Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:3119

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
12-06-2017
Zaaknummer
AWB-11_6836
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft het verlangde bewijs niet geleverd. De verklaringen van eiseres voor de verschillen tussen het aantal verloonde uren en het aantal gefactureerde uren zijn niet met objectieve bewijsstukken onderbouwd en kunnen niet op juistheid worden getoetst

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27
Wet op de omzetbelasting 1968 12
Wet op de loonbelasting 1964 15a
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2017/1616
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummers: AWB 11/6836 tot en met 11/6839

Uitspraakdatum: 14 september 2012

Uitspraak in de gedingen tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres,

gemachtigde: T. Ramdajal AA,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam, verweerder.

11/6840

1. Ontstaan en loop van de gedingen

1.1.1. Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 augustus 2007 tot en met 31 december 2007 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 3.925, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 981. Tevens is bij beschikking € 449 heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2. Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 7.614, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 1.903. Tevens is bij beschikking € 478 heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.3. Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 augustus 2007 tot en met 31 december 2007 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd van € 8.788, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 2.197. Tevens is bij beschikking € 1.014 heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.4. Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd van € 28.859, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 7.214. Tevens is bij beschikking € 1.894 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.1. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 17 februari 2012 de bezwaren tegen de onder 1.1.1 en 1.1.2 bedoelde naheffingsaanslagen en beschikkingen gegrond verklaard en de naheffingsaanslagen verminderd tot respectievelijk € 3.057 en € 5.329 en de vergrijpboeten en heffingsrenten dienovereenkomstig verminderd.

1.2.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 22 november 2011 de onder 1.1.3 en 1.1.4 bedoelde naheffingsaanslagen en beschikkingen gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de onder 1.2.1 en 1.2.2 bedoelde uitspraken op bezwaar. De rechtbank heeft de beroepen onder de volgende zaaknummers geregistreerd: het beroep betreffende de in 1.1.1 vermelde besluiten onder 11/6836, het beroep betreffende de in 1.1.2 vermelde besluiten onder 11/6837, het beroep betreffende de in 1.1.3 vermelde besluiten onder 11/6838 en het beroep betreffende de in 1.1.4 vermelde besluiten onder 11/6839.

1.4. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2012. Namens eiseres is verschenen [A] , directeur van eiseres, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd en diens kantoorgenoot mr. S. Gena. Namens verweerder zijn verschenen mr. D.P. Laansma, E.I. van Dompselaar, mr. F.W. Visser en drs. B.M. Arentshorst.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiseres exploiteert een uitzendbureau voor het in- en uitlenen van personeelsleden voor schoonmaakwerkzaamheden in de bouw. Eiseres heeft in 2007 geen personeelsleden ingeleend. Eiseres heeft – ten tijde van het hierna onder 2.2 vermelde boekenonderzoek – 10 personeelsleden in loondienst.

2.2.

Bij eiseres is op 19 maart 2009 een boekenonderzoek aangekondigd. Het controlerapport is uitgebracht op 18 januari 2011. Als gevolg van het onderzoek zijn aan eiseres de thans bestreden naheffingsaanslagen en beschikkingen opgelegd.

2.3.

De bestreden correcties zijn de volgende (na eventuele verminderingen in de bezwaarfase):

Aard van de correctie

2007

2008

OB: Meer omzet onder het algemene tarief voor de omzetbelasting*

2.992

5.187

LH: Autokostenvergoeding**

8.188

27.680

* Voor 2007 stelt verweerder dat eiseres meer omzet heeft van 900 uren à € 17,50 voor de niet verloonde uren ten opzichte van de gefactureerde uren. Voor 2008 stelt verweerder dat eiseres meer omzet heeft van 1.400 uren à € 19,50 voor de niet verloonde uren ten opzichte van de gefactureerde uren.

** Voor 2007 stelt verweerder dat eiseres ten onrechte onbelaste vergoedingen voor het gebruik van de privéauto’s van de werknemers [B] (BSN: [# 1] ), [C] , [D] en [F] (BSN: [# 2] ) van respectievelijk € 2.400,

€ 2.000, € 2.000 en € 2.400 heeft verstrekt, en dat deze bedragen als nettolonen met toepassing van het gebruteerde tabeltarief van 93% in de loonheffingen moeten worden betrokken. Voor 2008 stelt verweerder dat eiseres ten onrechte onbelaste vergoedingen voor het gebruik van de privéauto’s van de werknemers [B] (BSN: [# 1] ), [C] , [D] en [F] (BSN: [# 2] ) van respectievelijk € 7.200,

€ 7.200, € 7.200 en € 7.200 heeft verstrekt, en dat deze bedragen als nettolonen met toepassing van het gebruteerde tabeltarief van 96,10% in de loonheffingen moeten worden betrokken.

3. Geschil

3.1.

