Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU8998

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
15/840218-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Elbrus: medeplegen van opzettelijke invoer van 12 kilogram cocaïne via Schiphol alsmede zeven onbekend gebleven hoeveelheden cocaïne en drie voorbereidingshandelingen daartoe vanuit Suriname dan wel Kenia. Deelname aan een criminele organisatie met een organiserende rol voor verdachte door het onderhouden van contacten met tussenpersonen en medeverdachten die werkzaam waren bij schoonmaakbedrijf Asito op Schiphol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/840218-10 en 15/810109-11 (ttz gev)

Uitspraakdatum: 17 november 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10, 24 en 25 oktober 2011 en 3 november 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (land),

wonende te [woonadres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Amsterdam, locatie Havenstraat, te Amsterdam.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaardingen met de parketnummers

15/840218-10 en 15/810109-11 is omschreven. De in deze dagvaardingen opgenomen feiten zijn van doorlopende nummers voorzien. Die nummering zal in dit vonnis worden aanhouden, zodat aan verdachte, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, is ten laste gelegd dat:

feit 1: (zaaksdossier B2)

hij op of omstreeks 22 oktober 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 13.153 (bruto) gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2 primair: (zaaksdossier B20)

hij in of omstreeks de periode van 21 september 2010 tot en met 29 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, (meermalen) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, (telkens) een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2 subsidiair: hij in of omstreeks de periode van 21 september 2010 tot en met 29 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Diemen, in elk geval in Nederland, en/of in Suriname, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad

waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en) immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of - een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld;

feit 3: (parketnummer 15/810109-11 en zaaksdossier B3)

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 25 november 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Amsterdam en/of Diemen en/of Almere, in elk geval in Nederland, en/of in Suriname en/of in Ghana, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte en/of zijn mededader(s) en/of andere personen behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, te weten

- het (telkens) tezamen en in vereniging met (een of meer bovengenoemde) andere(n), (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I (artikel 2A OW jo 10 lid 5 OW) en/of

- het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

* zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

* een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

* voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en) (artikel 10a OW);

feit 4 primair: (zaaksdossier B5)

hij op of omstreeks 17 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 4 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 13 september 2010 tot en met 17 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Diemen en/of te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en) immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of

- een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld;

feit 5 primair: (zaaksdossier B6)

hij op of omstreeks 4 oktober 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 5 subsidiair:

hij op of omstreeks 4 oktober 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en)immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of

- een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld;

feit 6 primair: (zaaksdossier B10)

hij op of omstreeks 20 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 6 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 17 september 2010 tot en met 21 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en)

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of

- een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld;

feit 7: (zaaksdossier B11)

hij in of omstreeks de periode van 23 juli 2010 tot en met 16 oktober 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam, en/of te Diemen, in elk geval in Nederland, en/of in Suriname (meermalen) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen (telkens),

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en)

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe) (telkens):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of

- een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld;

feit 8 primair: (zaaksdossier B14)

hij op of omstreeks 22 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 8 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 20 september 2010 tot en met 23 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Diemen en/of te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad

waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij

bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en)

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of

- een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld;

feit 9 primair: (zaaksdossier B15)

hij op of omstreeks 27 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 9 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 23 september 2010 tot en met 27 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Diemen en/of te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en)

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of

- een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld;

feit 10 primair: (zaaksdossier B21)

hij op of omstreeks 29 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 10 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 26 september 2010 tot en met 29 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en)

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of

- een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld.

2. Voorvragen

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding met betrekking tot de onder 2 subsidiair (zaaksdossier B20), 3 (zaaksdossier B3) en 7 (zaaksdossier B11) ten laste gelegde feiten nietig verklaard dient te worden. Volgens de raadsman bestrijkt de ten laste gelegde periode voor een groot deel de andere ten laste gelegde feiten, zodat niet nader is gespecificeerd welke voorbereidingshandelingen hem worden verweten.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten de dagvaardingen een opgave bevat van de verweten gedraging(en), met daarbij steeds vermeld de pleegperiodes en pleegplaatsen. Daarmee voldoet de tenlastelegging aan de eisen die daaraan in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering zijn gesteld.

Voorts stelt de rechtbank vast dat voor wat betreft de feiten op de dagvaarding met parketnummer 15/810109-11, waar de feiten 3 en 7 onderdeel van uitmaken, de verweten gedraging(en) per ten laste gelegd feit worden aangeduid met een verwijzing naar de vindplaats in het strafdossier en dat de officier van justitie, voor wat betreft de dagvaarding met parketnummer 15/840218-10, ten aanzien van feit 2, dat ter terechtzitting van 28 april 2011 heeft gedaan aan de hand van de toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging. Nu steeds is verwezen naar de betreffende zaaksdossiers, waarin telkens is omschreven en is toegelicht onder verwijzing naar bijgevoegde onderzoeksresultaten waaruit de aan verdachte verweten betrokkenheid bij dat feit zou bestaan - hetgeen ten aanzien van de feiten 2, 3 en 7 (zaaksdossier B11) het geval is - voldoet de dagvaarding in dit opzicht aan de eisen zoals gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Voorts is de rechtbank ook niet gebleken dat – mede gelet op de onderhavige zaaksdossiers B3, B11 en B20 – er bij de verdediging onduidelijkheid heeft bestaan over ten aanzien van welke verdenkingen de verdediging moest worden gevoerd.

Het antwoord op de vraag welke specifieke (voorbereidings)handelingen met betrekking tot elk afzonderlijk ten laste gelegde feit aan de orde is, wordt – met inachtneming van hetgeen uit het onderzoek ter terechtzitting aan gegevens is voortgevloeid – gegeven in een eventuele bewezenverklaring.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de dagvaardingen ook overigens geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

2.1 Ambtshalve beoordeling van de ontvankelijkheid

Dubbele strafbaarheid

De rechtbank heeft zich ervan vergewist dat de aan de verdachte onder de feiten 3 en 7 ten laste gelegde deelname aan een criminele drugsorganisatie en voorbereidingshandelingen door de Nederlandse strafwet als misdrijf worden beschouwd en dat op die handelingen dan wel deelname door de wet van Suriname, alwaar de feiten tevens zouden zijn begaan, straf is gesteld.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7, 8 primair, 9 primair en 10 primair ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. Bewijs

4.1. Algemeen

Op 20 mei 2010, 1 juni 2010 en 9 juli 2010 is bij de Koninklijke Marechaussee te Schiphol informatie van het Korps Landelijke Politie Diensten, Dienst IPOL, binnengekomen met onder meer de mededeling dat een groepering zich bezig zou houden met de invoer van cocaïne vanuit Suriname door middel van onder andere verborgen plaatsen in vliegtuigen. In Nederland is een lid van die groepering een man genaamd: [bijnaam medeverdachte 1] met telefoonnummer [gsm-nummer], die vermoedelijk werkzaam is op de luchthaven Schiphol of nauw contact heeft met medewerkers op de luchthaven Schiphol. Naar aanleiding van deze informatie is vanaf 19 juli 2010 een rechercheonderzoek door de KMar gestart onder de naam Elbrus. In het kader van dit onderzoek is vanaf 23 juli 2010 een groot aantal telefoongesprekken getapt.

Uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer van de man genaamd [bijnaam medeverdachte 1] wordt gebruikt door één van de verdachten in het onderzoek Elbrus, te weten [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft telefonische contacten met personen die ten tijde van de ten laste gelegde feiten werkzaam waren bij het schoonmaakbedrijf Asito op Schiphol. Asito is het schoonmaakbedrijf dat onder andere alle intercontinentale vluchten voor de KLM en de vluchten van Kenia Airways op Schiphol schoonmaakt. Uit het dossier is gebleken dat de verdachten in het onderzoek Elbrus, al dan niet werkzaam bij Asito, in wisselende samenstelling betrokken zijn geweest bij de invoer van pakketten met daarin cocaïne, middels verstopplekken in vliegtuigen afkomstig uit Suriname, Ghana en/of Kenia. Uit het dossier is ook gebleken dat de verdachten vaak telefonisch contact met elkaar hadden. De rechtbank stelt, naar aanleiding van opgevraagde gegevens, observaties, stemherkenning, en de verklaringen van enkele verdachten zelf, vast dat daar waar in het dossier namen van verdachten aan telefoonnummers worden gekoppeld, deze gesprekken ook door deze verdachten zijn gevoerd.

Doorzoekingen

Op 22 oktober 2010 hebben in twee vliegtuigen van de KLM doorzoekingen plaatsgevonden. Daarbij zijn pakketten met daarin cocaïne aangetroffen. In een aantal vliegtuigen hebben op andere tijdstippen ook doorzoekingen plaatsgevonden zonder dat daarbij cocaïne is aangetroffen. Dat er in deze vluchten geen cocaïne is aangetroffen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat er ook geen cocaïne aan boord van het vliegtuig heeft gezeten. Gelet op de korte tijd waarin de KMar de gelegenheid heeft een vliegtuig te doorzoeken en de vele potentiële en vaak lastig bereikbare verstopplekken, is het heel goed mogelijk dat zich wel verdovende middelen op een vliegtuig bevinden, maar dat deze verdovende middelen tijdens een doorzoeking niet worden gevonden. Ook het inzetten van een drugshond biedt geen garantie voor het vinden van zich in het vliegtuig bevindende verdovende middelen. Het verweer van de verdediging inhoudende dat waar vliegtuigen, al dan niet met behulp van een hond, zijn doorzocht en geen verdovende middelen zijn aangetroffen, de invoer van cocaïne niet bewezen kan worden, slaagt dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet.

Verklaringen [medeverdachte 2]

De rechtbank merkt op dat zij bij de bewijswaardering rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat [medeverdachte 2] in zijn verklaringen sommige feiten en omstandigheden heeft verward of door elkaar heeft gehaald. Dit maakt echter niet dat de verklaringen van [medeverdachte 2] in zijn geheel ongeloofwaardig zijn, zoals door de verdediging is betoogd. Naar het oordeel van de rechtbank is het zeer wel mogelijk dat [medeverdachte 2], die bij een groot aantal transporten betrokken is geweest, niet al hetgeen hij in de telefoongesprekken over deze transporten heeft besproken nog volledig voor ogen heeft gehad. Dit doet er echter niet aan af dat de verklaringen van [medeverdachte 2] in grote lijnen consistent zijn en dat zijn verklaringen zowel in grote lijnen als ook in details worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de tapgesprekken, vluchtgegevens en bevindingen van de KMar. De rechtbank kent aan de verklaringen van [medeverdachte 2] dan ook zwaarwegende betekenis toe en acht deze overwegend geloofwaardig. Het feit dat [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris zijn verklaring niet heeft bevestigd, maar zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, doet hier niet aan af.

