Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BV2200

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-01-2012
Datum publicatie
30-01-2012
Zaaknummer
15/996525-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2015:634
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Klimop. Vastgoedfraude.

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem heeft verdachte vrijgesproken van deelneming aan twee criminele organisaties. Verdachte, voormalig voorzitter Raad van Bestuur, wordt vanwege het medeplegen van opmaken van valse brieven, overeenkomsten en facturen veroordeeld voor valsheid in geschrift en witwassen. Strafmaatoverweging ten aanzien van overschrijding van de redelijke termijn, niet vernietigde geheimhoudersgesprekken, media-aandacht. Lagere straf dan geëist. Werkstraf van 240 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/996525-07

Uitspraakdatum: 27 januari 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 30 juni 2010, 14 april 2011, 15 april 2011, 20 mei 2011, 6 juni 2011, 8 juni 2011, 10 juni 2011, 22 september 2011, 26 september 2011, 27 september 2011, 24 oktober 2011, 7 november 2011, 9 november 2011 en 13 januari 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd:

1.

PRIMAIR:

(PROJECT EUROCENTER):

Hij in of omstreeks de periode van 21 januari 2003 tot en met 7 september 2007 te Bilthoven en/of Alphen aan den Rijn en/of Haarlem en/of Waddinxveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een brief van [medeverdachte 13] gericht aan [medeverdachte 15] d.d. 28 december 2005 en/of een overeenkomst tussen [medeverdachte 13] en [medeverdachte 15] d.d. 28 december 2005 (D-1036)

en/of

een brief van [medeverdachte 13] gericht aan [medeverdachte 15] d.d. 10 augustus 2006 en/of een overeenkomst tussen [medeverdachte 13] en [medeverdachte 15] (D-1373)

en/of

zeven, althans een of meer, factu(u)r(en) van [medeverdachte 15] (telkens) gericht aan [medeverdachte 13] ten bedrage van in totaal circa Euro 250.000,- (exclusief btw) (D-0851 en/of D-0848 en/of D-0869 en/of D-0882 en/of D-0883 en/of D-0884 en/of D-1169-4),

en/of

een brief van [medeverdachte 14] aan [medeverdachte 15] d.d. 21 januari 2003 en/of een overeenkomst tussen [medeverdachte 14] en [medeverdachte 15] d.d. 21 januari 2003 (D-0070-1/D-0861/D-2035)

en/of

vijf, althans een of meer, factu(u)r(en) van [medeverdachte 15] (telkens) gericht aan [medeverdachte 14] ten bedragen van in totaal Euro 127.500,- (exclusief btw) (D-0106 en/of D-0070-2 en/of D-1048 en/of D-1046 en/of D-0107),

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

op/in die brie(f)(ven) en/of overeenkomst(en) vermeld dat door of namens [medeverdachte 15] werkzaamheden en/of diensten zijn/zouden worden verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 13] en/of die brie(f)(ven) en/of overeenkomst(en) gedateerd op respectievelijk 28 december 2005 en/of 10 augustus 2006, terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet in zijn geheel, door of namens [medeverdachte 15] zijn/zouden

worden verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 13] en/of die brie(f)(ven) en/of overeenkomst(en) van 28 december 2005 en/of 10 augustus 2006 geantedateerd was/waren

en/of

op/in die brie(f)(ven) en/of overeenkomst(en) (een) factuurbedrag(en) vermeld die/dat in werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft/hebben op de in die brie(f)(ven) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten

en/of

op/in die factu(u)r(en) vermeld dat door of namens [medeverdachte 15] werkzaamheden en/of diensten zijn verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 13] en/of de factu(u)r(en) D-0882 en/of D-0883 en/of D-0884 en/of D-1169-4 gedateerd op respectievelijk 24 februari 2006 en/of 5 juni 2006 en/of 13 september 2006 en/of 6 januari 2007, terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet in zijn geheel, door of namens [medeverdachte 15] zijn verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 13] en/of

die factu(u)r(en) van 24 januari 2006 en/of 5 juni 2006 en/of 13 september 2006 en/of 6 januari 2007 geantedateerd was/waren

en/of

op/in die factu(u)r(en( (een) factuurbedrag(en) vermeld die/dat in werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft/hebben op de in die factu(u)r(en) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten

en/of

op/in die brief en/of overeenkomst en/of factu(u)r(en) vermeld dat door of namens [medeverdachte 15] werkzaamheden en/of diensten zijn/zouden worden verricht ten behoeve van [medeverdachte 14], terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet in zijn geheel, door of namens [medeverdachte 15] zijn/zouden worden verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 14]

en/of

op/in die brief en/of overeenkomst en/of factu(u)r(en) van [medeverdachte 15] aan [medeverdachte 14] (een) factuurbedrag(en) vermeld die/dat in werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft/hebben op de in die brie(f)(ven) en/of factu(u)r(en) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

SUBSIDIAIR:

[medeverdachte 15] in of omstreeks de periode van 21 januari 2003 tot en met 7 september 2007 te Bilthoven en/of Alphen aan den Rijn en/of Haarlem en/of Waddinxveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een brief van [medeverdachte 13] gericht aan [medeverdachte 15] d.d. 28 december 2005 en/of een overeenkomst tussen [medeverdachte 13] en [medeverdachte 15] d.d. 28 december 2005 (D-1036)

en/of

een brief van [medeverdachte 13] gericht aan [medeverdachte 15] d.d. 10 augustus 2006 en/of een overeenkomst tussen [medeverdachte 13] en [medeverdachte 15] (D-1373)

en/of

zeven, althans een of meer, factu(u)r(en) van [medeverdachte 15] (telkens) gericht aan [medeverdachte 13] ten bedrage van in totaal circa Euro 250.000,- (exclusief btw) (D-0851 en/of D-0848 en/of D-0869 en/of D-0882 en/of D-0883 en/of D-0884 en/of D-1169-4),

en/of

een brief van [medeverdachte 14] aan [medeverdachte 15] d.d. 21 januari 2003 en/of een overeenkomst tussen [medeverdachte 14] en [medeverdachte 15] d.d. 21 januari 2003 (D-0070-1/D-0861/D-2035)

en/of

vijf, althans een of meer, factu(u)r(en) van [medeverdachte 15] (telkens) gericht aan [medeverdachte 14] ten bedragen van in totaal Euro 127.500,- (exclusief btw) (D-0106 en/of D-0070-2 en/of D-1048 en/of D-1046 en/of D-0107),

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben die rechtspersoon [medeverdachte 15] en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

op/in die brie(f)(ven) en/of overeenkomst(en) vermeld dat door of namens [medeverdachte 15] werkzaamheden en/of diensten zijn/zouden worden verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 13] en/of die brie(f)(ven) en/ofovereenkomst(en) gedateerd op respectievelijk 28 december 2005 en/of 10 augustus 2006, terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet in zijn geheel, door of namens [medeverdachte 15] zijn/zouden

worden verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 13] en/of die brie(f)(ven) en/of overeenkomst(en) van 28 december 2005 en/of 10 augustus 2006 geantedateerd was/waren

en/of

op/in die brie(f)(ven) en/of overeenkomst(en) (een) factuurbedrag(en) vermeld die/dat in werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft/hebben op de in die brie(f)(ven) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten

en/of

op/in die factu(u)r(en) vermeld dat door of namens [medeverdachte 15] werkzaamheden en/of diensten zijn verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 13] en/of de factu(u)r(en) D-0882 en/of D-0883 en/of D-0884 en/of D-1169-4 gedateerd op respectievelijk 24 februari 2006 en/of 5 juni 2006 en/of 13 september 2006 en/of 6 januari 2007, terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet in zijn geheel, door of namens [medeverdachte 15] zijn verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 13] en/of die factu(u)r(en) van 24 januari 2006 en/of 5 juni 2006 en/of 13 september 2006 en/of 6 januari 2007 geantedateerd was/waren

en/of

op/in die factu(u)r(en( (een) factuurbedrag(en) vermeld die/dat in werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft/hebben op de in die factu(u)r(en) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten

en/of

op/in die brief en/of overeenkomst en/of factu(u)r(en) vermeld dat door of namens [medeverdachte 15] werkzaamheden en/of diensten zijn/zouden worden verricht ten behoeve van [medeverdachte 14], terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet in zijn geheel, door of namens [medeverdachte 15] zijn/zouden worden verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 14]

en/of

op/in die brief en/of overeenkomst en/of factu(u)r(en) van [medeverdachte 15] aan [medeverdachte 14] (een) factuurbedrag(en) vermeld die/dat in werkelijkheid

geen, althans niet volledig, betrekking heeft/hebben op de in die brie(f)(ven) en/of factu(u)r(en) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, tot het plegen van bovenomschreven misdrijf hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

2.

PRIMAIR:

(PROJECT EUROCENTER):

Hij in of omstreeks de periode van 25 februari 2003 tot en met 24 februari 2007, te Alphen aan den Rijn en/of Waddinxveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van circa Euro 377.500,- (exclusief btw), in elk geval enig(e) geldbedrag(en),

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld

door voor te wenden dat dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren verkregen op basis van twee, althans een of meer, (valse of vervalste) brie(f)(ven) van [medeverdachte 13] aan [medeverdachte 15] en/of twee, althans een of meer, (valse of vervalste) overeenkomst(en) tussen [medeverdachte 13] en [medeverdachte 15] (D-1036 en/of D-1373) en/of zeven, althans een of meer, (valse of vervalste) factu(u)r(en) van [medeverdachte 15] (telkens) gericht aan [medeverdachte 13] ten bedrage van in totaal circa Euro 250.000,- (exclusief btw) (D-0851 en/of D-0848 en/of D0869 en/of D-0882 en/of D-0833 en/of D-0884 en/of D-1169-4) en/of een (valse of vervalste) brief van [medeverdachte 14] gericht aan [medeverdachte 15] en/of een (valse of vervalste) overeenkomst tussen [medeverdachte 14] en [medeverdachte 15] (D-0070-1/D-0861/D-2035) en/of vijf, althans een of meer, (valse of vervalste) factu(u)r(en) van [medeverdachte 15] (telkens) gericht aan [medeverdachte 14] ten bedrage van in totaal

circa Euro 127.500,- (exclusief btw) (D-0106 en/of D-0070-2 en/of D-1048 en/of D-1046 en/of D-0107),

althans dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad en/of heeft

verworven,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

SUBSIDIAIR:

[medeverdachte 15] in of omstreeks de periode van 25 februari 2003 tot en met 24 februari 2007, te Alphen aan den Rijn en/of Waddinxveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van circa Euro 377.500,- (exclusief btw), in elk geval enig(e)

geldbedrag(en),

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld

door voor te wenden dat dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren verkregen op basis van twee, althans een of meer, (valse of vervalste) brie(f)(ven) van [medeverdachte 13] aan [medeverdachte 15] en/of twee, althans een of meer, (valse of vervalste) overeenkomst(en) tussen [medeverdachte 13] en [medeverdachte 15] (D-1036 en/of D-1373) en/of zeven, althans een of meer, (valse of vervalste) factu(u)r(en) van [medeverdachte 15] (telkens) gericht aan [medeverdachte 13] ten bedrage van in totaal circa Euro 250.000,- (exclusief btw) (D-0851 en/of D-0848 en/of D-0869 en/of D-0882 en/of D-0833 en/of D-0884 en/of D-1169-4) en/of een (valse of vervalste) brief van [medeverdachte 14] gericht aan [medeverdachte 15] en/of een (valse of vervalste) overeenkomst tussen [medeverdachte 14] en [medeverdachte 15] (D-0070-1/D-0861/D-2035) en/of vijf, althans een of meer, (valse of vervalste) factu(u)r(en) van [medeverdachte 15] (telkens) gericht aan [medeverdachte 14] ten bedrage van in totaal

circa Euro 127.500,- (exclusief btw) (D-0106 en/of D-0070-2 en/of D-1048 en/of D-1046 en/of D-0107),

althans dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven,

terwijl die rechtspersoon [medeverdachte 15] en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot het plegen van bovenomschreven misdrijf hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

3.

