Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:4954

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
193117 / KG ZA 12-276
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil beslag op zeeschip. Gevorderd verbod tot staken van executie afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat het vonnis dat aan de executie ten grondslag ligt klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust. Nu eiseres aan geen van de in voornoemd vonnis uitgesproken veroordelingen tot betaling heeft voldaan, beschikken gedaagden over een titel op grond waarvan zij tot executie van het zeeschip kunnen en mogen overgaan. Niet gesteld of gebleken is dat aan de zijde van eiseres een noodtoestand zal ontstaan als gevolg van de executie, laat staan dat die noodtoestand het gevolg zou zijn van ná de bedoelde vonnissen voorgevallen of aan het licht gekomen feiten. Bovendien heeft eiseres het zelf in haar macht om de aangekondigde executie van het zeeschip te voorkomen, door het stellen van voldoende zekerheid. Nu (de advocaat van) eiseres ter zitting heeft aangegeven daartoe niet bereid te zijn, staat het gedaagden vrij om de executie door te zetten.

Vordering in reconventie tot opheffing/verbod van (door eiseres in conventie gelegd/te leggen) conservatoir beslag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 193117 / KG ZA 12-276

Vonnis in kort geding van 1 augustus 2012

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

FRAMROAD LTD.,

gevestigd te Road Town, Tortola, Britse Maagdeneilanden,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. F-N. Grooss te ’s-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WED. K. BROUWER SCHEEPSWERF B.V.,

gevestigd te Zaandam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.H. Adema te Amsterdam,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

R.W. VAN DAM BEHEER B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. I.M.F. van Emstede te Amsterdam.

Partijen zullen hierna respectievelijk Framroad, Brouwer en Van Dam genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met (aanvullende) producties van Brouwer

  • -

    de wijziging van eis in reconventie van Brouwer

  • -

    de eis in reconventie met producties van Van Dam

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Framroad

  • -

    de pleitnota van Brouwer

  • -

    de pleitnota van Van Dam

  • -

    de aanvullende pleitnota van Van Dam.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Framroad is eigenaar van het zeeschip de ‘Pamina’ (hierna: de Pamina), welk schip is gebouwd door de rechtsvoorganger van Van Dam. Op 24 september 2002 heeft (de rechtsvoorganger van) Van Dam conservatoir beslag op de Pamina laten leggen uit hoofde van de jachtbouwovereenkomst met Framroad.

2.2.

Sinds 2002 ligt de Pamina afgemeerd op een scheepswerf te Zaandam die (thans) eigendom is van Brouwer.

2.3.

(De rechtsvoorganger van) Van Dam en Framroad hebben procedures gevoerd over de zogenaamde kortingsovereenkomsten en over de omvang van de nog door Van Dam uit te voeren garantiewerkzaamheden. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard verstekvonnis van 3 november 2004 (hierna: het verstekvonnis) heeft de rechtbank Amsterdam onder meer het volgende beslist:

De rechtbank:

- ontbindt de overeenkomst van 30 augustus 1999;

- ontbindt de overeenkomst van 7 september 1999;

- veroordeelt gedaagden [voorzieningenrechter: waaronder Framroad] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan eiseres [voorzieningenrechter: de rechtsvoorganger van Van Dam] een bedrag van € 125.100,46 […] te vermeerderen met de wettelijke rente over

€ 45.741,05 vanaf 30 augustus 1999 tot aan de voldoening,

€ 68.067,03 vanaf 7 september 1999 tot aan de voldoening,

€ 6.726,38 vanaf 10 februari 2000 tot aan de voldoening,

€ 4.566,00 vanaf 15 januari 2002 tot aan de voldoening;

2.4.

Bij exploot van 17 december 2004 heeft Van Dam executoriaal beslag doen leggen op de Pamina uit hoofde van het verstekvonnis.

2.5.

