Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BV2537

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-09-2011
Datum publicatie
27-02-2012
Zaaknummer
10/6563 en 10/6564
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2013:2377, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomsten uit diefstal en oplichting. Deze inkomsten zijn afkomstig uit bronnen van inkomen. De aanwezigheid van die bronnen van inkomen wordt ondersteund door de vermogensvergelijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/552
FutD 2012-0603
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 10/6563 en 10/6564

Uitspraakdatum: 16 september 2011

Uitspraak in de gedingen tussen

X, wonende te Z, eiser,

gemachtigde: Y

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag (aanslagnummer 1190.69.714.H37) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.000 en bij beschikking een bedrag van € 1.960 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2005 een aanslag (aanslagnummer 1190.69.714.H56) ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.000 en bij beschikking een bedrag van € 1.565 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.1. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2010 de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.2.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 november 2010 de aanslag ib/pvv 2005 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.604 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd tot € 1.128.

1.3. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Eiser heeft bij faxbrief van 15 augustus 2011 het beroep nader toegelicht. Deze brief is in afschrift aan verweerder verstrekt.

1.5. Verweerder heeft voor de zitting een pleitnotitie ingezonden, welke in afschrift is verstrekt aan eiser.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2011.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen A en B.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser is op 16 mei 1966 geboren en staat in de in geschil zijnde jaren in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) ingeschreven op het adres xxx te Z. W staat in de in geschil zijnde jaren eveneens op dat adres ingeschreven.

2.2. In voornoemde jaren stonden op het adres xxx volgens de GBA voorts de volgende personen ingeschreven:

- C, geboren 13 juni 1989, dochter van eiser;

- D, geboren 2 april 1984, dochter van eiser;

- E, geboren 16 mei 1990, dochter van W;

- F, geboren 16 mei 1990, zoon van W;

- G, geboren 27 juni 2004, zoon van eiser en W.

2.3. Op 11 juni 2008 heeft verweerder aan eiser een verzoek om informatie gestuurd onder andere met betrekking tot inkomens- en vermogensgegevens over de jaren 2003 tot en met 2007.

2.4. Eiser heeft met verweerder naar aanleiding van de brief van 11 juni 2008 afgesproken mondeling een toelichting te zullen komen verstrekken op 5 september 2008. Eiser is die dag niet ten kantore van verweerder verschenen.

2.5. Bij brief van 11 september 2008 heeft verweerder een boekenonderzoek bij eiser aangekondigd. Verweerder heeft daarbij een overzicht verstrekt van de bij hem bekende gegevens van aan eiser verstrekte uitkeringen over de jaren 2002 tot en met 2007. Voorts heeft verweerder in voornoemde brief een overzicht opgenomen van door verweerder geschatte uitgaven voor levensonderhoud.

2.6. Op 2 oktober 2008 heeft verweerder een gesprek gehad met eiser en W. In het door verweerder ter zake opgemaakte verslag is onder andere het volgende opgenomen:

“(…) Zoals u begrepen zult hebben uit de u eerder gestuurde vragenlijst is het doel van dit gesprek te achterhalen waaruit uw inkomsten hebben bestaan. U en uw partner hebben namelijk in de periode 2003 tot 2007 een aantal auto’s gekocht en verkocht die moeten zijn betaald en daarnaast moet u ook leven.

(…) Ik heb geen auto’s in het bezit gehad dat waren allemaal leaseauto’s.

(…) Waar hebben uw inkomsten dan uit bestaan?

(…) Ik steel en licht mensen op.

(…) Ook die inkomsten zijn belast.

(…) Ik zit tot over mijn oren in de schuld. Dat is begonnen toen mijn eerste vrouw overleed, ongeveer 8 jaar geleden. Die liet mij achter met schulden.”

Voorts heeft verweerder in het verslag opgenomen dat eiser heeft verklaard al zo’n 15 jaar op xxx te Z te wonen.

2.7. Eiser is niet op grond van artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: awr) uitgenodigd tot het doen van aangifte over 2003 en 2005.

2.8. Op 4 december 2008 heeft verweerder aan eiser aangekondigd een navorderingsaanslag ib/pvv 2003 en een aanslag ib/pvv 2005 op te zullen leggen met een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.000, omdat het boekenonderzoek nog niet is afgerond en de termijn voor het opleggen van een (navorderings)aanslag op 31 december 2008 zal verlopen.

2.9. De navorderingsaanslag ib/pvv 2003 is gedagtekend 19 december 2008. De aanslag ib/pvv 2005 is gedagtekend 23 december 2008.

2.10. Op 15 januari 2009 heeft verweerder wederom een gesprek gehad met eiser. Volgens een door verweerder daarvan opgemaakt verslag heeft eiser onder andere verklaard dat W niet werkt en geen inkomsten heeft, maar wel een erfenis heeft gehad.

Voorts heeft eiser volgens het gespreksverslag verklaard:

“Ik verdien € 300 per week, soms wat meer, zeg € 400 of € 500, soms wat minder. Per maand

zo’n € 1.200, € 1.300 of € 1.400, Soms met diefstal of met bedriegen, soms met venten”.

2.11. Van het boekenonderzoek heeft verweerder een rapport opgemaakt met dagtekening

23 juni 2010.

3. Geschil

3.1. In geschil is primair of aan de aanslagen formele gebreken kleven die reeds vernietiging ervan rechtvaardigen. Indien die vraag ontkennend moet worden beantwoord, is in geschil of eiser in 2003 en 2005 naast een uitkering krachtens de Algemene Nabestaandenwet en een bijstandsuitkering beschikt over een of meerdere bronnen van inkomen die in de belastingheffing dienen te worden betrokken. Indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, is de hoogte van de ter zake in aanmerking genomen inkomsten in geschil.

3.2. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de belastingaanslag 2003 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 9.657 en vermindering van de belastingaanslag 2005 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 3.110.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Verweerder heeft in zijn verweerschrift een groot aantal feiten opgenomen die door eiser zijn weersproken. Ter zitting heeft verweerder toegelicht uit welke bronnen de informatie afkomstig is. Aangezien eiser buiten de enkele weerspreking niets heeft ingebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verweerder onjuiste informatie tot uitgangspunt heeft genomen, acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden zoals hieronder opgenomen onder 4.1.2 tot en met 4.1.13 door verweerder voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.

4.1.2. Eiser wordt door de gemeente aangeslagen voor de gemeentelijke belastingen (OZB).

4.1.3. Eiser huurt de woonwagen van woningbouwvereniging V. Per 1 januari 2004 betrof de huurachterstand € 11.898,60. De bekende huurprijzen bedragen per maand:

2004 2005 2006 2007 2008

le halfjaar € 271,20 € 271,21 € 278,53 € 287,44 € 290,60

2e halfjaar € 271,20 € 278,53 € 287,44 € 290,60 € 295,25

Per jaar € 3.254,40 € 3.298,44 € 3.395,82 € 3.468,24 € 3.515,10

Per jaar zijn de volgende bedragen aan V / de deurwaarder betaald.

Betaald € 2.680,50 € 3.762,95 € 3.197,91 € 5.600 € 5.725

4.1.4. De energie voor het adres xxx te Z wordt geleverd door U. Het contract met U is afgesloten door eiser. Eiser betaalt contant op acceptgiro bij het postkantoor. Eiser betaalt in 2003 € 3.098,77 en in 2005 € 5.600.

4.1.5. Eiser geniet in 2003 een uitkering (Algemene Nabestaandenwet) van de Sociale Verzekeringsbank ad. € 3.033. Over dit inkomen is geen loonheffing ingehouden. Eiser geniet in 2003 ook een bijstandsuitkering van de gemeente Z ad. € 6.624. Over dit inkomen is € 1.692 aan loonheffing ingehouden.

4.1.6. Eiser geniet in 2005 een uitkering (Algemene Nabestaandenwet) van de Sociale Verzekeringsbank ad. € 3.067. Over dit inkomen is geen loonheffing ingehouden.

In januari 2005 heeft eiser € 43 aan bijstand ontvangen van de gemeente Z. Hierover is € 17 aan loonheffing ingehouden.

4.1.7. Eiser beschikt over één bankrekening. Deze bankrekening bevat de volgende saldi:

1-1-2003 1-1-2004 1-1-2005 1-1-2006

- Postbank / ING yyy € 266,28 € 524,84 € 8,53 € 54,28

4.1.8. W geniet tot 30 juni 2003 een WW-uitkering van het UWV ad. € 2.828. Over dit inkomen is € 26 aan loonheffing ingehouden.

