Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BV3095

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
07-02-2012
Zaaknummer
15/740916-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling door vrijwillig politieambtenaren, waarbij het slachtoffer aanzienlijke verwondingen (gescheurde lip en drie afgebroken tanden) heeft opgelopen. Vervolging na art. 12 Sv-procedure. Ongeloofwaardige verklaring verdachte. Verdachte heeft niet gehandeld in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Dit ondermijnt het vertrouwen dat burgers in de politie moeten kunnen stellen. Rechtbank houdt echter ook rekening met moeilijke omstandigheden en tijdsverloop. Volgt oplegging van een werkstraf voor de duur van zestig uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740916-10

Uitspraakdatum: 6 december 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 november 2011 in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 12 juli 2008 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) met kracht tegen/naar de grond heeft gewerkt (al dan niet middels een beenveeg) en/of vervolgens (terwijl [slachtoffer] op zijn buik op de grond lag) een of meermalen tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geduwd en/of geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak. Anders dan de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat het feit dat verdachte is opgeroepen voor de terechtzitting van 22 november 2011 om 09.00 uur, terwijl de behandeling van de zaak - tezamen met de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] - is aangevangen op 22 november 2011 om 10.00 uur, niet leidt tot nietigheid van de dagvaarding. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat het de bedoeling van het openbaar ministerie was om de dagvaarding in te trekken als bedoeld in artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering.

2.2. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu in de onderhavige zaak de redelijke termijn is overschreden. Het ten laste gelegde feit dateert immers van 12 juli 2008 en de inhoudelijke behandeling van de zaak vindt eerst plaats op 22 november 2011, derhalve bijna drie en een half jaar later. Deze vertraging komt volgens de raadsman voor rekening van het openbaar ministerie.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Het ten laste gelegde feit dateert van 12 juli 2008. Bij een aan het slachtoffer [slachtoffer] (hierna te noemen [slachtoffer]) gerichte brief van 23 februari 2009 heeft de hoofdofficier van justitie te Haarlem uiteengezet dat hij de verdachte(n) niet zal vervolgen voor mishandeling en gewezen op de mogelijkheid om over deze beslissing te klagen bij het gerechtshof te Amsterdam.

[slachtoffer] heeft daarop een klaagschrift ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering ingediend, welk klaagschrift op 18 mei 2009 door het gerechtshof te Amsterdam is ontvangen. Bij tussenbeschikking van 11 december 2009 heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van de meervoudige strafkamer op 22 januari 2010 en bevolen dat beide verdachten [verdachte] en [medeverdachte] in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord op het door klager ingediende beklag.

Bij beschikking van 22 februari 2010 heeft het gerechtshof de officier van justitie te Haarlem bevolen om beide verdachten te vervolgen ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft en heeft het hof de last gegeven dat door genoemde officier van justitie de vordering zal worden gedaan als bedoeld in artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering. Naar aanleiding van deze last is op vordering van de officier van justitie is op 22 juli 2010 een gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte geopend, heeft een aantal getuigenverhoren plaatsgevonden en is op 7 juli 2011 ook verdachte zelf door de rechter-commissaris gehoord. Vervolgens is op 7 juli 2011 het gerechtelijk vooronderzoek gesloten en is - na beschikking van deze rechtbank op grond van artikel 225 van het Wetboek van Strafvordering - de dagvaarding aan verdachte op 20 oktober 2011 betekend.

Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank niet gebleken dat onderhavige strafzaak op enig moment onredelijk lang heeft stilgelegen en dat dit zou dienen te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Een en ander leidt tot de conclusie dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf in de vorm van een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van veertig (40) uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door twintig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de officier van justitie de gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 1.907, 35 (tandartskosten á € 1.768,10 + kosten eigen risico á € 139,25) gevorderd met toepassing van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel en tot niet ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij ten aanzien van het overige bedrag van de vordering.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden[1]

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Op 15 juli 2008 heeft de moeder van [slachtoffer] naar het bureau van politie in Haarlem Noord gebeld en daarbij gemeld dat haar zoon door een medewerker van de politie op 12 juli 2008 buitensporig geweld is aangedaan. De verbalisanten [verbalisanten] zijn daarop naar haar woonadres gegaan, alwaar zij een gesprek hebben gehad met [slachtoffer] en zijn moeder.

