Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU8991

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-07-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
15/740002-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Poging doodslag en bedreiging met vuurwapen. Door verdachte gestelde alternatieve scenario vindt geen grondslag in de bewijsmiddelen. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. Toewijzing vorderingen benadeelde partijen tot bedragen van € 27.710,07 en € 4.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740002-11

Uitspraakdatum: 29 juli 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 juli 2011 in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] (Marokko),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 december 2010 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] met een vuurwapen in het hoofd heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 30 december 2010 te Haarlem [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen tegen het hoofd en/of in de richting van het hoofd en/of in de richting het lichaam van die [slachtoffer 2] gehouden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1. impliciet subsidiair ten laste gelegde, te weten poging tot doodslag, en het onder 2. ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

- gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 6.750,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige deel tot niet-ontvankelijk verklaring.

4. Bewijs

4.1 Partiële vrijspraak feit 1

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte hetgeen hem onder 1. impliciet primair ten laste is gelegd met voorbedachte raad heeft begaan. Uit de bewijsmiddelen volgt immers niet dat verdachte het plan had om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Evenmin volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit. Ook volgt niet uit de bewijsmiddelen dat verdachte het hem onder 1. ten laste gelegde tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft begaan. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van de onder 1. impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord en het onder 1. ten laste gelegde medeplegen.

4.2 Redengevende feiten en omstandigheden feiten 1 en 2[1]

Melding

Op 30 december 2010, omstreeks 17.29 uur, kwam bij de regionale meldkamer van de politie Kennemerland de melding binnen dat op de [a-straat] te Haarlem iemand zou zijn neergeschoten.[2]

Relaas van aangevers

Verdachte heeft op 30 december 2010 het latere slachtoffer, [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) gebeld en tegen [slachtoffer 1] gezegd dat hij naar het pleintje bij de [naam school] (de rechtbank begrijpt: de parkeerplaats aan de [a-straat] te Haarlem) moest komen. [Slachtoffer 1] is vanuit Zandvoort, waar hij op het moment van genoemd telefoontje was, naar Haarlem gereden. Hij heeft zijn broer [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) en zijn neef [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) opgehaald en is naar de afgesproken plaats gereden. Daar aangekomen zag hij dat verdachte al op de parkeerplaats aanwezig was in gezelschap van zijn broer [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4]. Op het moment dat [slachtoffer 1] uit de auto stapte, begon verdachte meteen tegen hem te schreeuwen. Hierop stapten ook [slachtoffer 2] en [getuige 1] uit de auto. Op dat moment pakte verdachte een vuurwapen uit zijn binnenzak[3] en duwde het vuurwapen tegen de linkerzijde van het gezicht van [slachtoffer 2] ter hoogte van zijn slaap en zei tegen [slachtoffer 1]: "en nu en nu dan". Hierop trok [slachtoffer 1] zijn broer achter zich en ging met wijde armen voor hem staan.[4] [5] Op dat moment richtte verdachte het vuurwapen op [slachtoffer 1] en schoot. [6] [7] [8] [Slachtoffer 1][9] en [slachtoffer 2][10] hebben beiden aangifte gedaan.

Medische informatie

Vastgesteld is dat [slachtoffer 1] door een kogel in het linker oog is geraakt, als gevolg waarvan meerdere botten in het gezicht zijn gebroken en zijn linkeroog onherstelbaar is beschadigd. Ook is sprake van een hersenbeschadiging en van verlamming aan de linkerzijde van zijn lichaam. Op de plaats van het linkeroog is een prothese aangebracht.[11]

Redengevende verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een conflict had met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], en dat dit conflict is ontstaan tijdens de telefonische contacten met hen in de nacht van 28 december 2010. Het conflict zou te maken hebben met verdovende middelen en geld en verdachte zou in dit conflict de benadeelde zijn. Op 30 december 2010 heeft verdachte opnieuw naar [slachtoffer 1] gebeld om het conflict uit te praten. Er wordt afgesproken op de [a-straat] en verdachte is daar samen met [getuige 2], [getuige 4] en [getuige 3] heen gegaan. Verdachte kwam als eerste aan op de [a-straat] en is uitgestapt. Toen [slachtoffer 1] arriveerde en ook uitstapte, ontstond meteen een woordenwisseling tussen verdachte en [slachtoffer 1]. Op dat moment stapte ook [slachtoffer 2] uit de auto en deze trok een vuurwapen. Tijdens een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer 2], in een poging van verdachte om het wapen van [slachtoffer 2] af te pakken dan wel af te wenden, is een schot afgegaan. Verdachte weet niet of hij daarbij de handen van [slachtoffer 2] of de loop van het vuurwapen heeft vast gehad.[12]