Bijnamen verdachten

[medeverdachte 6] heeft verklaard dat met “[bijnaam verdachte]” [verdachte] werd bedoeld. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat daar waar in de tapgesprekken de naam “[bijnaam verdachte]” wordt genoemd, dit [verdachte] betreft.

Daar waar in de tapgesprekken “[bijnaam medeverdachte 3]” wordt genoemd, gaat de rechtbank er, gelet op de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] , vanuit dat dit [medeverdachte 3] betreft.

Lijn Kenia - Nederland

Uit het dossier komt naar voren dat bij de ten laste gelegde transporten afkomstig uit Kenia Asito-medewerkers, te weten [medeverdachte 4], [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], en de niet bij Asito werkzame [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] waren betrokken. Ieder van de verdachten had een specifieke rol bij deze transporten, zoals blijkt uit de vele telefonische contacten die zij met elkaar hadden.

Hoewel bij geen enkel ten laste gelegde transport afkomstig uit Kenia cocaïne in beslag is genomen, is de rechtbank van oordeel dat het ook bij deze transporten cocaïne is ingevoerd. Tijdens de vele gesprekken hebben de verdachten structureel gebruik gemaakt van onlogische woorden of zinsneden die, gelet op de context en bezien binnen de algehele samenhang van het onderzoek, de bedoeling hadden om de daadwerkelijke inhoud van het gesprek te versluieren en illegale activiteiten af te schermen. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat deze gesprekken over drugs gingen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij behulpzaam is geweest bij het van het beveiligde gebied van Schiphol afbrengen van de pakketten van vluchten uit Kenia, waarvan hij vermoedde dat daar drugs in zaten. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] kregen beiden ook rijkelijk betaald voor hun bijdragen.

Voorts wijst de rechtbank op het aantreffen van cocaïne en andere goederen welke duiden op het versnijden van cocaïne in de woning van [medeverdachte 1]. Ook is in diens woning een notitie aangetroffen met daarop de letters KQU en KQT, welke overeenkomen met de laatste drie letters van vliegtuigregistratienummers van vluchten afkomstig uit Kenia. Daarnaast overweegt de rechtbank dat Kenia klaarblijkelijk kan worden aangemerkt als een doorvoerland voor cocaïne.

De lezing dat het om andere contrabande zou gaan, zoals ivoor of goud, acht de rechtbank niet aannemelijk nu daarvan in het dossier geheel niets is gebleken. De verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] spreken hier beiden niet over en de andere verdachten beroepen zich op hun zwijgrecht. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan, dan dat de ten laste gelegde transporten afkomstig uit Kenia betrekking hebben op de invoer van cocaïne naar Nederland.

Medeplegen

De in zaaksdossier B3 (criminele organisatie) omschreven modus operandi is gebaseerd op een schakelconstructie, waarbij bij het ontbreken van één van deze schakels door de onderlinge samenhang het drugstransport als zodanig niet tot stand kon worden gebracht. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke wijze van invoeren van cocaïne slechts kan worden gerealiseerd door een nauwe en bewuste samenwerking van alle deelnemers (schakels) aan dit proces. De rechtbank acht derhalve het medeplegen van invoer van cocaïne daar waar de rechtbank tot het oordeel komt dat uit Kenia cocaïne naar Nederland is vervoerd, dan wel voorbereidingshandelingen daartoe zijn gepleegd, bewezen.

Ten aanzien van alle transporten

Daar waar de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat cocaïne werd ingevoerd, zal de rechtbank de tenlastelegging op dit punt telkens verbeterd lezen. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden

Ten aanzien van feit 1: (zaaksdossier B2)

Op 14 oktober 2010 belt [verdachte] met [medeverdachte 4] en vraagt “of het zaterdag goed is” . Even later bevestigt [medeverdachte 4] telefonisch dat “het daar goed is”. Vervolgens belt [verdachte] met [medeverdachte 6] om door te geven “dat zaterdag goed is”. Daarna belt [verdachte] nogmaals met [medeverdachte 4] en vraagt “of maandag ook goed is en dat ze willen dat alle drie gaan” (verstuurd worden). [medeverdachte 4] antwoordt dan: “Laat ze het doen”. [verdachte] geeft deze informatie telefonisch door aan [medeverdachte 6] die op haar beurt belt met [medeverdachte 7] met de vraag “of het feest van de geesten zaterdag of zondag is”.

Op 17 oktober 2010 is er contact tussen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] waarbij onder meer wordt gezegd: “die politieman is niet aan het werk gekomen(…) want ze moeten nog wat geld krijgen (…)… donderdag, vrijdag, zaterdag, zondag (…) die mannen gaan zeker volgende week werken, want ik geef hun maandag geld… (…)”. Deze informatie wordt vervolgens doorgegeven aan [verdachte] en [medeverdachte 4] .

[medeverdachte 6] belt op 18 oktober 2010 met [medeverdachte 7] die zegt: “Als we nu een afspraak met [bijnaam verdachte] maken dan is dat een vaste afspraak…dan weten we dat die man zeker naartoe gaat. [medeverdachte 6] antwoordt: “[bijnaam verdachte] zei tegen mij in principe kan hij elke dag behalve woensdag”.

Op 19 oktober 2010 belt [medeverdachte 6] wederom met [medeverdachte 7]. [medeverdachte 7] vertelt dat “een paar andere mannen gaan iets op een plaats binden…[bijnaam verdachte] is er al van op de hoogte, ik heb het hem een keer uitgelegd….het is weer een heel ander kantoor want dat kantoor van Mierei is negen of tien stuks…Bij de eerste deur, die aan de voorkant…daar waar de vrouw het eten uitdeelt. Vlak naast haar is er een kast met zuurstof voor mensen die flauw vallen. In dat kastje is dat ding”. Vervolgens zegt een stem van een man op de achtergrond: “Je moet die deur met een schroef openmaken, daar is dat ding”. [medeverdachte 7] herhaalt dit. [medeverdachte 6] vraagt vervolgens: “Hoeveel dingen zijn er?” [medeverdachte 7] vraagt aan een man op de achtergrond hoeveel dingen er zijn. De man antwoordt met “tien tot twaalf”. [medeverdachte 7] zegt vervolgens tegen [medeverdachte 6]: “tien tot twaalf”. Verder zegt hij: “dat is een eenmalig kantoor….dat ding van ons komt aan … vanaf donderdag, elke keer”.

Een dag later vindt een gesprek plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 7], waarin [medeverdachte 7] zegt: “ik heb je gezegd dat dat ding/spul van ons is morgen op de oude plek/plaats. Je weet waar de oude plek/plaats is toch?” [verdachte] antwoordt: “Ja, ja geen probleem”. Vervolgens zegt [medeverdachte 7]: “morgen en het komt aan na morgen”. [verdachte] zegt daarop: “Oke morgen en vrijdag hier… ja, ja, ja.”

Op 21 oktober 2010 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 4] of hij morgen daar is. [medeverdachte 4] antwoordt bevestigend. Later heeft [verdachte] telefonisch contact met [medeverdachte 6] waarbij hij haar vraagt: “hoeveel dit ding? Hoeveel perfumes?” Daarop belt [medeverdachte 6] met [medeverdachte 7] en vraagt: “Met hoeveel bands danst ze morgen? Twee of een?” [medeverdachte 7] antwoordt: “ja, dat is normaal (zoals gewoonlijk).”

[medeverdachte 6] geeft dit vervolgens telefonisch aan [verdachte] door. [verdachte] heeft kort daarna contact met [medeverdachte 4] en spreekt daarbij over “morgen” en “de onderkant”.

Op vrijdag 22 oktober 2010 wordt [medeverdachte 6] gebeld door [medeverdachte 7] waarbij hij doorgeeft dat “Dat ding maar twee ogen heeft”. Verder zegt hij: “Je moet [bijnaam verdachte] zeggen dat deze man nu in de lucht is en morgen spring ik ook gelijk/meteen weer.”

[medeverdachte 4] heeft telefonisch contact met [verdachte] en vraagt: “Ligt die van onder erin?” [verdachte] antwoordt: “Maar dat heb ik gisteren tegen jou gezegd.”

Om 05:05 uur gaat [medeverdachte 4] het beveiligde gebied van Schiphol op. Om 10:13 uur verlaat [medeverdachte 4] het beveiligde gebied van Schiphol en om 10:32 uur [medeverdachte 4] gaat het beveiligde gebied van Schiphol weer op.

Op 22 oktober 2010 omstreeks 07.20 uur is er door het onderzoeksteam een doorzoeking gehouden aan boord van voornoemd KLM toestel KL0714 met registratienummer PH-KCI komende vanuit Suriname. Daarbij was ook een rijksspeurhond verdovende middelen aanwezig. Op verzoek van het onderzoeksteam zijn de toiletten voorin het vliegtuig (businessclass gedeelte) doorzocht en op beide toiletten reageerde de hond positief . Na demontage van de toiletpotten zijn er onder beide toiletpotten in totaal 12 pakketten aangetroffen.

Het netto gewicht van de stof in de 12 pakketten betrof 12.006,5 gram. In elk pakket stond een indruk die leek op een baseball.

Bij de testset waarmee de stof uit alle pakketten werd getest op de aanwezigheid van cocaïne trad een positieve kleurreactie op. Er werd uit elk pakket een monster genomen. Deze monsters kregen de SIN nummers AACN8421 t/m 8425 en 8372 t/m 8377NL en zijn voor onderzoek opgestuurd naar het NFI. Het NFI heeft vastgesteld dat alle 12 monsters cocaïne bevatten.

Na de zoeking werd waargenomen dat vlakbij het vliegtuig een Asito voertuig werd waargenomen waarin alleen [medeverdachte 4] zich bevond.

Geconfronteerd met het tapgesprek van 20 oktober 2010 om 15:13 uur tussen hem en [medeverdachte 7] verklaart [verdachte] dat het klopt dat [medeverdachte 7] verdovende middelen in het vliegtuig zou stoppen en dat hij, [medeverdachte 4] of iemand van Asito het eruit moest halen.

Geconfronteerd met de vondst van 12 kilo cocaïne verklaart [verdachte] dat hij niets weet over 13 kilo. [medeverdachte 7] was hem aan het vertellen dat er twee zouden komen. Daar zou 2 kilo liggen. Het zou moeten liggen bij de wc’s als je binnenkomt en de bovenkant opendoet. Dat zijn de wc’s aan de achterkant en dan bovenin. Er moest cocaïne uit Suriname komen. [medeverdachte 7] heeft eigen mensen om het eraf te halen, maar hij vraagt het ook soms aan hem. Gevraagd naar wie deze zending eraf moest halen verklaart [verdachte] dat hij daarom [medeverdachte 4] had gebeld.

Over een eenmalig kantoor heeft [medeverdachte 6] verklaard dat het voor één keer was. Verder verklaart zij dat zij van [verdachte] had begrepen dat de vaste plek ergens boven de bedrading was, achterin en dan boven in de toiletten.

Alle toiletten en de aanwezige ruimtes boven en achter het toilet van de PH-KCI zijn op 22 oktober doorzocht maar daar is niets aangetroffen.

In de woning van [verdachte] zijn tekeningen aangetroffen met de vermoedelijke verstopplek.

Er is geen bergruimte in het passagiergedeelte van een vliegtuig van het type MD11 gevonden welke door middel van 9/10/11 of 12 schroeven te verwijderen toegang biedt tot deze ruimte.

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van verdachte sprake is van voorwaardelijk opzet. Door zich in te laten met personen waarvan hij wist dat deze zich bezig hielden met drugstransporten heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er meer pakketten werden gestuurd dan hij zelf kennelijk meende.

Dat een deel van de zending bedoeld zou zijn voor andere opdrachtgevers, zoals door de verdediging is gesuggereerd, vindt geen steun in het dossier, temeer nu elk pakket dezelfde indruk had die leek op een baseball.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Aangezien uit de inhoud van de aangehaalde telefoongesprekken blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte en zijn medeverdachten, acht de rechtbank ook het medeplegen van het bewuste feit bewezen.

Ten aanzien van feit 2 primair: (zaaksdossier B20)

Op 21 september 2010 vindt er een telefoongesprek plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 7] waarin wordt gevraagd: “Kan ik vandaag spelen?”

[verdachte] antwoordt dan “Spelen. Er is geen probleem. speel maar 2 he, 2”. [medeverdachte 7] antwoordt “oké”.

Op dezelfde dag belt [verdachte] met [medeverdachte 6] waarin wordt doorgegeven dat [verdachte] naar nummer twee moet. Verder wordt er gezegd: “Voor Dirk (fon) toch”.

Op 22 september 2010 omstreeks 07:15 uur is een KLM toestel, de KL714 met registratienummer PH-KCD, uit Paramaribo (Suriname) geland.

Op 22 september 2010 belt [medeverdachte 4] met [verdachte] waarbij [verdachte] doorgeeft dat “het Badu is”. [medeverdachte 4] vraagt “of het daar beneden is”. [verdachte] antwoordt: “Ja, daar beneden. (…) Er zijn er 2”.

Vervolgens wordt [medeverdachte 6] gebeld door [verdachte] en wordt gesproken over “Dirk van der Broek”.

Daarna belt [medeverdachte 4] naar [medeverdachte 3] en geeft aan [medeverdachte 3] door dat “het goed gaat met Daniel”. [medeverdachte 3] antwoordt dan: “oké, oké, oké, oké”.

Over dit gesprek heeft [medeverdachte 3] verklaard dat het over drugs gaat en dat met de opmerking ‘het gaat goed met Daniel’ wordt bedoeld dat [medeverdachte 4] de drugs heeft gezien. [verdachte] had haar die dag gevraagd contact te houden met [medeverdachte 4]. [medeverdachte 3] verklaart dat zij de informatie van [medeverdachte 4] heeft doorgegeven aan [verdachte]. In de middag wordt [medeverdachte 6] gebeld door [verdachte] waarbij [verdachte] doorgeeft “dat Van der Broek oké is”.

[verdachte] is op 22 september 2010 om 05.49 uur het beveiligde gebied van de luchthaven Schiphol binnen gegaan en heeft om 14:14 uur het beveiligde gebied van Schiphol verlaten.

[medeverdachte 4] is die dag van 05:28 uur tot 16:43 uur in het beveiligde gebied van de luchthaven Schiphol geweest. [medeverdachte 3] is op 22 september 2010 om 05:49 tot 9:42 uur in het beveiligde gebied van de luchthaven Schiphol geweest.

Om 15:14 uur wordt [medeverdachte 6] gebeld door [verdachte] waarbij wordt doorgegeven dat “27 tot en met 30 goed is en 1 tot 11 niet goed is”. Even later geeft [medeverdachte 6] deze informatie door aan [medeverdachte 7].

[medeverdachte 4] stond op 1 oktober 2010 geboekt voor de vlucht KL589 (KLM) 14.05 uur van Amsterdam naar Accra (Ghana). Zijn terugvlucht KL590 stond geboekt op 9 oktober 2010 van Accra naar Amsterdam waarbij het vliegtuig op Schiphol zou landen op 10 oktober 2010 omstreeks 05:45 uur.

Op 23 september 2010 meldt [medeverdachte 6] telefonisch aan [medeverdachte 5], de huisgenoot van [verdachte], dat “zij de zuster naar hem heeft gestuurd maar dat zij later pas komt”. Verder vraagt [medeverdachte 6] “of het de 2 is”. Daarop antwoordt [medeverdachte 5]: “Ja, het is goed. (…) Het is 2 ja”. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat het hier gaat om het ophalen van 2 pakjes bij [medeverdachte 5] door [betrokkene 1], de zus van [medeverdachte 7], en dat het vermoedelijk ging om drugs.

In een telefoongesprek tussen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] wordt gesproken over “grote, grote dinges”. Verder wordt er gevraagd hoeveel grote had opgestuurd. Het antwoord is 2. Vervolgens vraagt [medeverdachte 6] “of zij die 7 eruit moest halen”. Later belt [medeverdachte 6] nogmaals met [medeverdachte 7] waarbij [medeverdachte 7] vraagt of “ze het ding heeft gekregen en dat hij denkt dat het elf vijftig is”. [medeverdachte 6] vraagt “of zij [bijnaam verdachte] ([verdachte]) 20 moet geven”. [medeverdachte 7] zegt verder: “Misschien kan hij het morgen nog nemen ...die van vandaag die onderweg is”.

[medeverdachte 6] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij via een ander van [medeverdachte 7] een envelop met geld heeft gekregen, dat zij een deel van het geld mocht houden en een deel aan [verdachte] moest geven .

Op 23 september 2010 is de KL714 met registratienummer PH-KCA uit Paramaribo vertrokken en op 24 september omstreeks 7.15 op Schiphol geland.

Op 24 september 2010 zegt [medeverdachte 6] tegen [verdachte] dat ze morgen weer gaan voetballen. [verdachte] zegt daarop dat “het geen probleem is”. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat ze voetbaltermen gebruikt om drugs aan te duiden . [medeverdachte 7] belt daarna met [medeverdachte 6] en zegt dat “ze over Ferdien/Ferdie ook aan [bijnaam verdachte] moet vertellen. Albert was gisteren. Die van vandaag is Frits”. Deze informatie geeft [medeverdachte 6] vervolgens telefonisch door aan [verdachte].

Op 24 september 2010 is een KLM toestel, de KL714, met registratienummer PH-KCF, uit Paramaribo (Suriname) vertrokken en op 25 september 2010 omstreeks 07:15 uur op Schiphol geland.

[verdachte] geeft in een telefoongesprek op 25 september 2010 aan [medeverdachte 3] door “dat Emmanuel, Francis en Amma zijn gekomen”. [medeverdachte 3] geeft aan dat “zij is naar Francis is gegaan”. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat dit gesprek over drugs gaat en dat met de namen Emanuel en Francis en Amma vliegtuigen worden bedoeld. De rechtbank heeft geconstateerd dat voornoemde namen beginnen met letters die het zelfde zijn als de laatste letters van de registratienummers van de vliegtuigen die op 22, 23 en 24 september 2010 uit Suriname in Nederland zijn geland.

In diverse telefoongesprekken op 27 september 2010 tussen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] wordt het volgende gezegd:

- “Die twee...Franklin en Anton die zijn goed ...

- Hoeveel heeft hij nu al, 4 toch.

- Laat ze goed na kijken want D hebben ze eruit gehaald

- Je moet Biertje gewoon 35 geven”.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat verdachte samen met [medeverdachte 3], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] meermalen verdovende middelen in Nederland heeft ingevoerd aan boord van vliegtuigen afkomstig uit Suriname. Verdachte [medeverdachte 4] is eenmaal betrokken geweest bij invoer van verdovende middelen. Alhoewel er geen verdovende middelen in beslag zijn genomen, is de rechtbank – gelet op de verklaringen van verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] dat het om drugs ging, de verklaring van verdachte [medeverdachte 3] dat met de namen vliegtuigen worden bedoeld, het gebruik van versluierde taal en de omstandigheid dat in zaaksdossier B2 wel cocaïne is aangetroffen – van oordeel dat het ook bij deze transporten om cocaïne is gegaan. Daarbij komt dat bij deze transporten dezelfde contactpersoon in Suriname is betrokken als in zaakdossier B2, namelijk [medeverdachte 7]. Over hem heeft zowel [medeverdachte 6] als verdachte verklaard dat hij zich bezig houdt met het verzenden van drugs. Nu voorts uit de inhoud van de aangehaalde telefoongesprekken blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, acht de rechtbank ook het medeplegen van de bewuste feiten bewezen.

Dat het om andere illegale goederen is gegaan, zoals is aangevoerd, acht de rechtbank in het licht van het voorgaande niet aannemelijk omdat deze nooit zijn aangetroffen en daarvoor ook overigens geen enkele steun in het dossier is terug te vinden.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3: (zaaksdossier B3)

De criminele drugsorganisatie

Voor het aannemen van het bestaan van een criminele organisatie dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband, met een zekere structuur en duurzaamheid tussen twee of meer verdachten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van één grote criminele organisatie die het oogmerk had cocaïne uit Suriname, Kenia en Ghana in te voeren en waarbij alle verdachten die in het onderzoek Elbrus betrokken zijn deel van uitmaken. De rechtbank deelt dit oordeel niet. Er zijn geen feiten of omstandigheden bekend geworden waaruit op enigerlei wijze blijkt dat de verschillende activiteiten met betrekking tot Ghana, Suriname en Kenia door de verdachten onderling op elkaar waren afgestemd. Evenmin is gebleken van enig gemeenschappelijk doel gericht op de invoer van verdovende middelen uit Kenia, Ghana en Suriname noch van enige afspraak of betrokkenheid tussen de verdachten om dit doel te bereiken. Op dit punt dienen de verdachte en zijn medeverdachten dan ook te worden vrijgesproken.

