Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BV1707

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-10-2011
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
10/3375
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbonden vennootschap en ontvankelijkheid. Is de vennootschap als binnenlands belastingplichtige aan te merken? Omkering bewijslast. Hoogte van de belastbare winst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-1653 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 10/3375

Uitspraakdatum: 27 oktober 2011

Uitspraak in het geding tussen

X S.A., gevestigd te Z, eiseres,

gemachtigde: mr. M.B.C.R. Heemskerk

en

de inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi/ kantoor Utrecht, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 31 december 2008 voor het jaar 1996 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd ten bedrage van hfl. 7.002.000, bij beschikking heffingsrente ad hfl. 3.108.197 in rekening gebracht en bij beschikking een vergrijpboete ten bedrage van hfl. 550.927 (€ 250.000) opgelegd.

1.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 28 mei 2010 de navorderingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3 Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2011. Namens eiseres is daar verschenen haar gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen A en B. Het onderzoek ter zitting is vervolgens geschorst.

1.5. Partijen hebben nadere stukken ingebracht, waarvan kopieën over en weer zijn verstrekt.

1.6. Op 16 september 2011 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Aldaar is gemachtigde verschenen, bijgestaan door D en E. Namens verweerder zijn verschenen A, B en C. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres is een vennootschap opgericht naar het recht van Luxemburg. Zij is opgericht op [datum] 1995 in Luxemburg.

2.2. Eiseres was statutair gevestigd te Luxemburg en heeft omstreeks mei 2004 haar zetel verplaatst naar de Britse Maagdeneilanden. D was op dat moment enig aandeelhouder in eiseres. In dat jaar zijn voorts de aandelen in eiseres overgedragen aan W Inc. De aandelen in laatstgenoemde vennootschap waren eveneens in handen van D.

2.3. Bij notariële akte van 21 september 2004 is eiseres ontbonden en vereffend. Daarbij trad W Inc. op als vereffenaar. De toenmalige statutair directeur van eiseres, F, trad daarbij blijkens genoemde akte op namens W Inc. Laatstgenoemde vennootschap is op haar beurt geliquideerd op 8 december 2004.

2.4. D maakte in het onderhavige jaar gebruik van een trustkantoor, V te P (hierna: V). De heer G (hierna: G) was grootaandeelhouder in en directeur van V. De heer H (hierna: H) onderhield voor V het contact met D. D heeft bij V aangegeven belangstelling te hebben voor vennootschappen met vervangingsreserves. Via een zakenrelatie van V in Luxemburg, genaamd U, is eiseres op verzoek van D opgericht.

2.5. De eerste aandeelhouders van eiseres waren T N.V. en de heer I. T N.V. is een managementvennootschap van U die werd gebruikt om aandelen te houden voor cliënten. De heer I was grootaandeelhouder van U. Op 9 november 1998 zijn de aandelen omgezet in die aan toonder en kwamen ze in bezit van D. Eiseres was toen “leeg”.

2.6. De directie van eiseres bestond na de oprichting uit de heren I en G en uit U, een vennootschap gelieerd aan V. Eiseres had een bankrekening in Luxemburg waarover V de controle had.

2.7. De ten tijde van de oprichting van eiseres gesloten management agreement met U is ondertekend door D. D is daarin aangemerkt als de zogenoemde ultimate beneficial owner (hierna: ubo) van eiseres. In de overeenkomst is afgesproken dat U geheimhouding zal betrachten met betrekking tot de identiteit van de ubo (D).

2.8. Medio 2002 heeft U de administratie van eiseres overgedragen aan S SA, een zustervennootschap van V (dat dan inmiddels V B.V. heet). De opdracht daartoe was afkomstig van D in diens hoedanigheid van ubo. Er worden nieuwe management- en directieovereenkomsten gesloten; hierin staat D genoemd als ubo van eiseres.

2.9.1. Verweerder heeft eiseres in een brief van 26 januari 2010 erop gewezen dat de trustkantoren die de administratie van eiseres voerden, niet op de hoogte waren van wat zich afspeelde in eiseres en dat zij met de grootste moeite informatie van (uiteindelijk) D verkregen. Verweerder baseert zich hiervoor op – tot de gedingstukken behorende – getuigenverklaringen van medewerkers van genoemde trustkantoren en op correspondentie tussen de genoemde trustkantoren met betrekking tot verzoeken tot het samenstellen van de jaarrekeningen van eiseres.