4.1.9. In 2003 heeft W aangifte ib/pvv gedaan naar een inkomen van € 2.826. Vanaf 30 juni 2003 tot heden geniet W geen inkomen. Vanaf 2004 dient W geen aangifte ib/pvv in.

4.1.10. W beschikt over bankrekeningen met de volgende saldi:

1-1-2003 1-1-2004 1-1-2005 1-1-2006

-Rabobank aaa - € 0 € 875,84 € 73,60

-ABN Amro bbb - - € 3.766,66 € 81,02

De Rabobank rekening is per 1 januari 2004 geopend.

4.1.11. Uit het Houderschapsbelastingsysteem blijkt dat eiser onderstaande auto’s op naam heeft gehad:

- Volkswagen Polo met kenteken ccc. De auto heeft als bouwjaar 1996. De nieuwprijs

(1996) bedraagt € 13.758. Eiser heeft de auto gedurende de periode 23 februari 2005 tot

5 juni 2005 op naam gehad.

- Mercedes (Vito bestelbus) 110 CDI met kenteken ddd. De auto heeft als bouwjaar 1999. De nieuwprijs is niet bekend. Eiser heeft deze auto gedurende de periode 19 november 2003 tot 1 februari 2004 op zijn naam gehad.

4.1.12. Uit het Houderschapsbelastingsysteem blijkt dat W onderstaande auto’s op haar naam heeft gehad:

- BMW X5 met kenteken eee gedurende de periode 12 november 2004 tot en met 9 september 2007. De auto heeft als bouwjaar 2003;

- Volkswagen Polo met kenteken fff gedurende de periode 16 september 2004 tot 6 februari 2006. De auto heeft als bouwjaar 2004 en heeft een geschatte nieuwwaarde van

€ 15.922;

- BMW 318i met kenteken ggg gedurende de periode van 30 januari 2004 tot 17 november 2004. De auto heeft als bouwjaar 2002 en een geschatte nieuwwaarde van

€ 35.636;

- Mini Cooper met kenteken hhh gedurende de periode 3 juni 2003 tot 5 februari 2004. De auto heeft als bouwjaar 2001 en heeft een geschatte nieuwwaarde van € 22.578;

- Citroen Berlingo 1.9D met kenteken iii gedurende 27 februari 2003 tot 12 juni 2003. De auto heeft als bouwjaar 2002. Het betreft een gesloten bedrijfswagen met een nieuwprijs in 2002 van € 10.348.

4.1.13. De BMW X5 met kenteken eee is aangekocht op 29 oktober 2004 bij T B.V. te Z en gefinancierd middels een lening bij BMW Financial Service. De financiering is aangegaan voor een bedrag van € 47.936. In 2005 is een bedrag van € 12.259 aan rente en aflossing betaald.

4.2. Primair heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 en de aanslag ib/pvv 2005 niet heeft ontvangen en daarom betwist dat deze binnen de daarvoor geldende termijn zijn opgelegd. Ingevolge artikel 11, derde lid, van de awr vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Artikel 5, eerste lid, van de awr regelt dat de vaststelling van de belastingaanslag geschiedt door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door verweerder. In de tweede volzin van het eerste lid van artikel 5 is geregeld dat de dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vaststelling van de belastingaanslag. Aangezien de aanslag ib/pvv 2005 is opgelegd met dagtekening 23 december 2008 en de dagtekening van de aanslag als dagtekening van de vaststelling heeft te gelden en overigens tussen partijen niet in geschil is dat de aanslag is verzonden, is deze binnen de driejaarstermijn en derhalve tijdig opgelegd. Met betrekking tot de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 regelt artikel 16, derde lid, van de awr dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Aangezien de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 is opgelegd met dagtekening 19 december 2008 en de dagtekening van de aanslag als dagtekening van de vaststelling heeft te gelden en overigens tussen partijen niet in geschil is dat de aanslag is verzonden, is deze binnen de vijfjaarstermijn en derhalve eveneens tijdig opgelegd.

4.3.1. Eiser heeft zich dan, naar de rechtbank begrijpt, op het standpunt gesteld dat voor het handelen van verweerder voorafgaand aan het opleggen van de belastingaanslagen een wettelijke grondslag ontbreekt dan wel verweerder in die fase heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur nu hij zijn bevoegdheden heeft gebruikt voor een doel waarvoor deze niet zijn bedoeld. Verweerder heeft bovendien verzuimd bij het opleggen van de in geschil zijnde aanslagen aan eiser mee te delen op welke wetsartikelen de aanslagen zijn gebaseerd. Met betrekking tot de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 heeft eiser voorts nog gesteld dat deze ten onrechte en in strijd met de wet ‘ter behoud van rechten’ is opgelegd.

