Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BV6108

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
16-02-2012
Zaaknummer
183831 - HA ZA 11-895
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde noch zijn advocaat verschijnen ter comparitie. Rechtbank maakt daaruit de gevolgtrekking die haar geraden acht; de rechtbank gaat uit van de juistheid van hetgeen door en namens eiser ter comparitie is verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 183831 / HA ZA 11-895

Vonnis van 28 december 2011 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. M. de Waal te Velsen-Zuid,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.F. Keuchenius te Hoorn.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 november 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 15 december 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij kortgedingvonnis van 12 mei 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [gedaagde] veroordeeld om op eerste verzoek van [eiser] de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] te [plaats], [gemeente], kadastraal bekend onder “[kadastrale aanduiding]” (hierna: het bedrijfspand) af te nemen, zulks door ondertekening van de akte van levering zoals opgesteld door de notaris, tegen betaling van de overeengekomen koopsom ad EUR 420.000,- kosten koper.

2.2. [Gedaagde] heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd kortgedingvonnis en vervolgens in kort geding bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank gevorderd de tenuitvoerlegging van het vonnis van 12 mei 2009 op te schorten totdat het gerechtshof uitspraak heeft gedaan, subsidiair [eiser] te veroordelen bij voortgezette executie zekerheid te stellen. Bij vonnis van 28 mei 2009 heeft de voorzieningenrechter de door [gedaagde] gevraagde voorzieningen geweigerd.

2.3. [Eiser] heeft op 21 september 2009, onder betaling van de koopsom door [gedaagde] aan [eiser], het bedrijfspand geleverd aan [gedaagde].

2.4. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 1 december 2009 het onder 2.1 vermelde kortgedingvonnis van 12 mei 2009 bekrachtigd.

2.5. Bij vonnis van deze rechtbank van 21 april 2010 is [gedaagde] (in de bodemprocedure) veroordeeld tot vergoeding van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade wegens de niet tijdige nakoming van de koopovereenkomst van 23 januari 2009, nader op te maken en te vereffenen volgens de wet. Deze veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.6. Tegen het onder 2.5 genoemde vonnis heeft [gedaagde] hoger beroep ingesteld, waarop thans nog niet is beslist.

2.7. Bij dagvaarding van 19 juli 2011 heeft [eiser] de onderhavige schadestaatprocedure aanhangig gemaakt.

3. Het geschil

3.1. [Eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

EUR 11.690,95 - Wettelijke rente

4.709,00 - Notariskosten

238,85 - Opstalverzekering

760,40 - OZB

90,77 - Rioolheffing

28,50 - Waterschapsbelasting

1.986,86 - Hypotheekrente

61,85 - PWN

34,96 - Nuon

59,62 - Rentelasten rekening-courant

24,25 - Provisie en kosten rekening-courant

EUR 19.686,01,

te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en de nakosten.

3.2. Aan zijn vordering legt [eiser] - onder verwijzing naar het hiervoor onder 2.5 genoemde vonnis - dat de schade die hij in de periode tussen 12 mei 2009 en 21 september 2009 heeft geleden als gevolg van de niet-tijdige nakoming door [gedaagde] dient te worden begroot op het gevorderde bedrag in hoofdsom, welke schade [gedaagde] aan [eiser] dient te vergoeden.

3.3. [Gedaagde] voert verweer bij conclusie van antwoord. Daartoe voert hij - kort gezegd - aan dat hij reeds op 29 mei 2009 gereed en bereid was om het bedrijfspand af te nemen, zodat de vertragingsschade als gevolg van de niet-betaling vanaf die datum niet meer aan hem is toe te rekenen, maar voor rekening van [eiser] dient te blijven. Daarnaast heeft [gedaagde] ten aanzien van de posten 'Hypotheekrente' en 'Rentelasten rekening-courant' gesteld dat voor die posten - naast de gevorderde wettelijke rente - geen plaats is. Voorts heeft hij aangevoerd dat onduidelijk is waarop de gestelde 'Notariskosten' zien en heeft hij de noodzaak voor het maken van de kosten voor 'Opstalverzekering', 'PWN' en 'Nuon' betwist.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt vast dat ondanks het feit dat zij daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, [gedaagde] en mr. Keuchenius voornoemd - zonder voorafgaande aankondiging daarvan - niet ter comparitie zijn verschenen. Op grond van de tweede volzin van artikel 88 lid 4 R, kan de rechter uit een niet-verschijnen ter terechtzitting de gevolgtrekking maken die hij geraden acht, op welke bevoegdheid partijen bij tussenvonnis van 2 november 2011 zijn gewezen. In het onderhavige geval brengt het vorenstaande mee de rechtbank uitgaat van de juistheid van hetgeen door en namens [eiser] ter comparitie is verklaard.

4.2. Het verweer dat [gedaagde] reeds op 29 mei 2009 gereed en bereid was om het bedrijfspand af te nemen zal de rechtbank bij gebreke van voldoende onderbouwing passeren. Vast staat dat [gedaagde] reeds vanaf 12 mei 2009 gehouden was het bedrijfspand af te nemen op grond van het kortgedingvonnis van die datum, terwijl evenmin in geschil is dat de feitelijke levering ervan eerst op 21 september 2009 heeft plaatsgevonden. Dat de vertraging in de levering is veroorzaakt door [eiser] of door voor diens risico komende omstandigheden is ter comparitie door [eiser] gemotiveerd betwist.

De wettelijke rente is dan ook toewijsbaar als gevorderd.

4.3. [Eiser] heeft ter comparitie verklaard dat de onder 'Notariskosten' opgevoerde kosten aan hem door de notaris in rekening zijn gebracht en dat deze kosten rechtstreeks verband houden met de vertraging in de levering. Deze 'Notariskosten' dienen dan ook door [gedaagde] als schade aan [eiser] te worden vergoed.

4.4. Ten aanzien van de posten 'Opstalverzekering', 'PWN' en 'Nuon' heeft [gedaagde] gesteld dat er geen noodzaak was voor [eiser] om de gestelde kosten te maken. Ter comparitie heeft [eiser] dit gemotiveerd betwist. Bij gebreke van nadere onderbouwing door [gedaagde] van zijn verweer op dit punt zullen ook deze posten worden toegewezen.

4.5. Met betrekking tot de posten 'Hypotheekrente' en 'Rentelasten rekening-courant' heeft [gedaagde] terecht aangevoerd dat die kosten moeten worden aangemerkt als schadeposten die voortvloeien uit de vertraging van de betaling van een geldsom, welke reeds zijn begrepen in de vergoeding van wettelijke rente. In artikel 6:119 BW is daaromtrent immers bepaald dat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. De rechtbank zal de vordering van [eiser] dan ook afwijzen voor zover die ziet op de posten 'Hypotheekrente', 'Rentelasten rekening-courant' en 'Provisie en kosten rekening-courant'.

4.6. Het vorenoverwogene brengt met zich dat de vordering van [eiser] zal worden toegewezen tot een bedrag van EUR 17.615,28. De gevorderde rente is eveneens toewijsbaar.

4.7. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 90,81

- griffierecht 260,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.254,81

4.8. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 17.615,28 (zeventienduizendzeshonderdvijftien euro en achtentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 19 juli 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.254,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2011.?