Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BV6110

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
16-02-2012
Zaaknummer
179712 / HA ZA 11-400
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsfout van advocaat (verzuim hoger beroep in te stellen tegen beslissing ontneming wederrechtelijk voordeel). Voor de vraag of en zo ja, in welke mate, de cliënt dientengevolge schade heeft geleden moet door de rechtbank worden beoordeeld hoe de appelrechter had behoren te beslissen, althans moet het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat alsdan zou zijn vastgesteld worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die appellant in hoger beroep, ware dit ingesteld, zou hebben gehad. Eiser dient - om de rechtbank in staat te stellen een zo nauwkeurig mogelijke schatting te maken - aan de rechter alle gegevens te verschaffen die, indien hoger beroep ware ingesteld, in de appelprocedure aan de orde zouden zijn gekomen. Eiser voldoet in dit geval niet aan zijn stelplicht. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 179712 / HA ZA 11-400

Vonnis van 23 november 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. F.M. Oudolf te Amsterdam,

tegen

maatschap naar burgerlijk recht

[A] ADVOCATEN,

gevestigd te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. F. van Kersbergen te ’s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en [A] Advocaten genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 juni 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 20 september 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij vonnis van deze rechtbank van 18 september 2006 is [eiser] de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 19.453,00 aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2.2. In weerwil van de afspraak tussen [eiser] en zijn toenmalige advocate, destijds verbonden aan het kantoor van [A] Advocaten, is tegen het vonnis van 18 september 2006 geen hoger beroep aangetekend.

3. De vordering

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [A] Advocaten zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan hem van een bedrag groot € 10.000,00 te vermeerderen met rente en kosten.

3.2. Tegen de achtergrond van genoemde feiten heeft [eiser] het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Zijn toenmalige advocate heeft een beroepsfout begaan, waardoor [eiser] een reële kans is onthouden op een beter resultaat wat betreft de strafrechtelijke maatregel. [A] Advocaten is voor deze beroepsfout aansprakelijk. Als gevolg van de beroepsfout heeft [eiser] schade geleden, die door hem wordt begroot op € 10.000,00.

4. Het verweer

4.1. [A] Advocaten heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat ten onrechte geen hoger beroep is aangetekend tegen het vonnis van de rechtbank van 18 september 2006. Evenmin staat ter discussie dat [A] Advocaten aansprakelijk is voor eventuele schade die [eiser] als gevolg daarvan zou hebben geleden. [A] Advocaten heeft evenwel betwist dat [eiser] enige schade heeft geleden en daartoe aangevoerd dat [eiser] op geen enkele wijze heeft aangetoond dat het hof tot een andere beslissing zou zijn gekomen dan de rechtbank.

5.2. Voor het antwoord op de vraag of, en zo ja in welke mate, de cliënt van een advocaat schade heeft geleden als gevolg van het feit dat deze laatste heeft verzuimd hoger beroep in te stellen tegen een vonnis waarbij, zoals in het onderhavige geval, aan die cliënt de verplichting is opgelegd om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat een bedrag te betalen, moet in beginsel worden beoordeeld hoe de appelrechter had behoren te beslissen, althans moet het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat alsdan zou zijn vastgesteld worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die de appellant in hoger beroep, zo dit ware ingesteld, zou hebben gehad. Teneinde de rechter in het geding waarin de aansprakelijkheid voor het verzuim van de advocaat aan de orde is, in staat te stellen zo nauwkeurig als in het betrokken geval mogelijk is, tot zodanig oordeel casu quo schatting te geraken, is het wenselijk dat partijen in dat geding de cliënt en diens voormalige advocaat aan de rechter alle gegevens verschaffen die, indien hoger beroep ware ingesteld, in de appelprocedure aan de orde zouden zijn gekomen (vgl. Hoge Raad 24-10-1997, LJN: ZC2467).

5.3. Gelet op voormeld uitgangspunt had het op de weg van [eiser] gelegen om al bij dagvaarding of ten minste ter gelegenheid van de comparitie van partijen de gegevens in het geding te brengen die, indien hoger beroep zou zijn ingesteld, in de appelprocedure aan de orde zouden zijn gekomen. In dat verband had ten minste van [eiser] mogen worden verwacht dat hij het volledige strafdossier in deze procedure zou hebben ingebracht, opdat de rechtbank op basis van de relevante gegevens in dat dossier tot een oordeel c.q. schatting in vorenbedoelde zin zou hebben kunnen komen. [eiser] heeft dit blijkens zijn verklaring niet opportuun geacht. In plaats daarvan heeft [eiser] slechts gesteld dat de schatting van de mogelijke opbrengst met 28 gram per hennepplant te hoog was, dat hij alleen maar kosten heeft gehad en dat door de rechtbank niet, althans in te geringe mate rekening is, of kon worden gehouden met zijn geringe financiële draagkracht. Dit betekent dat nu op basis daarvan moet worden beoordeeld hoe de appelrechter had behoren te beslissen, indien hoger beroep zou zijn ingesteld. De rechtbank schat de kans dat het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de appelrechter op grond van de genoemde niet nader onderbouwde stellingen van [eiser] lager zou zijn vastgesteld dan thans in eerste aanleg op nihil. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat aan het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel een berekening ten grondslag is gelegd die is neergelegd in een rapport van de politie Kennemerland van 5 juli 2006 (productie G.1) en dat deze berekening door [eiser] onvoldoende gemotiveerd is weersproken. Voorts heeft [eiser] niets gesteld over zijn financiële draagkracht en in hoeverre deze tot een andere beslissing had moeten leiden.

De vordering van [eiser] zal daarom worden afgewezen.

5.4. [Eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] Advocaten worden begroot op:

- griffierecht 258,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.162,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vordering af,

6.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [A] Advocaten tot op heden begroot op € 1.162,00,

6.3. veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

6.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem, mr. W.S.J. Thijs en mr. C.S. Naarden en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2011.?