(PROJECT EUROCENTER/PHILIPS):

Hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 13 november 2007 te Eindhoven en/of Hoevelaken en/of Hoofddorp en/of Heemstede en/of Weert en/of Haelen en/of Roermond en/of Tilburg en/of Aerdenhout en/of Bloemendaal en/of Rosmalen en/of Den Bosch en/of Den Haag en/of Bilthoven en/of Haarlem en/of Alphen aan den Rijn en/of Capelle aan den IJssel en/of IJsselstein en/of Waddinxveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in verengiging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft deelgenomen heeft deelgenomen aan een organisatie,

te weten een organisatieverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 14] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 2] en/of [betrokkene 16] en/of [medeverdachte 6] en/of [betrokkene 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 8] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 7] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of [betrokkene 8] en/of Landquest NV en/of Kanaalcentrum Utrecht BV en/of Europalaan Utrecht BV en/of Idlewild Consultants BV en/of Universum Holding BV en/of Universum Beheer BV en/of [medeverdachte 15] en/of [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of AFR Vastgoed BV (van 29 januari 2001 tot 10 april 2006 optredend onder de handelsnaam [vennootschap 2]) en/of [vennootschap 2] en/of [vennootschap 5] en/of [vennootschap 6] en/of een of meer andere(n) (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk onder meer:

-oplichting van Stichting Philips Pensioenfonds en/of Philips Real Estate Investment Management BV en/of Schootse Poort Onroerend Goed Beheer BV en/of Bouwfonds (artikel 326 WvSr);

-verduistering in dienstbetrekking bij Stichting Philips Pensioenfonds en/of Philips Real Estate Investment Management BV en/of Schootse Poort Onroerend Goed Beheer BV en/of Bouwfonds (artikel 322 WvSr);

-valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr);

-niet ambtelijke actieve en/of passieve omkoping (artikel 328ter WvSr);

-witwassen (artikel 420bis/420quarter WvSr);

bestaande die deelneming onder meer uit:

het bedenken en/of plannen en/of voorbereiden van vorenbedoelde misdrijven

en/of

het uitdenken en/of vastleggen van constructies waarop de met vorenbedoelde misdrijven verkregen gelden worden verdeeld en/of aan het zicht worden onttrokken van derden

en/of

het ten behoeve van vorenbedoelde misdrijven oprichten van vennootschappen en/of aangaan van samenwerkingsverbanden en/of inrichten van de (eigendoms)verhoudingen binnen vennootschappen en/of op andere wijze betrekken van derden

en/of

het ten behoeve van vorenbedoelde misdrijven doen van giften en/of beloften aan andere deelnemers van die organisatie en/of aan anderen in ruil voor medewerking

en/of

het verzwijgen tegenover de werkgever (Bouwfonds en/of Stichting Philips Pensioenfonds en/of Philips Real Estate Investment Management BV en/of Schootse Poort Onroerend Goed Beheer BV) van (deze) giften en/of beloften

en/of

het aanwenden en/of gebruik maken van de positie en/of specifieke kennis en/of vaardigheden van (een) andere deelnemer(s) van de organisatie en/of van anderen

en/of

het voor rekening van en/of op naam van de werkgever (doen of laten) aangaan van valse of vervalste en/of onzakelijke overeenkomsten

en/of

het ten behoeve van het aangaan van valse of vervalste overeenkomsten overleggen van valse of vervalste KBA's en/of notities en/of andere stukken

en/of

het (doen of laten) verrichten van (frauduleuze) betalingen aan de contractpartijen ter uitvoering van valse of vervalste overeenkomsten

en/of

het (doen of laten) verstrekken van geheime of vertrouwelijke informatie aan andere deelnemers van de organisatie en/of aan anderen

en/of

het (doen of laten) opnemen van valse of vervalste overeenkomsten en/of facturen en/of brieven in bedrijfsadministraties (van de werkgever)

en/of

het (doen of laten) opmaken en/of samenstellen van valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven ten behoeve van de verdere doorgeleiding van de door middel van vorenbedoelde misdrijven verkregen (frauduleuze) gelden

en/of

het doen of laten beheren van de door middel van vorenbedoelde misdrijven verkregen gelden door andere deelnemers van de organisatie en/of het beheren van de door middel van vorenbedoelde misdrijven verkregen gelden voor andere deelnemers van de organisatie

en/of

het (doen of laten) beheren van de door middel van vorenbedoelde misdrijven verkregen gelden middels buitenlandse vennootschappen en/of buitenlandse bankrekeningen

en/of

het beleggen of bijwonen van bijeenkomsten en/of vergaderingen met de andere deelnemers van de organisatie, zulks ten behoeve van besluitvorming over vorenbedoelde misdrijven

en/of

het werven en/of selecteren en/of opleiden en/of coachen van nieuwe leden en/of huidige leden van de organisatie

en/of

het feitelijk leiding geven aan vorenbedoelde misdrijven;

4.

(PROJECTEN HOLLANDSE MEESTER & SOLARIS & COOLSINGEL):

Hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 1 april 2008 te Capelle aan den IJssel en/of Hoevelaken en/of Den Haag en/of Bergschenhoek en/of 's-Gravenzande en/of Bilthoven en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of Heemstede en/of Bemmel en/of Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie,

te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 14] en/of [medeverdachte 3] en/of [betrokkene 12] en/of [medeverdachte 6] en/of [betrokkene 13] en/of [medeverdachte 7] en/of [betrokkene 6] en/of [medeverdachte 10] en/of [betrokkene 7] en/of [betrokkene 11] en/of Bloemenoord Groep BV en/of Ildewild Consultants BV en/of [vennootschap 10] (van 2 februari 1994 tot 14 augustus 2000 optredend onder de handelsnaam [vennootschap 8]) en/of [vennootschap 9] (van 14 augustus 2000 tot 5 april 2005 optredend onder de handelsnaam [vennootschap 8]) en/of Capelse Maasoever BV en/of [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 15] en/of [vennootschap 17] (van 14 april 1999 tot 26 februari 2009 optredend onder de handelsnaam [vennootschap 7]) en/of [vennootschap 5] en/of [vennootschap 13] en/of een of meer andere(n) (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk onder meer:

-oplichting van Bouwfonds (artikel 326 WvSr)

-verduistering in dienstbetrekking bij Bouwfonds (artikel 322 WvSr)

-valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr)

-niet ambtelijke actieve en/of passieve omkoping (artikel 328ter WvSr)

-witwassen (artikel 420bis/420quater WvSr)

-opzetheling (artikel 416 WvSr)

bestaande die deelneming onder meer uit:

het (laten en/of doen) aangaan van valse of vervalste overeenkomsten

en/of

het (laten en/of doen) opmaken en/of samenstellen van valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven en/of kostenbatenanalyses (KBA) en/of rapportages en/of bedrijfsadministraties

en/of

het (laten en/of doen) opnemen van valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven in bedrijfsadministraties

en/of

het (laten en/of doen) verzenden van valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven

en/of

het (laten en/of doen) doorbetalen en/of beheren en/of verdelen en/of ontvangen en/of verhullen van geldbedragen (al dan niet via notaris [betrokkene 6]), die verkregen zijn met vorenbedoelde misdrijven

en/of

het (laten en/of doen) doorgeven van gegevens aan overige leden van de organisatie, die relevant zijn voor de op te (laten en/of doen) maken valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven en/of bedrijfsadministraties

en/of

het (laten en/of doen) doorgeven van gegevens aan overige leden van de organisatie, die relevant zijn om geldbedragen, die verkregen zijn met vorenbedoelde misdrijven, door te (kunnen) sluizen

en/of

het (laten en/of doen) beleggen van vergaderingen/bijeenkomsten met overige leden van de organisatie

en/of

het (laten en/of doen) werven en/of selecteren en/of opleiden en/of coachen van huidige leden en/of nieuwe leden van de organisatie

en/of

het (laten en/of doen) oprichten van bedrijven, die met geen ander doel zijn opgericht voor het (laten en/of doen) plegen van vorenbedoelde misdrijven

en/of

het verzwijgen tegenover Bouwfonds dat inzake de projecten "Hollandse Meester" en/of "Solaris" en/of "Coolsingel" door Bouwfonds te veel geld is betaald, althans dit niet heeft gemeld bij Bouwfonds

en/of

het feitelijk leiding geven aan vorenbedoelde misdrijven.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van alle vier de ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

4. Bewijs1

Bij de bespreking van de vraag of hetgeen verdachte is ten laste gelegd, bewezen kan worden geacht, besteedt de rechtbank eerst aandacht aan de verweren die zijn gericht op vrijspraak en die naar het oordeel van de rechtbank tot die bepleite conclusie leiden. Daarna zal in de vorm van een lopend betoog worden aangegeven wat de rechtbank van de andere ten laste gelegde feiten bewezen acht. In het kader van dat betoog wordt aandacht besteed aan van de zijde van het openbaar ministerie of van de verdediging ingenomen standpunten. Voor verwijzing naar vindplaatsen wordt gebruik gemaakt van voetnoten. Bij verwijzingen naar stukken van het strafdossier geldt dat steeds rechtstreeks wordt verwezen naar die stukken. Van het zogenaamde bewijsmiddelenoverzicht dat van de zijde van het openbaar ministerie aan de rechtbank en de (raadslieden van de) verdachten is overgelegd als bijlage bij het uitgesproken en tevens in geschrifte gepresenteerde requisitoir en dat hoofdzakelijk bestaat uit verwijzingen naar stukken van het strafdossier alsmede citaten daaruit, heeft de rechtbank daarbij geen gebruik gemaakt.

4.1. Bespreking van de vraag of verdachte heeft deelgenomen aan de ten laste gelegde criminele organisaties.

4.1.1 Algemeen; visie van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld, dat de aan verdachten ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie in de zaken die voortvloeien uit het zogenaamde Klimop-onderzoek, bepaald niet moet worden gezien als een nodeloze toevoeging aan de tevens geformuleerde verdenkingen van betrokkenheid bij het plegen van specifieke delicten. De fraudes konden alleen worden gepleegd bij de gratie van het bestaan en de instandhouding van een crimineel samenwerkingsverband. Aan alle in aanmerking komende verdachten is deelneming aan één of twee criminele organisaties ten laste gelegd, één die de plundering van Bouwfonds op het oog had en één die zich bezighield met de oplichting van Philips Pensioenfonds en de omkoping van zijn directeuren. De twee onderscheiden criminele organisaties - zo stelt het openbaar ministerie - maken juist het hart uit van het fraudecomplex, van de verdenkingen en van de verwijtbaarheid. Zonder een gestructureerd samenwerkingsverband had het overgrote deel van de afzonderlijk ten laste gelegde strafbare feiten, voor de voltooiing waarvan vele handlangers nodig waren, niet eens gepleegd kunnen worden.2

Het noodzakelijke samenwerkingsverband kreeg een gestructureerd karakter door investeringen in juist die samenwerking waardoor een eigen normen- en waardenkader ontstond. De toegezegde - vaak op termijn te incasseren - beloning voor geleverde prestaties bond de deelnemers aan de organisatie en zorgde voor een eigen dynamiek, omdat uittreding zeer nadelig zou uitpakken. Naar de opvatting van het openbaar ministerie raken de zojuist genoemde karakteristieken - de noodzaak van een gestructureerd samenwerkingsverband voor het verwezenlijken van de fraude en de eigen dynamiek van dat verband - het wezen van het fraudeproces dat de afronding vormt van het Klimop-onderzoek.

