Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BV3629

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-09-2011
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
AWB 11/399
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kansspelbelasting

Eiser is kansspelbelasting verschuldigd over de totale winst van 1000 formulieren waarmee telkens is gewed op dezelfde onzekere gebeurtenis omdat de samenvoegingsbepaling in de Wet op de kansspelbelasting van toepassing is zodat het totaal gewonnen bedrag boven de vrijstelling van € 454 uitkwam. Er is geen sprake van 1000 afzonderlijke prijzen die elk onder de vrijstelling van € 454 vallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/425
V-N 2012/19.12 met annotatie van Redactie
FutD 2012-0489
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 11/399

Uitspraakdatum: 27 september 2011

Uitspraak in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

gemachtigde: mr. A.M. Schotte

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P]n, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Stichting [A] (hierna: de Stichting) heeft kansspelbelasting ingehouden en deze op aangifte afgedragen.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 december 2010 het bezwaar van eiser tegen de inhouding te zijner laste inhoudelijk afgewezen.

1.3. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2011. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. T. Enter en mr. T.J.N. Sweet.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. De Stichting (statutaire naam [A1]) biedt onder de naam [B] sportprijsvragen aan. Deze sportprijsvragen bestaan uit het voorspellen van uitslagen van één of meerdere sportwedstrijden.

2.2. Eiser heeft op vrijdag 20 augustus 2010 bij winkeliers in [plaats A] en [plaats B] 1.000 formulieren voor het spel [B] ingevuld. Eiser heeft per formulier € 22 ingelegd, waarbij steeds dezelfde combinatie van uitslagen is aangegeven van drie

voetbalwedstrijden, die in het weekeinde van 21 en 22 augustus 2010 zijn gespeeld.

Alle formulieren leverden eenzelfde prijs op van maximaal € 55.

2.3. Op 23 augustus 2010 wilde eiser het door hem gewonnen prijzengeld incasseren bij de winkelier in [plaats B]. Er is die dag een contant bedrag van € 16.262,40 aan eiser uitbetaald. Tijdens het uitbetalen van het gewonnen geld heeft de Stichting contact opgenomen met de betrokken winkelier. Hierdoor is het resterende bedrag niet op die dag aan eiser uitgekeerd.

2.4. Op dinsdag 31 augustus is € 517 contant aan eiser uitbetaald.

2.5. In september 2010 heeft tussen de gemachtigde van eiser en de Stichting een briefwisseling plaatsgehad. In de brief van 14 september 2010 heeft de Stichting aan eiser medegedeeld dat het resterende bedrag aan eiser per bank zal worden uitbetaald, onder inhouding van een bedrag aan kansspelbelasting.

3. Geschil

3.1. In geschil is of terecht kansspelbelasting is ingehouden. Voorts is in geschil of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de kansspelbelasting ten onrechte is ingehouden omdat prijzen die niet meer bedragen van € 454 van belasting zijn vrijgesteld. Eiser stelt dat hij 1.000 prijzen beneden dit bedrag heeft ontvangen. De prijzen kunnen volgens hem niet bij elkaar worden opgeteld. Op ieder formulier stond een melding waaruit blijkt dat bij kleine prijzen geen kansspelbelasting is verschuldigd. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggaaf van de ingehouden kansspelbelasting.

3.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit artikel 4 van de Wet op de

kansspelbelasting (hierna: de Wet) blijkt dat prijzen die vallen op loten op grond van

dezelfde toevallige gebeurtenis als één prijs moeten worden beschouwd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de ontvankelijkheid.

4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar bij uitspraak op bezwaar is afgewezen en niet niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Het door verweerder aangehaalde dictum “Ik wijs uw bezwaar af.” heeft duidelijk betrekking op de ambtshalve beoordeling door verweerder en de in de eerste helft van de uitspraak op bezwaar uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring is duidelijk, zonder voorbehoud, met redenen omkleed en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.

4.2. Verweerder heeft in zijn verweerschrift te kennen gegeven van mening te zijn dat, gelet op artikel 22j, aanhef en onder b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de uitspraak van het Gerechtshof te ’s Gravenhage van 29 mei 2002 (V-N 2002/48.6), het bezwaarschrift tijdig is ingediend, aangezien de mededeling van de Stichting in de onder 2.5 aangehaalde brief van 14 september 2010 kan worden aangemerkt als een handeling waaruit volgt dat het gewonnen bedrag ter beschikking van eiser staat. De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift vangt dan aan op 15 september 2010. De rechtbank volgt verweerder hierin. Het bezwaar is ontvankelijk. De uitspraak op bezwaar kan niet in stand blijven. Het beroep is gegrond.