Schotrestenonderzoek

De handen van [slachtoffer 2] zijn bemonsterd teneinde het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) in staat te stellen een schotrestenonderzoek uit te voeren. Het NFI heeft drie zogeheten categorie A deeltjes aangetroffen in deze bemonstering. Categorie A deeltjes kennen een elementsamenstelling die karakteristiek is voor schotrestdeeltjes. Met het aantreffen van dergelijke deeltjes wordt een vrijwel zekere relatie aangetoond met een schietproces. De schotrestdeeltjes die op de handen van [slachtoffer 2] zijn aangetroffen, bevatten het element gadolinium. De Nederlandse en de Belgische politie maken gebruik van gemarkeerde munitie waaraan het element gadolinium als marker is toegevoegd.[13]

De jas van [slachtoffer 1] is eveneens bemonsterd op schotrestdeeltjes. Op deze jas zijn twee categorie A deeltjes aangetroffen met een elementsamenstelling die anders is dan de elementsamenstelling van gemarkeerde munitie. Dit betekent dat er een vrijwel zekere relatie bestaat tussen de op de jas van [slachtoffer 1] aangetroffen deeltjes en een schietproces. Op de jas zijn geen deeltjes aangetroffen met een elementsamenstelling die karakteristiek is voor gemarkeerde munitie.[14]

Alternatief scenario

Verdachte heeft zowel tijdens het opsporingsonderzoek als tijdens het onderzoek ter terechtzitting ontkend dat hij een vuurwapen bij zich had en dat hij op [slachtoffer 1] heeft geschoten. Daarentegen heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer 2] degene was die tijdens de woordenwisseling tussen verdachte en [slachtoffer 1] een vuurwapen trok en in een poging van verdachte het vuurwapen van [slachtoffer 2] af te pakken of af te wenden klonk ineens een schot.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de conclusies van de deskundige van het NFI de mogelijkheid openlaten dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij hetzelfde schietproces betrokken zijn geweest, omdat het mogelijk is dat schotresten die afkomstig zijn van één en hetzelfde schietproces toch verschillende elementsamenstellingen kennen. Dit zou de verklaring van verdachte ondersteunen dat [slachtoffer 1] door [slachtoffer 2] zou zijn neergeschoten.

De verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [getuige 1] sluiten de door verdachte gestelde toedracht ook niet uit, omdat de verklaringen - kort gezegd - op essentiële punten op elkaar kunnen zijn afgestemd.

De toedracht zoals door verdachte is weergegeven, vindt bevestiging in een proces-verbaal waarin is gerelateerd, dat op een overdrachtsformulier van de spoedeisende hulp van het VU Ziekenhuis te Amsterdam zou zijn vermeld dat [slachtoffer 1] in zijn auto was neergeschoten door zijn broer, aldus de raadsman.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt dit alternatieve scenario en overweegt hiertoe het volgende. De telefonische contacten tussen verdachte en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de nacht van 28 december 2010 en tussen verdachte en [slachtoffer 1] op 30 december 2010 zijn telkens door verdachte geïnitieerd. Verdachte wilde uiteindelijk [slachtoffer 1] ontmoeten om een conflict tussen verdachte en de broers [achternaam slachtoffers] uit te praten. Verdachte was boos omdat hij door hen benadeeld zou zijn in verband met illegale praktijken die zien op verdovende middelen en geld. Wat er ook zij van de door verdachte gestelde betrokkenheid van de broers [achternaam slachtoffers] bij illegale praktijken - verdachte heeft hierover voor het eerst ter terechtzitting verklaard en daarmee nader onderzoek naar dit eventuele conflict op voorhand gefrustreerd - vast staat dat verdachte boos was op ten minste één van de broers [achternaam slachtoffers] toen hij op 30 december 2010 met [slachtoffer 1] afsprak op de [a-straat].

