Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU9853

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-12-2011
Datum publicatie
02-01-2012
Zaaknummer
10/5876
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ5345, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Staking onderneming. Is sprake van een afspraak dat percelen per stakingsdatum naar privé mochten worden overgebracht tegen door taxateurs vast te stellen waarde? Blijven de percelen na staking ondernemingsvermogen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/34
FutD 2012-0057
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 10/5876

Uitspraakdatum: 16 december 2011

Uitspraak in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

gemachtigden: J.A.G. Knol FB / FFP en mr. E.H. Snitselaar FB

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2007 een aanslag (aanslagnummer [AANSLAGNUMMER]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.374.250 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 22.157 en bij beschikking een bedrag van € 81.692 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 oktober 2010 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2011. Namens eiser zijn de gemachtigden verschenen. Namens verweerder is verschenen H.L. Vedder.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser had een agrarisch bedrijf in de gemeente [PLAATSNAAM]. Het bedrijf lag binnen een gebied (hierna: plangebied) dat de gemeente vanaf 2006 wil ontwikkelen voor o.a. woningbouw.

2.2.1. Op 2 november 2006 verzoekt eiser de belastingdienst middels het formulier ‘Opgaaf Informatie taxatie onroerende zaak’ om een gezamenlijke taxatie van zijn woonhuis, diverse schuren, opstallen en landbouwgrond.

2.2.2. Bij vraag 2b in het formulier, luidende: ‘Wat is de reden van de taxatie?’ heeft eiser ingevuld: ‘Eventuele staking en bepaling stakingswinst’.

2.2.3. Bij vraag 3a in het formulier, luidende: ‘Gaat u de onroerende zaken verkopen?’ heeft eiser ingevuld: ‘Ja, gedeeltelijk, afhankelijk van uitkomst taxatie i.v.m. landschapsherindeling’.

2.2.4. Bij vraag 4a en 4b in het formulier, luidende: ‘Is er sprake van wijzigingen in het bestemmingsplan van de gemeente die van invloed zijn op de onroerende zaak? En ‘Welke gegevens heeft u hierover?’ is ingevuld: ‘Ja’ en ‘alleen een tekening en overleg (diverse) i.v.m. landschapsherindeling.’

2.3. Op 9 november 2006 respectievelijk 16 november 2006 tekenen de Belastingdienst respectievelijk eiser de ‘Overeenkomst gezamenlijke taxatie onroerende zaken’. Met deze overeenkomst komen partijen “overeen de waarde van in het economisch verkeer van de onroerende zaak van [eiser] gezamenlijk vast te stellen”. Als reden voor de gezamenlijke taxatie wordt in de overeenkomst opgegeven: ‘De heer [X] stopt met zijn onderneming’. Als peildatum voor vaststelling waarde wordt aangegeven 31 december 2006. De overeenkomst bevat onder meer de volgende voorwaarde: ‘Het taxatierapport kan alleen gebruikt worden voor doeleinden gelegen tot drie maanden na de peildatum.’

2.4. Op 26 januari 2007 wordt, met als peildatum 31 december 2006, het taxatierapport uitgebracht. Getaxeerd worden een woonboerderij met achterhuis, 1.000m² ondergrond, 10.300m² ondergrond erf en opstallen, opstallen+verharding en 19.21.85 ha weiland. In het taxatierapport wordt vermeld dat het bedrijf is gelegen in het plangebied en dat bij doorgang van de plannen, onder andere, 4 nieuwe woningen zullen worden gerealiseerd, te weten twee woningen van 600m³ en twee woningen van 650 m³ , elk met mogelijk een bijgebouw van 80m². Met het oog op deze plannen worden taxaties uitgebracht in twee scenario’s: één waarin geen rekening wordt gehouden met de ontwikkelingsplannen (scenario 1) en één waarin daarmee wel rekening wordt gehouden (scenario 2). In het laatste geval wordt aan de vier kavels waarop de woningen zullen worden gerealiseerd, een waarde in het economische verkeer toegekend (WEV) van € 1.589.000 en een agrarische waarde (WEVAB) van € 139.000. Eén van de kavels zal worden bestemd voor de bouw van een eigen woning.

2.5. In een zogenaamde Mantelovereenkomst en een Individuele Overeenkomst zijn afspraken over de gebiedsontwikkeling vormgegeven. Partijen zijn eiser en zijn echtgenote enerzijds en [BEDRIJF A] BV anderzijds. De gemeente [PLAATSNAAM] tekent mee voor kennisneming en akkoord voor zover bepalingen haar aangaan. Aan de onderzijde van alle pagina’s is de datum 20 december 2006 vermeld.

2.6. Bij brief van 8 februari 2007 zendt eisers gemachtigde het taxatierapport en een geprognosticeerde stakingswinstberekening, waarbij uitgegaan wordt van overdracht van de woning naar privé per 31 december 2005 en staking van de onderneming per 31 december 2006. In de bijlage zijn zowel berekeningen opgenomen over de fiscale gevolgen voor 2005 als voor 2006. In antwoord op deze brief van gemachtigde van eiser van 8 februari 2007 waarin een berekening van de stakingswinst per 31 december 2006 (hierna ook: de peildatum) is opgenomen, uitgaande van de twee scenario’s uit het taxatierapport, antwoordt de belastingdienst op 14 februari 2007: (…)‘De staking per 31 december 2006 zal behandeld worden bij de afhandeling van de aangifte 2006. De door u ingezonden berekening heb ik niet beoordeeld’(…).