Tot slot heeft eiser gesteld dat verweerder hem had moeten meedelen dat hij niet tot antwoorden verplicht was, aangezien de redelijke verwachting bestond dat hem een bestuurlijke boete zou worden opgelegd. Dit onrechtmatig handelen van verweerder dient te leiden tot vernietiging dan wel vermindering van de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 als ook de aanslag ib/pvv 2005, aldus eiser.

4.3.2. Verweerder heeft op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de awr op 11 juni 2008 aan eiser vragen gesteld welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Nadat eiser op een afspraak op 5 september 2008 niet is verschenen, heeft verweerder op 11 september 2008 een boekenonderzoek bij eiser aangekondigd met als doel een beoordeling van de eventuele belastingschuld voor de inkomstenbelasting en de omzetbelasting voor de periode 2003 tot en met 2007 en onder vermelding van de relevante bepalingen uit de awr. Vooruitlopend op het voorgenomen boekenonderzoek heeft verweerder op 2 oktober 2008 met eiser een gesprek gehad op het kantoor van verweerder. Gezien de naderende verjaringstermijn voor het opleggen van de aanslag ib/pvv 2005 en de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 heeft verweerder op 4 december 2008 aangekondigd aanslagen ter behoud van rechten te zullen opleggen vóór 31 december 2008. De navorderingsaanslag ib/pvv 2003 is opgelegd met dagtekening 19 december 2008. Op het aanslagbiljet is vermeld dat deze is gebaseerd op artikel 16 awr. De aanslag ib/pvv 2005 is opgelegd met dagtekening 23 december 2008. Op het aanslagbiljet is vermeld dat deze is gebaseerd op artikel 11 awr. Eiser heeft gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat verweerder met deze handelwijze heeft gehandeld in strijd met wettelijke bepalingen en/of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In het bijzonder heeft eiser niet onderbouwd met welke wettelijke bepalingen verweerder in strijd zou hebben gehandeld. Voor zover eiser heeft gesteld dat verweerder aangiften had behoren uit te reiken in plaats van een boekenonderzoek in te stellen en hij daardoor gebruik heeft gemaakt van bevoegdheden voor een doel waarvoor hij deze niet heeft gekregen, is die stelling evenmin onderbouwd. Dat verweerder geen navorderingsaanslag zou mogen opleggen ter behoud van rechten en dat die aanslag daarom nietig zou zijn, berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste rechtsopvatting. Weliswaar is verweerder gehouden de aanslag ter behoud van rechten te voorzien van ten minste een minimale motivering en dient hij overigens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, maar aangezien het onderzoek naar de eventuele belastingschuld van eiser klaarblijkelijk nog niet was afgerond, stond het verweerder vrij een aanslag ter behoud van rechten op te leggen.

4.3.3. Het standpunt van eiser dat verweerder aan eiser, naar de rechtbank begrijpt, voorafgaand aan het gesprek van 2 oktober 2008 de cautie had moeten geven, kan de rechtbank niet volgen. Aan eiser is immers geen boete opgelegd. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat eiser erop had moeten worden gewezen dat aan hem vragen zouden worden gesteld met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete, op welke vragen eiser alsdan niet verplicht zou zijn geweest te antwoorden. De vragen die verweerder aan eiser heeft gesteld, zijn gesteld op grond van artikel 47 van de awr en met het oog op de belastingheffing, op welke vragen eiser wel gehouden is antwoord te geven.

4.4.1. Op verweerder rust vervolgens de bewijslast aannemelijk te maken dat eiser in 2003 en 2005 naast uitkeringen heeft beschikt over een of meerdere bronnen van inkomen welke niet als resultaat uit overige werkzaamheden in de belastingheffing zijn betrokken. Verweerder heeft in dat verband gewezen op de verklaring van eiser dat hij vent, steelt en mensen oplicht en daarmee € 300 tot € 500 per week en € 1.200 tot € 1.400 per maand verdient. Verweerder heeft voorts vermogensvergelijkingen gemaakt over de jaren 2004 tot en met 2008 waaruit zou moeten worden afgeleid dat eiser een uitgavenpatroon heeft dat slechts deels wordt gedekt met bij verweerder bekende inkomsten. Voorts heeft verweerder gewezen op een door de boekhouder van eiser ingediende aangifte ib/pvv over het jaar 2005 waarin een winst uit onderneming van € 11.980 is opgenomen.

4.4.2. Voor het jaar 2003 heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser een of meerdere niet in de belastingheffing betrokken bronnen van inkomen had. Verweerder heeft over het jaar 2003 geen vermogensvergelijking gemaakt en eiser heeft niet toegegeven dat hij in dat jaar naast de genoten uitkeringen over andere bronnen van inkomen heeft beschikt. Uit het gespreksverslag van 2 oktober 2008 (zie punt 2.6) kan niet worden afgeleid dat eiser heeft toegegeven ook in 2003 niet-opgegeven inkomsten te hebben genoten. Daarop was de vraagstelling ook niet nadrukkelijk toegespitst en uit de beantwoording van de gestelde vragen kan slechts in zijn algemeenheid worden afgeleid dat eiser in de loop der jaren geld heeft verdiend met diefstal en oplichting. Dat voor de vermogensvergelijking te weinig gegevens beschikbaar waren, dient niet voor rekening van eiser te komen en is onvoldoende reden om het gemiddelde negatief privé van de vermogensvergelijkingen over de jaren 2004 tot en met 2008 te kunnen extrapoleren naar 2003. Dat desalniettemin reden is om te veronderstellen dat eiser ook in 2003 inkomsten heeft genoten die ten onrechte buiten de belastingheffing zijn gebleven, is door verweerder met hetgeen hij overigens heeft ingebracht niet aannemelijk gemaakt. Dat eiser en W in 2003 volgens het Houderschapssysteem een deel van het jaar enkele auto’s op hun naam hadden staan, is daartoe onvoldoende. Het vorenstaande betekent dat de aanslag ib/pvv 2003 dient te worden verminderd, zoals eiser voorstaat.

4.4.3. Voor het jaar 2005 acht de rechtbank echter voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van inkomsten die ten onrechte niet in de heffing zijn betrokken. Eiser heeft immers toegegeven dat hij naast de uitkeringen nog andere bronnen van inkomen had welke aanwezigheid door de ter zitting toegelichte vermogensvergelijkingen wordt ondersteund. Dat eiser zoals hij heeft gesteld - evenals voor 2003 - voor 2005 niet heeft toegegeven dat hij andere inkomsten heeft genoten, maakt het oordeel niet anders nu de aanwezigheid van andere inkomsten nu juist kan worden afgeleid uit de vermogensvergelijking die verweerder ook voor het jaar 2005 heeft gemaakt op grond van door eiser geleverde informatie en welke vermogensvergelijking de rechtbank goed kan volgen. Voorts heeft eiser via zijn gemachtigde onder zijn eigen verantwoordelijkheid een aangifte ingediend waarin een bedrag van € 11.980 aan winst uit onderneming is opgenomen. Eisers stelling dat aan die door de boekhouder van eiser ingediende aangifte geen waarde toekomt aangezien de boekhouder maar wat heeft ingevuld acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Eiser heeft na indiening van die aangifte ook geen enkele poging ondernomen om een aanvulling op die aangifte in te dienen tot herstel van die naar zijn mening volstrekt verzonnen aangifte.