De verbalisanten namen bij [slachtoffer] het volgende letsel waar: een scheur in de bovenlip en vermoedelijk twee of drie afgebroken tanden.[2] Uit een in het politiesysteem verwerkte mutatie bleek dat verdachte en zijn collega [medeverdachte] bij dit incident betrokken waren geweest.[3]

[Slachtoffer] heeft aangifte van mishandeling gedaan waarbij hij het volgende heeft verklaard:

Op 11 juli 2008 ben ik met twee vrienden naar de Haarlemse honkbalweek gegaan en na afloop zouden wij, na eerst nog wat biertjes bij het feest te hebben gedronken, naar de stad toe gaan. Wachtend voor het verkeerslicht op de Orionbrug hoorde ik het geluid van schreeuwende mensen en zag ik een groep van ongeveer vier personen die ruzie maakten.

Ze stonden aan de overzijde van de weg en ik ben er naar toe gegaan. Ik zei tegen hen: "Doe eens rustig". Plots zag ik de groep hard weglopen. Vervolgens werd ik vastgepakt en tegen de grond gewerkt. Ongeveer direct daarna hoorde ik: "Politie, u bent aangehouden". Ik riep: "Ik heb niets gedaan". Ik werd met mijn handen op de rug gehouden en ik werd met mijn buik op de grond geduwd. Toen ik op de grond lag, voelde ik dat een knie of elleboog in mijn rug werd geduwd. Ik ging een beetje met mijn hoofd omhoog omdat ik het gevoel had dat ik van degene die mij vasthield, moest opstaan. Toen voelde ik een druk op mijn achterhoofd als een soort stoot. Door die duw kwam mijn gezicht op de grond. Ik hoorde een krakend geluid dat uit mijn mond kwam. Ik merkte dat mijn mond kapot was. Ik voelde dat mijn tanden kapot waren. Met mijn tong voelde ik dat mijn bovenlip weg was. Ik was daardoor in shock. Ik hoorde dat er een ambulance was gewaarschuwd. In het ziekenhuis bleek dat mijn bovenlip was gescheurd en dat er drie voortanden waren afgebroken. [4]

Het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen is geconstateerd door de huisarts [naam huisarts][5], door de behandelend arts van het Kennemer Gasthuis[6] te Haarlem en door de tandarts [naam tandarts] .[7]

Een aantal getuigen, te weten [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], alsmede de medewerkers van de surveillance dienst van de regiopolitie Kennemerland waaronder [getuige 4] en [getuige 5] zijn over dit voorval gehoord.

De getuige [getuige 1] heeft het volgende verklaard.

Ik liep op 11 juli 2008 na afloop van de honkbalwedstrijd richting de Orionbrug in Haarlem. Ik zag dat voor mij, vlakbij de Orionbrug, een groep mensen met elkaar ruzie maken. Ik zag dat twee jongens zich er verbaal mee gingen bemoeien. Daarna zag ik dat een politiebus met zwaailichten en sirene met hoge snelheid kwam aanrijden. Ik zag dat twee politiemannen uit het politiebusje stapten. Ik ben doorgelopen en toen ik mij omdraaide zag ik dat de twee politiemannen de jongen die de boel probeerde te sussen vast hadden met zijn handen op de rug. Ik hoorde iemand roepen: "Ho stop nou, je hebt de verkeerde. Hij heeft er niets mee te maken". Ik zag dat twee politiemannen hem vasthielden de zijn armen. Ze liepen met de jongen een stukje vooruit richting de Orionbrug. Ik zag dat de jongen zich verzette of tegenstribbelde. Ik zag dat de jongen met zijn handen op de rug voorovergebogen stond. Daarna zag ik dat de politie mannen de jongen zeer hardhandig tegen de grond werkten. Ik zag dat ze de jongen voorover op het wegdek terechtkwam. Ik zag dat de politiemannen direct op de jongen zijn gedoken. Ik schrok daarvan omdat het met veel geweld gepaard ging. Ik hoorde vervolgens omstanders roepen: "Ho nou, zijn tanden liggen er uit". [8]

De getuige [getuige 2] heeft het volgende verklaard.

