Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU9318

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
15-710274-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van vier maanden geheel voorwaardelijk voor ontucht met minderjarig verstandelijk gehandicapt meisje, dat door verdachte als chauffeur van een taxibusje werd vervoerd. Proeftijd drie jaar met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende die proeftijd onthoudt van het werken met minderjarigen en/of gehandicapten, in welke vorm dan ook, zowel in dienstverband als op basis van vrijwilligheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710274-11

Uitspraakdatum: 23 december 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 december 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [...] 1941 te [plaats],

wonende te [adres, woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegddat:

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 22 november 2010 tot en met 25 november 2010 te Haarlem en/of te Wijk aan Zee, althans (telkens) in Nederland, (meermalen) ontucht heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer], geboren op 24 juni 1993, immers heeft hij (telkens) de borsten van die [slachtoffer] betast en/of daarin geknepen en/of daarover gewreven, terwijl die [slachtoffer] (telkens) aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid was toevertrouwd (doordat die [slachtoffer] een verstandelijke beperking heeft en verdachte haar in genoemde periode als chauffeur van een taxibusje vervoerde).

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van tachtig uur, subsidiair te vervangen door 40 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden geëist met een proeftijd van drie jaar met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd onthoudt van het werken met kinderen en/of gehandicapten, zowel in dienstverband als op basis van vrijwilligheid. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de officier zich op het standpunt gesteld dat deze dient te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4. Bewijs

4.1 Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Verdachte was als chauffeur werkzaam bij taxicentrale [naam taxibedrijf]. De 17-jarige [slachtoffer] werd dagelijks door verdachte in een busje van haar woonplaats Haarlem naar haar school van Heliomare in Wijk aan Zee gebracht. [voornaam slachtoffer] werd ’s ochtends door verdachte als eerste passagier opgehaald en werd aan het einde van de schooldag als laatste weer thuis afgezet. [voornaam slachtoffer] heeft een verstandelijke beperking.

Op maandagochtend 22 november 2010 vertelt [voornaam slachtoffer] aan haar leerkracht en begeleidster [naam leerkracht] dat verdachte haar die dag bij haar borsten heeft aangeraakt en dat ze dit niet fijn vindt. [voornaam slachtoffer] zegt dat het de eerste keer is dat dit is gebeurd en vraagt wat ze moet doen. Ze heeft dit op dat moment nog niet aan haar (pleeg)moeder verteld, aldus de leerkracht. Op woensdag 24 november 2010 krijgt de pleegmoeder van [voornaam slachtoffer] een brief van de school waarin staat dat verdachte een klacht tegen [voornaam slachtoffer] heeft ingediend. Op het moment dat de pleegmoeder [voornaam slachtoffer] over de brief vraagt, vertelt [voornaam slachtoffer] haar onder meer dat verdachte aan haar borsten heeft gevoeld. [voornaam slachtoffer] had een jas aan dus dat betasten gebeurde over haar jas. [voornaam slachtoffer] zei verder dat het vanaf die maandag begonnen was en dat het elke dag gebeurd was. Na een oriënterend gesprek met de politie op vrijdag 26 november 2010, doet de pleegmoeder van [voornaam slachtoffer], die al sinds [voornaam slachtoffer] zes weken oud was voor haar zorgt, op 8 december 2010 aangifte. [voornaam slachtoffer] verklaart vervolgens zelf tijdens een studioverhoor dat ze over de chauffeur van de bus komt praten, dat die chauffeur niet zo aardig was en dat hij ook aan haar borsten heeft gezeten en dat ze dat niet zo fijn vond. Ze verklaart dat het meerdere keren is gebeurd, dat het gebeurd is met alle kinderen erbij en dat die zeiden dat verdachte van haar af moest blijven. Ze geeft aan dat hij met een vlakke hand op haar linkerborst rond heeft bewogen, en verklaart dat ze een jas aanhad en gewoon op haar plaats zat. Het is (al) op maandag gebeurd maar ze heeft het op woensdag aan haar moeder verteld toen haar moeder een brief thuis had gekregen omdat [voornaam slachtoffer] niet zo lief en aardig zou zijn en toen heeft ze het gelijk verteld.

Verdachte verklaart dat hij mogelijk in de richting van de borsten van [voornaam slachtoffer] is gekomen en aan haar heeft gezeten toen zij hem sloeg en hij haar arm terugduwde tegen haar lichaam. Hij verklaart voorts dat twee andere kinderen in de bus een keer hebben gezegd dat hij van [voornaam slachtoffer] af moest blijven toen verdachte en [voornaam slachtoffer] ruzie hadden.

4.2 Bewijsoverweging

De verdediging heeft betoogd dat de verklaring van [voornaam slachtoffer] niet betrouwbaar is. Het zou er onder meer op lijken dat [voornaam slachtoffer] het verhaal over de aanrakingen pas vertelde toen zij hoorde van de klacht die verdachte tegen haar had ingediend. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de verklaring van de leerkracht van [voornaam slachtoffer] leidt de rechtbank af dat [voornaam slachtoffer] het verhaal dat verdachte aan haar borsten had gezeten voor het eerst op school vertelt, dat zij dit deed nadat dit voor de eerste keer gebeurd was en dat zij dit toen nog niet aan haar pleegmoeder had verteld. Gelet op de inhoud van de spontane en vrijwel direct op de ten laste gelegde handelingen gevolgde ‘disclosure’ van [voornaam slachtoffer] tegenover haar leerkracht en het feit dat de inhoud van [voornaam slachtoffer]s verklaring tijdens het studioverhoor in de kern gelijkluidend is aan hetgeen zij, blijkens de hierboven weergegeven aangifte van haar pleegmoeder en de verklaring van de leerkracht, kort na de ‘disclosure’ aan hen heeft toevertrouwd, acht de rechtbank haar verklaring voldoende betrouwbaar om tot bewijs te kunnen dienen. De rechtbank kent daarbij ook betekenis toe aan het feit dat zowel de pleegmoeder, die voor [voornaam slachtoffer] heeft gezorgd sinds [voornaam slachtoffer] zes weken oud is, als de vaste leerkracht, bij wie [voornaam slachtoffer] sinds een paar jaar in de klas zit, hebben verklaard dat [voornaam slachtoffer] niet kan liegen.

