Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BV2319

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
31-01-2012
Zaaknummer
171485 / FA RK 10-2342
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwikkeling huwelijkse voorwaarden: een verdeling dient plaats te vinden alsof partijen in gemeenschap van goederen waren getrouwd, derhalve het vermogen minus de schulden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel, familie- en jeugdrecht

zaaknummer / rekestnummer: 171485 / FA RK 10-2342

Beschikking van 27 december 2011 betreffende de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. S. Bouddount, gevestigd te Amsterdam,

tegen

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. F. van der Meij, gevestigd te Amsterdam.

1. De verdere procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank d.d. 13 juli 2010;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 13 september 2010 ;

- de dagbepalingsbeschikkingen van deze rechtbank van 25 januari 2011 en 5 april 2011 en de daarin gemelde stukken;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 18 april 2011;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 7 juni 2011;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de man van 17 juni 2011;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 11 augustus 2011;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 17 november 2011.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 13 juli 2010 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aangehouden, met de bepaling dat partijen een volledig overzicht van de samenstelling van de eenvoudige gemeenschap op de vastgestelde peildatum en de waarde van de verschillende bestanddelen, te voorzien van bewijsstukken uiterlijk 7 september 2010 respectievelijk acht weken daarna dienen over te leggen.

De echtscheidingsbeschikking is op 29 juni 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2. Artikel 14 van de akte huwelijkse voorwaarden van partijen luidt als volgt:

“Ingeval het huwelijk wordt ontbonden of tussen de echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, is ieder der echtgenoten verplicht tot een verrekening, zo, dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest in dien er de algehele gemeenschap van goederen tussen hen bestaan had.

De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van de ontbinding van het huwelijk tengevolge van overlijden of ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, naar de toestand naar de aanvang van de dag van het instellen van de vordering daartoe”.

2.3. Uit het voorgaande volgt dat de peildatum voor de verrekening de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is, te weten 2 februari 2010. Ter gelegenheid van de zitting hebben partijen ook verklaard dat deze datum als peildatum heeft te gelden. Voorts hebben partijen overeenstemming over het feit dat uit voornoemd artikel volgt dat tussen hen een verdeling dient plaats te vinden alsof partijen in gemeenschap van goederen waren getrouwd, derhalve het vermogen minus de schulden op datum 2 februari 2010. Ter zitting heeft de vrouw verzocht dat de rechtbank de verdeling vaststelt.

Partijen hebben aangegeven dat tot de te verdelen gemeenschap de volgende onderdelen behoren, waarbij de inboedel reeds is verdeeld.

2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat op 2 februari 2010 de man een schuld aan Visa had van € 3.296,00. Voorts is niet in geschil dat per deze peildatum tot de gemeenschap behoort twee beleggingsverzekeringen bij [naam maatschappij] (polisnrs: [nummer] en [nummer]) met een totale waarde van € 18.477,00.

2.5. Partijen verschillen van mening of de schuld aan de Rabobank (rekeningnr. [nummer] op naam van de man) op de peildatum bestond en tot de gemeenschap behoort. Door de man is - voorafgaand aan de zitting van 8 juni 2010 - een kredietovereenkomst met de Rabobank overgelegd, welke is gedateerd en getekend op 10 februari 2010. Ter gelegenheid van de zitting van 29 november 2011, heeft de man gesteld dat de door hem overgelegde kredietovereenkomst een wijziging betreft van de eerdere overeenkomst tussen hem en de bank, waardoor de schuld niet is ontstaan na de peildatum, maar juist daarvoor. Deze overeenkomst, aldus de man, is alleen maar vernieuwd op 10 februari 2010.

Tegenover de gemotiveerde betwisting hiervan door de vrouw, is de man gehouden zijn standpunt te onderbouwen met stukken, zoals bijvoorbeeld de eerdere overeenkomsten. Noch bij brief van 7 juni 2011, van 17 juni 2011 noch van 11 augustus 2011 heeft de man enig stuk ter zake van deze schuld in het geding gebracht. Nu hij heeft verzuimd zijn standpunt met nadere stukken te onderbouwen, is de rechtbank van oordeel dat niet is aangetoond dat de onderhavige schuld op de peildatum reeds bestond. De rechtbank houdt met deze schuld geen rekening bij de vermogensopstelling.

2.6. De vrouw stelt dat er op de peildatum aanwezig was bij de man een vermogen van

€ 54.787,78. De man betwist dat dit vermogen nog aanwezig was, dat is voor de peildatum door beleggingen verloren gegaan. De rechtbank oordeelt als volgt.