2.9.2. In een emailbericht van 15 juni 2001 heeft een medewerker van U aan de heer H van V verzocht meer informatie te verschaffen opdat hij de jaarrekeningen van eiseres over de jaren 1995 tot 2000 kon opmaken.

2.9.3. Nadat de administratie van eiseres is overgedragen heeft een medewerker van S SA (F) geconstateerd dat het medio 2002 aan hen overgedragen dossier onvolledig is. Sinds de oprichting van eiseres in 1995 waren geen jaarrekeningen opgemaakt, er waren geen mutaties op de bankrekening in Luxemburg, behalve rente en jaarlijkse bankkosten en het kapitaal was niet door de aandeelhouder betaald. Voorts werden twee optieovereenkomsten uit 1996 aangetroffen, waarvan het onderlinge verband onduidelijk was.

2.9.4. F richtte zich aanvankelijk tot H met betrekking tot informatie over “accounting, banking, corporate, invoices, directors agreements, management agreements” en “others”. Toen H in gebreke bleef om de gevraagde informatie te verstrekken, heeft F de gevraagde informatie gekregen van D en van diens broer E.

2.9.5. In een emailbericht van 5 februari 2003 tussen enkele medewerkers van de ingeschakelde trustkantoren is het volgende opgenomen:

“I have prepared the years 1996 and 1997. There are only bank interests and account fees as movements on the bank account.

No Annual accounts have been audited, approved, …

I did not find any contract, deeds of incorporation or something like that that can prove any participation in a subsidiary.”

2.9.6. In een bericht van 24 april 2003 heeft F aan zijn collega’s van S SA meegedeeld dat aan de hand van de documenten die hij had ontvangen van D en na ontvangst van informatie met betrekking tot de verwerving van aandelen in J N.V., de jaarstukken over de diverse jaren zouden kunnen worden opgemaakt.

2.9.7. In 2003 zijn door F de jaarstukken van eiseres opgesteld over de jaren 1996 en verder.

2.10. Tot de gedingstukken behoort het eerste blad van een overeenkomst waarbij K N.V. aandelen J N.V. verkoopt aan eiseres.

2.11. Tot de gedingstukken behoort een verklaring van mevrouw L te Q (hierna: L) bij de YY politie te XX in 2003. L was in 1995 door D aangetrokken om als afgevaardigde bestuurder van een aantal Belgische vennootschappen op te treden. Blijkens de verklaring fungeerde L als brievenbus voor een dertiental YY vennootschappen van D. Het enige wat zij deed was de post doorfaxen aan D te Z. D was en is woonachtig te Z (Nederland).

2.12. Tot de gedingstukken behoren twee optieovereenkomsten van eiseres. De tweede optieovereenkomst is er een tussen de Belgische kasgeldvennootschap VV N.V. (hierna: VV) als optienemer en eiseres als optiegever. De optieovereenkomst ziet op de mogelijkheid tot aankoop van Nederlands onroerend goed. In deze overeenkomst, die alleen door eiseres is ondertekend, staat een uitoefenprijs van de optie van hfl. 10.000.000, welke prijs direct is verschuldigd door de optienemer. De koopsom van de registergoederen waarop de optie betrekking heeft, is hfl. 124.000.000.

2.13. Op 19 maart 2001 zijn in YY vereffenaars aangesteld voor VV. Uit een brief van de vereffenaars van 20 maart 2002 blijkt het volgende. VV heeft na aanmaning in juni 1997 aangifte voor de vennootschapsbelasting gedaan over 1996 met een jaarrekening per 30 juni 1996. In de jaarrekening stond een post provisie voor risico’s en kosten van circa € 4,5 miljoen. De eerder daarvoor behaalde winst van circa € 4,3 miljoen (= hfl. 10.000.000) was daarmee geneutraliseerd. Deze kostenpost is niet aanvaard door de Belgische fiscus. VV heeft toen een optiecontract overgelegd, waaruit bleek dat zij een optie had verworven van eiseres voor de aankoop van onroerende zaken ad hfl. 124.000.000 en dat zij voor de verwerving van dit optierecht een uitgifteprijs betaalde van hfl. 10.000.000. In 2001 is er van het vermogen van VV niets meer over, van vastgoed geen spoor.

