Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU9332

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
27-12-2011
Zaaknummer
138638 - HA ZA 07-1113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Procedure ex artikel 55 Luchtvaartwet (LVW); opheffing bouwverbod.

Op 19 februari 2010 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de artikel 50 LVW-procedure en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor de vaststelling van de schadeloosstelling als gevolg van het bouwverbod ex artikel 50 LVW. Gelet op het door de Hoge Raad gekozen uitgangspunt dat de in artikel 55 LVW bedoelde financiële gevolgen van de opheffing van het bouwverbod betrokken dienen te worden bij de vaststelling van de schadeloosstelling op de voet van artikel 50 LVW en het feit dat daarom na verwijzing in de artikel 50 LVW-procedure onder meer zal moeten worden bezien wat de eventuele waardevermeerdering als gevolg van de opheffing van het bouwverbod betekent voor de door te betalen schadevergoeding, ziet de rechtbank in deze artikel 55 LVW-procedure thans geen rol meer voor zich weggelegd. In dit rechtsvorderlijk vacuüm kiest zij er daarom uit oogpunt van doelmatigheid en goede procesorde voor om niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, nu daarop reeds in de eerder dan deze procedure aanhangig gemaakte artikel 50 LVW-procedure door het gerechtshof zal worden beslist. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit het arrest volgt dat de leer van de bindende eindbeslissing (ook) niet geldt in een procedure op de voet van artikel 55 LVW. Het moet daarom voor mogelijk worden gehouden dat de rechtbank in hetgeen partijen na het tussenvonnis in deze procedure naar voren hebben gebracht aanleiding ziet op eerdere beslissingen terug te komen op een wijze die mogelijk van invloed is op, of samenhangt met beslissingen die thans na verwijzing in de artikel 50 LVW-procedure expliciet aan het gerechtshof Amsterdam zijn opgedragen en voorbehouden. Dat acht de rechtbank onwenselijk.

Daar waar uiteindelijk in een en dezelfde uitspraak beslist moet worden over de totale schadeloosstelling, komt het de rechtbank geraden voor dat die beslissing in al haar onderdelen nu al bij één instantie wordt geconcentreerd.

De leer van de bindende eindbeslissing dient naar het oordeel van de rechtbank in beginsel wel te gelden voor wat betreft haar in het tussenvonnis gegeven oordelen over de andere grondslagen van de vordering van de Luchthaven (onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking, onrechtmatige daad). Nu het arrest van de Hoge Raad geen aanknopingspunten biedt om van de eerdere oordelen af te wijken, zou zulks in beginsel tot afwijzing van de vorderingen van dienen te leiden. Anderzijds is verdedigbaar dat ook hier voor niet-ontvankelijkheid gekozen dient te worden, nu deze vorderingen zozeer samenhangen met de op de LVW gebaseerde vorderingen, dat zij daar materieel min of meer in opgaan en zonder de LVW geen zelfstandige betekenis hebben.

Gesteld voor deze keuze kiest de rechtbank voor laatstgenoemde mogelijkheid. Redengevend daarvoor is dat, waar de gehele zaak thans verder door het Gerechtshof Amsterdam in de artikel 50 LVW-procedure zal worden berecht, de rechtbank geen impedimenten wil opwerpen die de bewegingsvrijheid van partijen en het gerechtshof ook maar enigszins zou kunnen beperken.

Wetsverwijzingen
Luchtvaartwet
Luchtvaartwet 55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/651
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 138638 / HA ZA 07-1113

Vonnis van 21 december 2011

in de zaak van

de naamloze vennootschap

N.V. LUCHTHAVEN SCHIPHOL,

gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

eiseres,

advocaat mr. T.R.B. de Greve,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHIP(S)HOL III B.V.,

gevestigd te Wassenaar, kantoorhoudende te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagde,

advocaat mr. drs. H.J.M. van Schie,

2. [gedaagde 2],

wonende te Aalsmeer,

gedaagde,

advocaat mr. H. Oomen.

Partijen zullen hierna de Luchthaven, Chip(s)hol en [gedaagde 2] worden genoemd. Chip(s)hol en [gedaagde 2] zullen tezamen ook Chip(s)hol c.s. worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 januari 2009

