Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BV0175

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
04-01-2012
Zaaknummer
15-801366-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen; invoer cocaïne; bewijs/gewichts-verweer, LOVS richtlijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/801366-11

Uitspraakdatum: 23 december 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 december 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te La Pola de Gordon (Spanje),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig (36) maanden met aftrek van voorarrest.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen waarbij de rechtbank - nu verdachte een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

* de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting;

* het proces-verbaal van bevindingen Schipholteam d.d. 23 oktober 2011 (dossierparagraaf 2.2);

* het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 3 november 2011 (los opgenomen);

* het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 7 november 2011, kenmerk 9952 X 11 (los opgenomen).

De door de rechtbank als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

4.2. Nadere overweging

Ter terechtzitting is door en namens verdachte betoogd dat verdachte geen opzet heeft gehad op de invoer van de totale aangetroffen hoeveelheid van 4,3 kilogram cocaïne in Nederland, maar dat het opzet van verdachte slechts was gericht op de invoer van 1,0 tot 1,5 kilogram cocaïne, nu de organisatie tegen hem had gezegd dat het slechts om een dergelijke hoeveelheid cocaïne zou gaan.

De rechtbank verwerpt dit verweer - dat strikt genomen niet een bewijsverweer is, nu in de tenlastelegging geen concrete hoeveelheid cocaïne is vermeld - en overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte heeft in Spanje ingestemd met het smokkelen van een hoeveelheid cocaïne vanuit Sao Paulo (Brazilië) via Amsterdam naar Madrid. Alvorens verdachte met de smokkel instemde, heeft hij onderhandelingen met betrekking tot zijn beloning gevoerd. Verdachte wilde niet instemmen met een beloning van 9.000 euro en heeft zijn beloning op weten te schroeven naar 12.000 euro, waarna hij naar Sao Paulo is afgereisd. Aldaar heeft hij op een gegeven moment op een toilet van een winkelcentrum van een onbekende man door wie hij werd aangesproken - en die behoorde tot de drugsorganisatie - twee aktetassen in ontvangst genomen, om vervolgens zijn eigen kleding daarin over te hevelen en heeft hij zijn eigen rugzak achter gelaten. Verdachte wist dat de cocaïne zich in de twee aktetassen bevond. Vervolgens heeft verdachte, zonder enig onderzoek aan voornoemde aktetassen te hebben gepleegd, een aanvang gemaakt met zijn terugreis naar Madrid, waarna hij op de luchthaven Schiphol is aangehouden. Verdachte heeft de invoer van een hoeveelheid cocaïne bekend, echter heeft hij ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee verklaard dat 'men' tegen hem had gezegd dat het om 1,0 tot 1,5 kilogram cocaïne ging. Ter terechtzitting echter heeft verdachte verklaard dat hij dacht dat het om 2,0 à 3,0 kilogram cocaïne ging.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door onder de geschetste omstandigheden de aktetassen in ontvangst te nemen en de inhoud, alsmede het gewicht daarvan niet te controleren, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat deze aktetassen meer dan 1,0 tot 1,5 kilogram, namelijk 4,3 kilogram cocaïne zouden bevatten. Door vervolgens met deze aktetassen via Nederland naar Madrid te reizen, heeft verdachte deze kans bewust aanvaard en op de koop toegenomen. De rechtbank acht derhalve het opzet van verdachte - hetzij in voorwaardelijke vorm - op de invoer van de in de aktetassen aangetroffen totale hoeveelheid cocaïne, te weten 4,3 kilogram, bewezen.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 23 oktober 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de strafbaarheid van het feit wordt uitgesloten. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 4,3 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als straf in aanmerking.

De rechtbank merkt op dat de door de officier van justitie gevorderde (duur van deze) straf in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd. De rechtbank ziet echter in de persoon van verdachte - die van meet af aan een bekennende verklaring heeft afgelegd, volledige verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en daarnaast een helder inzicht in zijn motieven heeft gegeven - aanleiding om ten voordele van verdachte, die ook niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, enigszins van voornoemde eis van de officier van justitie af te wijken.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEEENDERTIG (32) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. Jongeling, voorzitter,

mr. J.M. Sassenburg en mr. G. Demmink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 23 december 2011.

Mr. Sassenburg, mr. Demmink en mr. Ramdharie zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.