De verklaring van verdachte dat hij niet degene is geweest die het vuurwapen bij zich had en geschoten heeft, acht de rechtbank onaannemelijk. De getuigen [getuige 2][15] en [getuige 3][16] hebben een worsteling waargenomen, maar geen vuurwapen gezien en ondersteunen de verklaring van verdachte niet. Overigens sluiten zij de door de aangevers gestelde toedracht niet uit. Zowel de broers [achternaam slachtoffers] als getuige [getuige 1] hebben verklaard dat het verdachte is geweest die een wapen bij zich had en dat het ook verdachte is geweest die gericht heeft geschoten op [slachtoffer 1]. Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval de verklaringen van getuige [getuige 1] en [slachtoffer 2] van 30 december 2010 respectievelijk 2 januari 2011 als geloofwaardig kunnen worden aangemerkt. Immers, deze verklaringen zijn afgelegd kort na het incident en in de periode dat beiden zich nog in uitgebreide beperkingen bevonden. Het is voorts niet aannemelijk te achten dat zij deze verklaringen, direct na het incident en alvorens zij werden aangehouden, mede gelet op de hectiek die zich voordeed en die ook blijkt uit de 112-gesprekken, op elkaar hebben kunnen afstemmen, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaat. Deze verklaringen komen ook overeen met hetgeen [slachtoffer 1] op een later moment bij de rechter-commissaris heeft verklaard.[17] De rechtbank gaat ook uit van de juistheid van die verklaring en neemt daarbij in aanmerking dat het letsel en de gevolgen daarvan ertoe kunnen hebben bijdragen dat zijn herinneringen van de gebeurtenis in de loop van de tijd zijn terug gekomen. Daarbij geldt dat [slachtoffer 1] al meteen in zijn eerste verhoor heeft verklaard dat het verdachte was die heeft geschoten. [Getuige 1] heeft pas bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte gericht op [slachtoffer 1] heeft geschoten.[18] In zijn verhoren bij de politie is hij daar echter niet specifiek op bevraagd. Zijn eerdere verklaringen bij de politie sluiten dit ook niet uit, nu ook [getuige 1] van meet af aan heeft verklaard dat verdachte het vuurwapen pakte, aan [slachtoffer 1] vroeg "wat hij nu ging doen" en vervolgens schoot.[19]

De verklaringen waarin verdachte wordt aangewezen als de schutter worden voorts ondersteund door de conclusies van het NFI naar aanleiding van het uitgevoerde schotrestenonderzoek.[20] De schotresten die op de handen van [slachtoffer 2] zijn aangetroffen bevatten het element gadolinium dat karakteristiek is voor gemarkeerde politiemunitie. Het is daarom meer dan waarschijnlijk dat deze schotresten zijn overgedragen door de verbalisant die [slachtoffer 2] heeft geboeid. Op en in de kleding van [slachtoffer 1] zijn geen sporen van gadolinium aangetroffen. Dit maakt het zeer onwaarschijnlijk dat [slachtoffer 1] door [slachtoffer 2] zou zijn neergeschoten, tenzij er twee wapens zijn gebruikt of één wapen met daarin zowel gemarkeerde als niet gemarkeerde munitie. Voor een dergelijke conclusie is in het dossier geen steun te vinden.

Het verweer dat volgens een proces-verbaal op een overdrachtsformulier van het VU Ziekenhuis te Amsterdam zou zijn vermeld dat [slachtoffer 1] in zijn auto was neergeschoten door zijn broer, dient vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag te worden verworpen. Immers, op de overdrachtsformulieren van de GGD Kennemerland en de Spoedeisende Hulp van het VU Ziekenhuis te Amsterdam is een dergelijke aantekening niet terug te vinden.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het door verdachte gestelde scenario geen grondslag vindt in de bewijsmiddelen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen hiervoor is uiteengezet, dat verdachte degene is geweest die een vuurwapen bij zich had en gericht op [slachtoffer 1] heeft geschoten, zodat daarmee het opzet op diens dood gegeven is. Voorafgaande daaraan heeft verdachte [slachtoffer 2] bedreigd door een vuurwapen tegen diens hoofd te houden.