De vraag die thans aan de orde komt is of sprake is geweest van een kleiner samenwerkingsverband. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Naar het oordeel van de rechtbank is tussen de verdachten [medeverdachte 7], [medeverdachte 6], [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] sprake van een samenwerkingsverband dat gestructureerd en duurzaam van aard was.

[medeverdachte 7] had een organiserende rol binnen dit verband. Hij regelde dat de cocaïne in Suriname op het vliegtuig naar Nederland werd gezet. De relevante vluchtinformatie gaf hij vervolgens (in versluierde taal) door aan zijn vriendin [medeverdachte 6] en/of aan haar buurman [verdachte]. [medeverdachte 6] en [verdachte] hadden vervolgens ook veelvuldig onderling contact. Zij waren de vaste tussenpersonen binnen de organisatie. [verdachte], werkzaam bij Asito op Schiphol, stuurde vervolgens zijn collega’s [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] aan. Zij moesten er, naar de rechtbank begrijpt, al dan niet door middel van het doorgeven van boodschappen voor zorgen dat de cocaïne van het vliegtuig gehaald werd. Zij deden dit tijdens hun werkzaamheden als schoonmakers van Asito. [medeverdachte 6] ontving van [medeverdachte 7] grote sommen geld. Een gedeelte van dit geld was voor haar werkzaamheden als tussenpersoon. Een ander deel betaalde zij, op verzoek van [medeverdachte 7], uit aan [verdachte]. [verdachte] zorgde er, naar de rechtbank aanneemt, op zijn beurt voor dat de Asito medewerkers betaald werden voor hun werkzaamheden. De omstandigheid dat voornoemde verdachten elkaar mogelijk niet allemaal kenden en dat zij niet allen (frequent) met elkaar contact onderhielden staat niet aan het aannemen van deze criminele organisatie in de weg. Ieder van de voornoemde verdachten had een eigen rol in het geheel en hield, via één of meerdere medeverdachte(n), het samenwerkingsverband op de hoogte van zijn handelen.

Er is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake van een zekere duurzaamheid. Uit hetgeen hierboven is weergegeven volgt immers dat verdachten zich gedurende de periode van 21 september tot en met 22 oktober 2010 in vereniging hebben beziggehouden met de invoer van cocaïne uit Suriname naar Nederland. Het aldus duurzame en gestructureerde samenwerkingsverband van verdachte en zijn medeverdachten had als oogmerk het invoeren van cocaïne uit Suriname. Dit volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang beschouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] bij deze criminele organisatie betrokken waren. Zij hebben immers geen enkele rol gespeeld binnen deze organisatie en waren op geen enkele wijze betrokken bij de door deze organisatie ingevoerde cocaïne. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] waren gedurende de periode van 12 april 2010 tot en met 16 oktober 2010 bezig met het opzetten van een eigen lijn uit Suriname. Deze voorbereidingshandelingen hebben er in geresulteerd dat [medeverdachte 8] op 14 oktober 2010 aan [medeverdachte 1] een sms bericht heeft verzonden met daarin de volgende tekst: “registraci nummer is ph kca rechts van bisnies klas stoel nummer 2”. Naar aanleiding van deze sms heeft [medeverdachte 1] op 15 en 16 oktober 2010 contact onderhouden met [verdachte], die op zijn beurt op deze dagen contact heeft gehad met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4].

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat tussen [medeverdachte 8], [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] sprake is geweest van een criminele organisatie in de zin van artikel 11a van de Opiumwet met als oogmerk het invoeren van cocaïne uit Suriname. Er is immers geen sprake geweest van enige duurzaamheid, nu de contacten tussen het merendeel van deze personen zich slechts hebben uitgestrekt over een periode van twee dagen. Evenmin kan, aldus de rechtbank, gesproken worden van een criminele organisatie tussen [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1]. Tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] is wel sprake geweest van enige duurzaamheid maar (nog) niet van enige structuur in de samenwerking.

Naar het oordeel van de rechtbank is er tussen de verdachten [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 5], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] ook sprake van een samenwerkingsverband dat gestructureerd en duurzaam van aard was.

[medeverdachte 1] had een organiserende rol binnen dit verband. Hij was de persoon die wist wanneer er een vlucht uit Kenia met cocaïne aan boord verstopt op Schiphol aankwam. De relevante vluchtinformatie en de precieze verstopplaats gaf hij vervolgens (in versluierde taal) door aan [verdachte]. [verdachte] gaf deze informatie door aan [medeverdachte 4] of [medeverdachte 2]. Voor het doorgeven en ontvangen van informatie fungeerde [medeverdachte 3] soms als tussenpersoon voor [verdachte]. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] moesten er vervolgens voor zorgen dat de cocaïne van het vliegtuig werd gehaald en van het vliegveld werd vervoerd. Meestal gebeurde dit tijdens hun werkzaamheden als schoonmakers bij Asito en via hek 60 op Schiphol. [medeverdachte 2] heeft voor zijn hulp geld ontvangen. Hij kreeg dit geld van [medeverdachte 4] of [verdachte]. [medeverdachte 5], de huisgenoot van [verdachte], vervulde binnen de organisatie een ondergeschikte, maar niet onbelangrijke rol. Hij ontving en gaf relevante informatie door op de momenten dat [verdachte] niet beschikbaar was. De mogelijkheid dat niet alle verdachten elkaar kenden en dat zij niet allen (frequent) met elkaar contact onderhielden, staat niet aan het aannemen van een criminele organisatie in de weg. Ieder van de voornoemde verdachten had een eigen rol en hield, via één of meerdere medeverdachte(n), het samenwerkingsverband op de hoogte van zijn handelen.

Er is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake van een zeker duurzaamheid. Uit hetgeen hierboven is weergegeven volgt immers dat verdachten zich gedurende de periode van 17 september 2010 tot en met 4 oktober 2010 in vereniging hebben beziggehouden met de invoer van cocaïne uit Kenia naar Nederland. Het aldus duurzame en gestructureerde samenwerkingsverband van verdachte en zijn medeverdachten had als oogmerk het invoeren van cocaïne uit Kenia. Dit volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang beschouwd.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de periode van 17 september 2010 tot en met 22 oktober 2010. Voor zover de ten laste gelegde periode ruimer is, zal verdachte daarvan partieel worden vrijgesproken omdat niet vastgesteld kan worden dat buiten genoemde periode verdachten ook reeds een samenwerkingsverband vormden.

Uit de zendmasten die zijn aangestraald toen de verdachten de telefoongesprekken met elkaar voerden, de schipholpasgegevens dan wel uit de inhoud van de telefoongesprekken zelf, leidt de rechtbank af dat het feit heeft plaatsgevonden te Amsterdam en Schiphol, gemeente Haarlemmermeer.

Ten aanzien van feit 4 primair: (zaaksdossier B5)

Op 13 en 14 september 2010 hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] telefonisch contact gehad. Gesproken wordt over “morgen doen” en die “van de avond” en “’s middags”. Op woensdag 15 september om 15.25 uur heeft [verdachte] aan [medeverdachte 4] gevraagd of “in de

dier vanavond kan gaan en of in de middag kan”. [medeverdachte 4] antwoordt hierop dat “het kan gaan”. [verdachte] heeft direct daarna, om 15.26 uur, met [medeverdachte 1] gebeld en gezegd dat “hij die van de avond bedoelt”. De volgende dag heeft [verdachte] wederom contact gehad met [medeverdachte 4]. In het gesprek heeft [medeverdachte 4] gevraagd: “vanavond?”, waarop [verdachte] antwoordt: “Nee, morgenavond”.

Op 17 september 2010 hebben [medeverdachte 4] om 5.18 uur en [medeverdachte 3] om 5.57 uur het beveiligde gebied van Schiphol betreden. Tussen 8.43 en 8.54 uur hebben [verdachte] en [medeverdachte 3] vijfmaal telefonisch contact gehad, dan wel geprobeerd telefonisch contact te maken. Diezelfde dag om 9.03 uur wordt [medeverdachte 4] gebeld door [verdachte]. [verdachte] heeft tegen [medeverdachte 4] gezegd: “Ik zeg dat de dingens is gekomen, wat moet ik ermee doen? Moet ik het aan Frankie geven zodat je het van haar overneemt?”. [medeverdachte 4] heeft vervolgens gezegd dat hij op zijn werk is en gevraagd of hij het op zijn werk over moet nemen. Verderop in het gesprek heeft [verdachte] gezegd: “…je gaat hem/haar bij de grens tegemoet komen, dan geeft hij/zij het aan jou”. Daarop heeft [medeverdachte 4] gezegd dat “hij niet weet wanneer hij tijd heeft om naar buiten te gaan”. Tussen 10.01 en 10.04 uur hebben [verdachte] en [medeverdachte 3] achtmaal telefonisch contact gehad, dan wel geprobeerd contact te maken. Hierna heeft [verdachte] met [medeverdachte 4] gebeld en gezegd dat hij “het aan [medeverdachte 3] heeft gegeven en dat hij, [medeverdachte 4], het later op kan gaan halen”. Een uur later heeft [medeverdachte 4] met [medeverdachte 2] gebeld en gezegd tegen hem dat “hij naar [medeverdachte 3] moet gaan en het “ding” moet ophalen dat zij van “[tweede bijnaam medeverdachte 3]” heeft gekregen.” Met “[tweede bijnaam medeverdachte 3]” wordt [verdachte] bedoeld. [medeverdachte 2] was op dat moment nog niet aan het werk op de luchthaven. [medeverdachte 2] heeft van [medeverdachte 4] de opdracht gekregen om een briefje met daarop een code voor de verstopplaats van de verdovende middelen op te halen.

Om 11.12 uur heeft [medeverdachte 4] het beveiligde gebied van Schiphol verlaten en om 11.41 uur die dag heeft [medeverdachte 2] het beveiligde gebied van Schiphol betreden.

