Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BV1132

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-12-2011
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
AWB 11/3587
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom als gevolg van het niet naleven van het Sturgeon-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 19 november 2009. Aanhouding in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen naar aanleiding van het zogeheten Sturgeon-arrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 3587

tussenbeslissing van de meervoudige kamer tot heropening van het onderzoek ter zitting als bedoeld in artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht

in de zaak van:

de naamloze vennootschap Martinair Holland N.V.,

gevestigd te Schiphol-Oost, gemeente Haarlemmermeer,

eiseres,

gemachtigden: mr. P.V. Eijsvoogel en mr. P.J.F. Huizing,

tegen:

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.P.H. Rozenbrand en mr. C.J. Kuiper.

1. Overwegingen

Het beroep is op 1 december 2011 behandeld ter zitting van de meervoudige kamer. Gebleken is dat het onderzoek in deze procedure niet volledig is geweest.

Motivering

Eiseres heeft de rechtbank verzocht om naar aanleiding van het zogeheten Sturgeon-arrest, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ) 19 november 2009, (aanvullende) prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ. Voor het geval de rechtbank hier niet toe zou willen overgaan, heeft eiseres de rechtbank verzocht te wachten op beantwoording van de prejudiciële vragen die naar aanleiding van hetzelfde arrest zijn gesteld in de context van vergelijkbare procedures in andere lidstaten en de aanhangige procedures zo lang aan te houden.

De rechtbank heeft op grond van de hierna volgende overwegingen termen aanwezig geacht het tweede verzoek te honoreren.

In het Sturgeon-arrest heeft het HvJ de Verordening (EG) nr. 261/2004 aldus uitgelegd dat deze voorziet in de verplichting voor de betrokken luchtvaartmaatschappij om ook in het geval van langdurige vertraging - 3 uur of meer - aan passagiers compensatie te betalen. Tussen partijen is niet in geschil dat het Sturgeon-arrest zelf duidelijk is en niet om nadere uitleg of duiding vraagt. Wel in geschil is de rechtsgeldigheid van het arrest. Zakelijk weergegeven heeft eiseres in beroep aangevoerd dat het arrest in strijd is met het IATA-arrest van het HvJ, het Verdrag van Montreal, de tekst van de Verordening en de bedoelingen van de Europese wetgever.

Uit artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vloeit voort dat de rechtbank niet verplicht is prejudiciële vragen te stellen, maar daartoe wel het recht heeft. Nu er door andere rechterlijke instanties prejudiciële vragen zijn gesteld over de rechtsgeldigheid van het Sturgeon-arrest, acht de rechtbank het in de onderhavige procedure opportuun om de beantwoording door het HvJ van deze vragen af te wachten.

Nadat het HvJ heeft gesproken zal er duidelijkheid zijn over de vraag of het Sturgeon-arrest leidend zal blijven of niet. In het eerste geval zullen de luchtvaartmaatschappijen zich moeten neerleggen bij de verruimde verplichtingen en is niet te verwachten dat verweerder - op structurele basis - het instrument van de bestuursdwang zal moeten inzetten om de luchtvaartmaatschappijen te dwingen tot het verstrekken van compensatie aan de passagiers. In het geval dat de lijn van het Sturgeon-arrest wordt verlaten, zal naar verwachting het toepassen van bestuursdwang niet langer aan de orde zijn.

Bij de keuze om de behandeling van deze zaak thans aan te houden neemt de rechtbank mede in overweging dat het voor eiseres bijzonder lastig zal zijn om eenmaal uitbetaalde compensatiebedragen terug te vorderen wanneer later zou blijken dat het Sturgeon-arrest geen stand houdt.

2. Beslissing

De rechtbank bepaalt dat het onderzoek wordt heropend.

Aldus gegeven op 5 december 2011 door mr. G. Guinau, voorzitter van de meervoudige kamer mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. drs. L. Beijen, leden, in tegenwoordigheid van M.J.E. de Jong, griffier.

afschrift verzonden op: