Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BW3985

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
166554/10-520
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stiefouderadoptie. De rechtbank is van oordeel dat thans niet aan de tegenspraak van de vader voorbij kan worden gegaan, hoe begrijpelijk ook de wens van verzoeker is om na het jaren samen met de moeder verzorgen en opvoeden van de minderjarige, de daardoor ontstane band te formaliseren en [naam minderjarige] te adopteren. De rechtbank wijst af het verzoek van de stiefvader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

afwijzing adoptie

zaak-/rekestnr.: 166554/10-520

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 8 februari 2011

gegeven op het verzoek van:

[naam verzoeker],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: verzoeker,

advocaat mr. M. Zee, kantoorhoudende te Purmerend,

strekkende tot adoptie van:

[naam minderjarige],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de minderjarige, of: [naam minderjarige].

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen op 27 september 2010.

1.2 Als belanghebbende wordt aangemerkt de heer [naam vader].

1.3 De minderjarige heeft zijn mening schriftelijk kenbaar gemaakt.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 De minderjarige is geboren op [datum] 1995 te [plaats] uit het huwelijk van [naam moeder] (hierna: de moeder) en voornoemde [naam vader] (hierna: de vader). Dit huwelijk is op [datum] 2003 ontbonden door de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Arnhem van [datum] 2003.

2.2 Verzoeker is op [datum] 2004 te [plaats] gehuwd met de moeder.

2.3 Bij beschikking van deze rechtbank van 25 mei 2010 is de moeder belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige.

3 Verzoek

3.1 Verzoeker verzoekt de adoptie uit te spreken van de minderjarige door hem.

3.2 De moeder stemt in met het verzoek tot adoptie.

4 Verweer

De vader heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd en zich beroepen op zijn ouderlijk vetorecht. Hij ziet voor zichzelf nog een rol als ouder weggelegd en wil de banden met [naam minderjarige] niet verbreken. Voor zijn gevoel vecht hij al jarenlang voor een omgangsregeling met [naam minderjarige]. De omgangsregeling die in het verleden bestond, is door de moeder stopgezet en sindsdien heeft de vader het gevoel dat hij een machteloze en kostbare strijd voert om de omgang weer op gang te krijgen. Hij heeft [naam minderjarige] nu 7 jaar niet gezien en betreurt dat, omdat het voor hem onherstelbaar is. Eveneens betreurt de vader dat hij zich in het verleden een keer heeft laten gaan jegens verzoeker. In het bijzijn van [naam minderjarige] heeft hij die geslagen.

5 Beoordeling

5.1 Anders dan verzoeker, die zich op het standpunt stelt dat het verweer van de vader misbruik van recht oplevert, is de rechtbank niet gebleken dat de vader misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot tegenspraak. Niet gebleken is immers dat de vader zijn bevoegdheid enkel gebruikt om een ander te schaden, dat hij geen enkel te respecteren belang nastreeft of dat hij, het door hem gestelde belang en het belang van de minderjarige bij de adoptie in aanmerking genomen, in redelijkheid niet tot uitoefening van zijn recht op tegenspraak heeft kunnen komen.

5.2 Vooropgesteld wordt dat bij adoptie juridisch ouderschap wordt gecreëerd en dat alle juridische banden met de oorspronkelijke ouder worden verbroken. Dit maakt dat adoptie met veel waarborgen is omgeven. Ingevolge artikel 1:227, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het verzoek tot adoptie alleen worden toegewezen indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat het kind niets meer van zijn ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en dat aan de voorwaarden genoemd in artikel 1:228 BW, wordt voldaan. Het eerste lid van artikel 1:228, sub d BW bepaalt dat een voorwaarde voor adoptie is dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt. Het tweede lid van genoemd artikel bepaalt dat aan tegenspraak van in casu de vader voorbij kan worden gegaan indien:

a. de minderjarige en de vader niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd, of

b. de vader het gezag over de minderjarige heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van de minderjarige op grove wijze heeft verwaarloosd, of

c. de vader onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels ?? tot en met ?? en ?? tot en met ?? van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht.

5.3 Ter beoordeling ligt dus voor de vraag of aan de tegenspraak van de vader voorbij kan worden gegaan.

5.4 De rechtbank stelt vast dat verzoeker geen beroep heeft gedaan op de in artikel 1:228 lid 2 onder a genoemde situatie.

5.5 De rechtbank is van oordeel dat de in laatstgenoemd artikellid onder b genoemde situatie zich niet voordoet. Uit de overgelegde rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 6 maart 2007 blijkt dat er bij [naam minderjarige] op dat moment angstgevoelens voor de vader bestonden. Maar ook dat hij niet uitsluit dat hij ooit zijn vader weer wenst te zien, als hij, zoals hij zelf heeft verklaard, daarbij maar de zekerheid heeft dat de vader de moeder nooit meer slaat. Uit de nader overgelegde stukken blijkt verder dat [naam minderjarige] onder behandeling van GGZ [naam] is geweest, als gevolg van posttraumatische stressreacties. De rechtbank begrijpt uit voornoemde rapportages dat bij [naam minderjarige] sprake is van een beschadigd vertrouwen in de vader en dat dit met name is voortgekomen uit de perikelen van de ouders rondom hun uiteengaan en de daarop volgende echtscheidingsprocedure, waarbij er ook strijd is geweest om een omgangsregeling. De rechtbank trekt hieruit echter niet de conclusie dat zijdens de vader sprake is van misbruik van gezag of grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

5.6 De rechtbank is van oordeel dat de in laatstgenoemd artikellid onder c genoemde situatie zich evenmin voordoet. Hoewel in het inleidend verzoekschrift wordt gesteld dat de vader bij onherroepelijk vonnis van 25 oktober 2004 onder meer strafrechtelijk is veroordeeld wegens huisvredebreuk, welk feit tevens moet wordt geacht gericht te zijn tegen [naam minderjarige], blijkt dit niet uit de naderhand op verzoek van de rechtbank overgelegde stukken. Een schriftelijk vonnis waaruit een dergelijke veroordeling van de vader blijkt, ontbreekt. Bij de stukken bevindt zich enkel een proces-verbaal van aangifte, gedaan op 9 januari 2004 ten overstaan van de politie [plaats] – waarin melding wordt gemaakt door de moeder van mishandeling van de vader jegens de stiefvader en [naam minderjarige] - en een brief van het Arrondissementsparket Haarlem, Slachtoffer Informatie Punt, van 22 december 2004. Uit dit laatse stuk begrijpt de rechtbank dat de vader onherroepelijk is veroordeeld tot een werkstraf en dat het gedeelte van de tenlastelegging dat [naam minderjarige] is mishandeld door de vader niet bewezen is verklaard en dat de vader op dit punt is vrijgesproken. De stelling van verzoekers advocaat dat het strafbare feit waarvoor de vader is veroordeeld zich (mede) uitstrekt tot de minderjarige, kan gelet op de uitspraak van de strafrechter niet gevolgd worden.

5.7 Ter zitting heeft de vader de wens geuit om in de toekomst een rol in het leven van de minderjarige te kunnen vervullen en iets voor hem te kunnen betekenen.

Uit de overgelegde stukken, waaronder de raadsrapportages, komt het beeld naar voren dat de vader ervaart dat de moeder het hem niet gunt om contact met [naam minderjarige] te hebben, maar dat hij blijft hopen dat [naam minderjarige] ooit contact met hem zal opnemen. In dat geval zal hij graag weer (enige) invulling geven aan zijn rol als vader.

5.8 De rechtbank is op grond van het vorenoverwogene van oordeel dat thans niet aan de tegenspraak van de vader voorbij kan worden gegaan, hoe begrijpelijk ook de wens van verzoeker is om na het jaren samen met de moeder verzorgen en opvoeden van de minderjarige, de daardoor ontstane band te formaliseren en [naam minderjarige] te adopteren.

5.9 De rechtbank overweegt ten overvloede dat met minder ingrijpende maatregelen de belangen van de minderjarige kunnen worden gediend, bijvoorbeeld door een verzoek in te dienen tot gezamenlijk gezag en geslachtsnaamwijziging als bedoeld in art. 1:253t BW. Die maatregel is minder verstrekkend dan adoptie, doordat bij toewijzing de familierechtelijke band tussen de vader en de minderjarige niet definitief wordt verbroken.

5.10 Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Otter, voorzitter, tevens kinderrechter,

A.L. Diender en J.C.M. Swinkels in tegenwoordigheid van mr. A.E. Muller, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2011.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.