Tussen 11.45 en 12.43 uur is er tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] wederom een aantal keren telefonisch contact geweest. [medeverdachte 2] was namelijk nog niet bij [medeverdachte 3] langs geweest om het briefje op te halen en [medeverdachte 4] had [medeverdachte 2] gebeld om hem aan te sporen dit te doen voordat [medeverdachte 3] klaar zou zijn met werken en dus de luchthaven zou verlaten. Met het briefje kon de cocaïne aan boord van het vliegtuig snel worden gevonden.

Om 13.10 uur heeft [medeverdachte 4] het beveiligde gebied van Schiphol betreden en om 13.42 uur heeft [medeverdachte 3] het beveiligde gebied van Schiphol verlaten.

Om 15.58 uur is de vlucht KQ116 met registratienummer 5YKQT van Kenia Airways afkomstig uit Nairobi (Kenia) op Schiphol aangekomen.

Om 16.48 uur heeft [medeverdachte 4] telefonisch contact gehad met [medeverdachte 2]. [medeverdachte 4] heeft tegen [medeverdachte 2] gezegd dat hij in het vliegtuig zit. [medeverdachte 4] zou [medeverdachte 2] een seintje geven zodra de mensen die in het vliegtuig aan het werken waren, weg gingen zodat [medeverdachte 2] het vliegtuig in kon gaan en het briefje met de verstopplek aan [medeverdachte 4] kon geven zodat hij wist waar hij moest zoeken. Twee minuten later heeft [medeverdachte 4] met [medeverdachte 2] gebeld en gezegd dat hij naar binnen kan komen. [medeverdachte 2] moest doen alsof hij bezig was met het checken van de schoonmakers. [medeverdachte 2] heeft vervolgens het briefje met de codes aan [medeverdachte 4] gegeven.

Om 18.06 uur heeft [medeverdachte 2] met [verdachte] gebeld. [medeverdachte 2] heeft tegen [verdachte] gezegd “ouwe dingens is mij niet gelukt”. [verdachte] heeft in het gesprek gezegd dat het zit bij “waar de voeten gezet worden”, “daar waar men gaat poepen” en “voorin”. Kort daarna heeft [verdachte] naar [medeverdachte 1] gebeld en gezegd dat “wij dat ding niet konden doen”. Tussen 18.15 en 18.44 uur is er tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] veelvuldig contact geweest dan wel hebben ze elkaar geprobeerd te bereiken. Om 18.31 uur heeft [verdachte] met [medeverdachte 4] gebeld en [medeverdachte 4] heeft gezegd “dat het nu goed is”. Direct daarna heeft [verdachte] met [medeverdachte 1] gebeld en hem laten weten dat hij kan komen en dat hij nieuws heeft. Om 18.45 uur heeft [medeverdachte 2] contact gehad met [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] heeft tegen [medeverdachte 2] gezegd dat hij [verdachte] al heeft gesproken en hem heeft gezegd dat het “oké” was. Om 20.34 uur heeft [medeverdachte 2] (middels de telefoon van [medeverdachte 4]) contact gehad met [verdachte]. [medeverdachte 2] heeft doorgegeven dat hij klaar is met zijn werk en gaat kijken waar hij de verdovende middelen heeft neergelegd. Het waren twee pakketten in één. Het was één geheel, maar bestond uit twee delen. Een kwartier later heeft [medeverdachte 2] het beveiligde gebied van Schiphol verlaten. Op het treinstation van Schiphol heeft [medeverdachte 2] de pakketten met drugs aan [verdachte] gegeven.

Een aantal weken later, op 4 oktober 2010, heeft [verdachte] naar [medeverdachte 2] gebeld en tegen hem gezegd dat “de ene gaar” is , hetgeen betekent dat de pakketten die [medeverdachte 2] op 17 september 2010 uit het vliegtuig heeft gehaald zijn verkocht. [medeverdachte 2] heeft voor zijn bijdrage in totaal 1000 euro gekregen.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in het vonnis onder “algemeen” heeft overwogen omtrent cocaïne komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich samen met anderen op 17 september 2010 schuldig heeft gemaakt aan de invoer van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne.

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat geen sprake is van medeplegen overweegt de rechtbank in aanvulling op hetgeen zij daarover reeds hierboven onder het kopje Algemeen en medeplegen heeft overwogen als volgt.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte zijn rol enkel heeft kunnen vervullen door bewust en nauw samen te werken met de initiatiefnemers(s) en degene die de cocaïne van boord van het vliegtuig moest(en) halen. De rol van verdachte is derhalve geen zuiver ondersteunende geweest, maar vormde een actieve en essentiële functie bij de (beoogde) cocaïne transporten. Verdachte moet daarom naar het oordeel van de rechtbank als medepleger van de invoer van cocaïne worden aangemerkt.

Ten aanzien van feit 5 primair: (zaaksdossier B6)

Op 4 oktober 2010 om 05.49 uur heeft [verdachte] het beveiligde gebied van Schiphol betreden. Op 4 oktober 2010 belt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 5], de huisgenoot van [verdachte], en geeft aan hem een cijfer en lettercombinatie voor, te weten 4R (Rotterdam) 4L (Lagos). [medeverdachte 1] zegt daarbij dat de R en de L nieuwe plaatsen zijn. Een notitie met daarop de tekst KQT, KQU en KQZ (zijnde vliegtuigregistratienummers van vluchten uit Kenia) en 4R4L is aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1]. Twee minuten later belt [medeverdachte 1] wederom naar [medeverdachte 5] en geeft hem door “het zijn drie kinderen die naar school gaan” en “daarom gaan ze naar school op twee plaatsen”. Om 8.57 uur die dag belt [verdachte] naar [medeverdachte 5]. Nadat [verdachte] “aha” heeft gezegd, zegt [medeverdachte 5] direct “ja. Hij heeft het ding aan mij gegeven”. [verdachte] vraagt daarop “of hij de kerel heeft gebeld?” [medeverdachte 5] zegt daarop “dat hij op zoek is naar het nummer van die kerel”. [verdachte] zegt dat “de laatste nummers 705 zijn”. Één van de telefoonnummers van [medeverdachte 2] eindigt op deze nummers. Om 9.07 uur belt [medeverdachte 5] met [medeverdachte 2] en vraagt of [medeverdachte 2] hier langs kan komen. [medeverdachte 2] zegt daarop “dat hij hem belt en dan de informatie krijgt”. Om 9.31 uur belt [medeverdachte 2] met [medeverdachte 5] en vraagt “of hij het “ene” aan hem door wil geven”. [medeverdachte 5] geeft daarop de eerder op de dag van [medeverdachte 1] doorgekregen cijfer/lettercombinatie door als: 4Rita 4 Lagos. Vervolgens zegt [medeverdachte 5] dat “het om drie schoolkinderen gaat”.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat de cijfer/lettercombinatie 4R4L een codering is voor de verstopplaats van verdovende middelen bij de toiletten aan boord van het vliegtuig, afkomstig uit Kenia, dat die dag op Schiphol zal landen. Boven de deuren van de toiletten van de Boeing 777-200 met als registratienummer 5YKQU staan de letters 4A-R en 4A-L vermeld.

Om 10.13 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 5] en vraagt of hij NN te pakken heeft gekregen en of hij “het” aan NN heeft doorgegeven waarop [medeverdachte 5] bevestigend antwoordt. Om 11.27 uur heeft [medeverdachte 2] het beveiligde gedeelte van de luchthaven Schiphol betreden.

Om 16.00 uur belt [medeverdachte 2] naar [verdachte] en zegt tegen hem “dat [medeverdachte 5] de code aan hem heeft doorgegeven”. [medeverdachte 2] zegt vervolgens “maar de manier waarop de kinderen binnen zitten” en “die dingens mensen zitten erin”. [medeverdachte 2] antwoordt bevestigend op de vraag of het “groene mensen” zijn.

Voornoemd vliegtuig uit Nairobi (Kenia) dat die middag op Schiphol was gearriveerd is omstreeks 16.00 uur gecontroleerd door douanemedewerkers. Doordat er zoveel mensen aan boord van het vliegtuig zijn kan [medeverdachte 2] de verdovende middelen niet van boord van het vliegtuig halen, hetgeen hij doorgeeft aan [verdachte]. [medeverdachte 2] zegt dat als het moeilijk wordt, hij het op een andere dag doet. [verdachte] belt om 17.11 uur naar [medeverdachte 1] en informeert [medeverdachte 1] over “hij zegt dat de Schiphol leraren”, “als hij het doet en gaat niet goed, gaat hij het later gaan” en “hij zegt dat hij niet kan, want de leraren zijn ongeveer 15”.

Om 18.04 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] geeft aan [verdachte] door dat hij de drie pakketten met verdovende middelen heeft gevonden. De pakketten bestonden ieder uit één groot en één kleiner pakket. [medeverdachte 2] heeft de pakketten uit het vliegtuig gehaald. De pakketten waren verstopt bij de achterkant van de toiletpotten.

Om 20.13 uur heeft [medeverdachte 2] het beveiligde gebied van Schiphol via hek 60 verlaten. Om 20.16 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] en vraagt of alles goed is gegaan. [verdachte] antwoordt dat hij “hem” gaat bellen. Om 20.28 uur belt [medeverdachte 2] naar [verdachte] en zegt dat hij eraan komt.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in het vonnis onder “algemeen” heeft overwogen omtrent cocaïne en medeplegen komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich in vereniging met [medeverdachte 2], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] op 4 oktober 2010 schuldig heeft gemaakt de invoer van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne.

Ten aanzien van feit 6 primair: (zaaksdossier B10)

Op 17 september 2010 om 22.04 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte]. [medeverdachte 1] vraagt: “Zullen we gaan of niet?” [verdachte] zegt dat “het maandag wordt”. De eerst volgende maandag is 20 september 2010. Op 19 september 2010 om 15.22 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 1] en vraagt “of zij ’s middags kunnen gaan”, hetgeen [medeverdachte 1] bevestigt.

Op maandag 20 september 2010 om 7.23 uur heeft [verdachte] naar [medeverdachte 1] gebeld en heeft [verdachte] gevraagd “heb je niets gehoord?” waarop [medeverdachte 1] heeft geantwoord dat “hij gaat bellen en [verdachte] dan terug belt”. Om 7.25 uur heeft [medeverdachte 1] [verdachte] opgebeld en gezegd dat “hij heeft gezegd dat ik moet wachten”.

Tussen 8.20 en 11.05 uur hebben [medeverdachte 2] en [verdachte] een aantal malen telefonisch contact gehad. Om 11.08 heeft [verdachte] met [medeverdachte 1] gebeld en gevraagd “of ze op twee verschillende plaatsen zijn”. [medeverdachte 1] heeft geantwoord dat “ze allemaal op één plek zijn”.