- de nadere conclusie tevens akte overlegging producties van de Luchthaven

- de antwoord nadere conclusie van Chip(s)hol

- de akte houdende overlegging producties van Chip(s)hol

- de akte uitlaten producties van de Luchthaven

- de akte bewijsaanbod van de Luchthaven

- het proces-verbaal van de op 3 november 2011 gehouden pleidooien

- de pleitnota van de Luchthaven

- de pleitnota van Chip(s)hol.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij tussenvonnis van 28 januari 2009 heeft de rechtbank in de onderhavige artikel 55 LVW-procedure weliswaar diverse eindbeslissingen genomen, maar zij er heeft om redenen van proceseconomie vanaf gezien die beslissingen in een dictum neer te leggen. Reden daarvoor was dat tal van uitgangspunten, die de rechtbank in de artikel 50 LVW-procedure had aanvaard en die de rechtbank ook in deze procedure tot uitgangspunt heeft genomen, onderwerp waren van debat in de bij de Hoge Raad aanhangige cassatieprocedure. De rechtbank overwoog dat het niet ondenkbaar was dat de Hoge Raad uiteindelijk op een of meer punten anders zou oordelen dan de rechtbank heeft gedaan en heeft daarom de zaak naar de parkeerrol verwezen, teneinde de meest gerede partij de gelegenheid te geven het arrest van de Hoge Raad in de procedure in het geding te brengen.

2.2. Op 19 februari 2010 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de artikel 50 LVW-procedure en daarbij de vraag of de in artikel 55 LVW bedoelde financiële gevolgen van de opheffing van het bouwverbod in het onderhavige geval betrokken dienen te worden bij de vaststelling van de schadeloosstelling op de voet van artikel 50 LVW bevestigend beantwoord. Daarvoor pleit, aldus de Hoge Raad, dat de eventuele waardevermeerdering als gevolg van de opheffing van het bouwverbod rechtstreeks van invloed is op de schade die als gevolg van de oplegging van het bouwverbod is geleden, hetgeen strookt met het algemene uitgangspunt van het schadevergoedingsrecht dat de gelaedeerde niet meer kan verkrijgen dan de door hem werkelijk geleden schade. Daarvoor pleiten bovendien eisen van doelmatigheid: de gehele schadebegroting blijft aldus bijeen en kan, zonodig na nadere bewijslevering, in een en dezelfde procedure worden beslist. Gelet op de onderhavige procedure op de voet van artikel 55 LVW heeft de Hoge Raad vervolgens overwogen dat mogelijk is dat na verwijzing de rechter in de artikel 50 LVW-procedure op het punt van de eventuele waardevermeerdering de uitkomst van de art. 55 LVW-procedure afwacht en dat ook mogelijk is dat de artikel 55 LVW-procedure wordt beëindigd en het debat op het punt van de waardevermeerdering in de artikel 50 LVW-procedure wordt gevoerd.

2.3. De Luchthaven heeft bij nadere conclusie genoemd arrest van de Hoge Raad in het geding gebracht en geconcludeerd tot primair plaatsing van de zaak op de parkeerrol in afwachting van de definitieve uitkomst van de artikel 50 LVW-procedure, subsidiair tot benoeming van deskundigen op de voet van artikel 54 LVW. Chip(s)hol heeft daar bij antwoord nadere conclusie op gereageerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de Luchthaven. Na verdere aktewisseling hebben partijen de zaak vervolgens op 3 november 2011 doen bepleiten. Partij [gedaagde 2] heeft na het tussenvonnis niet meer aan het verdere debat deelgenomen.

2.4. Partijen verschillen derhalve van mening over de wijze waarop in deze artikel 55 LVW-procedure dient te worden voortgeprocedeerd. De Luchthaven is primair van mening dat de zaak terug behoort te worden geplaatst op de parkeerrol, in afwachting van de definitieve uitkomst van de artikel 50 LVW-procedure. Chip(s)hol daarentegen is van oordeel dat het arrest van de Hoge Raad in de artikel 50 LVW-procedure geen afbreuk doet aan de beslissingen in het tussenvonnis van 28 januari 2009 en heeft de rechtbank daarom verzocht eindvonnis te wijzen overeenkomstig de beslissingen in het tussenvonnis.

2.5. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Gelet op het door de Hoge Raad gekozen uitgangspunt dat de in artikel 55 LVW bedoelde financiële gevolgen van de opheffing van het bouwverbod betrokken dienen te worden bij de vaststelling van de schadeloosstelling op de voet van artikel 50 LVW en het feit dat daarom na verwijzing in de artikel 50 LVW-procedure onder meer zal moeten worden bezien wat de eventuele waardevermeerdering als gevolg van de opheffing van het bouwverbod betekent voor de door de Luchthaven te betalen schadevergoeding, ziet de rechtbank in deze artikel 55 LVW-procedure thans geen rol meer voor zich weggelegd. In dit rechtsvorderlijk vacuüm kiest zij er daarom uit oogpunt van doelmatigheid en goede procesorde voor om de Luchthaven niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, nu daarop reeds in de eerder dan deze procedure aanhangig gemaakte artikel 50 LVW-procedure door het gerechtshof zal worden beslist. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit voormeld arrest volgt dat anders dan bij tussenvonnis van 28 januari 2009 is aangenomen de leer van de bindende eindbeslissing (ook) niet geldt in een procedure op de voet van artikel 55 LVW. Het moet daarom voor mogelijk worden gehouden dat de rechtbank in hetgeen partijen na bedoeld tussenvonnis in deze procedure naar voren hebben gebracht aanleiding ziet op eerdere beslissingen terug te komen op een wijze die mogelijk van invloed is op, of samenhangt met beslissingen die thans na verwijzing in de artikel 50 LVW-procedure expliciet aan het gerechtshof Amsterdam zijn opgedragen en voorbehouden. Dat acht de rechtbank onwenselijk.

