Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:5958

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-09-2012
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
12-843
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beschikking ex art. 89 Sv, afwijzing verzoek.

Gewezen verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen, waardoor - gelet op de inhoud van het strafdossier - hij heeft bijgedragen aan het voortduren van de tegen hem toegepaste verzekering en voorlopige hechtenis en - in het verlengde daarvan - aan het ontstaan en vergroten van de schade waarvan thans vergoeding wordt verzocht, zodat er, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder gelet op de motivering van de vrijspraak in het vonnis tegen de gewezen verdachte, geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van een schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2014/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM, ZITTINGHOUDENDE te HAARLEM

Sector Strafrecht

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummer: 12/843

Parketnummer: 10/602048-09

Uitspraakdatum: 27 september 2012

beschikking (art. 89 Sv)

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 8 juni 2012 is ter griffie van de rechtbank Haarlem ingekomen een door mr. J.B. Boone, advocaat, ingediend verzoekschrift, gedateerd 7 juni 2012, namens

(wijlen) [gewezen verdachte] (hierna: de gewezen verdachte),

geboren op [geboortedag 1] 1959 te[geboorteplaats 1] (voormalig Joegoslavië),

overleden op [sterfdag] 2012 te[plaats] (Servië)

door

[verzoekster], erfgename van wijlen[gewezen verdachte], voornoemd (hierna: verzoekster),

geboren op[geboortedag 1]1987 te [geboorteplaats 1] (voormalig Joegoslavië),

domicilie kiezende te Wijk bij Duurstede, ten kantore van mr. J.B. Boone, voornoemd.

Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 32.880,-, voor de dagen door de gewezen verdachte in uitleveringsdetentie, alsmede voor de dagen door de gewezen verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, met een totale duur van 391 dagen, wegens verdenking poging tot overtreding van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Op 13 september 2012 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld. De rechtbank heeft kennis genomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.

Namens verzoekster is verschenen mr. J.B. Boone, voornoemd.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. J. Plooij.

Van het verhandelde in raadkamer is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.

2. Beoordeling van het verzoek

De gewezen verdachte is, bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 30 september 2010, vrijgesproken van het hem onder parketnummer 10/ 602048-09 ten laste gelegde. Op 13 oktober 2010 heeft de officier van justitie tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld. De strafzaak tegen de gewezen verdachte is geëindigd door diens overlijden op [sterfdag] 2012.

Het verzoekschrift is derhalve tijdig ingediend.

Namens verzoekster is er op gewezen dat – nu de gewezen verdachte is vrijgesproken van hetgeen hem ten laste was gelegd – hij ten onrechte in uitleveringsdetentie, inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis heeft gezeten en dientengevolge gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van de verzochte vergoeding. Het feit dat de gewezen verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, is zijn goed recht geweest.

De officier van justitie heeft zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen, omdat de gewezen verdachte de ondergane vrijheidsbeneming aan zichzelf te wijten heeft gehad. Door het zwijgen van de gewezen verdachte is meer onderzoek nodig geweest en heeft hij de verdenking die tegen hem bestond, in stand gelaten waardoor de voorlopige hechtenis langer heeft geduurd. De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op de in het vonnis van 30 september 2010 van deze rechtbank opgenomen passage op pagina 3, inhoudende dat: “Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte geen enkele verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid in de[straatnaam] te Amsterdam op[datum] 1996 op 10.47 en 11.44 uur. Deze vaststellingen in combinatie met verklaringen in het dossier waaruit naar voren komt dat verdachte relaties heeft in het criminele circuit, geweld niet schuwt en bekend is met vuurwapengebruik, maakt dat jegens verdachte sprake is van een ernstige verdenking van betrokkenheid bij de aanslag op[slachtoffer]”. Na het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep is door het openbaar ministerie nader onderzoek gedaan. Naar verwachting zou de zaak in 2012 bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage worden behandeld. De officier van justitie heeft gesteld dat voornoemde vrijspraak mogelijk aantastbaar zou zijn geweest en concludeert, gelet op het hiervoor vermelde tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Ter beoordeling ligt het verzoek van de weduwe van de gewezen verdachte om vergoeding van de schade die de gewezen verdachte heeft geleden tengevolge van ondergane verzekering of voorlopige hechtenis voor.

De gewezen verdachte is van 4 september 2009 tot 15 oktober 2009 ter fine van zijn overlevering aan Nederland in Denemarken gedetineerd geweest. Op 15 oktober 2009 is de gewezen verdachte overgeleverd aan Nederland alwaar hij in verzekering is gesteld. Tot 7 november 2009 zijn aan de gewezen verdachte vrijheidsbeperkende maatregelen zijn opgelegd. Van 8 november 2009 tot 30 september 2010 heeft de gewezen verdachte verbleven in een huis van bewaring. Op 30 september 2010 is de gewezen verdachte in vrijheid gesteld.

Op de voet van het bepaalde in artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering kan de rechter, indien de strafzaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel op verzoek van de gewezen verdachte, hem een vergoeding toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van ondergane verzekering of voorlopige hechtenis heeft geleden. Krachtens het zesde lid van artikel 89, voornoemd, kan een dergelijk verzoek ook door zijn erfgenamen worden gedaan en de vergoeding kan ook aan hen worden toegekend. Ingevolge artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering heeft toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Bij de beantwoording van de vraag of de hiervoor genoemde gronden van billijkheid aanwezig zijn, dienen objectieve maatstaven te worden gehanteerd, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen.

De rechtbank stelt vast dat uit de inhoud van het strafdossier en het vonnis van 30 september 2010 naar voren komt dat de gewezen verdachte, van rechtsgeleerde bijstand voorzien, geen enkele verklaring heeft willen geven voor zijn aanwezigheid in de[straatnaam] te Amsterdam op [datum] 1996 op 10.47 en 11.44 uur. De rechtbank kent, gelet op de inhoud van het strafdossier, betekenis toe aan de door de gewezen verdachte verkozen proceshouding, nu aangenomen moet worden dat de gewezen verdachte met zijn in het strafgeding gedane beroep op het hem toekomende zwijgrecht heeft bijgedragen aan het voortduren van de tegen hem toegepaste verzekering en voorlopige hechtenis en – in het verlengde daarvan- aan het ontstaan en vergroten van de schade waarvan verzoekster thans om vergoeding verzoekt.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder gelet op de motivering van de vrijspraak in voormeld –door het overlijden van verdachte inmiddels onherroepelijk geworden- vonnis, geen gronden van billijkheid aanwezig voor het toekennen van een vergoeding

3. Beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzochte af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoekster.

4. Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door

mr. J.J.M. Uitermark, rechter,

in tegenwoordigheid van D.L. Meyer, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2012.

De griffier D.L. Meyer is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.