4.5.1. Met betrekking tot het jaar 2005 resteert dan nog te beoordelen of verweerder de hoogte van het door eiser genoten resultaat uit overige werkzaamheden aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft in de vermogensvergelijking uitgaande van een begin- en eindvermogen een overzicht gemaakt van alle via de bankrekeningen lopende benoemde inkomsten. Daarmee heeft verweerder een voor privé-uitgaven beschikbaar bedrag vastgesteld. Vervolgens heeft verweerder aan de hand van de bankrekeningen een overzicht gemaakt van de benoemde uitgaven. Het saldo van de benoemde inkomsten en uitgaven heeft verweerder nog vermeerderd met uitgaven die weliswaar niet ten laste van de bankrekeningen zijn gekomen, maar wel uitgaven betreffen die eiser moet hebben gemaakt, zoals kosten levensonderhoud voor het gezin, ziektekosten, kosten van telefoonabonnement, staangeld voor de woonwagen, brandstofkosten voor de auto’s en kosten voor gas, water en licht. Met de vermogensvergelijking en de toelichting daarop ter zitting heeft verweerder de omvang van de niet aangegeven inkomsten voldoende aannemelijk gemaakt, behoudens een spaarbedrag van € 2.000 voor de Citroën die uiteindelijk in 2008 is aangeschaft. Verweerder heeft toegelicht dat eiser het aankoopbedrag over meerdere jaren zal hebben inverdiend. Dat een dergelijk bedrag in 2005 is verdiend en afgezonderd ten behoeve van de aanschaf van een auto in 2008, heeft verweerder met het vorenstaande echter niet aannemelijk gemaakt. Wel heeft verweerder in het verweerschrift aangegeven dat de aanslag desalniettemin eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Daartoe heeft verweerder onder andere gesteld dat in de vermogensvergelijking geen rekening is gehouden met een hoger bedrag aan uitgaven voor de BMW X5 van € 2.209, een bedrag aan onderhoud en reparatie voor de auto’s, een hoger bedrag van € 2.296 aan motorrijtuigenbelasting, een hoger bedrag van € 3.100 U en uitgaven voor gemeentelijke belastingen. Met het vorenstaande heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de aanslag tot een juist bedrag is opgelegd.

4.5.2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de vermogensvergelijking niet deugt en daartoe onder andere het volgende ingebracht. Eiser had omvangrijke schulden. Eiser woonde niet de gehele in geschil zijnde periode met W samen en er was geen sprake van ‘financieel samenwonen’. Er is ten onrechte geen rekening gehouden met mogelijke inkomsten van andere gezinsleden. Voorts is verweerder uitgegaan van kosten levensonderhoud voor het gehele gezin op grond van NIBUD-normen die niet van toepassing zijn op het gezin van eiser.

4.5.3. Eiser heeft behoudens blote stellingen niets ingebracht ter onderbouwing van zijn stelling dat de berekening van verweerder ondeugdelijk is. Dat eiser schulden heeft, doet aan de vermogensvergelijking niet af. Die hebben immers geen invloed op het resultaat van de vermogensvergelijking. Een toe- of afname van de schulden in 2005 daarentegen heeft wel invloed op de vermogensvergelijking en daarmee heeft verweerder voor zover eiser stukken heeft aangedragen ook rekening gehouden. Voor de stelling dat W niet de gehele periode met eiser heeft samengewoond, en zoals eiser kennelijk betoogt met haar kosten levensonderhoud of uitgavenpatroon dan geen rekening mag worden gehouden, heeft eiser geen bewijs bijgebracht, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. Evenmin is enig bewijs ingebracht dat andere gezinsleden inkomsten hebben genoten en dat deze zijn gebruikt om mede te voorzien in het levensonderhoud van het gezin. Dat de NIBUD-normen niet op het gezin van eiser van toepassing kunnen zijn, heeft eiser ook niet onderbouwd, terwijl de rechtbank het bedrag dat verweerder ter zake in aanmerking heeft genomen niet onaannemelijk voorkomt, mede gezien de omvang van het gezin van eiser.

4.6. De beroepen tegen de beschikkingen heffingsrente heeft eiser niet afzonderlijk onderbouwd. Omdat de beroepsgronden tegen de belastingaanslag ib/pvv 2003 echter doel treffen, zal het beroep tegen de beschikking heffingsrente 2003 eveneens gegrond worden verklaard. Omdat de beroepsgronden tegen de belastingaanslag ib/pvv 2005 geen doel treffen, zal het beroep tegen de beschikking heffingsrente 2005 eveneens ongegrond worden verklaard.

4.7. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep tegen de navorderingsaanslag ib/pvv en de heffingsrentebeschikking 2003 gegrond en tegen de aanslag ib/pvv en heffingsrentebeschikking 2005 ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep met betrekking tot de navorderingsaanslag ib/pvv en de heffingsrentebeschikking 2003 gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 en de daarmee samenhangende heffingsrentebeschikking;

-vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.657, vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

-verklaart het beroep tegen de aanslag ib/pvv en de heffingsrentebeschikking 2005 ongegrond;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 874;

-gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter, mr. C.M. van Wechem en mr. S.K.A. Efstratiades, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.