In de nacht van vrijdag op zaterdag 12 juli 2008 liep ik samen met anderen waaronder [getuige 3] naar huis. Wij kwamen vanaf het station en liepen richting de Randweg. Wij waren halverwege toen op ongeveer tien meter afstand een politiebusje werd neergezet. Ik zag verschillende mensen wegrennen. Ik zag dat de politieman die de bijrijder was uit het busje stapte en achter één persoon aan rende. Ik hoorde drie mannen, die op een afstand van vier meter stonden, zeggen: "We gaan hier gauw weg". Ik zag de mannen hierna richting het stadion lopen. Ik zag toen een man op de grond liggen op zijn buik bij de brug. Ik zag dat de man op de grond in bedwang werd gehouden door een politie-agent. Ik zag dat de man omhoog wilde komen of zich wilde omdraaien. Er was wel heel wat voor nodig om de man in bedwang te houden. Ik zag dat de politie-agent de man op zijn plek duwde omdat de man omhoog wilde komen. De man kwam daarbij met zijn gezicht op de grond. Ik hoorde de man roepen: "Auw, auw, mijn tanden, ik ben mijn tanden kwijt". Ik zag dat de man op de grond de mij bekende [naam slachtoffer] was.[9]

De getuige [getuige 3], die zelf werkzaam is bij de Koninklijke Marechaussee op Schiphol, heeft het volgende verklaard.

Op 12 juli 2008 wilde ik via de Orionbrug naar huis lopen. Ik zag een groep mensen die verbaal met elkaar bezig waren. Ik hoorde geschreeuw en ik zag ook iemand wegrennen.

Toen ik verder liep met mijn groepje zag ik op de brug een aantal mensen staan die in gesprek waren met twee agenten. Ik hoorde een van de twee duidelijk aangeven dat hij er geen zin in had en niks wilde zeggen. Ik zag en hoorde dat hij zich wilde verwijderen.

Ik zag toen dat een van de agenten hem hierop vast probeerde te pakken en dat later de tweede agent er ook bij kwam. Ik zag dat ze de jongen met zijn tweeën hard naar de grond brachten. Ik zag dat de jongen zich bleef verzetten. Ik zag dat de agenten zijn armen pakten voor ze hem naar de grond brachten. Ik zag dat de jongen zich bleef verzetten.[10]

Ik herkende de man als [naam slachtoffer]. Ik liep door naar het einde van de brug, maar ben wel blijven kijken naar de situatie met [naam slachtoffer]. Ik heb [naam slachtoffer] op de grond zien liggen. Hoeveel tijd er tussen het vallen op straat door [naam slachtoffer] en zijn kreet: "Auw, auw, mijn tanden", zat, weet ik niet meer.[11]

Deze drie getuigen hebben hun verklaring bevestigd tegenover de rechter-commissaris.[12]

Medewerkers van de surveillance dienst van de regiopolitie Kennemerland, [getuige 4], en [getuige 5] (hierna ook [getuige 4] en [getuige 5]) hebben niets van het gebeuren zelf waargenomen maar troffen toen zij (ter assistentie) ter plekke op de Orionbrug kwamen een man liggend op de grond aan. [Getuige 4] zag dat een collega de man in een armklem had. Het was een collega die meedraaide met verdachte. Zij zag dat de persoon die op de grond lag gewond was en hevig uit zijn mond bloedde. Zij zei dat hij de jongen moest loslaten en zag bij de jongen als letsel dat de bovenlip deels weg was en er een scheur liep van het midden van zijn lip naar zijn neus. Ook zag zij dat er voortanden weg waren. Zij gaf de jongen een stuk verband om het bloed te deppen.[13] [Getuige 5] zag dat de blonde collega de man op de grond had gepind en redelijk plat bovenop de man lag met een linkeronderarm over zijn rug waarbij zijn elleboog op een schouderblad rustte. Met zijn rechterarm hield hij zijn linkerarm vast. Het was een statische situatie. De man op de grond kon zijn hoofd nauwelijks omhoog doen.[14]

