Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BV0245

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
11/6220 & 11/6224
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft in het bestreden besluit ten onrechte geen beslissing genomen op het verzoek om vergoeding van de proceskosten. De voorzieningenrechter voorziet op dit punt zelf in de zaak. Het beroep is in zoverre gegrond. Inhoudelijk ziet het beroep op intrekking van verzoekers WWB-uitkering per 18 augustus 2011. Deze intrekking is terecht omdat verzoeker toen niet meer in (plaatsnaam) verbleef. Het beroep is in zoverre ongegrond. Voor een voorlopige voorziening is geen aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 6220 en 11-6224 WWB

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

14 december 2011

in de zaak van:

[naam]

naar eigen zeggen verblijvende te [plaatsnaam],

eiser,

gemachtigde: mr. P.E. Stam, advocaat te Zaandam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

Tegenwoordig: mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, en P.M. van der Pol, griffier.

Zitting: 14 december 2011

Verschenen: Eiser in persoon, bijgestaan door mr. A.M. Stam, kantoorgenote van eisers gemachtigde.

Verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.P. Homan, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

Bij besluit van 14 juni 2011 heeft verweerder eiser op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) een uitkering toegekend met ingang van 18 april 2011.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 25 juli 2011 bezwaar gemaakt. Volgens eiser is de ingangsdatum van de uitkering 8 april 2011.

Bij besluit van 23 september 2011 heeft verweerder de uitkering die verzoeker ingevolge de WWB ontving, per 18 augustus 2011 beëindigd, omdat eiser vanaf die datum niet meer zijn hoofdverblijf had in de gemeente [plaatsnaam].

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 oktober 2011 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 november 2011 heeft verweerder (onder meer) het bezwaar van 25 juli 2011 gegrond verklaard en het bezwaar van 7 oktober 2011 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 24 november 2011 beroep ingesteld (reg. nr. AWB 11-6224). Bij brief van eveneens 24 november 2011 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (reg. nr. AWB 11-6220). In zijn beroep voert eiser onder meer aan dat verweerder, gelet op de gegrondverklaring van het bezwaar van 25 juli 2011, ten onrechte niet heeft beslist op eisers verzoek om vergoeding van eisers proceskosten in bezwaar (artikel 7:15, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht).

Bij mondelinge uitspraak van 14 december 2011 heeft de voorzieningenrechter:

- het beroep, voor zover dit ziet op het door verweerder niet toekennen van een vergoeding van eisers proceskosten in bezwaar, gegrond verklaard;

- het bestreden besluit in zoverre vernietigd;

- bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- het beroep voor het overige ongegrond verklaard;

- verweerder veroordeeld in de door eiser in bezwaar gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,-- , te betalen aan eiser;

- verweerder veroordeeld in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,-- , te betalen aan de griffier van de rechtbank;

- verweerder opgedragen het door eiser voor het beroep betaalde griffierecht van € 41,-- aan hem te vergoeden;

- het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

De voorzieningenrechter heeft daartoe het volgende overwogen.

De voorzieningenrechter, gehoord partijen, is van oordeel dat in deze zaak nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling daarvan en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

Uit het op 25 juli 2011 gedateerde bezwaarschrift van eiser blijkt onder meer dat hij verweerder heeft verzocht om vergoeding van de door hem in bezwaar gemaakte proceskosten. Verweerder heeft het bezwaar gegrond verklaard, maar niet met zoveel woorden een nieuwe ingangsdatum vastgesteld. Eiser heeft gevraagd de WWB-uitkering te laten ingaan op 8 april 2011 (de datum waarop eiser zich heeft gemeld). Vaststaat dat eiser op dat moment al bij het Leger des Heils in [plaatsnaam] verbleef. Hij is pas op 18 april 2011 ingeschreven op dat adres. Voordat verweerder afweek van de aanvraag van eiser, had hij hierover bij eiser navraag moeten doen. Dat heeft verweerder nagelaten. Er bestaat dus aanleiding voor vergoeding door verweerder van de door eiser in bezwaar gemaakte proceskosten. Nu verweerder deze vergoeding niet heeft toegekend, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en verweerder te veroordelen in de door eiser in bezwaar gemaakte proceskosten. Hierbij heeft de voorzieningenrechter aansluiting gezocht bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor het indienen van het bezwaarschrift kent de voorzieningenrechter een punt toe en voor het verschijnen ter hoorzitting eveneens een punt. De zwaarte van de zaak is gemiddeld. Een punt komt overeen met een bedrag van € 437,--. In totaal dient verweerder dus een bedrag van € 874,-- aan eiser te vergoeden.

Nu het beroep gegrond is voor zover dit ziet op het door verweerder niet toekennen van een vergoeding van eisers proceskosten in bezwaar, bestaat voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. De voorzieningenrechter kent hiervoor, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, twee punten toe: een punt voor het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting. De zwaarte van de zaak is gemiddeld. Ook nu is het totaal bedrag aan proceskosten € 874,--. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is afgegeven op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moeten laatstvermelde proceskosten worden betaald aan de griffier van de rechtbank. Bovendien zal de voorzieningenrechter verweerder gelasten het door eiser voor het beroep betaalde griffierecht van € 41,-- aan hem te vergoeden.

Voorts wijst de voorzieningenrechter er allereerst op dat ingevolge artikel 40 WWB het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woonplaats heeft, dient naar vaste rechtspraak, te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Eiser stond aanvankelijk ingeschreven bij het Leger des Heils in [plaatsnaam]. Hij is daar uitgeschreven per 23 juni 2011. Bij brief van 21 juli 2011 heeft verweerder eiser gewaarschuwd. In deze brief staat onder meer de volgende passage:

‘Mede uit de door u verstrekte gegevens is gebleken dat u vanaf 23 juni 2011 niet meer uw hoofdverblijf heeft binnen de gemeente [plaatsnaam]. U verblijft voornamelijk bij kennissen/vrienden en familie in Haarlem en in Amsterdam. Ook in uw situatie is het recht op bijstand gemeentegebonden. De plaats waar u uw hoofdverblijf heeft, is de plaats waar u mogelijk aanspraak kunt maken op bijstand. Over de periode van 23 juni 2011 tot en met 11 juli 2011 heeft u niet uw hoofdverblijf gehad binnen de gemeente [plaatsnaam].

Wij geven u tot 18 augustus 2011 de tijd om ervoor te zorgen dat u uw hoofdverblijf houdt binnen de gemeente [plaatsnaam]. Uiteraard indien u dat zelf wenst. Indien u na deze periode uw hoofdverblijf niet binnen de gemeente [plaatsnaam] heeft, dan zullen wij uw uitkering beëindigen en mogelijk intrekken.’

Hierna heeft eiser op verzoek van verweerder een aantal zogeheten tiendagenformulieren ingevuld en ingeleverd. Deze formulieren hebben betrekking op de periode 18 augustus 2011 tot en met 6 september 2011. Uit deze formulieren komt niet naar voren dat eiser in die periode zijn feitelijke hoofdverblijf in [plaatsnaam] had. Ook komt uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet naar voren dat eiser gebruik heeft gemaakt van verweerders aanbod om via bijzondere bijstand behulpzaam te zijn bij het vinden van woonruimte in

[plaatsnaam].

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder terecht en op goede gronden gebruik heeft gemaakt van zijn in artikel 54, derde lid, onder a, WWB neergelegde bevoegdheid om eisers uitkering per 18 augustus 2011 in te trekken. Het beroep is dan ook in zoverre ongegrond. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal,

(griffier) (voorzieningenrechter)

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat, uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.