4.3. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 9 juni 2006, nr. 41.130, BNB 2006/290 geoordeeld dat indien verweerder de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de belastingrechter die uitspraak vernietigt, de rechter in de regel verweerder dient op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien duidelijk is dat belanghebbende niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet. Nu eiser in zijn beroepschrift de zaak inhoudelijk aan de rechtbank voorlegt en daarmee, ook gelet op zijn uitlatingen tijdens de behandeling ter zitting, net als verweerder vraagt om een inhoudelijk oordeel en tussen partijen geen geschil bestaat over de feiten, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien.

Ten aanzien van de heffing van de kansspelbelasting

4.4. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet wordt onder de naam ‘kansspelbelasting’ een directe belasting geheven van de gerechtigde tot de prijzen van binnenlandse kansspelen, niet zijnde casinospelen, kansspelautomatenspelen of kansspelen welke via het internet worden gespeeld.

4.5. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet is, indien artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c of d, van toepassing is, van belasting vrijgesteld de prijs welke niet meer bedraagt dan € 454. Ingevolge het tweede lid van dit artikel, worden voor toepassing van het eerste lid, tezamen als één prijs beschouwd alle prijzen uit loterijen en prijsvragen welke verschuldigd zijn door dezelfde schuldenaar en vallen op loten of onderdelen van loten op grond van dezelfde toevallige gebeurtenis.

4.6. Eiser heeft via de 1.000 door hem gekochte formulieren telkens gewed op dezelfde toevallige gebeurtenis, namelijk door dezelfde combinatie van de uitslagen van de door hem geselecteerde wedstrijden op deze 1000 formulieren in te vullen. Ingevolge het hierboven aangehaalde tweede lid van artikel 4 van de Wet moeten alle prijzen van deze 1.000 loten welke de Stichting aan eiser verschuldigd is voor de toepassing van de vrijstellingsbepaling als één prijs worden beschouwd. De duidelijke bewoording van de Wet laat geen ruimte open om in het onderhavige geval het samenvoegingsvoorschrift niet toe te passen. In de memorie van toelichting (nummer 5758, nummer 3) van de zitting van 1959/1960 over de invoering van de loterijbelasting wordt deze opvatting bevestigd:

“(…)Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden alle prijzen, welke op grond van dezelfde toevallige gebeurtenis worden toegekend, voor de vraag of er al of niet sprake is van een vrijstelling, als één prijs beschouwd. De bepaling sluit de mogelijkheid uit, dat door splitsing van de loten in series of onderdelen de belasting met gebruikmaking van de vrijstellingen zou worden ontgaan.(…)”

4.7. Het beroep van eiser op de uitspraak van het Hof Den Bosch van 30 december 1981 (FED 8 april 1982, 113/1979) en de uitspraak van de Hoge Raad van 12 januari 1983, BNB 1983/63 kan eiser niet baten. Eerstgenoemde uitspraak heeft betrekking op de situatie waarin op eenvijfde van een lot een prijs valt die boven de vrijstellingsgrens valt. Dit is een onderdeel van een lot en deze valt onder de duidelijke bewoordingen van de Wet, ook al is er geen sprake van misbruik. Niet valt in te zien waarom deze uitspraak zou beletten dat de samenvoegingsbepaling toepassing vindt in de onderhavige situatie. In laatstgenoemde uitspraak overweegt de Hoge Raad dat niet van belang is of de door belanghebbende ingevulde kolommen afzonderlijke loten dan wel onderdelen van eenzelfde lot vormen. Dit is in overeenstemming met de tekst van de wet, waar het voor de samenvoeging van de prijzen niet uitmaakt of de prijzen vallen op hele loten of onderdelen van loten, zolang de verschuldigdheid van de prijzen maar voortvloeit uit dezelfde toevallige gebeurtenis.

4.8. Eiser heeft zich voorts beroepen op het vertrouwensbeginsel in verband met de vermelding op elk individueel deelnameformulier van [B] van de vrijstelling voor kleine prijzen. Dit beroep kan niet slagen. De uitlating is gedaan door de Stichting, een private instelling en niet de door de belastingdienst. Alleen laatstgenoemde kan uitlatingen doen waaraan een belastingplichtige een in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen. Een dergelijke uitlating is door de belastingdienst niet gedaan.

4.9. Gelet op hetgeen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, omdat de gemachtigde ter zitting heeft medegedeeld aan eiser geen honorarium te berekenen. Voor de reiskosten van eiser en zijn gemachtigde veroordeelt de rechtbank verweerder op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de voor vergoeding in aanmerking komende kosten, ad € 44,80, zijnde tweemaal retour tweede klas per openbaar vervoer van [plaats B] naar Haarlem, te vergoeden.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verklaart eiser alsnog ontvankelijk in zijn bezwaar;

- verklaart het bezwaar ongegrond;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 44,80;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Roke voorzitter, mr. A. van Dongen en

mr. A.E. Keulemans, rechters, in tegenwoordigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.