In geschil is of de naheffingsaanslagen en de vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Voorts zijn de heffingsrentebeschikkingen in geschil.

3.2.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de naheffingsaanslagen met – naar de rechtbank begrijpt – € 2.992 in 2007 en € 5.187 in 2008 voor de omzetbelasting en met € 8.188 in 2007 en € 27.680 in 2008 voor de loonheffingen en vernietiging van alle aan haar opgelegde boetes.

3.3.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Omzetbelasting

4.1.

Als eerste zal de rechtbank de verdeling van de bewijslast beoordelen.

4.2.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet heeft voldaan aan de administratieverplichting en niet de vereiste aangiften heeft gedaan, zodat op grond van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard, tenzij en voor zover eiseres aantoont dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Verweerder legt de bewijslast dus volledig op eiseres en stelt zich bovendien op het standpunt dat de bewijslast is verzwaard (aantonen in plaats van aannemelijk maken). Verweerder wijst op de bevindingen tijdens het boekenonderzoek, namelijk de negatieve kas, het ontbreken van boekingen van inkomsten en uitgaven, het ontbreken van bescheiden waaruit blijkt welke contante bedragen eiseres bij wijze van voorschot aan werknemers heeft betaald (welke bedragen ook niet in het kasboek zijn geboekt), het ontbreken van de urenstaten en de gebrekkige administratie op het punt van de kilometervergoeding. Volgens verweerder kan de kasadministratie niet dienen als betrouwbaar middel voor de omzet-, loon- en kostenverantwoording.

4.2.2.

Eiseres bestrijdt dat zij niet heeft voldaan aan de administratieplicht. Het boekenonderzoek is ondeugdelijk. Anders dan verweerder stelt, is er geen sprake van onverklaarbare uren en zijn de onkostenvergoedingen op correcte wijze vastgesteld. De directeur van eiseres heeft een compleet overzicht van de stand van zaken. Verweerder mag niet op de stoel van de ondernemer gaan zitten. Er is dan ook geen enkele reden om de administratie te verwerpen, aldus eiseres.

4.3.

Artikel 27e van de Awr bepaalt dat, indien de vereiste aangifte niet is gedaan of niet volledig is voldaan aan de administratieverplichting, de rechtbank de beroepen ongegrond dient te verklaren tenzij en behoudens in hoeverre blijkt dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Verweerder heeft over beide jaren de administratie van eiseres verworpen. De volgende vraag die beantwoord moet worden is of verweerder dit terecht heeft gedaan.

4.4.

Gelet op de bevindingen gedaan tijdens het boekenonderzoek is de rechtbank van oordeel dat verweerder de administratie van eiseres terecht en op de goede gronden heeft verworpen. Voor een onderneming zoals die van eiseres is het cruciaal dat alle gegevens betreffende de werkzaamheden van de werknemers, de aantallen gewerkte uren, de aantallen gedeclareerde uren en de aan de werknemers gedane betalingen nauwkeurig en regelmatig worden vastgelegd op een wijze die voor verweerder te allen tijde controleerbaar en kenbaar is. [A] heeft erkend dat hij de aantekeningen van de uitbetaling van de voorschotten aan de werknemers heeft weggegooid. Het is, anders dan eiseres kennelijk meent, niet voldoende dat haar directeur het overzicht te allen tijde wel heeft. Voorts heeft de directeur van eiseres toegegeven dat hij dagelijks ongeveer € 15.000 aan contanten op zak heeft. In combinatie met een gebrekkige kasadministratie, die niets meer oplevert dan een administratief saldo omdat niet alle inkomsten en uitgaven worden geboekt en geen kascontrole plaatsvindt, is sprake van ernstige gebreken in de administratie van eiseres.

4.5.

Nu verweerder terecht de administratie van eiseres verworpen heeft, is artikel 27e van de Awr van toepassing. Dit resulteert er voor deze procedure in dat het aan eiseres is om aan te tonen dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Op eiseres rust dus de bewijslast. Dit betekent echter niet dat de belastingaanslagen mogen berusten op een willekeurige schatting van de te belasten omzet of lonen. Verweerder dient de naheffingsaanslagen vast te stellen aan de hand van een redelijke schatting. De rechtbank zal daarom tevens de redelijkheid van de schatting toetsen.

4.6.