De samenwerking onder de deelnemers van de organisatie werd ingegeven door de bij hen bestaande wetenschap dat het geheel (de organisatie) groter, sterker en corrumperender is dan de som der delen, zo stelt het openbaar ministerie waaraan het nog toevoegt dat de criminele organisatie van [medeverdachte 1] cum suis wordt gekenmerkt door haar parasitisme. Daarmee wordt bedoeld dat de leden zich nestelen in reguliere - min of meer goed georganiseerde - ondernemingen, zich als het ware naar binnen vreten, hun eigen omgeving creëren binnen de "gastheer" en vervolgens aan de slag gaan om de onderneming zo veel mogelijk leeg te zuigen.3

Door het nalopen van een aantal karakteristieken die kenmerkend kunnen worden geacht voor een criminele organisatie en toetsing van onderzoeksgegevens aan die karakteristieken vindt het openbaar ministerie een verankering voor zijn opvatting dat sprake is van twee criminele organisaties. Zo wordt de samenhang in het handelen van de deelnemers onderkend in de frequente coördinatie en afstemming tussen leden van de organisaties en de in de onderzoeksresultaten zichtbare gevolgen daarvan in de vorm van uitvoeringshandelingen of andere vormen van betrokkenheid.4 Een plan- en projectmatige aanpak, zoals die zichtbaar wordt in de lange duur van een traject voordat het tot uitbetaling komt, is alleen mogelijk in het kader van een samenwerkingsverband waar in innige samenwerking en loyaliteit wordt geopereerd, een vorm van samenwerking die ook blijkt uit de samenhang in financiële belangen van de deelnemers nu bij een reeks verdachten potjes met crimineel geld werden gecreëerd, aldus het openbaar ministerie dat daaraan toevoegt, dat de verlangde continuïteit van de organisaties door de leiding daarvan werd gezocht en gevonden in het betrekken van ondernemingen en personen bij het doorsluizen en verdelen van geld op grond van valse stukken, een en ander tegen een riante beloning.5 Door een strikte verdeling van taken, waarbij een aantal deelnemers zich met name bezighield met het doorsluizen van geld dat als resultaat van door anderen gepleegde frauduleuze handelingen werd ontvangen, bleven de vennootschappen met een directe link naar de belangrijkste deelnemers in de luwte. De kenmerkende geslotenheid van de hier besproken samenwerkingsverbanden ziet het openbaar ministerie bevestigd in de wijze waarop [medeverdachte 1] en zijn medewerkers zich binnen Bouwfonds afschermden van de rest van Bouwfonds. De diverse activiteiten van de organisatie werden verhuld en verborgen; zo werden geldstromen verhuld met valse facturen, werd de werkelijke aard van kosten verhuld door middel van valse Kosten Baten Analyses, valse facturen en valse bouwclaims en hielden de feitelijk rechthebbenden zich verborgen achter vennootschapsconstructies of deponeerden het geld op de derdenrekening van een notaris of betaalden aan derden die het geld vervolgens weer moesten doorsluizen. Blijkens de in het dossier opgenomen uitwerkingen van vertrouwelijke gesprekken vond regelmatig overleg plaats over diverse fraudeprojecten, op grond van een bij [betrokkene 16] aangetroffen hangmap6 met inhoud kan worden geconcludeerd dat die nog regelmatig overleg voerde met zijn inmiddels vertrokken baas [medeverdachte 1], en op grond van een analyse van in het onderzoek aangetroffen agenda's7 moet worden aangenomen dat er talloze contacten waren tussen personen die nog bij Bouwfonds werkten en personen die daar allang weg waren. Ook veelzeggend voor de aard van de activiteiten waarmee de leden van de organisatie zich bezighielden is het ontbreken van een administratie waarin de opbrengsten en de verdeling daarvan werd bijgehouden. Dat die informatie er ook niet moest zijn kan opgemaakt worden uit opgenomen opmerkingen van [medeverdachte 9] en [medeverdachte 1] die erop neerkomen dat aantekeningen niet gemaakt dan wel na het gesprek weer weggegooid worden.8 Ook de uitwerking van een opgenomen telefoongesprek tussen [medeverdachte 9] en [medeverdachte 5] waarin gesproken wordt over het wissen van bepaalde bestanden9, in een later gesprek zelfs gevolgd door de suggestie de harde schijf te verdonkeremanen10 zijn illustratief hiervoor.

Voor bewezenverklaring van het essentiële bestanddeel dat vervuld moet zijn, wil van een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr sprake zijn, het oogmerk op het plegen van misdrijven, onderscheidt het openbaar ministerie twee groepen misdrijven: oplichting en verduistering door middel van valse stukken en betalingen dan wel niet-ambtelijke omkoping enerzijds en het witwassen van het daarmee verkregen geld anderzijds. Om ontdekking van de gronddelicten te voorkomen moesten de opbrengsten geruime tijd verborgen blijven totdat zich een gelegenheid voordeed deze te verdelen. Omdat het witwassen er tevens voor zorgde dat geen directe relatie kon worden gelegd met de desbetreffende gronddelicten kan witwassen als een van de doelstellingen van de organisatie worden aangemerkt.11

4.1.2 Verdachte

Door het openbaar ministerie wordt verdachte geplaatst in de categorie verdachten die de fraude zelf en "de diefstal" van het geld hebben mogelijk gemaakt. Hij moet immers hebben geweten van de activiteiten van zijn ondergeschikten, hij profiteerde daarvan mee en dekte een en ander af en ondernam niets om de fraudes te voorkomen.12 Er kan, zo stelt het openbaar ministerie vervolgens, gelet op de betrokkenheid bij zoveel verschillende delicten geen twijfel bestaan over de aanwezigheid ook bij verdachte van onvoorwaardelijk opzet op het oogmerk van de organisatie alsmede op het deelnemen aan die organisatie. Dat miljoenen aan kosten zijn betaald voor projecten die uiteindelijk niet eens van de grond zijn gekomen kan alleen zijn gebeurd door betrokkenheid, de steun en dekking van de hoogst verantwoordelijken op het niveau van de Raad van Bestuur; bij de projecten van de criminele organisatie binnen Bouwfonds is dat verdachte.13

De raadsman van verdachte voert tegenover deze door het openbaar ministerie aan verdachte toegedichte rol van bestuurder die uit hoofde van zijn functie als portefeuillehouder vastgoed moet hebben geweten van de activiteiten van zijn ondergeschikten, daarvan meeprofiteerde, een en ander afdekte en niets ondernam om fraudes te voorkomen, aan dat de functie op zichzelf geen bewijs oplevert voor wetenschap of deelneming aan een criminele organisatie. De opvolger van verdachte, [getuige 8], verkeerde immers in een vergelijkbare positie in Eurocenter en hem kan in de ogen van het openbaar ministerie niets worden verweten.14 Onder leiding van verdachte, zo stelt de raadsman, heerste bij Bouwfonds een cultuur van vertrouwen en ondernemerschap15, welk vertrouwen meebracht dat in de dagelijkse praktijk verregaande bevoegdheden en belangrijke verantwoordelijkheden bij de werkmaatschappijen zelf lagen. De raadsman haalt [getuige 8] aan, die verklaarde dat de Raad van Bestuur niet inhoudelijk bij de contracten betrokken was en hij dus niets kon zeggen over de inhoud van de contracten van het project Eurocenter16 en vraagt zich af hoe relevant de verschillen zijn tussen [getuige 8] en verdachte om de een wel en de ander niet aan te merken als lid van een criminele organisatie en of in het licht van zo'n organisatie niet veeleer de overeenkomsten relevant zouden zijn. Door van alles op elkaar te stapelen (vastgoedfraude vanaf 1998 tot en met 2007, de boot, de verbouwingen door [betrokkene 7]) metselt het openbaar ministerie zonder cement, aldus de raadsman.

Door het openbaar ministerie wordt gewezen op een aantal feiten en omstandigheden die naar zijn oordeel de wetenschap van verdachte aantonen en een "niet corrupte bestuurder" tot ingrijpen zouden hebben gebracht.17 Behalve op een aantal specifieke feiten en omstandigheden wijst het openbaar ministerie op de toestemming die verdachte volgens [medeverdachte 1] gegeven zou hebben in bepaalde Bouwfondsprojecten bij te verdienen, een toestemming die - in de lezing van [medeverdachte 1]: later - is bekrachtigd in een door verdachte en [medeverdachte 1] ondertekend memo.

De algemene vraag in dit verband is - zo voert de raadsman aan - wat [verdachte] concreet geweten of gedaan zou hebben als deelnemer aan een criminele organisatie.18 Datgene wat in het requisitoir daartoe wordt opgemerkt (de fraude afdichten richting medebestuurders en commissarissen en het de vrije hand geven aan [medeverdachte 1]) mist naar zijn oordeel precisering. Aan de vermeende mondelinge toestemming van verdachte wordt door het openbaar ministerie meer waarde gehecht dan door [medeverdachte 1] zelf, die - getuige diens terughoudende verklaringen op dat punt - niet van ongelimiteerde toestemming lijkt uit te gaan. De vaststelling dat de fraude onder [getuige 8] is voortgezet maakt de verdenking tegen verdachte onwaarschijnlijk, stelt de raadsman. Naar zijn mening dient het ongedateerde memo waaromtrent het openbaar ministerie geen duidelijke keuze maakt als het gaat om de datering daarvan en waarbij het geen oog slaat op hetgeen verdachte ter terechtzitting van 22 september 2011 heeft verklaard, worden los gezien van de Klimop-zaak. Het memo betreft de arbeidsvoorwaarden van [medeverdachte 1] bij het ontstaan van de Commanditaire Vennootschap in 1998 en bevat geen toestemming om ten nadele van Bouwfonds bij te verdienen.19

Het scenario met betrekking tot de historie van het memo acht het openbaar ministerie niet onderbouwd en niet plausibel, tegengesproken als het wordt door de feiten, met name als die worden bezien in hun onderlinge samenhang; het feit dat verdachte onverklaarbare voordeeltjes krijgt kan naar zijn opvatting niet worden losgezien van verdachte's handelen en positie bij Bouwfonds.

Ook andere deelnemingshandelingen dan de verleende toestemming, die verdachte zouden maken tot lid van een criminele organisatie zijn naar het oordeel van de raadsman niet aanwijsbaar, evenmin als doorbreking of ontduiking van het geldende controlesysteem.

