Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU8957

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
15/840235-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Elbrus: Medeplegen opzettelijke invoer van cocaine, meermalen gepleegd, en voorbereidingshandelingen daartoe via Schiphol vanuit Kenia en Ghana. Witwassen. Deelname aan criminele organisatie. Sprake van geldigheid dagvaarding, ontvankelijkheid openbaar ministerie en eerlijk proces m.b.t. zwijgrecht, pressieverbod, cautie, eigen bewoordingen verdachte, inzet tolken en waarde tapgesprekken. Verdachte was werkzaam als schoonmaker bij Asito en vervulde ook security diensten en heeft misbruik gemaakt van zijn kennis van zaken op het beveiligde gebied op Schiphol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/840235-10 en 15 /810111-11 (ttz gev)

Uitspraakdatum: 17 november 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 17, 24 en 31 oktober 2011 en 3 november 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (land),

wonende te [woonadres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Almere te Almere.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaardingen met de parketnummers

15/840235-10 en 15 /810111-11 is omschreven. De in deze dagvaardingen opgenomen feiten zijn van doorlopende nummers voorzien. Die nummering is in dit vonnis aangehouden, zodat aan verdachte, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, is ten laste gelegd dat:

feit 1 primair: (zaaksdossier B5)

hij op of omstreeks 17 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 1 subsidiair: hij in of omstreeks de periode van 13 september 2010 tot en met 17 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Diemen en/of te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad

waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of

- een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld;

feit 2 primair: (zaaksdossier B6)

hij op of omstreeks 4 oktober 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2 subsidiair: hij op of omstreeks 4 oktober 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of - vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of

- een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld;

feit 3: (zaaksdossier B18)

hij op of omstreeks 10 november 2010, te Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 11.800 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

feit 4: (parketnummer 15/810111-11 en zaaksdossier B3)

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 25 november 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Amsterdam en/of Diemen en/of Almere, in elk geval in Nederland, en/of in Suriname en/of in Ghana heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte en/of zijn mededader(s) en/of andere personen behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, te weten

- het (telkens) tezamen en in vereniging met (een of meer bovengenoemde) andere(n), (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I (artikel 2A OW jo 10 lid 5 OW) en/of het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

* zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

* een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

* voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en) (artikel 10a OW);

feit 5 primair: (zaaksdossier B8)

hij op of omstreeks 18 oktober 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 5 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 16 oktober 2010 tot en met 18 oktober 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Diemen en/of te Almere, in elk geval in Nederland, en/of in Ghana, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of

- een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld;

feit 6 primair: (zaaksdossier B10)

hij op of omstreeks 20 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 6 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 17 september 2010 tot en met 21 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of

- een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld;

feit 7 primair: (zaaksdossier B14)

hij op of omstreeks 22 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 7 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 20 september 2010 tot en met 23 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Diemen en/of te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of

- een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld;

feit 8 primair: (zaaksdossier B15)

hij op of omstreeks 27 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 8 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 23 september 2010 tot en met 27 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Diemen en/of te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of

- een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld;

feit 9 primair: (zaaksdossier B16)

hij op of omstreeks 27 september 2010, althans in of omstreeks de periode van 20 september 2010 tot en met 27 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 9 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 20 september 2010 tot en met 27 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Diemen en/of te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of

- een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld;

feit 10 primair: (zaaksdossier B21)

hij op of omstreeks 29 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet verdovende middelen, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 10 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 26 september 2010 tot en met 29 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe):

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of

- een of meer ontmoetingen gehad en/of

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en/of

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en/of

- een of meerdere perso(o)n(en) geld betaald voor het aan boord van een vliegtuig brengen/plaatsen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

- een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en/of van de luchthaven af te brengen en/of

- op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een vliegtuig) gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of gehouden voor het wegvoeren van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld.

2. Voorvragen

Geldigheid dagvaarding

De raadsvrouw heeft de nietigheid van de dagvaarding bepleit, voor zover dit de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten betreft. Zij voert daartoe aan dat beide feiten zien op het ‘op of omstreeks 27 september 2010 invoeren van een onbekende hoeveelheid verdovende middelen tezamen en in vereniging met niet nader gespecificeerde medeverdachten, dan wel voorbereidingshandelingen daarvoor’. Nu bij beide feiten ‘op of omstreeks’ is ten laste gelegd is zonder nadere toelichting en een onvoldoende concrete beschrijving onvoldoende duidelijk waarop de verdenking ziet, temeer nu de gebruikte codering (B15 en B16) geen essentieel onderdeel van de tekst van de tenlastelegging uitmaakt.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging voldoet aan de daaraan in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen, immers deze is verduidelijkt doordat in de tenlastelegging steeds gebruik is gemaakt van kopjes die verwijzen naar de desbetreffende dossieronderdelen, zoals bij feit 5: Zaaksdossier B15 en bij feit 6: Zaaksdossier B16. Hieruit valt, in samenhang met de rubricering die in de dossiers is aangebracht, op te maken dat feit 5 – kort gezegd – ziet op de vermeende invoer van verdovende middelen vanuit Kenia terwijl feit 6 – kort gezegd – ziet op de vermeende invoer van verdovende middelen vanuit Ghana. Overigens is naar het oordeel van de rechtbank uit de behandeling van de verschillende zaaksdossiers ter terechtzitting niet gebleken van enige verwarring die bij verdachte en of diens raadsvrouw zou hebben bestaan ten aanzien van het onder 5 en 6 ten laste gelegde.

Gelet op het voorgaande moet het betoog van de raadsvrouw worden verworpen.

De rechtbank heeft, ook overigens, vastgesteld dat de dagvaarding geldig is.

Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat op dezelfde gronden als hiervoor onder kopje geldigheid van de dagvaarding is vermeld, onder feit 5 en feit 6 dezelfde feiten zelfstandig – en dus dubbel – ten laste zijn gelegd, zodat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het onder 6 ten laste gelegde wegens strijd met het ne-bis-in-idem beginsel.

De rechtbank verwerpt dit verweer eveneens. Immers, zoals hiervoor onder het kopje geldigheid dagvaarding reeds is overwogen is uit de betreffende onderliggende dossiers, in onderling verband bezien, voldoende duidelijk dat de feiten 5 en 6 de verdenking van twee verschillende strafbare feiten betreft die dan ook naast elkaar ten laste kunnen worden gelegd.

De rechtbank heeft ook overigens vastgesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.

Ten slotte heeft de rechtbank vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 9 primair en 10 primair ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Ten aanzien van het in beslag genomen geld heeft de officier van justitie verbeurdverklaring gevorderd. Ten aanzien van de in beslag genomen Boeingsleutel heeft de officier van justitie onttrekking aan het verkeer gevorderd. Ten aanzien van het in beslag genomen navigatiesysteem heeft de officier van justitie gevorderd dat deze aan verdachte dient te worden geretourneerd.

4. Bewijs

4.1 Algemeen

Op 20 mei 2010, 1 juni 2010 en 9 juli 2010 is bij de Koninklijke Marechaussee te Schiphol informatie van het Korps Landelijke Politie Diensten, Dienst IPOL, binnengekomen met onder meer de mededeling dat een groepering zich bezig zou houden met de invoer van cocaïne vanuit Suriname door middel van onder andere verborgen plaatsen in vliegtuigen. In Nederland is een lid van die groepering een man genaamd: [bijnaam medeverdachte 1] met telefoonnummer 06-81743373, die vermoedelijk werkzaam is op de luchthaven Schiphol of nauw contact heeft met medewerkers op de luchthaven Schiphol. Naar aanleiding van deze informatie is vanaf 19 juli 2010 een rechercheonderzoek door de KMar gestart onder de naam Elbrus. In het kader van dit onderzoek is vanaf 23 juli 2010 een groot aantal telefoongesprekken getapt.

Uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer van de man genaamd [bijnaam medeverdachte 1] wordt gebruikt door één van de verdachten in het onderzoek Elbrus, te weten [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft telefonische contacten met medewerkers die ten tijde van de ten laste gelegde feiten werkzaam waren bij het schoonmaakbedrijf Asito op Schiphol. Asito is het schoonmaakbedrijf dat onder andere alle intercontinentale vluchten voor de KLM en de vluchten van Kenia Airways op Schiphol schoonmaakt. Uit het dossier is gebleken dat de verdachten in het onderzoek Elbrus, al dan niet werkzaam bij Asito, in wisselende samenstelling betrokken zijn geweest bij de invoer van pakketten met daarin cocaïne, middels verstopplekken in vliegtuigen afkomstig uit Suriname, Ghana en/of Kenia. Uit het dossier is ook gebleken dat de verdachten vaak telefonisch contact met elkaar hadden. De rechtbank stelt, naar aanleiding van opgevraagde gegevens, observaties, stemherkenning, en de verklaringen van enkele verdachten zelf, vast dat daar waar in het dossier namen van verdachten aan telefoonnummers worden gekoppeld, deze gesprekken ook door deze verdachten zijn gevoerd.