2.14. In de woning van D is aangetroffen een handgeschreven stuk met daarop onder meer de aantekening: “Things tot do today (…) Optie doorgezet naar VV. (…) AB levert optie aan X SA. (…) Verkoop J N.V.”.

2.15. In de woning van D zijn voorts aangetroffen:

- een opstelling waarin afspraken van 28 oktober 1999 inzake Belgische vennoootschappen zijn vastgelegd. Daarin staat onder meer: “J N.V. is in 1996 (economisch) verkocht aan X”;

- een overzicht van vennootschappen die van hand tot hand gaan in de maanden april en mei 1996, waaronder de vennootschap WW N.V. De prijzen van de vennootschappen bedragen steeds iets meer dan BEF 200.000.000; en

- een aantekening waarin het volgende staat vermeld: “1996: 200 mio BEF binnen en daarna buiten bij M (cash van VV)”.

2.16. J N.V. hield in 1996 alle aandelen in de Belgische kasgeldvennootschap M.

2.17. In 2007 is D in staat van faillissement verklaard. In hetzelfde jaar is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen D en zijn broer. In april 2007 heeft de FIOD-ECD huiszoekingen gedaan bij D en zijn broer. De opgespoorde gegevens zijn door het Openbaar Ministerie vrijgegeven voor gebruik door de Belastingdienst. De Belastingdienst kwam aldus achter het bestaan van eiseres en het vermoeden dat D de uiteindelijke gerechtigde is geweest. S SA heeft aan de curator van D aangegeven dat facturen voor eiseres via een Stichting Derdengelden V werden betaald.

2.18. De inspecteur te P heeft met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) de onderhavige navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd aan eiseres naar een belastbare winst van hfl. 20.000.000. Zijn motivering heeft hij gegeven in een brief van 22 december 2008. In de laatste maanden van 2009 is de behandeling van het ingediende bezwaar overgedragen aan verweerder. In de in 2.9.1 vermelde brief van 26 januari 2010 heeft verweerder de feiten die hem tot dan toe bekend waren opgesomd en daaruit getrokken voorlopige conclusies toegelicht en gemachtigde uitgenodigd daarop te reageren. Op 31 maart 2010 heeft verweerder andermaal verzocht om een reactie van eiseres. Vervolgens heeft verweerder op 29 april 2010 aangekondigd uitspraak op bezwaar te doen en eiseres – na het verzoek daartoe van haar zijde – uitgenodigd voor een hoorgesprek op 20 mei 2010. Ook deze poging om contact te krijgen met eiseres leverde niets op. Vervolgens heeft verweerder op 28 mei 2011 uitspraak gedaan op het bezwaarschrift.

3. Geschil

3.1. In geschil is of eiseres in het onderhavige jaar als binnenlands belastingplichtige kan worden aangemerkt en of de door verweerder gestelde winst van hfl. 20.000.000 terecht tot haar belastbare winst is gerekend. Voorts is de vergrijpboete in geschil.

3.2. Eiseres heeft ter zitting ingetrokken haar stelling dat de verlengde navorderingstermijn van 16, vierde lid, van de de AWR in casu niet van toepassing is.

3.3. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag.

3.4. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid

4.1. Vaststaat dat eiseres is ontbonden. De termijn voor het indienen van bezwaar tegen een aanslag die wordt vastgesteld nadat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan, neemt eerst een aanvang zodra, nadat de vereffening is heropend, die aanslag aan de vereffenaar is bekend gemaakt (HR 19 september 2003, nr. 38.372, BNB 2003/370, LJN: AK8288). In het onderhavige geval is het bezwaar ingediend voordat de vereffening van eiseres is heropend, zodat het bezwaarschrift prematuur is ingediend.

4.2. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in genoemd arrest dient met overeenkomstige toepassing van artikel 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijkverklaring van een dergelijk prematuur bezwaar achterwege te blijven indien door of namens de voormalige vereffenaar of degene wiens belang rechtstreeks bij de vereffening is betrokken omdat hij een uitkering heeft ontvangen uit hetgeen na de voldoening van de schuldeisers van het vermogen van een ontbonden rechtspersoon was overgebleven, op naam van de ontbonden rechtspersoon tegen die aanslag een bezwaarschrift is ingediend.