Gelet op het oordeel over de bewijslastverdeling dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of eiseres heeft aangetoond dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. De discussie beperkt zich tot het door verweerder geconstateerde – en door eiseres niet betwiste – verschil tussen de verloonde uren en de aan derden gedeclareerde uren. Eiseres bestrijdt de hoogte van de correctie, omdat geen rekening zou zijn gehouden met de volgende aspecten: soms moest er wegens klachten opnieuw worden schoongemaakt (leegloopuren); indien er onvoldoende werk was, moest er toch loon worden doorbetaald; tijdens feestdagen moest loon volledig worden doorbetaald; eiseres heeft personeel met een nulurencontract toch loon betaald omdat behoefte was aan goed personeel; en er werden personeelsleden ingezet om andere werknemers van en naar de plaatsen van tewerkstelling te brengen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de correctie terecht is aangebracht. Eiseres heeft geen goede verklaring gegeven voor het verschil tussen het aan het personeel uitbetaalde aantal uren en het aantal aan opdrachtgevers gefactureerde uren. De verklaringen die eiseres heeft gegeven, zijn niet geloofwaardig dan wel niet ter zake doende. In de uitspraken op bezwaar heeft verweerder rekening gehouden met onder meer de uren van mevrouw [E] , die als administratief medewerkster in dienst was bij eiseres, en het aantal uren verlaagd tot 900 voor 2007 en 1.400 voor 2008.

4.7.

Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft zij het van haar verlangde bewijs niet geleverd. De verklaringen van eiseres voor de verschillen tussen het aantal verloonde uren en het aantal gefactureerde uren zijn niet met objectieve bewijsstukken onderbouwd en kunnen niet op juistheid worden getoetst. Eiseres heeft haar stelling ter zake van de leegloopuren onvoldoende onderbouwd. Voorts is het ongeloofwaardig dat eiseres buiten de met de werknemers gesloten arbeidsovereenkomsten om – dus zonder enige vastlegging – enige uitbetaling aan deze werknemers zou doen zonder dat daartegenover enige omzet staat. De verklaring dat bepaalde werknemers zouden zijn ingezet om collega’s naar de verschillende plekken van tewerkstelling te brengen is onderbouwd met een onvoldoende gespecificeerde rittenadministratie, die bovendien merkwaardige ritten omvat. Zo zijn twee werknemers die op hetzelfde adres wonen, door twee verschillende collega’s kennelijk langs exact dezelfde route naar dezelfde plaats van tewerkstelling gebracht en vice versa. Anders dan eiseres bepleit, was verweerder niet gehouden derdenonderzoeken uit te voeren om met zekerheid vast te kunnen stellen dat sprake is geweest van hogere omzetten. De bewijslast rust immers op eiseres. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat eiseres verzuimd heeft aan te voeren bij welke derden verweerder onderzoek had moeten verrichten. Het argument dat de gehanteerde uurprijs te hoog is omdat op een aantal facturen een lager uurtarief is gehanteerd dient te worden verworpen, omdat de correctie is gebaseerd op het volgens de administratie van eiseres gemiddelde uurtarief dat in 2007 respectievelijk 2008 in rekening is gebracht aan de opdrachtgevers. Met het tonen van slechts drie – op het jaar 2007 betrekking hebbende – facturen met een lager uurtarief heeft eiseres het van haar verlangde bewijs niet geleverd dat de gemiddelde uurprijs lager zou moeten zijn.

4.8.

Ter zitting heeft eiseres nog het standpunt ingenomen dat, indien ervan moet worden uitgegaan dat de omzet terecht is gecorrigeerd, deze niet bij haar belast kan worden in verband met de ter zake van toepassing zijnde verleggingsregeling (artikel 12, vijfde lid, Wet OB). De rechtbank is van oordeel dat voor toepassing van de verleggingsregeling geen plaats is, reeds omdat niet kan worden vastgesteld naar welke derden de verschuldigde belasting zou zijn verlegd. Ter zitting heeft eiseres voorts geklaagd over het feit dat verweerder geen zogenoemde derdenonderzoeken heeft ingesteld. Ook deze klacht wordt verworpen, reeds omdat niet kan worden vastgesteld welke afnemers het betreft.

4.9.

Tot slot dient te worden onderzocht of verweerder niet naar willekeur heeft gehandeld en of hij een redelijke schatting heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de schatting redelijk is. De omvang van het aantal niet aan opdrachtgevers gedeclareerde uren is tussen partijen niet in geschil. Nu verweerder desgevraagd heeft verklaard dat het uurtarief is gebaseerd op het gemiddelde van de aan opdrachtgevers in rekening gebrachte uurtarieven in de jaren 2007 en 2008, ziet de rechtbank geen aanleiding om van een lager uurtarief uit te gaan.

4.10.

De conclusie voor de omzetbelasting luidt dat verweerder de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen heeft opgelegd.

Loonheffingen

4.11.

Van de drie correcties die in de naheffingsaanslagen zijn begrepen, bestrijdt eiseres alleen de correctie met betrekking tot de aan vier werknemers ( [B] met BSN: [# 1] , [C] , [D] en [F] met BSN: [# 2] ) toegekende kilometervergoeding. De berekening van de nageheven loonheffingen is niet in geschil.

4.12.