Bij tussenvonnis van 28 september 2005 heeft de rechtbank Amsterdam onder meer het volgende beslist:

in het incident

I. verbiedt Van Dam het vonnis van 3 november 2004 hangende het verzet daartegen in en buiten Nederland ten uitvoer te doen leggen, op straffe van een dwangsom van EUR 25.000,- voor iedere overtreding van dit verbod en voor iedere dag dat die overtreding voortduurt, zulks met een maximum van EUR 500.000,-;

II. gebiedt Van Dam de reeds aangevangen tenuitvoerlegging(en) van het vonnis van 3 november 2004 binnen 24 uur na betekening van dit vonnis te staken en gestaakte te houden, op straffe van een dwangsom van EUR 25.000,- voor iedere overtreding van dit gebod en voor iedere dag dat die overtreding voortduurt, zulks met een maximum van EUR 500.000,-;

III. verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

(…)

2.6.

Bij vonnis in verzet van 7 februari 2007 (hierna: het vonnis in verzet) heeft de rechtbank Amsterdam onder meer het volgende beslist:

- vernietigt het vonnis waartegen verzet voor zover daarbij:

. jegens Framroad de overeenkomst van 30 augustus 1999 werd ontbonden;

. jegens Framroad de overeenkomst van 7 september 1999 werd ontbonden;

. Framroad werd veroordeeld om aan Van Dam te betalen EUR 4.566,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2002;

- vernietigt de overeenkomst van 30 augustus 1999 jegens Framroad;

- vernietigt de overeenkomst van 7 september 1999 jegens Framroad;

- wijst voor het overige het verzet af;

(…)

2.7.

In mei 2008 heeft Brouwer de Pamina verplaatst naar een andere ligplaats op haar scheepswerf.

2.8.

Bij vonnis van 30 september 2009 heeft de rechtbank eindvonnis gewezen in de door Framroad in de verzetzaak ingestelde reconventie, waarbij de vordering van Framroad is afgewezen. Bij arrest van 19 april 2011 is dit vonnis door het gerechtshof Amsterdam bekrachtigd.

2.9.

Bij arrest van 7 februari 2012 heeft het gerechtshof Amsterdam het hierboven in 2.6 bedoelde vonnis in verzet bekrachtigd.

2.10.

Bij kortgedingvonnis van 14 februari 2012 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank Framroad veroordeeld om aan Brouwer te betalen een bedrag van € 14.458,50 aan achterstallige liggelden van de Pamina met betrekking tot de periode van oktober 2009 tot en met december 2011 vermeerderd met wettelijke handelsrente. Tot zekerheid van de nakoming van haar vordering beroept Brouwer zich sindsdien op haar retentierecht op de Pamina. Brouwer heeft tevens op 2 maart 2012 executoriaal beslag doen leggen op de Pamina.

2.11.

Bij dagvaarding van 7 mei 2012 heeft Framroad beroep in cassatie ingesteld tegen het hierboven in 2.8 bedoelde arrest.

2.12.

De arresten van 19 april 2011 en 7 februari 2012 zijn op 5 maart 2012 aan Framroad betekend.

2.13.

Bij beschikking van 24 mei 2012 heeft deze rechtbank het verzoek tot het bepalen van de in acht te nemen termijn voordat tot executoriale verkoop kan worden overgegaan toegewezen en die termijn bepaald op zes weken. De executieverkoop van de Pamina staat thans gepland voor 21 augustus 2012.

2.14.

Bij verzoekschrift van 5 juli 2012 heeft Framroad verlof gevraagd om ten laste van Brouwer conservatoir derdenbeslag te mogen leggen onder ABN AMRO Bank N.V., welk verlof op 6 juli 2012 is verleend met begroting van de vordering van Framroad op Van Dam op € 179.916,10 inclusief rente en kosten.

2.15.

Bij verzoekschrift van 16 juli 2012 heeft Framroad verlof gevraagd om ten laste van Van Dam conservatoir derdenbeslag te mogen leggen onder ABN AMRO Bank N.V., welk verlof op 17 juli 2012 is verleend met begroting van de vordering van Framroad op Van Dam op € 563.000,00 inclusief rente en kosten.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Framroad vordert dat:

Het de Voorzieningenrechter moge behagen om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagden te verbieden tot executie van de Pamina over te gaan en beide gedaagden te bevelen te gehengen en gedogen dat Framroad het jacht Pamina overbrengt naar een scheepswerf te Makkum – één en ander op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,= per dag indien gedaagde op enigerlei wijze zouden weigeren om na betekening uitvoering aan dit vonnis te geven, met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding.

3.2.