4.3. Vaststaat dat het bezwaarschrift tegen de onderhavige navorderingsaanslag op naam van eiseres en in opdracht van D is ingediend. Blijkens de vaststaande feiten is de vereffenaar van eiseres - W Inc. - inmiddels ook ontbonden en vereffend. Genoemd arrest voorziet niet in de mogelijkheid dat de vereffenaar zelf ook al is geliquideerd. Artikel 2:23 van het BW bepaalt dat voor zover de rechter geen andere vereffenaars heeft benoemd en de statuten geen andere vereffenaars aanwijzen, de bestuurders vereffenaars worden van de ontbonden rechtspersoon. D was de feitelijke bestuurder van eiseres (zie hierna). Voorts staat vast dat D alle aandelen hield in de vereffenaar van eiseres (W Inc.). Gesteld noch gebleken is voorts dat een andere vereffenaar is benoemd of aangewezen voor eiseres. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat D kan worden gelijkgesteld met de vereffenaar van eiseres en is niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift terecht achterwege gebleven. Voorts overweegt de rechtbank dat de kenmerken van een S.A. op de hier van belang zijnde punten zozeer overeenkomen met die van de Nederlandse rechtspersonen waarop de zojuist genoemde bepalingen van het BW van toepassing zijn, dat aan het vorenoverwogene niet kan afdoen het feit dat eiseres is opgericht naar het recht van een vreemde staat.

Binnenlandse belastingplicht

4.4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat eiseres niet als binnenlands belastingplichtige kan worden aangemerkt en voert daartoe aan dat zij is opgericht naar het recht van Luxemburg, dat de bestuurders van eiseres in 1996 domicilie hadden in Luxemburg en dat de administratie van eiseres in het buitenland werd verzorgd. Eiseres weerspreekt de stelling van verweerder dat D de feitelijke leiding had over eiseres en stelt zich voorts op het standpunt dat, zo moet worden geoordeeld dat de feitelijke leiding over eiseres wel bij D lag, deze leiding niet vanuit Nederland heeft plaatsgevonden.

4.5. Om als binnenlands belastingplichtige te worden aangemerkt dient – gelet op het bepaalde in artikel 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 – te worden beoordeeld of eiseres in Nederland is gevestigd. Ingevolge artikel 4 van de AWR wordt de vraag waar een lichaam gevestigd is naar de omstandigheden beoordeeld. Bij de beoordeling naar de omstandigheden van de vestigingsplaats van een lichaam moet in het algemeen ervan worden uitgegaan dat de werkelijke leiding van het lichaam berust bij zijn bestuur, en dat de vestigingsplaats overeenkomt met de plaats waar dit bestuur zijn leidinggevende taak uitoefent. Wanneer echter aannemelijk is dat de werkelijke leiding van het lichaam door een ander wordt uitgeoefend dan dat bestuur, kan er aanleiding zijn als vestigingsplaats van het lichaam aan te merken de plaats van waaruit die ander de leiding uitoefent (HR 23 september 1992, nr. 27.293, BNB 1993/193, LJN: ZC5105, r.o. 3.3.3.

4.6. De rechtbank acht op basis van de vaststaande feiten en gelet op hetgeen partijen dienaangaande naar voren hebben gebracht, aannemelijk dat de werkelijke of feitelijke leiding van eiseres reeds in het onderhavige jaar lag bij D en dat de feitelijke leiding door hem vanuit Nederland heeft plaatsgevonden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat D ook in het onderhavige jaar in Nederland woonde, hij blijkens de gedingstukken in 1996 en volgende jaren steeds als ubo – zijnde economisch eigenaar – van eiseres is aangemerkt en op zijn verzoek eiseres in 1995 is opgericht. Voorts neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat – zijnde niet dan wel onvoldoende weersproken – als vaststaand dienen te worden beschouwd de in 2.9. weergegeven stellingen die erop neerkomen dat de medewerkers van de trustkantoren en de formele bestuurders van eiseres geen weet hadden van wat er zich afspeelde in eiseres en slechts met grote moeite uiteindelijk informatie van D hebben verkregen voor het opstellen van de jaarrekeningen van eiseres, waaronder die van het onderhavige jaar. Dit een en ander wordt ook bevestigd door de in onderdeel 2.9 weergegeven gedingstukken en de algemene werkwijze zoals die volgt uit de verklaring van L (onderdeel 2.11). Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat D in het onderhavige jaar de feitelijke zeggenschap had in eiseres. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat deze leiding in en vanuit de woonplaats van D in Nederland heeft plaatsgevonden. De stelling van eiseres dat de feitelijke leiding niet vanuit Nederland heeft plaatsgevonden, is niet nader onderbouwd. Het lag op de weg van eiseres haar andersluidende standpunt op dit punt nader te onderbouwen, nu zij als meest gerede partij in dezen kan worden aangemerkt om hiervan het vereiste bewijs bij te brengen. Nu zij dit niet heeft gedaan, volgt de rechtbank verweerder op dit punt.