Doorzoekingen

Op 22 oktober 2010 hebben in twee vliegtuigen van de KLM doorzoekingen plaatsgevonden. Daarbij zijn pakketten met daarin cocaïne aangetroffen. In een aantal vliegtuigen hebben op andere tijdstippen ook doorzoekingen plaatsgevonden zonder dat daarbij cocaïne is aangetroffen. Dat er in deze vluchten geen cocaïne is aangetroffen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat er ook geen cocaïne aan boord van het vliegtuig heeft gezeten. Gelet op de korte tijd waarin de KMar de gelegenheid heeft een vliegtuig te doorzoeken en de vele potentiële en vaak lastig bereikbare verstopplekken, is het heel goed mogelijk dat zich wel verdovende middelen op een vliegtuig bevinden, maar dat deze verdovende middelen tijdens een doorzoeking niet worden gevonden. Ook het inzetten van een drugshond biedt geen garantie voor het vinden van zich in het vliegtuig bevindende verdovende middelen . Het verweer van de verdediging inhoudende dat waar vliegtuigen, al dan niet met behulp van een hond, zijn doorzocht en geen verdovende middelen zijn aangetroffen, de invoer van cocaïne niet bewezen kan worden, slaagt dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet.

Bijnamen verdachten

[medeverdachte 6] heeft verklaard dat met “[bijnaam medeverdachte 3]” [medeverdachte 3] werd bedoeld. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat daar waar in de tapgesprekken de naam “[bijnaam medeverdachte 3]” wordt genoemd, dit [medeverdachte 3] betreft.

Daar waar in de tapgesprekken “[bijnaam medeverdachte 5]” wordt genoemd, gaat de rechtbank er, gelet op de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] , vanuit dat dit [medeverdachte 5] betreft.

Lijn Kenia - Nederland

Uit het dossier komt naar voren dat bij de ten laste gelegde transporten afkomstig uit Kenia Asito-medewerkers, te weten [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5] en [verdachte], en de niet bij Asito werkzame [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] waren betrokken. Ieder van de verdachten had een specifieke rol bij deze transporten, zoals blijkt uit de vele telefonische contacten die zij met elkaar hadden.

Hoewel bij geen enkel ten laste gelegde transport afkomstig uit Kenia cocaïne in beslag is genomen, is de rechtbank van oordeel dat ook bij deze transporten cocaïne is ingevoerd. Tijdens de vele gesprekken hebben de verdachten structureel gebruik gemaakt van onlogische woorden of zinsneden die, gelet op de context en bezien binnen de algehele samenhang van het onderzoek, de bedoeling hadden om de daadwerkelijke inhoud van het gesprek te versluieren en illegale activiteiten af te schermen. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat deze gesprekken over drugs gingen. [verdachte] heeft verklaard dat hij behulpzaam is geweest bij het van het beveiligde gebied van Schiphol afbrengen van de pakketten van vluchten uit Kenia, waarvan hij vermoedde dat daar drugs in zaten. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [medeverdachte 5] en [verdachte]. [medeverdachte 5] en [verdachte] kregen beiden ook rijkelijk betaald voor hun bijdragen.

Voorts wijst de rechtbank op het aantreffen van cocaïne en andere goederen welke duiden op het versnijden van cocaïne in de woning van [medeverdachte 1]. Ook is in diens woning een notitie aangetroffen met daarop de letters KQU en KQT, welke overeenkomen met de laatste drie letters van vliegtuigregistratienummers van vluchten afkomstig uit Kenia. Daarnaast overweegt de rechtbank dat Kenia klaarblijkelijk kan worden aangemerkt als een doorvoerland voor cocaïne.

De lezing dat het om andere contrabande zou gaan, zoals ivoor of goud, acht de rechtbank niet aannemelijk nu daarvan in het dossier geheel niets is gebleken. De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 5] spreken hier beiden niet over en de andere verdachten beroepen zich op hun zwijgrecht. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan, dan dat de ten laste gelegde transporten afkomstig uit Kenia betrekking hebben op de invoer van cocaïne naar Nederland.