Om 11.46 uur heeft [medeverdachte 2] het beveiligde gebied van Schiphol betreden. Om 15.55 uur is het toestel met registratienummer 5YKQU afkomstig uit Nairobi (Kenia) gearriveerd op Schiphol, gemeente Haarlemmermeer.

Om 17.00 uur heeft [medeverdachte 2] gebeld met [verdachte] en gezegd dat hij “de kinderen is gaan kijken”. [medeverdachte 2] heeft toen gekeken naar de pakketen met drugs, maar het was voor hem “moeilijk” omdat de drugs voorin zaten en daar de stewardessen soms gelijk weer aan boord komen. Direct na dit gesprek, om 17.03 uur, heeft [verdachte] naar [medeverdachte 1] gebeld en hem gezegd “dat het daar moeilijk is geworden”. Om 17.43 uur heeft [medeverdachte 2] met [verdachte] gebeld en hem gezegd dat de kinderen zijn gekomen en dat het er twee zijn. [medeverdachte 2] heeft één pakket, bestaande uit twee delen, met drugs aan boord van het vliegtuig gevonden en meegenomen. Wederom direct daarna heeft [verdachte] met [medeverdachte 1] gebeld en doorgegeven dat alles goed is.

Om 20.12 uur heeft [medeverdachte 2] het beveiligde gebied van Schiphol verlaten en is hij op weg om [verdachte] te ontmoeten en hem de drugs te overhandigen.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in het vonnis onder “algemeen” heeft overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich samen met anderen op 20 september 2010 schuldig heeft gemaakt aan de invoer van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne.

Ten aanzien van feit 7: (zaaksdossier B11)

Op dinsdag 12 oktober 2010 om 16.13 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 8] en zegt dat [medeverdachte 8] vandaag kan gaan, maar niet om te kijken en dat het een half of 1 kan zijn. [medeverdachte 8] zegt dat hij de man gaat vragen om het op vrijdag te doen. Om 20.16 uur belt [medeverdachte 8] naar [medeverdachte 1] en zegt dat hij de eerste keer eerst wil laten zien en dat de volgende keer kan de man van [medeverdachte 1] er 1000 uithalen. [medeverdachte 8] zegt dat hij het morgen doet bij de “rich men seat” voorin. Om 20.45 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] vraagt of [medeverdachte 8] niet een klein ding kan zetten, een beetje zodat deze mensen iets kunnen krijgen. [medeverdachte 8] zegt dat hij alleen een pakje sigaretten doet om te laten zien dat hij daar kan gaan en de volgende keer wanneer hij echt gaat kan hij 1000 nemen.

Op donderdag 14 oktober 2010 om 21.39 uur belt [medeverdachte 8] naar [medeverdachte 1] en zegt: “Ja, linkerkant, nummer twee. Bij de rich men seat aan de linkerkant”. Om 21:41 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] en geeft door dat wat hij vertelde hetzelfde blijft. [verdachte] geeft aan dat het geen probleem is. Om 21.41 uur belt [medeverdachte 1] nogmaals met [verdachte] om te zeggen dat de jongen aan de linkerkant is, het is daar. Om 21.45 uur belt [medeverdachte 8] met [medeverdachte 1] om te zeggen dat hij was vergeten te zeggen bij de rijke mensen, de “rich men seat”.

Op vrijdag 15 oktober om 00.24 ontvangt [medeverdachte 1] van [medeverdachte 8] een sms-bericht met de tekst: “Registraci numer is ph kca van klm rechs van bisnies klas stoel numer 2 bij het raam!”. Direct daarop om 00.25 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 8] en zegt dat hij moe wordt van die domme dingen en dat ze daar problemen mee krijgen .

Op 15 oktober 2010 om 7.00 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] zegt dan dat het lijkt alsof de mensen dinges gedaan hebben en dat de mevrouw vraagt of hij kan komen. [medeverdachte 4] zegt dat hij ’s middags daar is en vraagt [verdachte] of hij de vrouw wil vragen wanneer het toestel gaat vertrekken. [verdachte] zegt dan nog dat het niet staat waar het normaal staat. Op de vraag waarom ze het ergens anders hebben neergezet zegt hij: “Het is voor waar de rijke mensen zitten. Als je daarheen gaat zal Naa het je uitleggen.” Desgevraagd antwoordt [verdachte] dat het wel hetzelfde toestel is. Om 13.38 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] en vraagt over dat ding, welke auto is het? Om 14.27 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 8] en vraagt of het nummer 2 rechts of links is. [medeverdachte 8] geeft aan dat het aan de linkerkant is. [medeverdachte 1] geeft aan dat ze de baby nog niet hebben gezien, dat de jongen daar was, maar het niet zag. [medeverdachte 8] zegt vervolgens dat het “Josef 2” is. Om 14.30 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] en zegt: “het is [medeverdachte 4], zijn naam is [medeverdachte 4] dan stop je het ….laat het vlakbij Joeseph nummer 2 net daar in de buurt.”

Om 14.33 uur wordt [medeverdachte 1] door [medeverdachte 8] gebeld die doorgeeft dat het om één klein bruin papieren zakje gaat. Er is daar één kleine zak, een bruine of een witte. Om 15.35 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 8] en zegt hem: “Misschien gaan ze het morgen zien, he?” [medeverdachte 8] zegt: “oké, oké”. [medeverdachte 1] zegt dat als er iets is dat hij het laat weten. [medeverdachte 8] meldt nog dat hij er een foto van heeft. [medeverdachte 1] geeft dan aan “ja die ene die je naar mij hebt gestuurd”.

Uit de Schipholpas-gegevens blijkt, dat [medeverdachte 4] op vrijdag 15 oktober 2010, om 13:55 uur het beveiligde gebied op Schiphol is opgegaan .

Op vrijdag 15 oktober 2010 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden aan boord van de

inkomende KL0714 vanuit Paramaribo met registratie PH-KCA. Voornoemde vlucht kwam op 15 oktober 2010, omstreeks 06.39 uur aan op gate E24 te Schiphol. Omstreeks 06.45 uur werd de zoeking gestart en beëindigd omstreeks 07.30 uur. Hierbij zijn geen verdovende middelen aangetroffen.

Op een overzicht van een MD 11 is te zien, dat de stoelen voor in de Business class, op de rijen 1 en 2 genummerd zijn met de letters A C D F G J.

Op zaterdag 16 oktober 2010 wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] vraagt of het rechts of links is als je in de machine bent. [verdachte] geeft aan dat het rechts is in de stoel die 2 is. Om 11.44 uur belt [medeverdachte 4] naar [verdachte] om te vertellen dat het verhaal niet klopt. [verdachte] vraagt of hij links heeft gekeken en geeft door dat hij zijn best moet doen om goed te zoeken voor hun en stelt voor dat hij anders de eerste en de tweede moet kijken. Om 11.46 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] en [medeverdachte 4] zegt dat het niet waar is. [verdachte] zegt dan dat ze erin zijn en dat hij weer gaat bellen om het goed aan hen te vragen. Om 11.46 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] en zegt dat ze overal hebben gekeken en dat er niets is daar. Om 11.52 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 8] en zegt dat ze het niet kunnen zien. [medeverdachte 8] geeft aan dat er een film van is, maar [medeverdachte 1] vraagt zich af hoe hij die krijgt en stelt voor dat als hij over 3 dagen terugkomt uit Duitsland ze het opnieuw proberen. Om 11.55 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] geeft aan dat er daar iets is en dat hij wil brengen. [verdachte] denkt dat die man liegt en dat hij niets gedaan heeft.

Bewijsoverweging

Uit het vorenoverwogene blijkt dat [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] telefonisch contact met elkaar hadden en dat er tijdens deze gesprekken structureel gebruik werd gemaakt van onlogische woorden of zinsneden die gelet op de context de bedoeling hadden om de daadwerkelijke inhoud van het gesprek te versluieren. Zo werd onder andere gesproken over woorden of zinnen als “dat kleine ding zetten”, “kan hij 1000 nemen”, “bij de rich men seat” of “Josef 2”. Ook werd [medeverdachte 8] er door [medeverdachte 1] op geattendeerd dat hij bepaalde onderwerpen niet over de telefoon moest doorgeven, hetgeen ook duidt op illegale activiteiten. Zo belt [medeverdachte 1] 1 minuut nadat [medeverdachte 8] het sms-bericht met de tekst: “Registraci numer is ph kca van klm rechs van bisnies klas stoel numer 2 bij het raam!” naar [medeverdachte 1] heeft verstuurd naar [medeverdachte 8] waarbij hij zegt dat ze daar problemen mee krijgen en dat [medeverdachte 8] moet stoppen met die domme dingen. Uit de inhoud van de telefoongesprekken wordt voorts afgeleid dat verdachte en/of [medeverdachte 4] druk doende waren om iets in een vliegtuig te zoeken, maar dat zij dit niet konden vinden. Dat het hier cocaïne betreft leidt de rechtbank onder meer af uit het feit dat er tijdens de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 1] cocaïne is aangetroffen alsmede versnijdingsmiddelen, chirurgische mondkapjes en een weegschaal. , De lezing dat het om andere contrabande zou gaan, zoals ivoor of goud, acht de rechtbank niet aannemelijk nu daarvan in het dossier geheel niets is gebleken. De verdachten hebben hier ook niets over verklaard. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat [medeverdachte 4] en verdachte zich in deze periode ook hebben bezig gehouden met de invoer van cocaïne uit Suriname (te weten B20 en B2) en andere landen. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat door middel van vluchten uit de zogenoemde doorvoerlanden, zoals Suriname, stelselmatig cocaïne wordt gesmokkeld.

Gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 12 oktober 2010 tot en met 15 oktober 2010 zich met anderen schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne in Nederland. Daarbij merkt de rechtbank op dat sprake is van een schakelconstructie, waarbij bij het ontbreken van één van deze schakels door de onderlinge samenhang het drugstransport als zodanig niet tot stand kan worden gebracht. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke wijze van invoeren van cocaïne slechts kan worden gerealiseerd door een nauwe en bewuste samenwerking van alle deelnemers (schakels) aan dit proces. Uit de inhoud van de aangehaalde telefoongesprekken blijkt eveneens van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte en zijn medeverdachten.