Het controleproces kon alleen doorbroken worden middels de zogenaamde "potjes", waarvoor niet de hulp van verdachte vereist was. De voorstelling van zaken die [medeverdachte 1] geeft, inhoudende dat het fenomeen moeilijke betalingen bekend was bij de accountant en dat die daar vrede mee had op grond van de afspraak dat hij die moeilijke betalingen met verdachte besprak, stemt niet overeen met de verklaring van [getuige 9] bij de rechter-commissaris, aldus de raadsman, die tot de conclusie komt dat niet uitgesloten kan worden geacht, dat verdachte is misleid. De fraude vond immers niet alleen plaats onder verdachte, maar ging door na diens vertrek per 1 maart 2001 en duurde voort in de daarop volgende jaren. De raadsman concludeert dat het openbaar ministerie de verklaring van [medeverdachte 1] nodig heeft, terwijl het tegelijkertijd [medeverdachte 1] aanmerkt als de grote manipulator.20

Een belangrijke bouwsteen voor de constructie van de criminele organisatie waaraan verdachte zou hebben deelgenomen vindt het openbaar ministerie in de "vreemde" gang van zaken rondom de Hallberg Rassy. Uit de gegevens in het dossier concludeert het openbaar ministerie dat de door [medeverdachte 1] voor 1.2 miljoen gulden aangeschafte boot bestemd was voor verdachte, die hem immers naar zijn eigen wensen inrichtte, in Zweden ophaalde, op zijn eigen ligplaats stalde, er als enige in voer en hem na een jaar voor een "habbekrats" kocht.21

De raadsman van verdachte vestigt de aandacht juist op het feit, dat [medeverdachte 1] zegt, dat hij verdachte niet heeft omgekocht met een boot en wijst er op dat de prijs waarvoor [verdachte] de boot heeft gekocht - uiteindelijk - in zijn geheel is betaald en die prijs niet zo ontzettend ver onder de door [getuige 13] getaxeerde minimale verkoopwaarde van 754.000 gulden lag. De visie van het openbaar ministerie dat verdachte vorstelijk beloond zou zijn met die boot stemt ook niet overeen met de verklaring van [getuige 10], de dealer die aangeeft indertijd niet de indruk gehad te hebben dat [verdachte] de boot als cadeau van [medeverdachte 1] kreeg.22

Een andere bouwsteen van het openbaar ministerie, de betaling door [medeverdachte 1] aan [betrokkene 7] voor de door deze gepleegde werkzaamheden aan woningen van [verdachte], diens zoon en diens dochter, wordt door de raadsman anders gewaardeerd. Het openbaar ministerie merkt op dat [medeverdachte 1] als getuige in de zaak van verdachte heeft verklaard dat verdachte wist dat zijn verbouwing uit een "potje" kwam.23 De raadsman van verdachte maakt duidelijk dat de bewuste geldstroom waaruit [betrokkene 7] wordt betaald, dateert van 29 november 2001, een datum dus waarop zowel verdachte als [medeverdachte 1] weg waren bij Bouwfonds. Hij wijst op de berekeningen van IRS, die uitkomen op een maximaal bedrag van € 129.043 dat niet is uit te sluiten als aan [betrokkene 7] verschuldigde betaling. Hij werpt de vraag op waarom ruzie zou moeten worden gemaakt over de hoogte van de som als het bedrag toch betaald zou worden uit een potje. Zijn conclusie is wederom dat de vraag zich opdringt of niet veeleer rekening moet worden gehouden met een geraffineerd web van misleiding dat door [medeverdachte 1] is gesponnen.24

De maatstaf die moet worden gehanteerd voor bewezenverklaring van een gestructureerd samenwerkingsverband als begrepen moet worden geacht onder de organisatie bedoeld in artikel 140 Sr, ziet op een intensievere vorm van samenwerking dan die welke voldoende kan worden geacht voor het bewijs van medeplegen, zo kan de raadsman worden samengevat uit de alinea's 268 tot en met 288 van zijn pleitnota. Het openbaar ministerie laat na, zo stelt hij, het aan verdachte toegeschreven noodzakelijkheidsbewustzijn te onderbouwen met concrete feiten en omstandigheden. Het onvoorwaardelijk opzet is daarmee niet geconstrueerd.

Ook de beeldvorming omtrent verdachte werkt in negatieve zin door, aldus de raadsman. Hij zou degene zijn geweest die [medeverdachte 1] bij Bouwfonds heeft binnen gehaald terwijl er een kritisch rapport van Moret Ernst & Young lag (dat door verdachte bewust zou zijn weggehouden). Inmiddels is toch wel duidelijk, dat dit beeld niet klopt met de historische werkelijkheid, terwijl ook vaststaat, dat [getuige 8], [getuige 11] en [getuige 12] die alle drie zeggen zich het rapport niet te herinneren, daarvan wel degelijk hebben kennisgenomen. De beeldvorming is nog versterkt, zo stelt de raadsman, doordat Rabo Vastgoed heeft gekozen voor een strategie waarin Bouwfonds zich meer als slachtoffer moest presenteren. Er is vanuit die gedachte door Bouwfonds bewust gekozen voor het aan journalisten inzage geven in het dossier, hetgeen heeft geleid tot een ontegenzeggelijke beïnvloeding van de publieke opinie en van later verklarende getuigen.

4.1.3 Oordeel rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank moet sprake zijn van een gestructureerd samenwerkingsverband waarin de deelnemers in een zekere duurzaamheid, met enige continuïteit samenwerken, wil sprake kunnen zijn van een organisatie in de zin van artikel 140 Sr. Ofschoon het plegen van misdrijven niet de enige of voornaamste bestaansgrond hoeft te zijn en het ook niet zo is dat een deelnemer bekend moet zijn (geweest) met alle personen die deel uitmaken van de organisatie, dient men - om deelnemer te zijn - wel te behoren tot de organisatie en een aandeel te hebben in de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie dan wel die gedragingen te ondersteunen. Deelneming aan de organisatie is hier de strafbaar gestelde gedraging. Behalve het op het bepaalde in artikel 140 Sr gebaseerde verwijt zijn aan verdachte misdrijven ten laste gelegd die hij samen met een of meer mededaders zou hebben gepleegd. Aan de beoordeling van de vraag of verdachte die feiten heeft gepleegd komt de rechtbank pas hierna toe; zelfs indien de rechtbank tot bewezenverklaring van die feiten zou komen, volgt daaruit slechts dat sprake is geweest van een zekere mate van samenwerking, maar nog niet dat van een overkoepelend en gestructureerd samenwerkingsverband kan worden gesproken.

De deelneming aan twee organisaties in de zin van artikel 140 Sr die verdachte wordt ten laste gelegd bestrijkt een aanzienlijk ruimere periode dan het tijdsbestek waarbinnen de hem afzonderlijk ten laste gelegde feiten zouden zijn gepleegd. Het openbaar ministerie spreekt in dit verband over investering van criminele betrokkenheid in de organisatie die zich pas op termijn zou terugbetalen, waardoor inkeer moeilijk werd.25 De vervaardiging van valse facturen waartoe verdachte overging kan dan gezien worden als een voorbeeld van de door de criminele organisatie gehanteerde modus operandi.26

Op zichzelf acht de rechtbank een dergelijke gang van zaken - geïnvesteerde prestaties in ruil voor een beloning in de toekomst - heel wel denkbaar. Waar het op deze plaats om gaat is evenwel niet het antwoord op de vraag of van een op dergelijke wijze opererend samenwerkingsverband sprake is geweest, maar om het bewijs dat verdachte aan een dergelijk verband heeft deelgenomen. Ofschoon zij vaststelt dat verdachte royaal wordt gefêteerd in een situatie die daartoe op zichzelf geen aanleiding zou behoren te geven, heeft de rechtbank in het dossier onvoldoende bruikbare eenduidige aanwijzingen en harde gegevens aangetroffen die voor zulk bewijs vereist worden, terwijl ook het onderzoek ter terechtzitting daaromtrent niets substantieels heeft bijgebracht. Dat onderzoek heeft veeleer informatie opgeleverd die een ander licht heeft doen vallen op het aanvankelijk op verklaringen van enkele prominente getuigen gebaseerde beeld, dat verdachte in 1995 de drijvende kracht is geweest achter de overname van [medeverdachte 1] Vastgoed door Bouwfonds en daartoe zelfs een kritisch rapport van Moret Ernst & Young had achtergehouden. De omstandigheden waaronder het memo waarmee verdachte toestemming zou hebben verleend aan [medeverdachte 1] bij te verdienen in - onder meer ook - Bouwfondsprojecten, tot stand zou zijn gekomen alsmede de betekenis die aan dat memo moet worden toegekend, zijn weliswaar niet helder geworden, maar de daaromtrent ter terechtzitting van betrokkenen verkregen informatie leidt niet tot de onafwendbare conclusie, dat verdachte indertijd [medeverdachte 1] de vrije hand heeft gegeven om er - ook - zelf beter van te worden.

Zonder daaraan een concrete duiding te kunnen geven acht de rechtbank het tenslotte opmerkelijk dat de reconstructie die verdachte ter terechtzitting van 22 september 2011 heeft gepresenteerd onweersproken is gebleven van de zijde van [medeverdachte 1], met name waar het betreft het element dat verdachte in de zomer van 2009 door [medeverdachte 6] en enige weken later door [medeverdachte 1] op dat memo zou zijn aangesproken, waarbij [medeverdachte 1] zou hebben aangegeven het een goede zaak te vinden dat verdachte zich het memo niet herinnerde.

Het door het openbaar ministerie in zijn requisitoir vermelde gegeven dat [medeverdachte 1] als getuige zou hebben meegedeeld dat verdachte wist dat de verbouwing door [betrokkene 7] werd betaald uit een "potje" verwijst kennelijk naar hetgeen als verklaring van [medeverdachte 1] is weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting. Daar valt evenwel - als opgetekend uit de mond van [medeverdachte 1] als getuige - slechts te lezen dat de betalingen aan [betrokkene 7] kwamen uit potjes, dat hij tegen verdachte heeft gezegd dat hij het probleem had opgelost en dat verdachte wist van het fenomeen dat bepaalde moeilijke betalingen moesten worden gedaan.27 De door het openbaar ministerie gepresenteerde lezing dat het plegen van de in kaart gebrachte misdrijven binnen de zogenaamde Bouwfonds-projecten onmogelijk zou zijn geweest zonder de betrokkenheid, de steun en de dekking van verdachte, is voor een deel gebaseerd op aannames en laat overigens de prangende vraag onbeantwoord, waarom aan een dergelijke onmisbare rol kennelijk zo weinig zelfstandige waarde werd toegekend binnen de organisatie: de opmerking van [medeverdachte 1] in een telefoongesprek28 met [medeverdachte 6] dat van [verdachte] al een tijdje niets meer is vernomen en dat ze dat "ergens goed gerund" hebben wijst eerder op gebruikmaking van de positie van verdachte dan op een eigen rol. Ook de in een ander telefoongesprek29 uitgesproken vrees, dat [verdachte] gek genoeg is om de mensen van Price Waterhouse Coopers te woord te staan wijst niet op een bij verdachte verondersteld sterk bewustzijn van hetgeen waarmee hij bezig (geweest) was. Het standpunt van het openbaar ministerie, dat de onverklaarbare voordeeltjes die verdachte krijgt, niet kunnen worden losgezien van verdachte's handelen en positie bij Bouwfonds en derhalve als een voorbeeld kunnen worden gezien van uitgestelde betaling voor verrichtte diensten, sluit niet naadloos aan op de verklaring van [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting waar hij aangaf dat hij na zijn vertrek bij Bouwfonds het plan had met verdachte in het vastgoed te gaan, dat diens gezondheidssituatie daar een streep door haalde, maar dat die afgesproken samenwerking een wat andere invulling had gekregen toen de gezondheid van verdachte verbeterde en wel door zijn - [medeverdachte 1]'s - positie in Eurocenter over te dragen.30

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verdachte dient te worden vrijgesproken van deelneming aan beide criminele organisaties, zoals die zijn omschreven in de tegen hem uitgebrachte dagvaarding.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden voor het bewijs van de als feit 1 en feit 2 ten laste gelegde gedragingen.