4.7. Partijen gaan ervan uit dat, zo sprake is van binnenlandse belastingplicht, de verlengde navorderingstermijn van artikel 16 van de AWR in casu van toepassing is op de gestelde winst. De rechtbank ziet geen reden voor een ander oordeel op dit punt en zal partijen hierin volgen.

Omkering bewijslast?

4.8. Op grond van de normale regels voor de verdeling van de bewijslast, ligt de bewijslast met betrekking tot de gestelde winstbestanddelen in beginsel op verweerder. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bewijslast is omgekeerd. Indien niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 52 van de AWR verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (artikel 27e van de AWR).

4.9. Artikel 52 van de AWR (tekst van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008) bepaalt - voor zover hier van belang - het volgende:

1. Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

(…)

4. Voorzover bij of krachtens de belastingwet niet anders is bepaald, zijn administratieplichtigen verplicht de in de voorgaande leden bedoelde gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren.

5. De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.

6. De administratie dient zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie.

4.10. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres met betrekking tot het onderhavige jaar niet heeft voldaan aan de hierboven weergegeven administratieplicht. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.11. Vastgesteld kan worden dat eiseres gegevens met betrekking tot de in 1996 gekochte aandelen in de Belgische vennootschap J N.V. niet in haar administratie heeft verwerkt. De in de jaarrekening 1996 opgenomen eindbalans van eiseres maakt geen melding van dit aandelenbezit. Eiseres heeft in dit verband ter zitting naar voren gebracht dat J N.V. in het onderhavige jaar door eiseres is verkocht en dat om die reden geen melding is gemaakt van dit aandelenbezit op de in de jaarstukken opgenomen balans. Van een dergelijke verkoop van aandelenbezit is echter geen enkel spoor in de administratie van eiseres te vinden en de jaarrekening of de verlies- en winstrekening betreffende het jaar 1996 van eiseres maakt evenmin melding van de gestelde verkoop. Ook indien wordt aangenomen dat – zoals eiseres stelt - met aan- en verkoop van dit aandelenbezit geen winst is gemaakt, ontslaat dit eiseres niet van de verplichting dit voor de fiscus controleerbaar te maken.

4.12. Eiseres heeft verder blijkens de vaststaande feiten in het onderhavige jaar een vordering op VV verkregen uit hoofde van de in onderdeel 2.12 weergegeven optieovereenkomst. Hiervan is in de jaarstukken evenmin melding gemaakt.

4.13. Gelet hetgeen in 4.11 en 4.12 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat eiseres met betrekking tot 1996 niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van artikel 52 van de AWR. Niet kan worden gezegd dat de gebreken in de administratie van zo weinig gewicht zijn dat zij niet de toepassing van de in artikel 27e AWR voorziene sanctie rechtvaardigen. Dit betekent dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard, tenzij eiseres doet blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Nu er geen sprake is van afwezigheid van alle schuld is de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De bewijslast rust derhalve op eiseres. Overigens geldt wel dat, ook al is er sprake van omkering van de bewijslast, de aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar dient te berusten op een redelijke schatting (vgl. Hoge Raad 28 maart 2003, nr. 38.039, BNB 2003/203, LJN: AF6486).

Belastbare winst

4.14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres in 1996 een belastbare winst heeft genoten van in totaal hfl 20 miljoen, namelijk hfl. 10 miljoen uit de verlening van een optie aan VV en hfl. 10 miljoen uit de verkoop van de aandelen in J N.V.