Uit de zendmasten die zijn aangestraald toen de verdachten de telefoongesprekken met elkaar voerden, de schipholpasgegevens, het gebruik van buitenlandse telefoonnummers dan wel uit de inhoud van de telefoongesprekken zelf, leidt de rechtbank af dat het feit heeft plaatsgevonden te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, Amsterdam en in Suriname.

Ten aanzien van feit 8 primair: (zaaksdossier B14)

Op 20 september 2010 om 23.46 uur heeft [verdachte] gebeld met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft gezegd dat “als hij moet gaan werken, het overmorgen wordt”, waarop [verdachte] heeft gezegd “dat dat geen probleem is”.

Op 21 september 2010 te 18.38 uur heeft [medeverdachte 4] naar [medeverdachte 2] gebeld. [medeverdachte 4] heeft tegen [medeverdachte 2] gezegd “dat hij die van hem morgen doet”. [medeverdachte 2] heeft daarop gezegd dat “hij daar morgen ook is”. Hiermee wordt bedoeld dat op 22 september 2010 voor [medeverdachte 4] pakketten komen om uit het vliegtuig te halen.

[medeverdachte 4] heeft op 22 september om 5.16 uur het beveiligde gebied van Schiphol betreden. [medeverdachte 2] heeft die dag om 11.46 uur het beveiligde gebied van Schiphol betreden.

Op 22 september 2010 om 12.45 uur heeft [verdachte] gebeld met [medeverdachte 1]. [verdachte] heeft tegen [medeverdachte 1] gezegd “als jullie brieven gaan sturen, moet je het niet in die brievenbus zetten” en “als je de brief stuurt, stuur je het op de verkeerde manier. Als je dat doet, dan krijg je probleem met de persoon”. [medeverdachte 1] heeft hierop geantwoord “het is daar dat zij verkeerd deden. Maar het gaat niet meer gebeuren”.

Om 15.23 uur is een vliegtuig met registratienummer 5YKQT afkomstig uit Kenia geland op Schiphol, gemeente Haarlemmermeer.

Twee uur nadat het vliegtuig is geland, heeft [medeverdachte 2] gebeld met [medeverdachte 4]. [medeverdachte 2] heeft gezegd dat hij “daar” is geweest, dat “het gelukt is en hij naar de basis gaat”. [medeverdachte 2] heeft één pakket van boord van het vliegtuig gehaald en is onderaan het vliegtuig door [medeverdachte 4] met een busje opgehaald. [medeverdachte 2] heeft het pakket aan [medeverdachte 4] gegeven. Om 19.31 uur heeft [medeverdachte 2] aan [verdachte] doorgegeven dat alles goed is gegaan en dat hij het pakket aan [medeverdachte 4] heeft gegeven. Om 19.48 uur heeft [medeverdachte 2] telefonisch contact met [medeverdachte 4]. [medeverdachte 2] heeft gezegd dat hij klaar is met werken. [medeverdachte 4] is dan bij Fox 2 en [medeverdachte 2] is daar heen gegaan. [medeverdachte 4] heeft [medeverdachte 2] daar opgehaald en toen zijn zij naar hek 60 gereden. Daar hebben zij samen de drugs naar buiten gebracht. [medeverdachte 2] heeft om 20.03 uur via hek 60 het beveiligde gebied van Schiphol verlaten. Om 20.23 heeft [verdachte] gebeld met [medeverdachte 2] en hebben zij afgesproken elkaar te ontmoeten. Kort na dit gesprek heeft [medeverdachte 4] met [medeverdachte 2] gebeld en heeft [medeverdachte 4] geïnformeerd of bij [medeverdachte 2] alles goed gaat. Tijdens de ontmoeting met [verdachte] heeft [medeverdachte 2] het pakket met drugs aan [verdachte] gegeven.

Op 23 september 2010 in de avond heeft [medeverdachte 2] wederom een ontmoeting met [verdachte]. Tijdens deze ontmoeting heeft [medeverdachte 2] 800 euro van [verdachte] gekregen voor zijn bijdrage om het pakket op 22 september 2010 van het beveiligde gebied van Schiphol af te krijgen.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in het vonnis onder “algemeen” heeft overwogen omtrent cocaïne en medeplegen komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich samen met [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] op 22 september 2010 schuldig heeft gemaakt aan de invoer van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne.

Ten aanzien van feit 9 subsidiair: (zaaksdossier B15)

Op 23 september om 2010 heeft [medeverdachte 1] naar [verdachte] gebeld. [verdachte] heeft gevraagd of er “spelen” is. “Nee”, antwoordt [medeverdachte 1] Op 24 september 2010 te 19.51 uur is er een gesprek geweest tussen [verdachte] en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft daarin gezegd dat hij misschien overmorgen kan “lopen”. Op zaterdag 25 september 2010 heeft [medeverdachte 1] in een telefoongesprek met [verdachte] laten weten “wij gaan morgen weg”. [verdachte] heeft hierop geantwoord dat dat geen probleem is.

Op 27 september 2010 om 5.51 uur heeft [verdachte] het beveiligde gebied van Schiphol betreden.

Op 27 september 2010 om 9.21 uur heeft [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 5], de huisgenoot van [verdachte], gebeld. [medeverdachte 5] heeft aan [medeverdachte 2] gevraagd “of hij naar beneden kan komen om het “ding” op te halen”. [medeverdachte 2] heeft daarop gezegd dat “hij zo naar beneden komt”. Om 9.48 uur heeft [medeverdachte 2] naar de telefoon van [verdachte] gebeld. De telefoon werd opgenomen door [medeverdachte 5]. [medeverdachte 2] heeft gezegd “over dat ding. Je kan me over de drie nummer in de eerste plaats zijn vertellen. Je hoeft niet te noemen”. De drie nummers zijn de nummers van het vliegtuig afkomstig uit Kenia en zijn altijd KQT of KQU. [medeverdachte 2] heeft met [verdachte] afgesproken dat de drie nummers niet hoeven te worden genoemd. [medeverdachte 5] heeft geantwoord “ahaa, oké, oké, oké, goed. Hij zegt dat het voorin is” en “voorin op dezelfde plaats. Het is voorin”. [medeverdachte 2] heeft daarop geantwoord “oh, ik heb vaker tegen hen gezegd dat ze niet naar niet moeten gaan. Oké, ik ga mijn best doen”. [medeverdachte 5] heeft daarop geantwoord “aha, oké”. [medeverdachte 2] heeft verder in dit gesprek gezegd “zeg tegen hem als hij thuis is. Ik heb per se tegen hen gezegd. Als ik daar ben en kan niet doen, is dat niet mijn schuld”. [medeverdachte 2] vindt voorin een slechte plek om de drugs te verstoppen.

Om 11.03 uur heeft [verdachte] naar [medeverdachte 2] gebeld. [medeverdachte 2] heeft aan [verdachte] laten weten dat de vent hem heeft gebeld en dat die vent heeft gezegd dat het voorin is. [medeverdachte 2] heeft gezegd dat het daar moeilijk is. [verdachte] heeft [medeverdachte 2] laten weten dat hij het echt aan hen heeft verteld. Hij zegt: “Probeer het maar te doen”.

Op 27 september 2010 om 11.35 uur betreedt [medeverdachte 2] het beveiligde gedeelte van Schiphol.

Op 27 september 2010 om 15.17 uur is een vliegtuig afkomstig uit Kenia op Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, geland. Dit vliegtuig had registratienummer 5YKQT.

Op 27 september 2010 om 13.52 uur heeft [medeverdachte 4] het beveiligde gebied van Schiphol verlaten.

Op 27 september 2010 om 16.38 uur heeft [verdachte] met [medeverdachte 1] gebeld. [verdachte] heeft gezegd “waarom willen jullie niet altijd doen wat we afspreken”.

Vrijspraak primair

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte hiervan vrij. Weliswaar zijn er op basis van de telefoongesprekken sterke aanwijzingen dat [medeverdachte 1] verdovende middelen in het vliegtuig heeft laten plaatsen en dat deze door [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] van het vliegtuig moesten worden gehaald, maar uit deze gesprekken kan niet worden afgeleid dat dit daadwerkelijk is gebeurd en dat deze gesprekken zien op een op die dag aangekomen vliegtuig uit Kenia. De verklaring van [medeverdachte 2] biedt daarover geen duidelijkheid. [medeverdachte 2] heeft niet verklaard dat hij de pakketten zelf van het vliegtuig uit Kenia heeft gehaald, terwijl het zeer onwaarschijnlijk is dat [medeverdachte 4] dat heeft kunnen doen. Immers, het vliegtuig uit Kenia landde die dag om 15.17 uur op Schiphol, terwijl [medeverdachte 4] blijkens zijn schipholpasgegevens 16 minuten later al het beveiligde gebied van Schiphol heeft verlaten. Nu niet kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een geslaagd transport is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Subsidiair

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in het vonnis onder “algemeen” heeft overwogen wel bewezen dat verdachte zich tezamen met anderen in de periode van 23 tot en met 27 september 2010 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

Uit de zendmasten die zijn aangestraald toen de verdachten de telefoongesprekken met elkaar voerden, leidt de rechtbank af dat het feit heeft plaatsgevonden te Amsterdam en Schiphol, gemeente Haarlemmermeer.

Ten aanzien van feit 10 subsidiair: (zaaksdossier B21)

Op 26 september 2010 om 10.28 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt: “wij gaan morgen doen. [verdachte] zegt dan: “Als jullie morgen doen, dan wordt het op woensdag”. De eerstvolgende woensdag is 29 september 2010.

Op 29 september 2010 om 5.50 uur betreedt [medeverdachte 3] het beveiligde gebied van Schiphol.

Op 29 september 2010 om 10.04 uur heeft [verdachte] gebeld met [medeverdachte 1]. [verdachte] was toen al aan het werk op Schiphol. [medeverdachte 1] heeft aan [verdachte] doorgegeven dat het “twee kinderen in de dier zijn” waarop [verdachte] heeft geantwoord dat het geen probleem is en dat hij “de jongens de pilaren eruit halen”. Met kinderen wordt bedoeld pakketten met drugs. Om 10.26 uur heeft [verdachte] naar [medeverdachte 3] gebeld. [verdachte] heeft aan [medeverdachte 3] laten weten dat ze weer “hetzelfde probleem” hebben gemaakt. [verdachte] heeft vervolgens gezegd “je moet iets tegen je vriend zeggen, want als ik het zegt, krijg ik het op mijn kop”. [medeverdachte 3] heeft daarna, gebruikmakend van de telefoon van [verdachte], [medeverdachte 2] gebeld en hem gesmeekt vandaag drugs van boord van het vliegtuig te halen. [medeverdachte 3] heeft gezegd “de mensen hebben nog dat gekke ding gedaan” en [medeverdachte 3] heeft aan [medeverdachte 2] gevraagd of ze het weer “voorin” hebben gebracht”. [medeverdachte 3] heeft verderop in het gesprek gezegd “hij zegt dat hij niet dingens daarom kan hij niet dinges. Daarom smeken we je, alleen voor vandaag”. [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 2] omdat zij niemand anders had gesmeekt de drugs van boord van het vliegtuig te halen. [medeverdachte 2] heeft ermee ingestemd.