4.2.1 De valsheden (feit 1 primair)

Niet lang na zijn vertrek als voorzitter van de Raad van Bestuur van Bouwfonds in het voorjaar van 2001 richt verdachte [medeverdachte 15] op. Van dit bedrijf, tot 2 december 2003 gevestigd te Waddinxveen en vanaf die datum te Alphen aan den Rijn31, is hij directeur. Volgens zijn eigen verklaring geeft hij leiding aan het bedrijf, is hij verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering, houdt hij toezicht, geeft hij opdrachten en is hij eindverantwoordelijke.32 De met het opmaken van de facturen gemoeide administratieve handelingen werden, op aangeven van verdachte, verricht door diens echtgenote, aanvankelijk te Waddinxveen, later te Alphen aan den Rijn.33 Met de raadsman, die in dit verband tevens verwijst naar de eerder door hem ingebrachte rapportage van IRS omtrent werkzaamheden van [medeverdachte 15], is de rechtbank van oordeel dat deze vaststelling op zichzelf niet de conclusie rechtvaardigt, dat [medeverdachte 15] zou zijn opgericht om daarin toekomstige verdiensten te laten vloeien waarvoor niets of nauwelijks iets gedaan zou hoeven worden.

Vanaf eind 2001 onderhoudt [medeverdachte 15] een zakelijke relatie met [medeverdachte 13], een onderneming van [medeverdachte 6]34, die door verdachte een goede relatie van [medeverdachte 1] wordt genoemd.35 Verdachte verklaart dat [medeverdachte 1] hem heeft geïntroduceerd bij enkele opdrachtgevers.36 In dat kader noemt hij ook [medeverdachte 14], een bedrijf van [medeverdachte 5] voor wie hij acquisitie zou gaan doen alsmede de public relations zou gaan verzorgen.37

Met [medeverdachte 14], kantoor houdend te Haarlem, gaat verdachte een overeenkomst aan, gedateerd 21 januari 2003.38 Afgesproken wordt dat tegen een vast honorarium van € 127.500, betaalbaar per kwartaal ad 20%, [medeverdachte 15] ontwikkelingsprojecten waarbij zij op dat moment betrokken is, ter beoordeling zal voorleggen aan [medeverdachte 14]. Tegenover verbalisanten van de FIOD verklaart verdachte dat 2003 voor hem om medische redenen een slecht jaar was en dat hij niet weet of hij [medeverdachte 14] projecten heeft aangeboden.39 Ook [medeverdachte 5] staat er niets van bij dat aan [medeverdachte 14] iets zou zijn voorgelegd.40 Hij verklaart dat hij geen zaken heeft gedaan, maar gelden moest doorbetalen in opdracht van [medeverdachte 1].41 Doorbetaling vond onder andere plaats aan iemand, die "op papier" nieuwe projecten zou aanleveren.42 Hij verklaart dat hij verdachte één keer heeft ontmoet op verzoek van [medeverdachte 1] en dat dit bezoek aan Eurocenter vast zit.43 Deze verklaringen van [medeverdachte 5] stroken met andere in het dossier van de strafzaak opgenomen onderzoeksgegevens. Ofschoon [medeverdachte 5] zegt niet te weten waarom een memo met onder meer daarbij een "concept overeenkomst [medeverdachte 15] versus [medeverdachte 14] voor het jaar 2004" is opgeslagen op de computer van [medeverdachte 14]44 in de map Bouwfonds45, staat dit gegeven niet op zichzelf. Het desbetreffende memo is gedateerd 2 december 2003, afkomstig van [voornamen medeverdachte 5] (= [medeverdachte 5], rb) en gericht aan [medeverdachte 1] aan wie wordt gevraagd om commentaar en aanvullingen op de meegezonden concepten. Dit memo is met bijlagen gefaxt naar het faxnummer van [medeverdachte 1].46 Volgens de bewerkingsgegevens van een document, dat de voortzetting betreft van de samenwerking tussen [medeverdachte 14] en [medeverdachte 15] voor het jaar 2004, is dit document gemaakt op 2 december 2003 en gewijzigd alsmede afgedrukt op 22 december 2003. Deze afdruk betreft een in het dossier opgenomen document waarin een vast honorarium van € 102.500 in het vooruitzicht wordt gesteld voor inspanningen om [medeverdachte 14] te betrekken bij de onroerend goed-ontwikkelingsprojecten van [medeverdachte 15]. De desbetreffende tekst is ook geprint op briefpapier van [medeverdachte 14] en getekend door [medeverdachte 14] en [medeverdachte 15].47 Hoewel de overeenkomst niet is geëffectueerd, was de vergoeding al gereserveerd: in de agenda van [medeverdachte 5] staat bij de datum 6 oktober 2003 een afspraak met [medeverdachte 1] genoteerd.48 In het notitieboek waarin [medeverdachte 5] aantekening hield van hetgeen hem werd meegedeeld, komt onder meer voor: 6/10 Jan + 100.000 Euro 2004 [bijnaam medeverdachte 4].49 Deze geschetste gang van zaken maakt de lezing van [medeverdachte 5] aannemelijk, dat de regie in handen was van [medeverdachte 1]. Ook [medeverdachte 1] zelf geeft dat aan als getuige in de zaak tegen verdachte. In die hoedanigheid heeft hij verklaard dat hij de positie die hij had verworven in het project Eurocenter en die recht gaf op een bepaald geldbedrag voor werkzaamheden op het gebied van verhuur en bouwbegeleiding, heeft overgedragen aan verdachte en dat op zijn verzoek door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] de betaling daarvoor is gedaan aan [medeverdachte 15].50 Als verklaring voor de overdracht van die rol geeft hij dat het aanvankelijke idee te gaan samenwerken strandde door de gezondheidsproblemen van verdachte en dat hij verdachte de rol in Eurocenter gaf toen die uit het ziekenhuis kwam; de indruk die hij vervolgens had, zo voegt hij daaraan toe, was dat verdachte dingen van hem verwachtte in de zin dat hij het werk deed en verdachte achterover kon gaan zitten.51 De overname van de positie die [medeverdachte 1] had, zo verklaart deze, impliceerde het versturen van facturen naar daar waar het geld zich bevond.52 Er stond geen sanctie op als voor die facturen geen werkzaamheden werden uitgevoerd, maakt [medeverdachte 1] duidelijk.53

Onder verwijzing naar de hierboven genoemde overeenkomst van 21 januari 2003 zijn door [medeverdachte 15] vijf facturen verstuurd aan [medeverdachte 14]. Deze facturen zijn steeds ten bedrage van € 25.500 en betreffen adviesactiviteiten ontwikkelingsprojecten c.a. De facturen zijn gedateerd op 25 februari 2003, 4 april 2003, 8 september 2003, 21 oktober 2003 en 17 februari 2004.54 In overeenstemming met de hierboven al gememoreerde wijziging van vestigingsplaats wordt op eerste vier facturen Waddinxveen vermeld als plaats waar [medeverdachte 15] is gevestigd, op de laatste factuur is Alphen aan den Rijn als zodanig opgenomen. De desbetreffende bedragen zijn - vermeerderd met de BTW - van de bankrekening van [medeverdachte 14] afgeschreven op de respectievelijke data 7 maart 2003, 23 april 2003, 16 september 2003, 28 oktober 2003 en 24 februari 2004.55

De zakelijke relatie tussen [medeverdachte 15] en [medeverdachte 13], die al sedert begin 2002 leidde tot maandelijkse en in 2005 tot driemaandelijkse betalingen uit hoofde van een samenwerkingsovereenkomst lijkt te worden beëindigd door een brief van verdachte gedateerd 28 december 2005 waarin hij aangeeft om gezondheidsredenen zijn interim-management activiteiten voor [medeverdachte 13] per eind december 2005 definitief te willen beëindigen.56 In deze brief geeft verdachte aan, dat hij uit loyaliteitsoverweging, in het belang van [medeverdachte 13] een samenwerking met [betrokkene 18] heeft aanbevolen. De rechtbank gaat ervan uit dat deze brief niet door verdachte is geschreven. Niet alleen geeft verdachte aan, dat hij [betrokkene 18] niet kent en slechts één keer telefonisch heeft gesproken maar ook heeft hij ontkend dat de - inderdaad afwijkende - handtekening die onder de brief is geplaatst, die van hem is.57

De zojuist genoemde datum 28 december 2005 is tevens de datum die is gesteld boven een aan verdachte gerichte en door hem voor akkoord ondertekende brief waarin door [medeverdachte 13] wordt aangekondigd het overeengekomen bedrag van € 250.000 voor verdachte's interimmanagement ten behoeve van (onder meer) [medeverdachte 13], met inachtneming van verdachte's verzoek eventuele Bouwfondsgerelateerde projecten daarbij uit te sluiten, in vijf fasen van € 50.000 over te maken.58 De tekst van deze brief, inclusief de datum 28 december 2005, is aangetroffen in de computer van [medeverdachte 13] met als digitaal vastgelegde aanmaakdatum 6 september 2007.59 Ter terechtzitting heeft verdachte bevestigd dat deze overeenkomst is aangepast.60 Ook met betrekking tot de brief die in het dossier is opgenomen onder documentnummer D-1373 en die voorzien van de datum 10 augustus 2006, door [medeverdachte 6] aan verdachte is gestuurd en door de laatste voor akkoord is ondertekend, geeft hij aan dat deze is geantedateerd door [medeverdachte 6]. Verdachte heeft verklaard dat hij onder beide brieven zijn handtekening heeft geplaatst en dat de stukken nodig waren voor de correctie van foute facturen, facturen op het project Eurocenter die hij teruggedraaid wilde zien omdat Eurocenter een "besmet" project was, waarvoor hij ook nooit werkzaamheden had verricht.61 Daarmee wordt gedoeld op facturen die in 2006 en begin 2007 waren verstuurd onder de vermelding "Project Eurocenter" en waren voldaan door [medeverdachte 13]. In de zojuist genoemde brief van 10 augustus 2006 wordt door [medeverdachte 13] aan verdachte de afspraak bevestigd dat deze op eigen verzoek geen bemoeienis zal hebben met ons project Eurocenter te Amsterdam. Omdat evenwel de honorering van verdachte voor zijn interimmanagement voor overige projecten met name afhankelijk is van uit het project Eurocenter voortvloeiende eindbetalingen, zo wordt gesteld, wordt verdachte's instemming gevraagd voor betaling van de drie nog resterende termijnen op een later moment dan aanvankelijk afgesproken.

Het verhaal van de noodzakelijk geworden correctie van reeds verstuurde en betaalde facturen is ook te volgen in opgenomen telefoongesprekken, waarvan de schriftelijke uitwerkingen zich bevinden bij de stukken van het dossier. Nadat op 31 augustus 2007 de voicemail van [medeverdachte 1] tweemaal is ingesproken door verdachte62 meldt [medeverdachte 6] in een opgenomen telefoongesprek met [medeverdachte 1] omstreeks 20:30 uur diezelfde dag dat hij een paniekerige [verdachte] ([bijnaam medeverdachte 4] zegt hij letterlijk) aan de telefoon heeft gehad omdat die een brief heeft van Bouwfonds waarin staat dat Price Waterhouse bij hem een onderzoek gaat doen ter zake van Symphony-betalingen en dergelijke. Vervolgens gaat het over de vraag of [verdachte] wel iets met Symphony van doen heeft. Aan de orde komt dat hij voor Symphony nooit facturen heeft gestuurd, maar wel wat andere dingen heeft gedaan. [medeverdachte 1] vindt het riskant als [verdachte] zijn boekhouding laat zien. Dat moet worden voorkomen en [medeverdachte 6] krijgt het verzoek dit met [verdachte] te bespreken.63 De volgende dag wordt [medeverdachte 6] gebeld door [medeverdachte 1]. Aan de orde komt dat [verdachte] [medeverdachte 6] al om 07.00 uur belde. [medeverdachte 6] zegt vervolgens dat er wel een link blijkt te zijn en wel naar Eurocenter en dat hij daarom een brief zal moeten herschrijven, maar die link niet helemaal wil wegpoetsen.64

In het licht van de zojuist beschreven gang van zaken wordt duidelijk hoe de diverse in het voorbereidende onderzoek aangetroffen facturen die refereren aan het project Eurocenter dan wel aan de brief van 10 augustus 2006 moeten worden gewaardeerd. De facturen die in het dossier zijn opgenomen onder de documentnummers D-0851, D-0848 en D-0869 en achtereenvolgens zijn gedateerd op 24 februari 2006, 5 juni 2006 en 13 september 2006, zijn aangetroffen in de administratie van [medeverdachte 13], hebben alle drie betrekking op "Project Eurocenter" en zijn blijkens een bij [medeverdachte 13] ingesteld strafrechtelijk financieel onderzoek ook alle drie betaald.65 De facturen die in het dossier zijn opgenomen onder de documentnummers D-0882, D-0883 en D-0884 zijn eveneens achtereenvolgens gedateerd op 24 februari 2006, 5 juni 2006 en 13 september 2006; de eerste twee hebben betrekking op de interim managementovereenkomst van 28 december 2005, de laatste van deze drie op de (vervangende) overeenkomst van 10 augustus 2006. De factuur met documentnummer D-1169-4 tenslotte heeft als datum 6 januari 2007 en betreft de fasen 4 en 5 van de (vervangende) overeenkomst van 10 augustus 2006. Het gefactureerde bedrag ad € 119.000 (2x € 50.000 vermeerderd met 19% BTW) is blijkens het hierboven bedoelde strafrechtelijk financieel onderzoek op 24 januari 2007 betaald door [medeverdachte 13].

