Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU8972

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
15-761065-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige. Ontuchtige handelingen door vijftienjarige jongen met vierjarig meisje. Dergelijke handelingen kunnen, naar de ervaring leert, voor jonge slachtoffers ernstige en vaak langdurige psychische gevolgen hebben. De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat verdachte ter terechtzitting oprecht spijt heeft betuigd en heeft aangegeven zich zeer bewust te zijn van de ernst van zijn handelen en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat het delict reeds een jaar geleden is gepleegd en van een onvoorwaardelijke werkstraf als door de officier van justitie geëist geen pedagogische meerwaarde meer moet worden verwacht, ook gelet op hetgeen verdachte en zijn familie het afgelopen jaar reeds op vrijwillige basis hebben ingezet. Volgt oplegging van voorwaardelijke werkstraf voor de duur van veertig uren met bijzondere voorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/761065-10

Uitspraakdatum: 6 oktober 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de achter gesloten deuren gehouden terechtzitting van 22 september 2011 in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 04 september 2010 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,, met [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 2006), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

- het aanraken en/of betasten van de vagina met één of meer vingers en/of

- het likken aan de de vagina en/of

- het met zijn geslachtsdeel aanraken van de vagina en/of

- het binnendringen, althans het pogen binnen te dringen, met zijn geslachtsdeel in de vagina.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met uitzondering van het laatste gedachtestreepje, en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie en

- een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee weken met daaraan verbonden een proeftijd voor de duur van twee jaren en de bijzondere voorwaarden van verplicht contact met de jeugdreclassering, ook als dat inhoudt het deelnemen aan een behandeling bij de Waag, en een contactverbod met [slachtoffer].

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de officier van justitie gevorderd dat deze zal worden toegewezen en dat de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte zal worden opgelegd.

4. Bewijs

4.1 Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd en

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [aangever] d.d. 10 september 2010.

De rechtbank deelt daarbij het standpunt van de officier dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het in de tenlastelegging opgenomen vierde gedachtestreepje, nu verdachte ter terechtzitting alsnog deze handeling heeft ontkend.

Ten aanzien van het standpunt van de raadsvrouw inhoudende dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de handelingen genoemd in het eerste en derde gedachtestreepje van de tenlastelegging nu daarvoor niet twee van elkaar onafhankelijke bewijsmiddelen voorhanden zijn maar slechts de bekennende verklaring van verdachte, overweegt de rechtbank dat de bewijsminima volgens vaste jurisprudentie, onder andere Hoge Raad 7 april 1981, NJ 1981, 399, gelden ten aanzien van de tenlastelegging als geheel en niet ten aanzien van elk onderdeel afzonderlijk. De rechtbank verwerpt dan ook het standpunt van de raadsvrouw.

4.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 4 september 2010 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

- het aanraken van de vagina met één of meer vingers en

- het likken aan de vagina en

- het met zijn geslachtsdeel aanraken van de vagina.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte, een destijds vijftienjarige jongen, heeft tijdens een ogenschijnlijk onschuldige speelpartij ontuchtige handelingen gepleegd met een destijds vierjarig meisje uit zijn buurt. Verdachte heeft vanuit een naar eigen zeggen nieuwsgierigheid naar seks grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het nog zeer jonge slachtoffer en misbruik gemaakt van de - vanwege haar leeftijd en haar relatie tot verdachte als de vriend van haar grote broer - kwetsbare positie waarin zij jegens hem verkeerde. De ontuchtige handelingen als door verdachte gepleegd kunnen, naar de ervaring leert, voor jonge slachtoffers ernstige en vaak langdurige psychische gevolgen hebben. In dit geval heeft het slachtoffer ook daadwerkelijk schade ondervonden, zo blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van haar ouders. Het slachtoffer huilde veel, had driftbuien en durfde niet alleen in haar bedje te slapen. Zij worstelde met zichzelf en met haar gevoelens. Inmiddels is zij een behandeling gestart bij het Kinder- en Jeugd Trauma Centrum. De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij dit alles aan het slachtoffer heeft aangedaan.

Bij de bepaling van de straf houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte ter terechtzitting oprecht spijt heeft betuigd en heeft aangegeven zich zeer bewust te zijn van de ernst van zijn handelen en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Uit de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming van 21 december 2010 en 15 september 2011 is de rechtbank bovendien gebleken dat bij verdachte in zeer moeilijke familieomstandigheden verkeerde terwijl er bovendien sprake is van bijzondere persoonlijkheidsproblematiek waarvoor hij reeds een jaar lang op vrijwillige basis therapieën volgt bij de Waag. De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat verdachte zijn twee bijbaantjes in de buurt en zijn lidmaatschap van de plaatselijke voetbalvereniging heeft opgegeven, teneinde de kans dat hij het slachtoffer of haar gezinsleden tegenkomt en zodoende confronteert met het verleden zo veel mogelijk te verkleinen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het feit dat verdachtes ouders, evident zeer geschrokken van het gebeuren, zelf initiatief hebben genomen in deze zaak door direct openheid van zaken te geven bij de politie omtrent hetgeen is voorgevallen en ook verdachte zelf vanaf het begin een eerlijke, open proceshouding heeft aangenomen. Bovendien is direct hulp gezocht en gevonden voor verdachte, welke hulp door verdachte zeer goed is opgepakt. Voorts is verdachte nooit eerder met justitie in aanraking gekomen.

Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat het delict reeds een jaar geleden is gepleegd en van een onvoorwaardelijke werkstraf als door de officier van justitie geëist geen pedagogische meerwaarde meer moet worden verwacht, ook gelet op hetgeen verdachte en zijn familie het afgelopen jaar reeds op vrijwillige basis hebben ingezet. De rechtbank zal dan ook slechts een voorwaardelijke werkstraf van kortere duur dan geëist opleggen, zoals door de raadsvrouw verzocht. De zes standpunten die de raadsvrouw aan dit verzoek ten grondslag heeft gelegd zal de rechtbank niet alle afzonderlijk bespreken, nu zij de conclusie die de raadsvrouw daaraan uiteindelijk heeft verbonden zal overnemen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze taakstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

De rechtbank zal aan de voorwaardelijke straf niet de door de officier van justitie gevorderde de bijzondere voorwaarde van een contactverbod met [slachtoffer] verbinden, nu zij dit niet noodzakelijk acht.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 875,00 ingediend wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit en schat de hoogte van deze schade op € 400,-. Vergoeding van dit bedrag komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen [kort gezegd: ontucht met iemand beneden de zestien jaren] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 77a, 77g, 77h, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het volgende feit oplevert: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Verklaart dit feit strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 40 (veertig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling jeugdreclassering, zolang die instelling dat nodig acht, ook als zulks inhoudt dat verdachte zal deelnemen aan (een) behandeling(en) bij de Waag.

Geeft in het kader van deze bijzondere voorwaarde tevens aan bovengenoemde instelling de opdracht tot het verlenen van hulp en steun ex artikel 77aa Wetboek van Strafrecht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden immateriële schade tot een bedrag van € 400,00 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangever], de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer] voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 400,00, te voldoen in 8 (acht) maandelijkse termijnen van elk € 50,00.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.G. Hijink, voorzitter, tevens kinderrechter,

mrs. J. Candido en C.A.M. van de Rest - Van der Heijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. P. de Mos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 oktober 2011.