Aan haar vorderingen legt Framroad – zakelijk weergegeven – ten grondslag dat Framroad hogere vorderingen heeft op Brouwer (wegens door Brouwer veroorzaakte schade aan de Pamina) en Van Dam (uit hoofde van nog uit te voeren garantiewerkzaamheden aan de Pamina) dan Brouwer en Van Dam op Framroad, zodat (het doorzetten van) de executie van de veroordelende vonnissen onrechtmatig is jegens Framroad. De executieveiling van de Pamina is daarnaast ten onrechte in het geheim – zonder Framroad daarover in te lichten – voorbereid, waarmee Brouwer en Van Dam misbruik maken van hun executierecht. Bovendien is in de thans aanhangige cassatieprocedure nog geen uitspraak is gedaan, zodat de bij vonnis van 28 september 2005 op grond van artikel 223 Rv gegeven voorlopige voorziening bestaande in een executieverbod nog steeds van kracht is. Tot slot is het door Van Dam gelegde beslag niet rechtmatig gelegd, omdat de vordering tot vernietiging van een overeenkomst tot het verlenen van korting – hetgeen Van Dam aan haar beslag ten grondslag heeft gelegd – geen zeerechtelijke vordering betreft in de zin van verdrag tot het vaststellen van enige éénvormige regels betreffende het conservatoir beslag op zeeschepen (hierna: het Beslagverdrag).

Daarnaast weigert Van Dam op onredelijke gronden om mee te werken aan verplaatsing van de Pamina naar een jachtwerf te Makkum, waar de benodigde reparatie- en garantiewerkzaamheden dienen te worden verricht, aldus nog steeds Framroad.

3.3.

Brouwer en Van Dam voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie (Brouwer)

4.1.

Brouwer vordert, na wijziging van eis buiten processueel bezwaar:

Dat het U.E.A. moge behage bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Framroad te veroordelen om aan Brouwer te betalen een bedrag van EUR. 5.850,00, zijnde de achterstallige liggelden voor de periode september 2008 tot en met september 2009, te vermeerderen met 19% BTW (EUR. 1111,50) en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente plus 3% op jaarbasis tot aan de dag der algehele voldoening;

II. Framroad te veroordelen om aan Brouwer te betalen een bedrag van EUR. 3.600,00, zijnde de achterstallige liggelden voor de periode januari 2012 tot en met augustus 2012, te vermeerderen met 19% BTW (EUR. 684,00) en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente plus 3% op jaarbasis tot aan de dag der algehele voldoening;

III. Framroad te veroordelen om aan Brouwer te betalen een vergoeding van € 450,- per maand voor huur van de ligplaats van de Pamina voor iedere maand dat de Pamina na augustus 2012 nog bij Brouwer is afgemeerd, te vermeerderen met 19% BTW en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente plus 3% op jaarbasis tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. alle ten laste van Brouwer gelegde beslagen, waaronder het beslag op haar banktegoeden, voor het bedrag van € 179.916,10 waarvoor Framroad bij beschikking van 6 juli 2012 verlof heeft verkregen, binnen 24 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis in kort geding op het heffen, op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 per dag, althans een door U.E.A. te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat Framroad hieraan niet voldoet dan wel,
voorzover U E.A. van mening zou zijn dat Framroad wel enige vordering jegens Brouwer zou hebben, te bepalen dat het beslag wordt beperkt tot aan het bedrag van €22,177,00 (exclusief BTW), zoals is bepaald in het rapport d.d. 3 juli 2012 van Rotgans Scheepsadviesbureau;

V. Voorzover het beslag nog niet is gelegd […] gedaagde te verbieden om het beslag waarvoor verlof is verleend alsnog te leggen zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag af dagdeel dat gedaagde wel over gaat tot het leggen van dit beslag;

VI. Framroad te veroordelen in de kosten van het geding, inclusief de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de (na) kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn van voldoening.

4.2.

Aan haar (voorwaardelijke) vorderingen in reconventie legt Brouwer – samengevat – ten grondslag dat Framroad haar betalingsverplichtingen ten aanzien van het liggeld van de Pamina niet (volledig) is nagekomen en nog altijd niet nakomt, zodat Brouwer recht heeft op betaling van zowel de reeds vervallen als de toekomstige huurtermijnen. Met betrekking tot het beslag is sprake van de ondeugdelijkheid van het door Framroad ingeroepen recht, zodat het beslag dient te worden opgeheven, althans niet mag worden gelegd, aldus Brouwer.