Ter terechtzitting van 14 april 2011 verklaarde verdachte de paniek doordat hij er eind augustus 2007 achter kwam dat Eurocenter een Bouwfondsproject was in plaats van een project van [medeverdachte 1], en [medeverdachte 6] dat in een telefoongesprek bevestigde.66 Hij geeft aan, dat hij zelf het initiatief heeft genomen de facturen recht te zetten en zegt niet te ontkennen daartoe valsheid in geschrift te hebben gepleegd.67

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden niet anders dan worden afgeleid, dat het niet de bedoeling van de bij de facturen en de onderliggende overeenkomsten betrokkenen is geweest de daarin genoemde werkzaamheden daadwerkelijk te verrichten. Met betrekking tot de afspraken van [medeverdachte 15] met [medeverdachte 14] valt dat behalve uit de verklaringen van [medeverdachte 5] ook af te leiden uit het feit, dat op een moment dat wegens de gezondheidsproblemen van verdachte van de overeengekomen werkzaamheden niets was terechtgekomen in weerwil van de in de overeenkomst van 21 januari 2003 opgenomen clausule dat tot voortzetting van de samenwerking in 2004 kan worden overgegaan bij gebleken "voldoende potentie/winstgevendheid" van de aangedragen projecten, reeds een nieuwe overeenkomst klaarligt op grond waarvan kennelijk vier nieuwe termijnen van € 25.500 beschikbaar zijn. Voor de gevolgtrekking dat de vergoedingen geen relatie hadden met verrichte werkzaamheden valt ook nog een argument te ontlenen aan de omstandigheid dat - zoals hierboven al weergegeven - op 6 oktober 2003 een bedrag van ongeveer € 100.000 wordt gereserveerd terwijl volgens verdachte op 25 september 2003 een gesprek heeft plaatsgehad tussen hem en [medeverdachte 5], waarin [medeverdachte 5] aangaf dat het niet goed ging omdat hij geen dingen aangedragen zag worden.68 Ook de hierboven eveneens al aan de orde geweest zijnde overeenkomst van 22 december 200369 die voorzag in een vast honorarium van € 102.000 voor het jaar 2004, wijst niet in een andere dan de hier aangegeven richting. Dat de overeenkomst en ook de daarop gebaseerde facturen niet zijn geantedateerd doet in het licht van deze bevindingen niet ter zake.

Ten aanzien van de op 28 december 2005 gedateerde overeenkomst met [medeverdachte 13] kan in het bijzonder gewezen worden op het feit dat de tekst van deze brief, inclusief de datum 28 december 2005, is aangetroffen in de computer van [medeverdachte 13] met als aanmaakdatum een ver na de op die overeenkomst betrekking hebbende betalingen gelegen 6 september 2007. Maar belangrijker dan de antedatering is de inhoudelijke onjuistheid van het stuk: [medeverdachte 1] geeft aan dat er niets merkbaars is verricht aan activiteiten en dat zulks ook niet de voorwaarde was voor de vervolgens op de facturen gedane betalingen.

Tegen die mededeling bij het doen waarvan [medeverdachte 1] geen enkel belang zou hebben als de feitelijke gang van zaken zou zijn geweest zoals door verdachte weergegeven weegt niet op verdachte's verklaring dat hij indertijd [medeverdachte 1] rechtstreeks heeft gevraagd naar de mogelijkheid de declaraties bij hem in te dienen in plaats van bij [medeverdachte 13].70 Het beroep dat de raadsman doet op het rapport van IRS waarin - aan de hand van agenda's en kilometerregistraties - naar zijn oordeel een bevestiging kan worden gevonden, dat verdachte talrijke afspraken had met [medeverdachte 1], [medeverdachte 6] en anderen in verband met verschillende projecten, levert niet de beweerde steun op voor het standpunt dat die afspraken (mede) te maken hadden met werkzaamheden waarop de gewraakte facturen betrekking hebben. Ook al zou verdachte werkzaamheden hebben verricht voor het Surinaamse bedrijf SEMC, voor [vennootschap 16], de Teemagroep, voor Almere Poort en voor Park Brederode, daarin bestaande dat hij vanuit [medeverdachte 15] contacten legde, projecten beoordeelde en naar mogelijkheden zocht voor het bedrijf van [medeverdachte 1], is daarmee niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat dergelijke activiteiten ook ten grondslag lagen aan de aan [medeverdachte 13] gerichte facturen.

Ook de omstandigheid dat [medeverdachte 15] vanaf begin 2002 tot eind 2005 maandelijks een factuur heeft gestuurd aan [medeverdachte 13] op basis van de overeenkomst van 14 november 2001, telkens betreffende "netwerkinvestering" en niet als vals ten laste gelegd, en dat als voortzetting van deze overeenkomst geldt die welke is opgenomen onder documentnummer D-1167 met daarin een wijziging van een maandbetaling naar een kwartaalbetaling, levert geen zelfstandig argument op voor de door de raadsman van verdachte gepresenteerde visie. Datzelfde geldt voor de aantekeningen die zijn gemaakt op het stuk dat onder documentnummer D-1162 in het dossier zit en welke volgens de raadsman moeten worden aangemerkt als aantekeningen voor een gesprek over het vervolg waarbij de factuur werd verhoogd en op uitdrukkelijk verzoek van [medeverdachte 1] Eurocenter als omschrijving op de factuur moest worden gezet. Dat verdachte aangeeft niet te weten wat Eurocenter inhield en zelfs de naam verkeerd spelt, wil niet zeggen dat hij de gefactureerde werkzaamheden wél heeft verricht. Evenmin wil het zeggen, dat hij andere werkzaamheden heeft verricht en dat hij die - volgens afspraak - op het project Eurocenter heeft gedeclareerd.

Ook al had de vennootschap een zakelijk doel, zoals de raadsman van verdachte heeft gesteld, de rechtbank volgt niet diens standpunt dat tegenover de betalingen steeds concrete werkzaamheden stonden. Dat daadwerkelijk kosten zijn gemaakt voor de inrichting van het kantoor en de feitelijke zakelijke bedrijfsvoering, zoals de raadsman heeft opgemerkt, is niet voldoende om daarmee dat standpunt te onderbouwen. Ook de omstandigheid dat [medeverdachte 15] - zoals het onderzoek van IRS aantoont - ook aanzienlijke inkomsten uit andere bronnen had dan uit [medeverdachte 13] en [medeverdachte 14], biedt slechts steun aan het standpunt dat de vennootschap van verdachte een zakelijk karakter had maar kan niet dienen ter onderbouwing van de stelling dat alle betalingen aan de vennootschap een vergoeding van verrichte werkzaamheden betreffen. Het door de raadsman van verdachte ingenomen standpunt, dat [medeverdachte 15] wel degelijk werkzaamheden heeft verricht voor [medeverdachte 13] en [medeverdachte 14], wordt door [medeverdachte 6]71 in elk geval niet bevestigd ten aanzien van de werkzaamheden die ten grondslag zouden liggen aan de op de tenlastelegging opgenomen facturen en door [medeverdachte 5] en feitelijk ook door verdachte zelf ontkend waar het de in 2003 in rekening gebrachte werkzaamheden betreft. De stelling dat verdachte voor de zojuist genoemde bedrijven alsmede voor [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] een waardevolle ambassadeursfunctie vervulde, kan alleen maar opgaan als die functie als zodanig zou zijn geafficheerd of ingezet; dat daarvan sprake is geweest is evenwel niet aannemelijk geworden. De enkele omstandigheid dat verdachte door [medeverdachte 1] werd geïntroduceerd bij verschillende opdrachtgevers en de door de rechtbank aanvaarde stelling dat verdachte reeds op grond van zijn naam geld waard was brengen op zichzelf nog niet met zich mee, dat het beoogde effect zich voordoet. [medeverdachte 5] is duidelijk in zijn verklaring waar hij zegt dat hij geen zaken heeft gedaan met [medeverdachte 15] en dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] gelden moest betalen.72 Die verklaring stemt overeen met hetgeen [medeverdachte 1] zelf verklaart als getuige ter terechtzitting in de zaak tegen verdachte waar hij aangeeft dat zijn positie in Eurocenter is overgenomen door [medeverdachte 15] en dat op zijn verzoek aan [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] de betaling daarvoor aan de vennootschap van verdachte is gedaan.73 Die lezing verdraagt zich niet met die van verdachte, die aangeeft weliswaar vanwege zijn ziekte niet veel te hebben kunnen doen, maar zelf in een dergelijk geval ook de afgesproken betalingen nagekomen te zullen zijn.74 Verdachte's verklaring ter terechtzitting dat hij in 2003 diverse afspraken had met [medeverdachte 5]75 en dat het de bedoeling was projecten aan te dragen die interessant zouden zijn om in te brengen in een vastgoed-CV76, wordt evenmin gesteund door andere verklaringen of gegevens. De aantekeningen in de agenda van verdachte die wijzen op afspraken met [medeverdachte 5], zoals in kaart gebracht in het onderzoeksrapport van IRS, betreffen in het jaar 2003 slechts een afspraak op 3 februari met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] en een vervolgafspraak met [medeverdachte 5] op 10 februari.