4.4 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1.

hij op 30 december 2010 te Haarlem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een vuurwapen in het hoofd heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 30 december 2010 te Haarlem [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] gehouden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

1. poging tot doodslag

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een ontmoeting met [slachtoffer 1] gearrangeerd omdat hij een conflict met hem wilde uitpraten. Vrijwel direct nadat [slachtoffer 1] op de afgesproken plaats aankwam en uit zijn auto stapte, heeft verdachte een vuurwapen getrokken. [slachtoffer 2] probeerde tussenbeide te komen en kreeg het vuurwapen tegen zijn hoofd geduwd. Toen [slachtoffer 1] voor zijn broer wilde opkomen, richtte verdachte op [slachtoffer 1] en schoot.

Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer 1] ernstig letstel opgelopen. Hij moet zijn linkeroog missen en zijn gezicht is voor de rest van zijn leven verminkt. Na zijn ziekenhuisopname heeft hij in een revalidatiecentrum opnieuw moeten leren lopen. Hij kan zijn linkerarm - ruim een half jaar later - nog steeds niet normaal gebruiken tengevolge van hersenbeschadiging en het is de vraag of dit ooit volledig zal herstellen. Dat het incident en het daaruit voortvloeiende letsel ernstige gevolgen voor [slachtoffer 1] heeft, komt onder meer tot uitdrukking in zijn slachtofferverklaring, zoals ter terechtzitting is voorgehouden. Hierin geeft hij onder meer aan dat hij zijn bedrijf heeft moeten opgeven, dat hij niet meer kan autorijden en dat hij hulp nodig heeft bij bijna al zijn dagelijkse bezigheden.

Verdachte heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan een tweetal zeer ernstige strafbare feiten. Hij heeft [slachtoffer 2] bedreigd met een vuurwapen en [slachtoffer 1] gepoogd te doden. Dat [slachtoffer 1] niet aan zijn verwondingen is overleden heeft hij niet aan verdachte te danken maar veeleer aan adequaat medisch handelen ter plaatse en later in het ziekenhuis. De impact van het incident op het leven van [slachtoffer 1] is zeer groot. Ook op [slachtoffer 2] heeft het incident een diepe indruk achtergelaten.

Een schietincident levert een ernstige verstoring van de rechtsorde op en dient dan ook zeer streng te worden bestraft. Ten nadele van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in het verleden eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Al het voorgaande overwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur passend en geboden is. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij noch in de feiten en omstandigheden van onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding ziet af te wijken van de strafeis van de officier van justitie.

8. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

8.1.1 Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 47.710,07 ingediend jegens verdachte, wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1. ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente. De gestelde schade bestaat uit: voorschot smartengeld, verblijf ziekenhuis en revalidatiecentrum, bijdrage opvragen medische info, eigen risico zorgverzekering 2010 en 2011, kleding, extra telefoon- en portokosten en extra reiskosten.

De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de materiële schade ad. € 2.710,07 rechtstreeks voorvloeit uit het onder 1. bewezen verklaarde feit.

De rechtbank verstaat de vordering van de benadeelde partij tot een voorschot ad € 45.000,- op de vergoeding van de door haar geleden immateriële schade als dat de benadeelde partij zich voor een deel van haar vordering heeft gevoegd in dit strafproces, onder voorbehoud van het recht om het andere deel bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken.

De rechtbank is van oordeel dat vergoeding van de immateriële schade bij wijze van voorschot tot een bedrag van € 25.000,- billijk voorkomt gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

De vordering zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 27.710,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.

8.1.2 Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1. bewezen verklaarde feit is toegebracht.

Opdat de benadeelde partij niet zelf wordt belast met de inning van het toegewezen bedrag zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 27.710,07.

8.2.1 Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.600,- ingediend jegens verdachte, wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit: voorschot shockschade, kleding, extra telefoon- en portokosten en extra reiskosten in verband met feit 1 en voorschot smartengeld in verband met feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de gestelde materiële schade tengevolge van feit 1, te weten kleding, extra telefoon- en portokosten en extra reiskosten, niet rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1. bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij [slachtoffer 2] dient dan ook om die reden in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank verstaat de vordering van de benadeelde partij tot een voorschot ad € 5.000,- op de vergoeding van de door haar tengevolge van feit 1 geleden shockschade als dat de benadeelde partij zich voor een deel van haar vordering heeft gevoegd in dit strafproces, onder voorbehoud van het recht om het andere deel bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken.