4.3.

Framroad voert verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 Het geschil in reconventie (Van Dam)

5.1.

Van Dam vordert:

dat het u, EA, behage om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad respectievelijk beschikking,

  1. Framroad te veroordelen tot betaling van (€ 11.508,79 + € 6.460,79 =) € 17.969,58 terzake van verschuldigde huurpenningen en rente en

  2. om de gerechtelijke bewaring te bevelen van de “PAMINA”, welk vaartuig zich bevindt te 1505 HW Zaandam aan het adres Zomerdijk 22 en partijen genoegzaam bekend is zodat een specificatie er van hier achterwege kan blijven, zulks met benoeming van mevrouw [naam] van Wed. K. Brouwer Scheepswerf B.V. te 1505 HW Zaandam aan het adres Zomerdijk 22 tot gerechtelijk bewaarder en

een en ander met veroordeling van Framroad in de kosten van de reconventie.

5.2.

Aan haar vordering in reconventie legt Van Dam – kort gezegd – ten grondslag dat zij kosten heeft gemaakt voor de ten behoeve van Framroad gehuurde container. De (deel)vordering onder b. is voorwaardelijk ingesteld, voor het geval de vordering in conventie van Framroad tot verplaatsen van de Pamina wordt toegestaan.

5.3.

Framroad voert verweer.

5.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6 De beoordeling in conventie

6.1.

Ter zitting heeft Van Dam bezwaar gemaakt tegen de late indiening van producties door Framroad. De voorzieningenrechter overweegt te dien aanzien als volgt.

6.2.

Ingevolge het Procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie worden stukken die binnen 24 uur vóór de terechtzitting worden ingediend in beginsel buiten beschouwing gelaten. Naar ter zitting is gebleken, heeft Van Dam producties 1 tot en met 19 van Framroad op 16 juli 2012, derhalve méér dan 24 uur van tevoren, ontvangen. Hoewel de voorzieningenrechter met Van Dam van oordeel is dat Framroad deze stukken ruimschoots eerder in het geding had kunnen brengen, is voldaan aan het bepaalde in voornoemd Procesreglement, zodat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet deze stukken te weigeren. Daar komt bij dat de door Framroad overgelegde producties reeds bekend waren bij Van Dam uit eerdere procedures tussen partijen, zodat van schending van het beginsel van hoor en wederhoor derhalve geen sprake is.

Productie 20 heeft Framroad weliswaar pas per fax van 17 juli 2012 om 12.14 uur, derhalve minder dan 24 uur voor de zitting van 18 juli om 11.00 uur, in het geding gebracht, maar deze productie betreft het eerst op 17 juli verleende beslagverlof. Met Framroad is de voorzieningenrechter van oordeel dat zij deze productie in redelijkheid niet eerder had kunnen overleggen. Aangezien het een relatief korte productie betreft, en (de advocaat van) Van Dam kennelijk wèl voldoende tijd heeft gezien om ten aanzien daarvan nog een aanvullende pleitnota op te stellen, is Van Dam naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet geschaad in haar belangen. De producties zullen dan ook worden toegestaan.

6.3.

Met betrekking tot het geschil in conventie overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De vordering valt uiteen in twee onderdelen, te weten enerzijds een verbod om tot executie van de Pamina over te gaan en anderzijds een bevel om te gedogen dat Framroad de Pamina overbrengt naar een andere scheepswerf. Beide onderdelen zullen hierna achtereenvolgens worden behandeld en beoordeeld.

Executieverbod

6.4.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

6.5.

Gesteld noch gebleken is dat het vonnis dat aan de executie ten grondslag ligt (in casu het verstekvonnis voor zover dat niet is vernietigd bij vonnis in verzet) klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust. Zulks is overigens evenmin gesteld of gebleken ten aanzien van het vonnis in verzet, noch ten aanzien van het arrest waarbij dat vonnis is bekrachtigd. Voor zover het beroep van Framroad op het Beslagverdrag moet worden begrepen als een aanwijzing dat enig vonnis wel op een juridische of feitelijke misslag berust omdat het beslag niet rechtmatig zou zijn gelegd, faalt het. De vordering van Van Dam op Framroad op grond waarvan zij beslag heeft doen leggen op de Pamina houdt immers direct verband met de kosten voor de bouw van de Pamina, welke kosten volgens artikel 1 lid 1 sub l. van het Beslagverdrag onder een zeerechtelijke vordering dienen te worden begrepen, zodat daarvoor scheepsbeslag kon worden gelegd op de Pamina.