4.2.2 Witwassen (feit 2 primair)

Op de facturen, die zijn besproken onder 4.2.1 ontvangt verdachte in zijn hoedanigheid van verantwoordelijke voor de activiteiten van [medeverdachte 15] op de hierboven tevens genoemde data betalingen ter hoogte van in totaal € 377.500. Tot 2 december 2003 is dit bedrijf gevestigd te Waddinxveen en vanaf die datum te Alphen aan den Rijn.77 De eerste betaling is ontvangen omstreeks 7 maart 200378, de laatste omstreeks 24 januari 2007.79

De vraag of [medeverdachte 15] iets met Eurocenter van doen had, zoals [medeverdachte 1] in zijn hierboven aangehaalde verklaring als getuige ter terechtzitting op 8 juni 2011 beweert, heeft niet de relevantie die de raadsman daaraan in verband met het hier besproken verwijt toekent: [medeverdachte 5] geeft in een van zijn verklaringen aan dat de uitbetalingen die hij heeft moeten doen allemaal betrekking zouden moeten hebben op Eurocenter met uitzondering van [medeverdachte 15]80 en vult in een latere verklaring deze informatie aan met de mededeling dat vooruitlopend op de facturatie van de bouwclaim aan [vennootschap 6] en VOF Drentepark, [medeverdachte 14] een aantal uitbetalingen heeft moeten doen waaronder die aan verdachte.81 Daarmee staat vast dat er geen geld vanuit Eurocenter naar [medeverdachte 15] kan zijn gestroomd, aldus de raadsman. En hoewel de vraag of het geld dat [medeverdachte 14] betaalt aan [medeverdachte 15] van misdrijf afkomstig is, niet beantwoord hoeft te worden met het benoemen van het specifieke misdrijf moeten wel op zijn minst feiten en omstandigheden worden aangevoerd waaruit blijkt dat het niet anders kan dan dat het geld uit misdrijf afkomstig is. En verdachte kan in elk geval in 2003 niet weten dat geld dat hij ontvangt, uit Eurocenter afkomstig is, als dat geld er pas in 2004 kwam, zo stelt de raadsman, die vervolgens een vergelijking trekt met de zaak tegen verdachte [medeverdachte 5] waar het openbaar ministerie de consequentie trekt uit het feit dat de betalingen die [medeverdachte 14] deed aan [medeverdachte 15] strikt genomen geen doorbetalingen zijn van uit misdrijf afkomstig geld door vrijspraak te vorderen, terwijl aan verdachte wetenschap wordt toegeschreven aangaande de herkomst van het geld. Het verweer dat niet gezegd kan worden dat [verdachte] versluieringhandelingen heeft gepleegd kan niet weerlegd worden met een enkele verwijzing naar de modus operandi van anderen, zo stelt de raadsman.

Dat is evenwel niet hetgeen is ten laste gelegd en bewezen dient te worden. Ten laste gelegd is dat verdachte betrokken is bij het valselijk opmaken van stukken met een bewijsbestemming en dat het daarbij onder meer gaat om een vijftal facturen ter hoogte van in totaal € 127.500 (feit 1) en dat verdachte de op de desbetreffende facturen ontvangen geldbedragen - afkomstig uit misdrijf - minstgenomen voorhanden heeft gehad (feit 2). Daar ligt het verschil met het witwasverwijt dat wordt omschreven op de tenlastelegging van verdachte [medeverdachte 5], maar ten aanzien waarvan door de officier van justitie vrijspraak is gevorderd, omdat de desbetreffende betalingen zijn verricht vóórdat er geld was vrijgekomen binnen het project Eurocenter en daarom strikt genomen geen doorbetalingen zijn van uit misdrijf afkomstig geld.

Ook waar de raadsman in verband met de beschuldiging dat verdachte het geld heeft witgewassen dat op basis van de "Eurocenter-facturen" is betaald door [medeverdachte 13], van belang acht wat verdachte kon of moest weten over het project Eurocenter en de herkomst van het geld en subsidiair stelt dat in ieder geval tot 1 september 2007 diens wetenschap of redelijk vermoeden ontbreekt dat het betaalde geld van misdrijf afkomstig was, nu hij immers actief onwetend is gehouden ten behoeve van de belangen van [medeverdachte 1], is daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet een beslissend criterium gehanteerd. Weliswaar kan hij wijzen op de manoeuvre van [medeverdachte 1] om zich uit Eurocenter te knippen, op het feit dat verdachte part noch deel had aan de plannen die werden besproken in OVC-gesprekken, op de aantekeningen van het regelmatige overleg tussen [betrokkene 16] en [medeverdachte 1] waar bij het onderwerp PPF De Boelelaan als datum 7 februari 2003 staat en onder meer de aantekening € 250.000,-: niet wijzigen82, welke aantekening niet noodzakelijk naar verdachte verwijst, dat alles laat onverlet dat het bewijs van de wetenschap is gelegen in de bewezenverklaring van de onderliggende valsheden. Dat het weinig voor de hand liggend is eerst [getuige 14] te bellen na de ontvangst van de brief van Price Waterhouse Coopers eind augustus 2007, en dus niet meteen de leider van de criminele organisatie, zoals de raadsman begrijpelijkerwijs opmerkt, weerspreekt niet dat verdachte wist hoe het zat met de bewuste facturen. Dat hij vervolgens bij de tekst en uitleg die hij van [medeverdachte 1] kreeg buiten de zogenaamde cirkel van [medeverdachte 1] werd getekend en dat hij nog op 12 november 2007 in een telefoongesprek met zijn zoon opmerkt dat hij er zijn vinger niet achter krijgt, kunnen wellicht gelden als veelzeggende aanwijzingen voor de weinig prominente positie die verdachte bekleedde, een positie waardoor hem naar het oordeel van de rechtbank geen plaats in de criminele organisatie toekomt, het betekent allemaal niet dat hem niet duidelijk was dat de betalingen hem waren ten deel gevallen op bewust niet met de waarheid in overeenstemming zijnde facturen.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1.

PRIMAIR:

Hij in de periode van 21 januari 2003 tot en met 7 september 2007 te Bilthoven en/of Alphen aan den Rijn en/of Haarlem en/of Waddinxveen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

een brief van [medeverdachte 13] gericht aan [medeverdachte 15] d.d. 28 december 2005 (D-1036)

en

een brief van [medeverdachte 13] gericht aan [medeverdachte 15] d.d. 10 augustus 2006 (D-1373)

en

zeven facturen van [medeverdachte 15] telkens gericht aan [medeverdachte 13] ten bedrage van in totaal Euro 250.000,- (exclusief btw) (D-0851 en D-0848 en D-0869 en D-0882 en D-0883 en D-0884 en D-1169-4),

en

een overeenkomst tussen [medeverdachte 14] en [medeverdachte 15] d.d. 21 januari 2003 (D-0070-1)

en

vijf facturen van [medeverdachte 15] telkens gericht aan [medeverdachte 14] ten bedrage van in totaal Euro 127.500,- (exclusief btw) (D-0106 en D-0070-2 en D-1048 en D-1046 en D-0107),

zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of laten opmaken, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader(s) valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

in die brieven vermeld dat door of namens [medeverdachte 15] werkzaamheden en/of diensten zijn/zouden worden verricht voor [medeverdachte 13] en die brieven gedateerd op respectievelijk 28 december 2005 en 10 augustus 2006, terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [medeverdachte 15] zijn/zouden worden verricht voor [medeverdachte 13] en die brieven van 28 december 2005 en 10 augustus 2006 geantedateerd waren

en

in die brieven factuurbedragen vermeld die in werkelijkheid geen betrekking hebben op de in die brieven vermelde werkzaamheden en/of diensten

en

op die facturen vermeld dat door [medeverdachte 15] werkzaamheden en/of diensten zijn verricht voor [medeverdachte 13] en de facturen D-0882 en D-0883 en D-0884 en D-1169-4 gedateerd op respectievelijk 24 februari 2006 en 5 juni 2006 en 13 september 2006 en 6 januari 2007, terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [medeverdachte 15] zijn verricht voor [medeverdachte 13] en die facturen van 24 februari 2006 en 5 juni 2006 en 13 september 2006 en 6 januari 2007 geantedateerd waren

en

op die facturen een factuurbedrag vermeld dat in werkelijkheid geen betrekking heeft op de in die facturen vermelde werkzaamheden en/of diensten

en

in die overeenkomst en facturen vermeld dat door of namens [medeverdachte 15] werkzaamheden en/of diensten zijn/zouden worden verricht ten behoeve van [medeverdachte 14], terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [medeverdachte 15] zijn verricht voor [medeverdachte 14]

en

in die overeenkomst en facturen van [medeverdachte 15] aan [medeverdachte 14] factuurbedragen vermeld die in werkelijkheid geen betrekking hebben op de in die overeenkomst en facturen vermelde werkzaamheden en/of diensten,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

2.

PRIMAIR:

Hij in de periode van 25 februari 2003 tot en met 24 februari 2007, te Alphen aan den Rijn en/of Waddinxveen, in elk geval in Nederland, van voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaalbedrag van Euro 377.500,- (exclusief btw)

de werkelijke aard heeft verhuld

door voor te wenden dat die geldbedragen waren verkregen op basis van twee (valse) brieven van [medeverdachte 13] aan [medeverdachte 15] (D-1036 en D-1373) en zeven (valse) facturen van [medeverdachte 15] telkens gericht aan [medeverdachte 13] ten bedrage van in totaal Euro 250.000,- (exclusief btw) (D-0851 en D-0848 en D-0869 en D-0882 en D-0833 en D-0884 en D-1169-4) en een (valse) overeenkomst tussen [medeverdachte 14] en [medeverdachte 15] (D-0070-1) en vijf (valse) facturen van [medeverdachte 15] telkens gericht aan [medeverdachte 14] ten bedrage van in totaal Euro 127.500,- (exclusief btw) (D-0106 en D-0070-2 en D-1048 en D-1046 en D-0107),

terwijl hij, verdachte, wist dat die geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder de als feit 1 primair en feit 2 primair omschreven feiten meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 primair: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Feit 2 primair: Witwassen, meermalen gepleegd.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 15 juni 2010 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is niet ongevoelig gebleken voor de verlokkingen van gemakkelijk verdiend geld en heeft daartoe meegewerkt aan de vervaardiging van overeenkomsten en daarop gebaseerde facturen waarvan de inhoud in strijd was met de achterliggende werkelijkheid. Ook al heet het, dat hebzucht goed is, als die ten toon wordt gespreid door personen wie het naar objectieve maatstaven aan niets ontbreekt en die voor de bevrediging daarvan hun toevlucht zoeken tot valsheid in geschrift, is er weinig reden voor die instelling begrip op te brengen.

Verdachte heeft na zijn dienstverband bij Bouwfonds door toedoen van zijn voormalige ondergeschikte [medeverdachte 1] op grond van valse overeenkomsten en daarop gebaseerde facturen enige honderdduizenden euro's ontvangen. De bedragen die verdachte op deze manier ontving waren derhalve afkomstig van misdrijf en als zodanig heeft hij die bedragen witgewassen. Daardoor heeft verdachte eraan meegewerkt dat geldstromen van een juridisch kader werden voorzien met de bedoeling de werkelijke aard van die geldstromen te verhullen. Dergelijke feiten kunnen nadeel teweeg brengen en leiden tot schending van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer gesteld moet kunnen worden in de juistheid van bepaalde geschriften en andere gegevens.

Van de zijde van het openbaar ministerie is in dit verband opgemerkt, dat juist geprivilegieerde mensen, mensen met macht, geld en positie, zich aan de wet moeten houden en dat de bereidheid - ondanks een uitstekende positie en een bevoorrecht leven - normen en waarden aan de laars te lappen, tot strafverzwaring dient te leiden. Bestaande mores in de vastgoedmarkt maken de strafwaardigheid van een en ander niet anders, heeft het openbaar ministerie daaraan toegevoegd, evenmin als de media-aandacht van overwegende invloed mag zijn op de strafmaat, aangezien hoge bomen nu eenmaal veel wind vangen.

Ook zonder dat uitgangspunt te verwerpen wil de rechtbank toch steeds in individuele zaken oog hebben voor alle aspecten die van belang geacht kunnen worden voor de bepaling van de strafsoort en de strafmaat. De media-aandacht die in de zaak van verdachte bepaald boven-gemiddeld is geweest behoort daar zeker toe. De rechtbank acht aannemelijk dat de media-aandacht en de daarin reeds verwerkte oordelen een zware wissel hebben getrokken op verdachte en zijn privéleven waarbij in aanmerking genomen moet worden dat verdachte thans wordt vrijgesproken van de hem ten laste gelegde deelneming aan een tweetal criminele organisaties. Zij ziet deze media-aandacht evenwel als een kennelijk onvermijdelijk en bovendien van een eigen dynamiek voorzien fenomeen dat zich bij uitstek in zaken met een zekere impact voordoet. In dit geval is de positie die verdachte in het maatschappelijk leven heeft bekleed, niet geheel onbegrijpelijk een aandachttrekkend aspect.