4.15. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet doen blijken dat deze inkomsten niet dan wel niet tot de genoemde bedragen door haar zijn genoten in 1996 en heeft derhalve niet voldaan aan de op haar rustende (verzwaarde) bewijslast. De stellingen van eiseres dat de inkomsten uit het optiecontract niet zijn betaald en dat de optie nimmer is uitgeoefend, kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Vaststaat immers dat eiseres in 1996 uit hoofde van het optiecontract een vordering heeft verkregen op VV wegens het verlenen van een optie, hetgeen betekent dat eiseres het voordeel in beginsel in dat jaar heeft genoten. Eiseres gaat ten onrechte ervan uit dat in het kader van goedkoopmansgebruik het zogenoemde kasstelsel van toepassing is en alleen datgene wat daadwerkelijk wordt ontvangen tot de winst wordt gerekend. Voor zover eiseres in dit verband bedoelt te betogen dat reeds in het onderhavige jaar een voorziening mocht worden gevormd ter zake van genoemde vordering of dat genoemde vordering op balansdatum ultimo 1996 op nihil diende te worden gewaardeerd, heeft eiseres haar betoog onvoldoende onderbouwd omdat er geen enkel aanknopingspunt is waaruit zou kunnen worden afgeleid dat reeds in 1996 vaststond dat ter zake geen betaling zou plaatsvinden.

4.16. De schatting van het voordeel uit hoofde van de optieovereenkomst acht de rechtbank redelijk nu het in aanmerking genomen bedrag ook genoemd is in de betreffende optieovereenkomst. De rechtbank acht het voorts redelijk dat verweerder bij het vaststellen van het uit de verkoop van de aandelen J N.V. in aanmerking genomen voordeel is uitgegaan van de in de gedingstukken genoemde waarde van de vennootschap M N.V., nu J N.V. in 1996 de aandelen van deze vennootschap in haar bezit heeft verkregen. Nu gesteld noch gebleken is van met genoemde transacties samenhangende kosten, is sprake van een redelijke schatting van de belastbare winst van eiseres.

Boete

4.17. Verweerder heeft aan eiseres een vergrijpboete opgelegd en heeft aangevoerd dat het aan het (voorwaardelijk) opzet van eiseres is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Eiseres heeft daartegenover aangevoerd dat haar geen verwijt treft. Op verweerder – die stelt dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet – rust de last te bewijzen dat hiervan sprake is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldaan aan de op hem rustende bewijslast in dezen. De vaststaande feiten brengen de rechtbank tot de conclusie dat eiseres onder leiding van D willens en wetens de genoemde winsten aan het zicht van de Nederlandse fiscus heeft onttrokken. Derhalve is het aan de opzet van eiseres te wijten dat te weinig belasting zou worden geheven. De boete is derhalve terecht opgelegd.

4.18. De boete is vastgesteld op 50% van het bedrag van de navorderingsaanslag en is gematigd tot een boete van € 250.000. De rechtbank acht een boete ter grootte van dit bedrag gelet op de aard en de ernst van het vergrijp en gelet op het bedrag van de door eiseres verzwegen belasting passend en geboden, ook indien in aanmerking wordt genomen dat de aanslag met omkering van de bewijslast is komen vast te staan.

4.19. Sinds de aankondiging van de boete op 22 december 2008 is meer dan twee jaar verstreken. De rechtbank is echter van oordeel dat niet kan worden gezegd dat hiermee de redelijke termijn is overschreden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking de complexiteit van de feiten in de onderhavige zaak en met name de proceshouding van eiseres, waarbij op herhaaldelijke verzoeken van verweerder om informatie niet is gereageerd door eiseres en evenmin is gereageerd op de uitnodiging voor een hoorgesprek met verweerder (onderdeel 2.18). In dit verband weegt de rechtbank voorts mee dat het onderzoek ter zitting op 11 maart 2011 op verzoek van eiseres is aangehouden omdat gemachtigde te laat had ontdekt dat de zitting op die dag zou plaatsvinden en zich om die reden onvoldoende in staat achtte de zaak voor eiseres te bepleiten.

Heffingsrente

4.20. Het beroep tegen de beschikking heffingsrente heeft eiseres niet afzonderlijk onderbouwd. Omdat de beroepsgronden tegen de belastingaanslag geen doel treffen, zal het beroep tegen de beschikking heffingsrente eveneens ongegrond worden verklaard.

Bewijsaanbod

4.21. Eiser heeft ter zitting het aanbod gedaan zijn stellingen met behulp van getuigen te kunnen bewijzen. Dit aanbod heeft de rechtbank als te algemeen en onvoldoende concreet gepasseerd.

Slotsom

4.22. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, mr. S.K.A. Efstratiades en mr. R. van Scharrenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.