2.7. Op 19 oktober 2007 heeft eiser drie van de vier bouwkavels verkocht voor een bedrag van totaal € 1.410.000.

2.8. Eiser neemt de gehele stakingswinst, conform scenario 2 van het taxatierapport, op in zijn aangifte inkomstenbelasting 2006.

2.9. Partijen zijn het erover eens dat de feitelijke bedrijfsvoering is beëindigd op 31 december 2006.

2.10. Bij de afhandeling van de aangiften inkomstenbelasting 2006 en 2007 heeft verweerder de aangegeven winst op de verkochte percelen ter grootte van 5.600m², zijnde 5600/10.300 x € 1.450.000 =€788.349 uit de stakingswinst 2006 geëlimineerd. Vervolgens heeft verweerder de op de percelen behaalde verkoopopbrengst ad € 1.410.000 aan het jaar 2007 toegerekend, rekening houdend met de aan 5.600m² toe te rekenen WEVAB ad € 75.573, waardoor het belastbaar inkomen uit werk en woning van 2007 met € 1.334.427 is verhoogd tot € 1.374.250.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of het voordeel betreffende de verkoop van de drie kavels behoort tot eisers winst uit onderneming over 2007.

3.2. Primair is eiser van mening dat de onder 2.3 bedoelde taxatieovereenkomst in de weg staat aan het toerekenen van verkoopwinst op de kavels aan 2007, omdat het voornemen tot verkoop van de drie bouwkavels is meegenomen bij de taxatie en dat het taxatierapport daarom bindend is.

Subsidiair stelt eiser dat er geen sprake is van uit de ondernemerssfeer stammende onzekerheden, aangezien in dit geval de bestaande onzekerheden niets met het boerenbedrijf te maken hadden. Eiser verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2003, nr. 37.885, NTFR 2003/532)

3.3. Volgens verweerder betreft de onzekerheid hier de te realiseren verkoopopbrengst van het bedrijfsmiddel grond en blijft die grond dan tot het ondernemingsvermogen behoren totdat die onzekerheid is weggenomen.

Verweerder stelt dat de taxatie slechts bindend is voor zover het betreft de bedrijfsmiddelen die op 31 december 2006 in de stakingswinst begrepen kunnen worden. Omtrent de vraag of het stakingstijdstip juist is gekozen laat het taxatierapport zich niet uit.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming per 31-12-2006 feitelijk is gestaakt. Primair houdt partijen verdeeld of de afspraken over de taxatie, neergelegd in de onder 2.3 bedoelde overeenkomst van november 2006, meebrengen dat verweerder zich heeft vastgelegd op overbrenging van de drie later verkochte kavels per 31 december 2006 naar privé tegen de door de taxateurs vast te stellen waarde.

Ten aanzien van die vraag is het gelijk aan de zijde van verweerder. De overeenkomst en de daaraan voorafgegane aanvraag om taxatie bevatten een dergelijke afspraak niet. De overeenkomst bevat alleen afspraken over de taxatie zelf. Daar komt nog bij dat eiser zelf in het aanvraagformulier voor de taxatie onzekerheid laat blijken over de vraag of staking per 31 december 2006 wel aan de orde is getuige het gebruik van de woorden ‘eventuele’ en ‘afhankelijk van uitkomst taxatie i.v.m. landschapsherindeling’. Dat de taxateurs bij de waardering wel met twee scenario's rekening hebben gehouden, maakt dat oordeel niet anders.

4.2. Bij de staking van een onderneming heeft in het algemeen te gelden dat een tot het ondernemingsvermogen behorend activum naar het privé-vermogen wordt overgebracht. Deze regel lijdt uitzondering indien sprake is van uit de ondernemingssfeer stammende onzekerheden omtrent de afwikkeling van dat activum. In dat geval blijft het behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen (HR 14 maart 2003, nr. 37.885, NTFR 2003/532).

4.3. Verweerder heeft als moment van overgang naar privé van de drie bouwkavels niet de peildatum aangehouden omdat deze kavels bestemd waren om te worden verkocht. Die, voorwaardelijke, bestemming blijkt al uit de beantwoording van de ‘Opgaaf informatie taxatie onroerende zaak’. Daarmee ontstond de onzekerheid wat de verkoopopbrengst van deze kavels zou zijn, indien de herontwikkeling van het gebied doorgang zou vinden. Met andere woorden: onzekerheid over de afwikkeling van deze bestanddelen van het ondernemingsvermogen van eiser. Deze kavels bleven om die reden ook na 31 december 2006 behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen. Op 19 oktober 2007 heeft eiser de bouwkavels verkocht. Het voordeel betreffende de verkoop van de drie kavels is terecht gerekend tot eisers winst uit onderneming over 2007. Het gelijk is derhalve aan verweerder.

4.4. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep tegen de aanslag ongegrond te worden verklaard. Het beroep tegen de beschikking heffingsrente heeft eiser niet afzonderlijk onderbouwd. Omdat de beroepsgronden tegen de belastingaanslag geen doel treffen, zal het beroep tegen de beschikking heffingsrente eveneens ongegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Hoekstra, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. A.A. Fase, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. B.J.E. Lodder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.