Van de zijde van de verdediging is er daarnaast op gewezen dat bij het bepalen van de strafmaat in matigende zin rekening gehouden dient te worden met de omstandigheid dat de ruim vier jaar die de vervolging in eerste aanleg heeft geduurd, een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) inhoudt.

Vooropgesteld moet worden dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Als omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk is, hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten wordt gerekend, de invloed van verdachte en zijn raadsman op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Ervan uitgaande dat bedoelde termijn een aanvang heeft genomen op het moment dat verdachte geconfronteerd is met een tegen hem bestaande verdenking, te weten 13 november 2007, kan met de verdediging worden vastgesteld dat op het moment dat in eerste aanleg vonnis wordt gewezen de vervolging van verdachte meer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, acht de rechtbank deze duur onwenselijk maar niet onredelijk lang, in aanmerking nemend de omvang van het door de FIOD-ECD verrichte onderzoek dat ook nog na 13 november 2007 heeft plaatsgevonden, de enorme omvang en de complexiteit van het Klimop-dossier, het uitgebreide onderzoek dat ook in de zaak van verdachte en in de zaken van medeverdachten in het kabinet van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden alsook de tijd die de behandeling ter terechtzitting van verdachtes zaak ter terechtzitting als gevolg van de gelijktijdige berechting van diverse in dit megaproces terechtstaande verdachten, in beslag heeft genomen. De rechtbank zal aan de hiervoor gedane vaststelling omtrent de lange duur van de vervolging dan ook geen consequenties verbinden die van invloed zijn op de strafmaat.

De van de zijde van de verdediging nog opgeworpen kwestie, dat in de dataroom in Helmond - ten onrechte niet vernietigde - geheimhoudersgesprekken aanwezig zijn geweest, die weliswaar niet voor het dossier zijn uitgewerkt maar wel voor de advocaten van de medeverdachten toegankelijk zijn geweest, waardoor een inbreuk zou zijn gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, merkt de rechtbank niet aan als een omstandigheid die van invloed zou dienen te zijn op de hoogte van de straf. Weliswaar is - zoals van de zijde van het openbaar ministerie ook wordt erkend - sprake van een vormverzuim, maar niet aannemelijk is dat dit op enigerlei wijze van invloed is geweest op de strafrechtelijke positie van verdachte.

De rechtbank ziet ook geen aanleiding in strafverzwarende zin te laten meewerken de omstandigheid dat verdachte geweigerd zou hebben het ten onrechte geïncasseerde geld terug te betalen. In de eerste plaats past een norm tot terugbetaling alleen bij de situatie waarin onterechte betalingen erkend worden. Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, dat hij werkzaamheden heeft verricht voor de door zijn bedrijf [medeverdachte 15] verzonden facturen. Waar het gaat om de niet door hem betaalde werkzaamheden van [vennootschap 5] is aannemelijk geworden dat verdachte bereid is [betrokkene 7] te betalen voor diens werkzaamheden.

In strafmatigende zin is van de zijde van de verdediging nog gewezen op de teloorgang van [medeverdachte 15], de persoonlijke gevolgen bestaande in het verlies door verdachte van zijn commissariaten en de wijze waarop door het openbaar ministerie in zijn requisitoir is omgegaan met de medische verklaring omtrent verdachte. De rechtbank merkt de gevolgen voor het bedrijf van verdachte en voor zijn commissariaten aan als niet te vermijden uitvloeisel van het in opspraak raken als gevolg van een strafrechtelijk onderzoek. De vraag of het openbaar ministerie voldoende prudent is omgegaan met medische gegevens betreffende verdachte is minder eenvoudig te beantwoorden. Inderdaad heeft - zoals de raadsman memoreert - de rechtbank bij de behandeling van verdachte's persoonlijke omstandigheden de voorrang gegeven aan openbaarheid van de behandeling boven het belang van verdachte bij bespreking in beslotenheid, maar daarbij is - zonder de betekenis en de strekking daarvan geweld aan te doen - de psychologische rapportage besproken met weglating van hoogst persoonlijke details die voor een voldoende begrip van de persoonlijke omstandigheden gemist konden worden. Van de zijde van het openbaar ministerie is - met de intentie voor ogen dat voor een afweging van de strafsoort en strafmaat van belang zijnde gegevens ter openbare terechtzitting besproken dienen te worden - wat meer prijsgegeven van zulke details. De indringende wijze waarop verdachte in zijn laatste woord aangaf welke persoonlijke gevolgen de berichtgeving daarover in de pers voor hem hadden, maakt eens te meer duidelijk hoe moeilijk de in het geding zijnde belangen zich laten verenigen. Voor een kwantificeerbare verrekening in de strafmaat acht de rechtbank evenwel geen plaats, nu niet aannemelijk is geworden dat het openbaar ministerie de gewraakte informatie heeft genoemd om een andere reden dan om het bedoelde aspect een plaats te geven in een beschouwing over de strafsoort en strafmaat.

Bovenstaande overwegingen in relatie tot hetgeen de rechtbank heeft bewezenverklaard, hetgeen in casu tevens en vooral ziet op de vrijspraken voor de aan verdachte verweten deelneming aan een tweetal criminele organisaties, leiden er toe dat de rechtbank verdachte een aanzienlijk lagere straf oplegt dan door de officier van justitie is gevorderd. Geplaatst in een verhouding tot de straffen die de rechtbank andere verdachten wier zaken voortvloeien uit het Klimop-onderzoek, oplegt zou - uitgedrukt in gevangenisstraf - de duur daarvan dichter in de buurt van zes maanden uitkomen dan in de buurt van één jaar. Bij dat oordeel past het om - mede gelet op de leeftijd van verdachte en op het feit dat hij niet eerder is veroordeeld - in plaats van gevangenisstraf een taakstraf in de vorm van een werkstraf van de maximale duur op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de hem onder feit 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) UREN taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen voorlopige hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter,

mr. M. Daalmeijer en mr. M. Hoendervoogt, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. L. Wessels en mr. A.P. de Klerk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 januari 2012.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De genoemde bewijsmiddelen zijn in de voetnoten verkort aangegeven. Door verdachten afgelegde verklaringen zijn aangeduid met de letter "V", door getuigen afgelegde verklaringen met de letter "G", processen-verbaal van ambtshandeling met "AH" en andere schriftelijke bescheiden met de letter "D".

2 Requisitoir (behorend bij het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 september 2011), p. 240.

3 Requisitoir, p. 243.

4 Een daarvan door het openbaar ministerie gegeven voorbeeld betreft de gang van zaken met betrekking tot de afkoop van het aanvankelijk door verdachte [medeverdachte 1] namens Bouwfonds aan Universum Vastgoed BV verleende winstrecht: requisitoir, p. 245.

5 Requisitoir, p. 248.

6 D-2379.

7 AH-0978.

8 Zie bijvoorbeeld AH-0055, p. 17.

9 Schriftelijke weergave opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek dd 13 juni 2007, gespreksnummer 270056518, p. 2.

10 Schriftelijke weergave opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek dd 19 juni 2007, gespreksnummer 270060761, p. 2.

11 Requisitoir, p. 254.

12 Requisitoir, p. 255.

13 Requisitoir, p. 257.

14 Pleitnota raadsman (behorend bij het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 oktober 2011), p. 22 (al. 97).

15 Pleitnota raadsman, p. 11 (al. 50).

16 G12-02, p. 24 (boven).

17 Requisitoir, p. 257-259.

18 Pleitnota raadsman, p. 23 (al. 100).

19 Pleitnota raadsman, p. 28-30 (al. 115 t/m 131).

20 Pleitnota raadsman, p. 39 (al. 169).

21 Requisitoir, p. 359.

22 G090-02, p. 3 (onder).

23 Requisitoir, p. 258.

24 Pleitnota raadsman, p. 57 (al. 264).

25 Requisitoir, p. 241.

26 Requisitoir, p. 258.

27 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 8 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 6.

28 Schriftelijke weergave opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek dd 6 juni 2007, gespreksnummer 2700551137, p. 6.

29 Schriftelijke weergave opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek dd 31 augustus 2007, gespreksnummer 270093090, p. 5.

30 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 8 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 8 (onder).

31 D-0188.

32 V28-02, p. 4 (onder); verklaring verdachte ter terechtzitting van 14 april 2011: proces-verbaal trz, p. 14 (boven).

33 V87-01, p. 2 (onder) en p. 4 (boven).

34 Zie de in het dossier onder D-1168 opgenomen samenwerkingsovereenkomst op basis waarvan met ingang van januari 2002 gedurende een aantal jaren maandelijks werd gefactureerd ter zake van "netwerkinvestering".

35 V28-02, p. 7 (boven).

36 V28-02, p. 6 (boven).

37 V28-03, p. 3 (boven).

38 D-0070/1.

39 V28-03, p. 3 (onder).

40 V38-26, p. 9 (boven).

41 V38-26, p. 7 (onder).

42 V38-08, p. 5 (boven).

43 V38-06, p. 4 (boven).

44 D-0763.

45 V38-18, p. 7 (midden).

46 D-1863.

47 D-2034.

48 D-0873.

49 D-0892, p. 65.

50 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 8 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 8 (onder).

51 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 8 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 10 (onder).

52 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 8 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 9 (midden).

53 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 8 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 11 (boven).

54 In het dossier opgenomen onder de respectievelijke documentnummers D-1050 (betreft origineel; D-0106 op de tenlastelegging), D-1049 (origineel, D-0070-2 op tll), D-1048, D-1046 en D-1045 (origineel, D-0107 op tll).

55 AH-0990, p. 36; SFO-F2-AH-0013.

56 D-1166.

57 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 14 april 2011: proces-verbaal trz, p. 21 (onder).

58 D-1036.

59 D-2022.

60 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 14 april 2011: proces-verbaal trz, p. 19 (midden).

61 V28-12, p. 11.

62 Om 18:44 uur (gespreksnummer 270091612) resp. 19:06 uur (gespreksnummer 270091613).

63 Schriftelijke weergave opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek dd 31 augustus 2007, gespreksnummer 270093090, p. 2/3.

64 Schriftelijke weergave opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek dd 31 augustus 2007, gespreksnummer 2700993563, p. 2.

65 AH-0990, p. 26/27; SFO-F2-AH-0012b, p. 6.

66 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 14 april 2011: proces-verbaal trz, p. 20 (onder)/21 (boven).

67 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 14 april 2011: proces-verbaal trz, p. 21 (midden).

68 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 14 april 2011: proces-verbaal trz, p. 15 (midden).

69 D-2034.

70 V28-05, p. 4 (boven).

71 V30-08, p. 4 (boven).

72 V38-27, p. 2 (boven).

73 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 8 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 8 (onder).

74 V28-02, p. 7 (onder).

75 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 14 april 2011: proces-verbaal trz, p. 14 (onder).

76 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 14 april 2011: proces-verbaal trz, p. 16 (boven).

77 D-0188.

78 AH-0990, p. 36; SFO-F2-AH-0013, p. 13.

79 AH-0990, p. 26/27; SFO-F2-AH-0012b, p. 6.

80 V38-11, p. 3 (midden).

81 V38-27, p. 3 (midden).

82 D-2379, p. 000028.