6.6.

De stelling van Framroad dat zij hogere vorderingen heeft op Brouwer en Van Dam dan die partijen op haar, zodat (het doorzetten van) de executie van de veroordelende vonnissen onrechtmatig is jegens Framroad, biedt in beginsel evenmin grond voor staking van de executie. Niet alleen staan de door Framroad gestelde vorderingen op Brouwer en Van Dam op dit moment nog geenszins vast, als gevolg waarvan voorshands niet vastgesteld kan worden dát de gestelde vorderingen van Framroad op Brouwer en Van Dam daadwerkelijk hoger zijn dan andersom, maar ook staat daar tegenover dat de vorderingen van Brouwer en Van Dam op Framroad juist wèl vast staan en ook opeisbaar zijn. Die vorderingen vloeien bovendien voort uit uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnissen, waarbij Framroad is veroordeeld tot betaling van bedragen te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke (handels)rente plus een opslag van 3%. Gesteld noch gebleken is dat die rente en opslag verkeerd zouden zijn berekend. Nu Framroad aan geen van die veroordelingen tot betaling heeft voldaan, beschikken Brouwer en Van Dam over een titel op grond waarvan zij tot executie van de Pamina kunnen en mogen overgaan. Niet gesteld of gebleken is dat aan de zijde van Framroad een noodtoestand zal ontstaan als gevolg van de executie, laat staan dat die noodtoestand het gevolg zou zijn van ná de bedoelde vonnissen voorgevallen of aan het licht gekomen feiten. Daar komt bij dat – zelf indien veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat een dergelijke noodtoestand toch zou dreigen – Framroad het zelf in haar macht heeft om de aangekondigde executie van de Pamina te voorkomen, door het stellen van voldoende zekerheid. Nu (de advocaat van) Framroad ter zitting echter heeft aangegeven daartoe niet bereid te zijn, staat het Brouwer en Van Dam dan ook vrij om de executie door te zetten. De stelling van Framroad dat de executie ten onrechte in het geheim zou zijn voorbereid is, mede gezien de openbare aankondigingen van die executie, onvoldoende vast komen te staan en kan het voorgaande dan ook niet anders maken. Dat de Pamina bij onderhandse verkoop meer zou opbrengen dan bij veiling kan ten slotte niet leiden tot het oordeel dat Brouwer en Van Dam misbruik maken van hun executiebevoegdheid, temeer nu in 2011 reeds zonder succes onderhandelingen zijn gevoerd over een onderhandse verkoop en Framroad volgens onvoldoende weersproken opmerkingen van Brouwer ter zitting ook thans daaraan geen medewerking verleent.

6.7.

Hetgeen Framroad heeft gesteld aangaande het op grond van artikel 223 Rv bij wijze van voorlopige voorziening gegeven executieverbod (zie hiervoor onder 3.2), vindt geen steun in het recht. Het volgende is voor dat oordeel van belang.

6.8.