Voorts valt niet uit te sluiten dat de inhoudelijke beslissing van de rechtbank op de artikel 55 LVW-vordering partijen zou nopen tot het instellen van beroep in cassatie, terwijl evenmin valt uit te sluiten dat ook het eindarrest van het gerechtshof in de artikel 50 LVW-procedure voor partijen daartoe aanleiding geeft. Daar waar uiteindelijk in een en dezelfde uitspraak beslist moet worden over de totale schadeloosstelling, komt het de rechtbank geraden voor dat die beslissing in al haar onderdelen nu al bij één instantie wordt geconcentreerd.

Anders dan de Luchthaven ter gelegenheid van het pleidooi heeft betoogd, laat het arrest van de Hoge Raad geen ruimte voor de mogelijkheid om na eindarrest in de artikel 50 LVW-procedure alsnog de onderhavige artikel 55 LVW-procedure inhoudelijk voort te zetten. Er bestaat daarom geen rechtens te respecteren belang om de zaak terug te plaatsen op de parkeerrol.

2.6. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wat zij aanmoet met de vorderingen van de Luchthaven voorzover die gebaseerd zijn op andere grondslagen dan artikel 55 LVW (onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking, onrechtmatige daad). Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat de leer van de bindende eindbeslissing naar het oordeel van de rechtbank in beginsel wel dient te gelden voor wat betreft haar in het tussenvonnis gegeven oordelen over die andere grondslagen. Nu het arrest van de Hoge Raad geen aanknopingspunten biedt om van de eerdere oordelen af te wijken, zou zulks in beginsel tot afwijzing van de vorderingen van de Luchthaven dienen te leiden. Anderzijds is verdedigbaar dat ook hier voor niet-ontvankelijkheid gekozen dient te worden, nu deze vorderingen zozeer samenhangen met de op de LVW gebaseerde vorderingen, dat zij daar materieel min of meer in opgaan en zonder de LVW geen zelfstandige betekenis hebben.

Gesteld voor deze keuze kiest de rechtbank voor laatstgenoemde mogelijkheid. Redengevend daarvoor is dat, waar de gehele zaak thans verder door het Gerechtshof Amsterdam in de artikel 50 LVW-procedure zal worden berecht, de rechtbank geen impedimenten wil opwerpen die de bewegingsvrijheid van partijen en het gerechtshof ook maar enigszins zou kunnen beperken.

2.7. De conclusie is dat de Luchthaven in al haar vorderingen en op alle aangevoerde grondslagen, zowel jegens Chip(s)hol als jegens [gedaagde 2] niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De Luchthaven is daarmee als de in het ongelijk gestelde partij te beschouwen en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Nu de Luchthaven niet ontvankelijk zal worden verklaard ziet de rechtbank geen reden om terug te komen op haar beslissing in het tussenvonnis en alsnog tot vergoeding van de werkelijke kosten over te gaan en zal zij zich laten leiden door het zgn. liquidatietarief. Op zich biedt de LVW met haar verwijzingen naar de onteigeningswet aanknopingspunten tot vergoeding van de werkelijke kosten, maar voorzover het liquidatietarief onvoldoende dekking biedt voor de in deze procedure werkelijk gemaakte kosten is het aan het gerechtshof om het surplus te zijner tijd te begroten in het kader van de artikel 50 LVW procedure. Dat leidt ertoe dat het advocatensalaris van [gedaagde 2] conform r.o. 5.29 e.v. van het tussenvonnis zal worden bepaald op € 12.844,-. Ten aanzien van Chip(s)hol gaat het thans in totaal om 7 punten (cva; cvd; pleidooi, nadere conclusie, pleidooi), derhalve à € 22.477,-.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verklaart de Luchthaven niet ontvankelijk in haar vorderingen;

3.2. veroordeelt de Luchthaven in de proceskosten van Chip(s)hol, tot aan deze uitspraak begroot op € 4.732,- aan verschotten en € 22.477,- aan salaris advocaat;

3.3. veroordeelt de Luchthaven in de proceskosten van [gedaagde 2], tot aan deze uitspraak begroot op € 1.136,- aan verschotten en € 12.844,- aan salaris advocaat.

3.4. verklaart de kostenveroordelingen onder 3.2 en 3.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell, mr. E.L. Grosheide en mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2011.?