4.2. Bewijsoverwegingen

Verdachte heeft zelf een andere lezing van het gebeuren gegeven.

Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn collega, medeverdachte [medeverdachte], na melding van een vechtpartij naar de Orionweg is gegaan. Daar zag hij een persoon wegrennen uit een groep. Omdat deze persoon mogelijk was betrokken bij een vechtpartij heeft verdachte de persoon aangesproken. De man liep echter om hem heen waarop verdachte de man bij zijn capuchon heeft vastgepakt. De man viel daarbij met zijn achterste op de grond. Verdachte hielp de man overeind. Zijn collega stond vlak naast hem. De man wilde niets met de politie te maken hebben en liep weg. Na enkele passen viel de man voorover met zijn gezicht op de grond. De man wilde nog steeds wegkomen maar verdachte en zijn medeverdachte wilden de man op de plek houden. De man had al aangegeven dat hij letsel had. Verdachte hield samen met de medeverdachte de man tegen om overeind te komen. Daarbij oefende verdachte druk uit op de rug van de man tussen de schouderbladen.

Verdachte ontkent dat hij de man daarbij tegen het hoofd op de grond heeft geduwd of geslagen waardoor de man letsel zou hebben opgelopen.[15] Ook de medeverdachte heeft dit feit ontkend.[16]

De rechtbank overweegt met betrekking tot deze verklaring het volgende.

De rechtbank constateert dat het relaas van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] op wezenlijke punten in strijd is met de consistente en op hoofdlijnen gelijkluidende verklaringen van de hierboven genoemde getuigen en de aangifte van het slachtoffer, met name met betrekking tot de wijze waarop [slachtoffer] op de grond is beland, en dat de twee versies van de gebeurtenissen op 12 juli 2011 elkaar uitsluitende verklaringen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is op geen enkele wijze gebleken dat [slachtoffer] en de genoemde getuigen er belang bij zouden hebben om in strijd met de waarheid verdachte(n) te beschuldigen.

Daarbij overweegt de rechtbank dat de verklaring van [slachtoffer] dat hij tegen de grond werd gewerkt (en dus niet is gevallen zoals verdachte heeft verklaard) wordt bevestigd door de getuige [getuige 1] en de getuige [getuige 3]. Deze laatste getuige, werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee te Schiphol, kan als professioneel en getraind waarnemer worden beschouwd. De verklaring van [slachtoffer] dat het letsel is ontstaan terwijl hij op de grond lag, wordt in het bijzonder ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 2], die dit vanaf zeer korte afstand heeft waargenomen.

De stelling van verdachte dat het door [slachtoffer] opgelopen letsel afkomstig zou zijn van zijn (eerdere) val, wordt daarentegen door geen enkel bewijsmiddel ondersteund en acht de rechtbank, gelet ook op de overige verklaringen, niet geloofwaardig.