Bij verzetdagvaarding van 23 maart 2005 heeft Framroad gevorderd dat de rechtbank Amsterdam het verstekvonnis van 3 november 2004 zou vernietigen en de vorderingen van (de rechtsvoorganger van) Van Dam zou afwijzen. Tevens heeft Framroad daarbij een vordering in reconventie en een incidentele vordering ingesteld. Bij vonnis van 28 september 2005 heeft de rechtbank Van Dam – kort gezegd – verboden het verstekvonnis van 3 november 2004 ten uitvoer te doen leggen ‘hangende het verzet daartegen’. Bij vonnis in verzet van 7 februari 2007 heeft de rechtbank Amsterdam in conventie het verstekvonnis gedeeltelijk vernietigd en het verzet voor het overige afgewezen. Daarmee is de verzetprocedure afgedaan en is aan de provisionele voorziening een eind gekomen. Dat Framroad vervolgens in hoger beroep – en thans in cassatie – is gegaan tegen dat verzetvonnis, doet aan het voorgaande niet af. Het executieverbod was immers op grond van artikel 223 Rv bij wijze van voorlopige voorziening voor ‘de duur van het geding’ getroffen. Anders dan Framroad betoogt, moet hieronder níet verstaan worden ‘in alle instanties’, maar slechts de instantie waarin de voorlopige voorziening is gegeven. De gegeven voorziening (in casu het executieverbod) verliest dan ook haar werking nadat in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan (in het onderhavige geval is dat dus het vonnis in verzet van 7 februari 2007), ongeacht of tegen die einduitspraak een rechtsmiddel wordt aangewend, en ongeacht of die einduitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (vgl. Hoge Raad 6 februari 2009, NJ 2010, 139).

6.9.

Op grond van het voorgaande zal het gevorderde verbod om over te gaan tot executie van de Pamina worden afgewezen.

Overbrengen naar een andere scheepswerf

6.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat Framroad geen toestemming heeft van Brouwer, noch van Van Dam, om de Pamina te verplaatsen, terwijl Framroad zonder deze toestemming niet gerechtigd is daartoe over te gaan.

6.11.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de weigering van Brouwer en Van Dam niet onredelijk. Framroad heeft hun vorderingen immers niet voldaan, en is evenmin bereid gebleken vervangende zekerheid te stellen in de vorm van een bankgarantie of anderszins. Brouwer en Van Dam beschikken thans over executoriale titels die het hen mogelijk maken tot verkoop van de Pamina over te gaan. Gezien het feit dat de Pamina, een zeeschip, eenvoudig te verduisteren zou zijn indien toestemming zou worden verleend om haar te verplaatsen, acht de voorzieningenrechter de door Brouwer en Van Dam gestelde vrees daarvoor allerminst onaannemelijk. Daar komt bij dat de executie reeds is aangekondigd en op korte termijn zal plaatshebben. Het doel dat Framroad stelt te hebben bij verplaatsing van de Pamina – te weten noodzakelijke herstel- en garantiewerkzaamheden – rechtvaardigt niet de teruggang in zekerheid van Brouwer en Van Dam. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

6.12.

Framroad zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld van zowel Brouwer als Van Dam.

6.13.

De kosten aan de zijde van Brouwer worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

6.14.

De kosten aan de zijde van Van Dam worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

7 De beoordeling in reconventie (Brouwer)

7.1.

Ook de vorderingen van Brouwer in reconventie vallen in twee onderdelen uiteen. Enerzijds vordert Brouwer betaling van een aantal bedragen, en anderzijds vordert zij opheffing van de door Framroad gelegde beslagen c.q. een verbod om beslag te leggen. De onderscheidenlijke onderdelen zullen hierna worden behandeld en beoordeeld.

7.2.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

Liggelden voor de periode september 2008 tot en met september 2009

7.3.

Framroad heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de liggelden voor de Pamina in de periode van september 2008 tot en met september 2009 verschuldigd zijn. De vordering als bedoeld onder 4.1 onder I. is dan ook toewijsbaar.

7.4.

De gevorderde rente over de hoofdsom kan slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding, omdat niet is gesteld waarom de rente met ingang van de gevorderde ingangsdatum verschuldigd is.

Liggelden voor de periode januari 2012 tot en met augustus 2012

7.5.

Voor de liggelden van de Pamina met betrekking tot de periode van januari 2012 tot en met augustus 2012 geldt dat Framroad eveneens onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat deze verschuldigd zijn. Voor zover de termijn voor de maand augustus 2012 (nog) niet opeisbaar zou zijn ziet de voorzieningenrechter in het feit dat Framroad de liggelden al geruime tijd niet heeft betaald aanleiding om ook de vordering tot betaling van deze termijn toe te wijzen.

7.6.

De gevorderde rente over de hoofdsom kan slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding, omdat niet is gesteld waarom de rente met ingang van de gevorderde ingangsdatum verschuldigd is.

Liggelden voor de periode na augustus 2012

7.7.