Verdachte heeft tijdens het opsporingsonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting stellig ontkend dat hij [voornaam slachtoffer] bij haar borsten heeft aangeraakt. De rechtbank ziet zich, gelet op hetgeen is voorgeschreven in artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dan ook voor de vraag gesteld of de door [voornaam slachtoffer] gebezigde verklaring tijdens het studioverhoor voldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal om tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde te kunnen komen. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is. Uit het gebruikte bewijsmateriaal volgt zonder meer dat verdachte [voornaam slachtoffer] in een bus heeft vervoerd op maandag 22 november 2010, terwijl verdachte voorts de verklaring van [voornaam slachtoffer] in zoverre heeft bevestigd voor zover deze inhoudt dat hij aan haar heeft gezeten (zij het dat hij stelt dat hij op dat moment enkel haar arm terugduwde en daarbij mogelijkerwijs per ongeluk haar heeft aangeraakt) en voor zover deze inhoudt dat twee kinderen in de bus tegen hem hebben gezegd dat hij van haar af moest blijven. In het licht van deze omstandigheden komt de rechtbank tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde handelingen.

4.3 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 22 november 2010 tot en met 25 november 2010 te Haarlem en/of te Wijk aan Zee meermalen ontucht heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer], geboren op 24 juni 1993, immers heeft hij telkens de borsten van die [slachtoffer] betast en/of daarover gewreven, terwijl die [slachtoffer] telkens aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd doordat die [slachtoffer] een verstandelijke beperking heeft en verdachte haar in genoemde periode als chauffeur van een taxibusje vervoerde.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Ontucht plegen met een minderjarig kind dat aan zijn zorg en waakzaamheid is toevertrouwd, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering uitgebrachte rapport van 9 december 2011 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft meerdere malen ontuchtige handelingen gepleegd met een minderjarig verstandelijk beperkt meisje dat, in zijn hoedanigheid van chauffeur van een taxibusje, aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd. Dit is een ernstig feit. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de verstandelijke beperking van [voornaam slachtoffer] en van het psychische overwicht dat hij gezien die beperking op haar had, alsmede haar afhankelijkheid van hem als chauffeur van het busje en het grote leeftijdsverschil tussen hen. Verdachte heeft verklaard dat [voornaam slachtoffer] een mager meisje is, terwijl hijzelf, zo is de rechtbank uit eigen waarneming gebleken, een grote en forsgebouwde man is, waardoor hij ook fysiek overwicht op [voornaam slachtoffer] had. Verdachte heeft het feit enkel en alleen gepleegd om zijn eigen gevoelens van lust te bevredigen, waarbij hij voorbij is gegaan aan de kwetsbaarheid van het slachtoffer. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke feiten daarvan nog lange tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden en uit het dossier blijkt ook dat de handtastelijkheden van verdachte veel impact op [voornaam slachtoffer] hebben gehad. Dat verdachte blijkens het verhandelde ter terechtzitting ook thans nog niet het strafwaardige van zijn handelen inziet en geen oog heeft voor de schade die hij bij het slachtoffer heeft aangericht, rekent de rechtbank verdachte aan, temeer nu uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij reeds eerder is veroordeeld voor ontucht.

Gezien de beperkte duur, aard en omvang van de ontucht en het feit dat verdachte vanwege de aangifte namens [voornaam slachtoffer] en thans bewezenverklaarde gedragingen, van zijn werkgever niet meer als taxichauffeur mag werken, zal de rechtbank niet de door de officier van justitie geëiste werkstraf opleggen. Wel ziet de rechtbank aanleiding om een geheel voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur op te leggen. De rechtbank zal daaraan, nu de rechtbank bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf dat gericht is tegen, of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer, en er voorts rekening mee moet worden gehouden dat verdachte mogelijk een soortgelijk misdrijf zal begaan, een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden opnieuw strafbare feiten en met name soortgelijke feiten te begaan. De rechtbank zal als voorwaarde aan de geheel voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf verbinden dat verdachte zich gedurende de proeftijd onthoudt van het werken met minderjarigen en/of gehandicapten, in welke vorm dan ook, zowel in dienstverband als op basis van vrijwilligheid.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 2500,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank vergoeding van de schade billijk voor, maar de rechtbank ziet in de aard en omvang van de bewezenverklaarde gedragingen wel aanleiding om de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding te matigen tot een bedrag van € 500,00.

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht.

Daarom zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 500,00.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 57, 249 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (zegge: vier) maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte zich niet onthoudt van het werken met minderjarigen en/of gehandicapten, in welke vorm dan ook, zowel in dienstverband als op basis van vrijwilligheid.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en heeft doorgebracht, bij de eventueel ten uitvoer te leggen gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 500,00 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer], voornoemd, rekeningnummer [nummer bankrekening], tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 500, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door tien dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mrs. J.J.M. Uitermark en S. Euwema, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 december 2011.

Mr. Euwema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.