Verweerder heeft aangevoerd dat de werknemers niet voor ten minste 60% een vaste arbeidsplaats hebben. Eiseres heeft dit niet betwist. Gelet op artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB, tekst 2007 en 2008), kan eiseres niet onbelast een vaste vervoerskostenvergoeding aan deze werknemers toekennen.

4.13.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet LB in verbinding met artikel 9 van de Wet LB behoort tot het belastbare loon al hetgeen uit een (vroegere) dienstbetrekking wordt genoten. In artikel 11 en hoofdstuk IIA van de Wet LB, voor zover relevant, worden enkele uitzonderingen genoemd. De bewijslast dat sprake is van onbelaste vergoedingen, rust op eiseres.

4.14.

Eiseres heeft zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat de desbetreffende werknemers hun privéauto aan haar verhuren. Nog daargelaten of de relatie tussen eiseres en deze werknemers met betrekking tot de auto als een van verhuur kan worden beschouwd – eiseres heeft geen enkel bewijs hiervan overgelegd, doch enkel deze stelling ingenomen – valt deze situatie niet onder een uitzondering op het begrip belastbaar loon. Het standpunt van eiseres moet worden verworpen.

4.15.

Indien en voor zover eiseres het eerder ingenomen standpunt over de onderbouwing van de onkostenvergoeding handhaaft, overweegt de rechtbank het volgende. Onder 4.7 heeft de rechtbank overwogen dat de rittenadministratie onvoldoende gespecificeerd is en vreemde ritten omvat. Deze rittenadministratie kan dan ook niet dienen als bewijs dat eiseres geen bovenmatige onkostenvergoedingen heeft betaald aan de vier betrokken werknemers. Niet kan worden vastgesteld hoeveel kilometers deze werknemers daadwerkelijk voor zakelijke doeleinden hebben gereden. Een aanwijzing dat het niet gaat om een vergoeding voor daadwerkelijk gereden kilometers en daadwerkelijk gemaakte kosten is voorts dat de werknemers vaste en afgeronde bedragen hebben ontvangen. Ook dit standpunt dient te worden verworpen.

4.16.

De conclusie voor de loonheffingen luidt dat verweerder de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen heeft opgelegd.

Vergrijpboetes

4.17.

Op grond van artikel 67f van de Awr in samenhang met de paragrafen 25 en 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 kan verweerder een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete als het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te wijten is dat de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt de grondslag voor de boete gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige niet (tijdig) is betaald. De bewijslast dat sprake is van grove schuld, rust op verweerder.

4.18.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van grove schuld. Als gevolg van de gebreken in de administratie zijn een te lage omzet en een te laag bedrag aan lonen verantwoord. Het is van algemene bekendheid dat een juiste en volledige administratie noodzakelijk is om het juiste bedrag aan belasting te kunnen aangeven. Eiseres kan een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid dan wel grove onachtzaamheid worden verweten. Er is minimaal sprake van grove schuld. Eiseres bestrijdt dat sprake is van grove schuld omdat zij aan haar administratieplicht heeft voldaan.

4.19.

Verweerder heeft aan eiseres wegens grove schuld een vergrijpboete opgelegd van 25%. Naar vaste jurisprudentie dient onder grove schuld te worden verstaan een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat het begrip grove schuld mede grove onachtzaamheid. Ingevolge het tweede lid van § 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 legt de inspecteur in geval van grove schuld een vergrijpboete op van 25%.

4.20.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van grove schuld van eiseres. Eiseres was als ondernemer en als werkgever op de hoogte van de administratieve verplichtingen of had daarvan op de hoogte moeten zijn en heeft laakbaar slordig gehandeld door de administratie niet op juiste wijze te voeren en de vereiste bescheiden niet nauwkeurig te verzamelen en in de administratie op te nemen. Het is niet aanvaardbaar dat een ondernemer kladaantekeningen van belangrijke gegevens, zoals uitbetaling van voorschotten, weggooit of op andere wijze gegevens voor zichzelf houdt. Hetzelfde geldt voor het toekennen en uitbetalen van een (vaste) onkostenvergoeding aan werknemers zonder dat hiervoor een deugdelijke onderbouwing bestaat.

4.21.

De rechtbank acht een boete van 25% onder de gegeven omstandigheden, waaronder de omkering van de bewijslast, passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de boetes (ambtshalve) te verminderen.

Heffingsrente

4.22.

Eiseres heeft met betrekking tot de beschikkingen heffingsrente geen beroepsgronden aangevoerd. De onder 1.1.1 tot en met 1.1.4 vermelde beschikkingen delen in het lot van de corresponderende naheffingsaanslagen.

Slotsom

4.23.

Gelet op al het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank acht geen aanleiding aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.S.K.A. Efstratiades, voorzitter, mr.A. van Dongen en

mr.C.J. Hummel, rechters, in tegenwoordigheid van mr.W.Y. Ip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.