De voorzieningenrechter zal de deelvordering als bedoeld onder 4.1 onder III. afwijzen. In verband met de op handen zijnde executieverkoop van de Pamina op 21 augustus 2012 is thans onvoldoende duidelijk wie daarna de eigenaar zal zijn van de Pamina, en of de Pamina dan (nog) op de scheepswerf van Brouwer zal zijn afgemeerd, zodat niet valt te preluderen op de toekomstige verschuldigdheid van liggelden voor de periode na augustus 2012.

Opheffing beslag

7.8.

Met betrekking tot de vorderingen als bedoeld in 4.1 onder IV. En V. overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

7.9.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

7.10.

Onvoldoende is gebleken of Framroad met het verleende verlof reeds beslag heeft gelegd en zo ja, of dat beslag doel heeft getroffen. Wat daar ook van zij, is de voorzieningenrechter van oordeel dat beide vorderingen die ertoe strekken het Framroad onmogelijk te maken beslag te doen leggen ter zekerheid van de nakoming van haar vordering uit hoofde van de door haar gestelde schade aan de Pamina niet voor toewijzing in aanmerking komen. Hetgeen partijen over en weer met betrekking tot die schade hebben aangevoerd, dient met aanvullend bewijs te worden onderbouwd. Voor die nadere bewijsvoering leent dit kort geding zich naar zijn aard niet, zodat een en ander in een eventueel tussen partijen te voeren bodemprocedure aan de orde dient te komen. Voorshands is in ieder geval ) summierlijk niet (voldoende) gebleken van de ondeugdelijkheid van het door Framroad gestelde recht, zodat het Framroad vooralsnog vrij staat het verleende beslagverlof te effectueren. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

7.11.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

8 De beoordeling in reconventie (Van Dam)

8.1.

De reconventionele vordering van Van Dam bestaat eveneens uit twee onderdelen, welke hieronder zullen worden behandeld.

Huurpenningen

8.2.

Framroad heeft ter zitting betwist dat er sprake is (geweest) van een huurovereenkomst met betrekking tot een container. Zoals Framroad terecht heeft gesteld, heeft Van Dam geen afschrift van een tussen partijen gesloten huurovereenkomst of facturen overgelegd waaruit het bestaan van de door haar gestelde huurovereenkomst zou kunnen blijken. De door Van Dam in het geding gebrachte productie daartoe is in ieder geval ontoereikend, omdat daar naar niet uit blijkt dat Framroad een container van Van Dam heeft gehuurd, maar (hooguit) dat Van Dam kosten heeft gemaakt voor de huur van een container. Gezien de betwisting van Framroad heeft Van Dam haar stelling onvoldoende onderbouwd om aan haar stelplicht ter zake te (blijven) voldoen. De verschuldigdheid van het door haar gevorderde bedrag is dan ook voorshands onvoldoende vast komen te staan, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

Gerechtelijke bewaring

8.3.

Ten aanzien van het bevelen van een gerechtelijke bewaring, verstaat de voorzieningenrechter dat dit onderdeel van de vordering niet is ingesteld nu de voorwaarde daarvoor niet is vervuld.

8.4.

Van Dam zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Framroad worden begroot op:

- salaris advocaat € 408,00 (factor 0,5 × tarief € 816,00)

Totaal € 408,00

9 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

9.1.

wijst de vorderingen af,

9.2.

veroordeelt Framroad in de proceskosten, aan de zijde van Brouwer tot op heden begroot op € 1.391,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

9.3.

veroordeelt Framroad in de na dit vonnis ontstane kosten, aan de zijde van Brouwer begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

9.4.

veroordeelt Framroad in de proceskosten, aan de zijde van Van Dam tot op heden begroot op € 1.391,00,

9.5.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie (Brouwer)

9.6.

veroordeelt Framroad om aan Brouwer te betalen een bedrag van € 11.245,50 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW plus 3% op jaarbasis over het bedrag van € 11.245,50, een en ander vanaf 10 juli 2012 tot de dag van volledige betaling,

9.7.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

9.8.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

9.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie (Van Dam)

9.10.

wijst de vordering af,

9.11.

veroordeelt Van Dam in de proceskosten, aan de zijde van Framroad tot op heden begroot op € 408,00,

9.12.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.C. Hofman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M.P. Langeveld op 1 augustus 2012.1

1 Conc.: 936