Tussen partijen is in confesso dat als er nog vermogen was op de peildatum, dit door partijen moet worden verdeeld. Het staat vast dat na de verkoop in 2008 van de woning van de man aan overwaarde een bedrag van € 84.787,78 van de notaris is ontvangen op 2 juni 2008 door middel van storting op de rekening van de vrouw (conform het bankafschrift van 4 juni 2008, overgelegd bij brief van 18 april 2011) en dat de vrouw op 3 juni 2008 een bedrag van

€ 73.800,00 (€ 35.000,00 en € 38.800,00) heeft overgemaakt op rekening (nr. 3023.23.228) van de man en een bedrag van € 3.600,00 op 25 oktober 2009. Tussen partijen is niet in geschil dat een deel van het ontvangen bedrag aan overwaarde, te weten € 30.000,00, is aangewend om schuldeisers ([naam schuldeiser]) van de man te betalen.

De man stelt dat het resterende bedrag door de vrouw is belegd via bij Amerikaanse brokers [naam broker 1] en [naam broker 2] geopende rekeningen. Bij brief van 7 juni 2011 heeft de man stukken uit 2008 overgelegd waaruit blijkt, aldus de man, dat het geldbedrag verloren is gegaan. De vrouw betwist de stellingen van de man. Van de beleggingen waar de man naar verwijst weet zij niets, het was de man die altijd beleggingen deed. Zij wijst er op dat de door de man overgelegde stukken van [naam broker 1] en [naam] (inzake [naam broker 2]) weliswaar haar naam vermelden, maar het vermelde adres is van de moeder van de man. De man heeft ter zitting erkend dat het op genoemde stukken vermelde adres van zijn moeder is en niet van de vrouw. Voorts wijst de vrouw erop dat het geldbedrag na ontvangst van de notaris onmiddellijk is overgemaakt op rekening van de man en dus niet meer op haar bankrekening stond, hetgeen onlogisch zou zijn als zij dan vervolgens zou gaan beleggen met dat geld.

De vrouw had in dat kader bij brief van 18 april 2011 het vermoeden uitgesproken dat de man andere rekeningen heeft waar dit geldbedrag op staat, hetgeen tijdens het huwelijk niet ongebruikelijk was, aldus de vrouw. Zowel in deze brief als bij brief van 17 november 2011 wijst de vrouw erop dat de man weigert stukken/bankafschriften te overleggen, waar zijn standpunt uit kan volgen. Zij betwist dat het geldbedrag door beleggingen is verdwenen.

Tegenover deze gemotiveerde betwisting, en mede gelet op het bepaalde in de beschikking van de rechtbank van 13 juli 2010 omtrent het overleggen van stukken (zie r.o. 2.1), alsook de inhoud van de brieven van de vrouw van 18 april 2011 en 17 november 2011, lag het op de weg van de man om zijn stelling nader met stukken te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. De man wijst weliswaar op een paar stukken van [naam broker 1] en een brief van [naam] (inzake [naam broker 2]), doch uit deze stukken kan geenszins worden opgemaakt dat het door de man op 3 juni 2008 op zijn rekening ontvangen geldbedrag naar deze beleggingsrekeningen zou zijn overgemaakt noch dat de vrouw hiermee vervolgens heeft belegd en evenmin dat het betreffende geldbedrag vervolgens verloren zou zijn gegaan. Daar komt bij dat uit het bij brief van 28 mei 2010 overgelegde overzicht van [naam broker 2] (productie 8), nu juist blijkt dat al in mei 2008 – derhalve een maand vóórdat het geldbedrag van de overwaarde werd ontvangen door partijen – geldbedragen werden belegd, waarbij volgens dat overzicht in die periode sprake was van een ‘Ending cash balance’ van

$ 68,539.13. Niet valt uit te sluiten dat met dit geldbedrag is belegd en niet met het geldbedrag uit de overwaarde.

Nu de man zijn stellingen niet deugdelijk heeft onderbouwd, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Bij gebrek aan andere aanknopingspunten heeft derhalve als uitgangspunt heeft derhalve te gelden dat op de peildatum aan vermogen aanwezig was: € 84.787,78 minus

€ 30.000,00 = € 54.787,78.

Mede gelet op hetgeen is overwogen onder r.o. 2.4, leidt dit tot de volgende rekensom:

€ 54.787,78

€ 18.477,00

€ 73.264,78

€ 3.296,00 –

€ 69.968,78 : 2

De rechtbank zal bepalen dat de man uit hoofde van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw een bedrag dient te voldoen van € 34.984,39.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. stelt de verdeling vast en bepaalt dat de man uit hoofde van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 34.984,39,

3.2. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.3. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. de Vries en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.E. Lee op 27 december 2011.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.