Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU9392

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
27-12-2011
Zaaknummer
186035
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek dwangakkoord afgewezen onder meer wegens handelen in strijd met paritas creditorum in de periode tussen de zitting waarbij het verzoek werd behandeld en de uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer: 186035

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 13 december 2011

in de zaak van

[verzoekster]

wonende te [adres], [plaats],

verzoekster,

tegen

1. N.V. PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland, gemachtigde: Van Arkel gerechtsdeurwaarders, Postbus 37086, 1030 AB Amsterdam,

2. Achmea Zorgkantoor N.V., gemachtigde: GGN Alkmaar, Postbus 90271, 1006 BG Amsterdam,

3. ABN AMRO Bank N.V., gemachtigde: Incassade, Postbus 1216, 8900 CE Leeuwarden,

4. KLM N.V., gemachtigde: Van Roon, Saly & Partners, Postbus 9891, 1006 AN Amsterdam,

verweersters.

Partijen zullen hierna ook [verzoekster], PWN, Achmea, ABN AMRO en KLM genoemd worden.

1. De procedure

1.1. [verzoekster] heeft bij op 7 november 2011 ter griffie binnengekomen verzoekschrift de rechtbank verzocht verweersters te bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw).

1.2. Ter terechtzitting van 28 november 2011 is [verzoekster] hierover gehoord. Verweersters zijn niet ter zitting verschenen. Wel hebben de gemachtigden van ABN AMRO en KLM gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een schriftelijk verweerschrift in te dienen. Het proces-verbaal van de terechtzitting dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.

1.3. Bij faxbrief op 9 december 2011 ter griffie binnengekomen heeft KLM de rechtbank laten weten dat zij alsnog overeenstemming met [verzoekster] heeft kunnen bereiken inhoudende een betaling van een bedrag tegen finale kwijting, welke betaling inmiddels reeds is gedaan.

2. De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1. [verzoekster] heeft blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder e Fw een totale schuld van € 94.774,09 aan zeventien (17) schuldeisers.

2.2. De vordering van PWN op [verzoekster] bedraagt € 417,20. De vordering van Achmea op [verzoekster] bedraagt € 495,47 en de vordering van ABN AMRO op [verzoekster] bedraagt

€ 58.740,72. Deze schuldeisers hebben gezamenlijk een bedrag van € 59.653,39 te vorderen, welk bedrag 62,94% van de totale schuldenlast uitmaakt.

2.3. Bajema & partners heeft namens [verzoekster] bij brief van 14 september 2011 en bij brief van 7 oktober 2011 een schuldregeling aangeboden, inhoudende dat uiteindelijk 3,39% is aangeboden aan de schuldeisers gebaseerd op een saneringskrediet van een familielid van [verzoekster] van € 3.000,00 vermeerderd met het gespaarde saldo in het minnelijk traject tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen.

2.4. De aangeboden schuldregeling is door de andere schuldeisers aanvaard.

3. De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

3.1. Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat haar vordering, vermeerderd met rente, volledig wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vorderingen van verweersters, staan de belangen van verweersters bij weigering van die regeling in beginsel vast.

3.2. Dit kan anders worden indien verweersters in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat verweersters hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoekster] of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Blijkens de wetsgeschiedenis (MvT Kamerstukken II 2004/05 nr. 3 p. 18) bij de totstandkoming van artikel 287a Fw kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van deze vraag. Binnen dat kader overweegt de rechtbank als volgt.

3.3. De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting blijkt dat [verzoekster] thans op parttime basis uit hoofde van een re-integratietraject werkzaam is bij gemeente Zaanstad. Door [verzoekster] is aangevoerd dat haar een vaste baan zal worden aangeboden door de gemeente Zaanstad als medewerker schuldhulpverlening doch dat haar spaarcapaciteit gelet op het (gedeeltelijk) wegvallen van Toeslagen niet wezenlijk zal veranderen. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde stukken onvoldoende duidelijk wordt of het aanbod van [verzoekster] het maximale is waartoe zij financieel in staat moet worden geacht. Daarbij komt dat het aandeel van verweersters een zeer substantieel deel van de totale schuldenlast (nagenoeg 2/3 deel) uitmaakt.

3.4. Voorts blijkt uit de ingekomen faxbrief van KLM van 9 december 2011 dat [verzoekster] niet al haar schuldeisers op gelijke wijze heeft behandeld door, na de zitting waarbij het verzoek KLM en andere schuldeisers te dwingen akkoord te gaan met de aangeboden regeling werd behandeld en voorafgaand aan deze uitspraak, alleen aan KLM een bedrag te betalen tegen finale kwijting van dier vordering. Een dergelijke schending van het beginsel van paritas creditorum indiceert dat de belangen van de schuldeisers beter gewaarborgd zijn door het uitspreken van de subsidiair gevorderde toelating tot de WSNP.

3.5. Gelet op het voorgaande hebben verweersters in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling kunnen komen. Het verzoek om verweersters te bevelen in te stemmen met de schuldregeling zal daarom worden afgewezen.

3.6. Al hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd leidt niet tot een andere beslissing, zodat dit onbesproken kan blijven.

3.7. Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.

4. De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2011.