Voor vergoeding van immateriële schade als hier gevorderd, is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (HR 10 april 2007, LJN: AZ 5670). Niet gebleken is dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] lijdt aan enig in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De door de huisarts vastgestelde angst- en spanningsklachten kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Nu niet in rechte is komen vast te staan dat sprake is van geestelijk letsel, dient de benadeelde partij voor dit deel in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank verstaat de vordering tot een voorschot ad € 5.350,- op de vergoeding van de door haar tengevolge van feit 2 geleden immateriële schade als dat de benadeelde partij zich voor een deel van haar vordering heeft gevoegd in dit strafproces, onder voorbehoud van het recht om het andere deel bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken.

De rechtbank is van oordeel dat vergoeding van de immateriële schade bij wijze van voorschot tot een bedrag van € 4.000,- billijk voorkomt gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

De vordering van [slachtoffer 2] zal voor een bedrag van € 4.000,- worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.

8.2.2 Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2. bewezen verklaarde feit is toegebracht.

Opdat de benadeelde partij niet zelf wordt belast met de inning van het toegewezen bedrag zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 4.000,-.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte partieel vrij van het hem onder 1. ten laste gelegde feit zoals hiervoor onder 4.1 overwogen.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT (8) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 27.710,07 (zevenentwintig duizend zevenhonderd tien euro en zeven cent) en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 december 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan [slachtoffer 1], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt aan verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.710,07 (zevenentwintig duizend zevenhonderd tien euro en zeven cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 173 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 4.000,- (vierduizend euro) en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 december 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan [slachtoffer 2], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt aan verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.000,- (vierduizend euro), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 50 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. J.W.H.G. Loyson, voorzitter,

mr. S.M. Christiaan en mr. J.G. Tielenius Kruythoff, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Dolfing,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 juli 2011.

Voetnoten:

[1] De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De voor het bewijs gebezigde schriftelijke stukken worden slechts gebezigd tot het bewijs in samenhang met de overige bewijsmiddelen.

[2] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2011 (dossierpagina 507, midden).

[3] Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] d.d. 30 maart 2011, afgelegd bij de rechter-commissaris (pagina 1 onder en 2 boven).

[4] Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 2] d.d. 2 januari 2011 (dossierpagina 148, onder).

[5] Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] d.d. 30 maart 2011, afgelegd bij de rechter-commissaris (pagina 2 midden).

[6] Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 7 april 2011, afgelegd bij de rechter-commissaris (pagina 2, 6e alinea).

[7] Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] d.d. 30 maart 2011, afgelegd bij de rechter-commissaris (pagina 2 midden).

[8] Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] d.d. 30 maart 2011, afgelegd bij de rechter-commissaris (pagina 2, 4e alinea).

[9] Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] d.d. 18 januari 2011 (dossierpagina's 240 en 241).

[10] Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] d.d. 2 januari 2011 (dossierpagina's 152 tot en met 154).

[11] Schriftelijke stukken, te weten een aanvraagformulier medische informatie d.d. 25 januari 2011 (dossierpagina 249) een aanvraagformulier medische informatie d.d. 6 mei 2011 en een ontslagbrief d.d. 14 januari 2011 (aanvullend proces-verbaal d.d. 23 juni 2011, respectievelijk dossierpagina's 10A en 11 A tot en met 13A) .

[12] Proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juli 2011.

[13] Verbeterd rapport schotrestenonderzoek van het NFI d.d. 20 mei 2011 (los ingevoegd, pagina's 10 tot en met 12).

[14] Rapport schotrestenonderzoek van het NFI d.d. 17 juni 2011 (los ingevoegd, pagina 6).

[15] Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] d.d. 28 maart 2011, afgelegd bij de rechter-commissaris (pagina 2, 2e, 4e en 5e alinea).

[16] Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] d.d. 7 april 2011, afgelegd bij de rechter-commissaris (pagina 2, 3e alinea).

[17] Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] d.d. 30 maart 2011, afgelegd bij de rechter-commissaris (pagina 2, 4e alinea).

[18] Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] door de rechter-commissaris van 7 april 2011 (pagina 2, alinea 6).

[19] Proces-verbaal van verhoor van verdachte [getuige 1] d.d. 30 december 2010 (dossierpagina's 206, midden).

[20] Verbeterd rapport over het schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident te Haarlem op 30 december 2010 van het Nederlands Forensisch Instituut van 20 mei 2011.