Anders dan de raadsman van verdachte heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van medeplegen, nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt op te maken dat er tussen verdachte en zijn collega [medeverdachte] een bewuste en nauwe samen- werking heeft plaatsgevonden. De medeverdachte [medeverdachte] hield immers ten tijde van het door het slachtoffer opgelopen letsel de benen van het slachtoffer vast, terwijl verdachte op diens rug lag en druk uitoefende op diens schouderbladen.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 12 juli 2008 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], met kracht tegen de grond heeft gewerkt en vervolgens, terwijl [slachtoffer] op zijn buik op de grond lag, eenmaal tegen het hoofd heeft geduwd of geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Voor zover de raadsman van verdachte heeft willen aanvoeren het handelen van verdachte en zijn medeverdachte gerechtvaardigd zou zijn door de aard van hun werkzaamheden en de omstandigheden op dat moment en er in die zin geen sprake zou zijn geweest van opzet, de rechtbank begrijpt "wederrechtelijkheid", overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de inhoud van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken welk doel verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] voor ogen hadden op het moment dat zij het slachtoffer wilden belemmeren zijn weg te vervolgen en op basis waarvan zij daartoe bevoegd waren in de uitoefening van hun taken bij de politie.

Immers naar eigen zeggen van verdachte bestond er tegen [slachtoffer] geen verdenking ter zake van het plegen van enig strafbaar feit, was hem niet gevorderd zich te legitimeren noch was er sprake van handhaving van de openbare orde of hulpverlening.

Dit brengt met zich dat verdachte en zijn medeverdachte niet handelden in overeenstemming met de geldende rechtsregels om te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde of het verlenen van zorg aan hen die deze behoeven, zoals neergelegd in artikel 2 van de Politiewet. Om deze reden kan er geen sprake zijn dat het door verdachte jegens [slachtoffer] gebezigde geweld is gebruikt in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Derhalve is niet gebleken dat de materiële wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde feit ontbreekt. Het feit is dan ook strafbaar en levert op:

mishandeling door twee of meer verenigde personen

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] hebben tijdens hun werkzaamheden als vrijwillig politie-ambtenaar een burger mishandeld, waarbij deze aanzienlijke verwondingen heeft opgelopen, zoals een gescheurde lip en 3 afgebroken tanden. Het slachtoffer heeft naast dit letsel ook psychische schade ondervonden. Echter, bovenal behoort dit feit tot de categorie strafbare feiten die in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt. De burger dient er immers op te kunnen vertrouwen dat een politie-ambtenaar, gelet op het aan hem op grond van de wet verleende geweldsmonopolie te allen tijde handelt in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Dat daarvan in dit geval geen sprake is geweest, ondermijnt het vertrouwen dat burgers in de politie moeten kunnen stellen.

De rechtbank overweegt dat ingeval dit strafbare feit door een burger tegenover een politiefunctionaris zou zijn gepleegd de landelijke oriëntatiepunten inzake de straftoemeting (LOVS) bij het onderhavige feit, een mishandeling met aanzienlijk letsel, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf richtinggevend zou zijn.

De rechtbank houdt echter anderzijds rekening met het feit dat politieambtenaren, waaronder verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte], hun ter bescherming van de maatschappij te verrichten werk vaak onder moeilijke omstandigheden moeten waarmaken en het voor hen op 12 juli 2008 ter plekke terwijl het donker was wellicht niet direct duidelijk is geweest wat zich kort daarvoor had afgespeeld en of, en zo ja, welke rol het slachtoffer daarbij had gespeeld. Daarbij moeten politieambtenaren soms verstrekkende beslissingen nemen in enkele seconden tijd.

Ook houdt de rechtbank rekening met de tijd die is verstreken sedert het plegen van het onderhavige feit. De rechtbank is om deze redenen van oordeel is dat een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in het onderhavige geval niet passend en geboden is.

In plaats daarvan zal de rechtbank kiezen voor de oplegging van taakstraf in de vorm van een werkstraf aan verdachte, welke strafvorm ook door de officier van justitie is gevorderd.

Echter, naar het oordeel van de rechtbank doet de oplegging van slechts een voorwaardelijke werkstraf onvoldoende recht aan de ernst van het door de rechtbank bewezen verklaarde feit en ziet de rechtbank aanleiding een onvoorwaardelijke werkstraf aan verdachte op te leggen met daaraan ook gekoppeld een hoger aantal uren dan door de officier van justitie is gevorderd.

8. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

8.1. Vordering van materiële schade

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 2.107,35 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit:

- tandartskosten € 1.768,10 en

- kosten eigen risico 2008 € 139.25

- kosten eigen risico 2010 € 246,50 (inclusief € 81,50 extra psychologische behandeling)

Tevens wordt de wettelijke rente over het totale bedrag gevorderd

De rechtbank is van oordeel dat deze schade voor zover het gaat om de tandartskosten en de kosten eigen risico 2008, dus tot een bedrag van € 1.907,35 eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

- tandartskosten € 1.768,10 en

- kosten eigen risico € 139,25.

Met betrekking tot de overige posten overweegt de rechtbank dat deze onvoldoende zijn onderbouwd en acht de rechtbank verdere aanhouding van de zaak daartoe een onevenredig zware belasting voor het strafproces.

De vordering zal hoofdelijk worden toegewezen, met inbegrip van de daarover verschuldigde wettelijke rente. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

8.2. Vordering van immateriële schade

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.243,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente over genoemd bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot na te melden bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank vergoeding van de schade tot een bedrag van € 700,- billijk voor.

In zoverre zal de vordering dan ook inclusief de gevorderde wettelijke rente hoofdelijk worden toegewezen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat, indien de medeverdachte [medeverdachte] dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Voor het overige geldt dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en acht de rechtbank een aanhouding van de zaak daarvoor een onevenredige belasting van het strafproces.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige dan ook niet in haar vordering ter zake van immateriële schade ontvangen.

8.3. Opleggen van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht.

Daarom zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten

€ 2.607,35.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 22b, 22c, 36f, 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

veroordeelt verdachte tot het verrichten van ZESTIG (60) UREN taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door dertig (30) dagen hechtenis.

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden materiële en immateriële schade tot een bedrag van € 2.607,35 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer] voornoemd ([adres]) tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte [medeverdachte] is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 2.607,35 , bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 35 dagen hechtenis.

bepaalt dat, voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte [medeverdachte] aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

11. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M. Sassenburg, voorzitter,

mr. J.C.M. Swinkels en S.C.A. van Kuijeren, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. drs. F.A. Rive,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 december 2011.

Voetnoten:

[1] De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

[2] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 juli 2008 (dossierpagina 10)

[3] Melding met rapportage d.d. 12 juli 2008 (dossierpagina 12)

[4] Proces-verbaal van aangifte d.d. 20 augustus 2008 (dossierpagina 17 en verder)

[5] Een schriftelijk stuk, te weten een brief van de huisarts [naam huisarts] d.d. 26 augustus 2008 (dossierpagina 22) en een door hem ingevuld vragenformulier medische informatie van dezelfde datum (dossierpagina 25)

[6] Een schriftelijk stuk, te weten een bericht spoedeisende hulp d.d. 12 juli 2008 van een arts van het Kennemer Gasthuis (dossierpagina 23)

[7] Een schriftelijk stuk, te weten een brief van de tandarts drs. [naam tandarts] d.d. 8 augustus 2008 (dossierpagina 24)

[8] Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 20 augustus 2008 (dossierpagina 26) en aanvullende verklaring d.d. 4 december 2008 (dossierpagina 48 e.v)

[9] Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 17 juli 2008 (dossierpagina 11) en aanvullende verklaringen d.d. 11 september 2008 (dossierpagina 34 en volgende) en 3 december 2008 (dossierpagina 44 e.v.)

[10] Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] d.d. 11 september 2008 (dossierpagina 36 e.v.)

[11] Proces-verbaal getuige [getuige 3] d.d. 2 december 2008 (dossierpagina 40 e.v.)

[12] Verklaring van de getuigen [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3], zoals op 21 oktober 2010 afgelegd tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

[13] Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] d.d. 28 augustus 2011 (dossierpagina 28 e.v.)

[14] Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] d.d. 25 september 2008 (dossierpagina 38 e.v.)

[15] Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 november 2011

[16] Proces-verbaal verhoor [medeverdachte] d.d. 29 oktober 2008 (dossierpagina 53 e.v.)