Om 10.53 uur heeft [medeverdachte 3] met [verdachte] gebeld. [medeverdachte 3] heeft aan [verdachte] gevraagd waar hij is. [verdachte] heeft daarop geantwoord dat hij thuis is. Voorts heeft hij gezegd “we zijn aan de voorkant. Ben je aangekomen?”. [medeverdachte 3] heeft daarop geantwoord dat zij aangekomen is. [verdachte] heeft daarop weer gereageerd met “we hebben niet veel tijd”. Waarop [verdachte] heeft gezegd “we komen eraan”.

Om 11.10 uur heeft [medeverdachte 2] het beveiligde gebied van Schiphol betreden.

Om 14.07 uur verlaat [medeverdachte 3] en om 14.18 uur verlaat [verdachte] het beveiligde gebied van Schiphol.

Om 14.22 uur is [verdachte] gebeld door [medeverdachte 3]. [verdachte] heeft in dat gesprek gezegd dat “we eraan komen”.

Om 15.32 uur is een vliegtuig met registratienummer 5YKQT afkomstig uit Kenia op Schiphol, gemeente Haarlemmermeer geland.

Om 19.44 uur heeft [medeverdachte 2] het beveiligde gebied van Schiphol verlaten. Om 19.46 uur heeft [medeverdachte 2] telefonisch aan [verdachte] doorgegeven dat hij er iets later zou zijn. [verdachte] heeft daarop aan [medeverdachte 2] gevraagd om bij hem thuis te komen. Om 20.34 uur heeft [medeverdachte 2] het beveiligde gebied van Schiphol voor de tweede keer die dag betreden. Om 20.51 uur heeft [medeverdachte 2] het beveiligde gebied van Schiphol weer verlaten.

Om 21.21 uur heeft [verdachte] met [medeverdachte 2] gebeld. [medeverdachte 2] heeft aan [verdachte] doorgegeven dat hij beneden in de buurt is. Direct daarna heeft [medeverdachte 1] [verdachte] contact gehad met [medeverdachte 1]. [verdachte] heeft in dat gesprek op de vraag van [medeverdachte 1] hoe het gaat doorgegeven dat het goed is, waarop [medeverdachte 1] weer heeft geantwoord “ahaa, oké”. Kort daarna, om 21.37 en 21.43 uur, hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] ook nog contact met elkaar.

Vrijspraak primair

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich op 29 september 2010 schuldig heeft gemaakt aan de invoer van verdovende middelen. Uit de hierboven aangehaalde telefoongesprekken leidt de rechtbank af dat een vliegtuig met daarin drugs werd verwacht en dat [medeverdachte 2] is gevraagd de pakketten van het vliegtuig te halen. [medeverdachte 2] heeft echter verklaard dat er die dag geen drugs in het vliegtuig zaten, dat had hij van [verdachte] gehoord , zodat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een geslaagd transport.

Nu niet kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een geslaagd transport is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Subsidiair

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in het vonnis onder “algemeen” heeft overwogen wel bewezen dat verdachte zich tezamen met anderen in de periode van 26 tot en met 29 september 2010 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

Uit de zendmasten die zijn aangestraald toen de verdachten de telefoongesprekken met elkaar voerden, leidt de rechtbank af dat het feit heeft plaatsgevonden te Amsterdam en Schiphol, gemeente Haarlemmermeer.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7, 8 primair, 9 subsidiair en 10 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

feit 1: (zaaksdossier B2)

hij op 22 oktober 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 12.006,5 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetwet behorende lijst I;

feit 2 primair: (zaaksdossier B20)

hij in de periode van 21 september 2010 tot en met 29 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, meermalen tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, telkens een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 3: (parketnummer 15/810109-11 en zaaksdossier B3)

hij op tijdstippen in de periode van 17 september 2010 tot en met 22 oktober 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Diemen, in elk geval in Nederland en/of in Suriname, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte en zijn mededaders behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vijfde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, te weten

- het telkens tezamen en in vereniging met een of meer bovengenoemde anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van telkens een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I en/of

- het telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van telkens een hoeveelheid cocaïne, telkens zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

* zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en

* een of meer anderen getracht te bewegen om die feiten mede te plegen, en/of daartoe gelegenheid, en/of inlichtingen te verschaffen;

feit 4 primair: (zaaksdossier B5)

hij op 17 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 5 primair: (zaaksdossier B6)

hij op 4 oktober 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 6 primair: (zaaksdossier B10)

hij op 20 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 7: (zaaksdossier B11)

hij in de periode van 12 oktober 2010 en 15 oktober 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam, en/of in Suriname meermalen tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van telkens een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen telkens,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om die feiten mede te plegen en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen

immers hebben verdachte en/of zijn mededader(s) daartoe telkens:

- met elkaar telefonische contacten onderhouden en

- afspraken gemaakt en

- een of meer ontmoetingen gehad en

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de cocaïne ) en

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en

- op en/of rondom de afgesproken vindplaats en/of bergplaats in een vliegtuig gezocht naar een hoeveelheid cocaïne;

feit 8 primair: (zaaksdossier B14)

hij op 22 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 9 subsidiair (zaaksdossier B15):

hij in de periode van 23 september 2010 tot en met 27 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en te Amsterdam , tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft verschaft en

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat feit mede te plegen en/of en/of daartoe gelegenheid en/of inlichtingen te verschaffen,

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) daartoe:

- met elkaar en opdrachtgever(s) telefonische contacten onderhouden en

- afspraken gemaakt en

- instructies (door)gegeven en ontvangen o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen en

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en

- telefonisch geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en

- een persoon benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en van de luchthaven af te brengen en/of;

feit 10 subsidiair (zaaksdossier B21):

hij in de periode van 26 september 2010 tot en met 29 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat feit mede te plegen en/of daartoe gelegenheid en/of inlichtingen te verschaffen,

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) daartoe:

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en

- een persoon benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en van de luchthaven af te brengen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7, 8 primair, 9 subsidiair en 10 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 2 primair:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 3:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet.

Ten aanzien van feit 4 primair:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 5 primair:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 6 primair:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 7:

Medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

Ten aanzien van feit 8 primair:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 9 subsidiair:

Medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 10 subsidiair:

Medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met anderen - in een relatief korte periode - schuldig gemaakt aan het via Schiphol invoeren van 12 kilo cocaïne, aan het zevenmaal via Schiphol invoeren van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne en aan het driemaal verrichten van voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne. Ten aanzien van de onbekend gebleven hoeveelheden neemt de rechtbank aan, op grond van de aangetroffen hoeveelheid bij één van de transporten, de aangehaalde tapgesprekken en de verklaringen van [medeverdachte 2] hierover, dat het steeds hoeveelheden cocaïne betrof die voor de verdere verspreiding en handel bestemd moeten zijn geweest. Tevens vormde verdachte met anderen een criminele organisatie die tot doel had op georganiseerde wijze cocaïne via Schiphol in te voeren.

Bij de drugstransporten werd vrijwel steeds op dezelfde manier samengewerkt. Elke verdachte had daarbij een specifieke rol. Zo hielden enkele verdachten contact met de opdrachtgevers dan wel de personen die in direct contact stonden met de personen die de verdovende middelen aan boord van het vliegtuig konden (laten) zetten. Voorts waren er verdachten die als tussenpersoon fungeerde tussen de opdrachtgevers en de bij Asito werkzame personen die de verdovende middelen van boord van het vliegtuig haalden en deze van het beveiligde gebied van Schiphol afbrachten.

Verdachte had een organiserende rol; hij onderhield contacten met tussenpersonen als ook met de medeverdachten die de cocaïne van het vliegtuig haalden. Voorts ontving hij de cocaïne zodra deze van het beveiligde gebied van Schiphol af was en zorgde hij dus voor de verdere verspreiding van de cocaïne. Verdachte vormde aldus een onmisbare schakel in het geheel. Verdachte was werkzaam bij Asito en had daarmee kennis van de gang van zaken op beveiligde plekken op de luchthaven Schiphol. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij ernstig misbruik heeft gemaakt van het vertouwen dat in hem in zijn functie als Asitomedewerker werd gesteld. Met zijn handelen heeft verdachte de integriteit van zijn werkgever Asito en die van de luchthaven Schiphol in diskrediet gebracht.

Bovendien heeft verdachte door zijn handelswijze een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Gelet op de hoeveelheden cocaïne gaat de rechtbank er van uit dat het louter verdachtes zucht naar financieel gewin is geweest die hem tot zijn gedragingen heeft gebracht.

De rechtbank heeft ten voordele van verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie in het verleden niet eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.

Mede in aanmerking nemend de hoeveelheid bewezen verklaarde feiten en de rol die verdachte daarbij heeft gespeeld, de hoeveelheid cocaïne die het naar schatting betreft en de straffen die ten aanzien van dit soort misdrijven in soortgelijke gevallen worden opgelegd, acht de rechtbank een vrijheidsbenemende straf van lange duur passend en geboden. Van deze straf dient naar het oordeel van de rechtbank een sterk generaal preventief effect uit te gaan, ook naar huidige medewerkers van Asito en van de luchthaven Schiphol.

De rechtbank komt evenwel tot oplegging van een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank tot vrijspraak komt van de onder 9 primair en 10 primair ten laste gelegde feiten waarop de officier van justitie mede haar eis had gebaseerd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47, 57 van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10, 10a en 11a van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de hem onder 9 primair en 10 primair ten laste gelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7, 8 primair, 9 subsidiair en 10 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7, 8 primair, 9 subsidiair en 10 subsidiair is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7, 8 primair, 9 subsidiair en 10 subsidiair bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.P.J. Ruijpers, voorzitter,

mrs. N.E. Kwak en C.M. Cichowski-van der Kleijn, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers, mrs. D.M.A. Richelle en L.P. van Os,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 november 2011.