouding aangesloten bij het beleid van deze rechtbank, te weten dat pas na de conclusie van antwoord door de hierboven onder 6.2 genoemde ‘AC selectioneur’ een indicatie wordt gegeven of de zaak enkelvoudig dan wel meervoudig behandeld zal worden, waarna door het planningsbureau de zaak aan de rechters wordt toegewezen. Anders dan verzoekers menen, heeft de rechter door aanhouding van de gewraakte beslissing dus juist bewerkstelligd dat de beslissing over een eventuele verwijzing naar de meervoudige kamer en de behandelend rechter(s) niet door haar wordt genomen. Hoewel het hiervoor beschreven interne beleid van de rechtbank bij de advocaat van verzoekers waarschijnlijk niet bekend is, is naar het oordeel van de wrakingskamer ook zonder bekendheid met het beleid de beslissing van de rechter om de beslissing over de verwijzing aan te houden tot na de conclusie van antwoord niet onbegrijpelijk en levert deze geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de rechter partijdig is dan wel jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert. Dit geldt te meer nu in de periode vanaf het vonnis in het incident tot en met het indienen van de conclusie van antwoord geen inhoudelijke beslissingen in de hoofdzaak worden genomen, hetgeen bij de advocaat van verzoekers bekend moet zijn.

7.6. Als zesde grond hebben verzoekers nog aangevoerd dat de proceskosten-veroordelingen in de incidentele vonnissen inconsequent en onbegrijpelijk zijn, omdat de rechter daarbij verschillende criteria heeft gehanteerd. Anders dan de advocaat heeft gesteld, betreft het echter niet twee dezelfde gevallen waarin anders is geoordeeld, maar twee verschillende gevallen met daarbij passende proceskostenveroordelingen. Naar het oordeel van de wrakingskamer zijn de beslissingen over de proceskosten – zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd – dan ook niet onbegrijpelijk en leveren geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de rechter niet onpartijdig is dan wel jegens verzoekers een vooringenomenheid koestert.

7.7. De vierde grond tot slot is niet gericht tegen een beslissing, maar behelst de klacht dat de rechter ongeoorloofd contact heeft gehad met (de advocaat van) verzoekers dan wel dat zij door haar handelen de schijn van contact heeft doen ontstaan. Op grond van de door de advocaat van verzoekers naar voren gebrachte ‘aanwijzingen’ is in het geheel niet aannemelijk geworden dat contact tussen de rechter en de wederpartij heeft plaatsgevonden of de schijn daarvan is gewekt. Het enkele feit dat contact een mogelijke verklaring zou kunnen zijn voor de beschreven voorvallen is een volstrekt onvoldoende fundering voor dit zeer ernstige verwijt.

7.8. Aldus is naar het oordeel van de wrakingskamer – ook in onderlinge samenhang beschouwd – niet gebleken van omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, althans dat de bij de verzoekers bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Derhalve wordt het wrakingsverzoek afgewezen.

7.9. Ten aanzien van het verzoek van Verlaat Beheer om verzoekers te veroordelen in de proceskosten in deze wrakingsprocedure overweegt de wrakingskamer dat de wrakingsprocedure niet een geding is tussen Verlaat Beheer en verzoekers, maar een door de wet aan de rechtbank opgedragen beoordeling van het verzoek tot wraking van de rechter. Verlaat Beheer kan in een dergelijke procedure geen vordering instellen en voor een kostenveroordeling is dan ook geen plaats.

8. Beslissing

De rechtbank:

8.1. wijst het verzoek om wraking af;

8.2. beveelt de griffier onverwijld aan verzoekers, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

8.3. beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. G. Guinau, voorzitter, en mrs. J.M. Janse van Mantgem en C.A.M. van de Rest-van der Heijden, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2012 in tegenwoordigheid van mr. M.C.C. Kaal als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.