Medeplegen

De in zaaksdossier B3 (criminele organisatie) omschreven modus operandi is gebaseerd op een schakelconstructie, waarbij bij het ontbreken van één van deze schakels door de onderlinge samenhang het drugstransport als zodanig niet tot stand kon worden gebracht. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke wijze van invoeren van cocaïne slechts kan worden gerealiseerd door een nauwe en bewuste samenwerking van alle deelnemers (schakels) aan dit proces. De rechtbank acht derhalve het medeplegen van invoer van cocaïne daar waar de rechtbank tot het oordeel komt dat uit Kenia cocaïne naar Nederland is vervoerd, dan wel voorbereidingshandelingen daartoe zijn gepleegd, bewezen.

Lijn Ghana – Nederland

In de vlucht KL590, met registratienummer PH-BQB, afkomstig uit Accra (Ghana) werd in de linkerstoel van het voorste slaapgedeelte van het cabine personeel één pakket met cocaïne aangetroffen (zaaksdossier 1). Hoewel in de andere ten laste gelegde transporten afkomstig uit Ghana, te weten zaaksdossiers 7, 8, 9 en 16, geen cocaïne in beslag is genomen, is de rechtbank van oordeel dat het ook bij deze transporten wel degelijk om invoer van cocaïne ging. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Uit de telefonische contacten leidt de rechtbank af dat zowel bij het transport waarbij cocaïne is aangetroffen als bij de vier andere hierboven genoemde transporten uit Ghana [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2], werkzaam bij Asito, betrokken zijn geweest, al dan niet met hulp van [verdachte]. Tijdens deze gesprekken werd door de verdachten gebruik gemaakt van onlogische woorden of zinsneden die, gelet op de context en bezien binnen de algehele samenhang van het onderzoek, de bedoeling hadden om de daadwerkelijke inhoud van het gesprek te versluieren en illegale activiteiten te verhullen. Zo wordt in de gesprekken betrekking hebbende op zaaksdossier 1, waar derhalve cocaïne werd aangetroffen, gesproken over “Badu” overeenkomend met de laatste letter van het vliegtuigregistratienummer, en “1 links” overeenkomende met de verstopplaats en de hoeveelheid aangetroffen cocaïne. In de gesprekken behorende bij de andere transporten worden soortgelijke bewoordingen gebruikt. Zo wordt gesproken over “Kumasi 2 links” , “Faustie 1 Links” en “Kojo en vier” . Ook hier komen de eerste letters van de namen overeen met de laatste letter van de vliegtuigregistratienummers en ook hier wordt gesproken over een hoeveelheid (2, 1, 4) en de verstopplaats (links). In het telefoongesprek met betrekking tot zaaksdossier B9 wordt gesproken over “Abenku”, hetgeen links betekent en “Ecomy”, hetgeen één betekent. In al deze zaken wordt verder gesproken over iets dat morgen gaat gebeuren voor overmorgen. Gebleken is dat vluchten uit Ghana veelal op de ene dag vertrekken en de volgende dag vroeg in de ochtend in Nederland op de luchthaven aankomen.

Gelet op het gebruik van versluierde taal, de soortgelijke bewoordingen voor aanduiding van het vliegtuig en de verstopplek, betrokkenheid van dezelfde verdachten en het transport waarbij wel cocaïne is aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat ook de zaaksdossiers 7, 8, 9 en 16 betrekking hebben op de invoer van cocaïne naar Nederland.

Medeplegen

Uit de inhoud en de hoeveelheid gevoerde telefoongesprekken, die hierna bij de individuele zaaksdossiers betrekking hebbende op Ghana worden aangehaald, blijkt naar het oordeel van de rechtbank van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] (en in twee zaaksdossiers (B8 en B16) ook met verdachte). De rechtbank acht derhalve daar waar zij tot het oordeel komt dat uit Ghana cocaïne naar Nederland is vervoerd dan wel voorbereidingshandelingen daartoe zijn gepleegd, het medeplegen van de invoer van cocaïne bewezen.

Ten aanzien van alle transporten

Daar waar de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat cocaïne werd ingevoerd, zal de rechtbank de tenlastelegging op dit punt telkens verbeterd lezen. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Artikel 29 Wetboek van Strafvordering

De raadsvrouw heeft betoogd dat door het opsporingsteam waarborgen voor een fair trial zijn genegeerd.

A. Zwijgrecht

Ten eerste stelt zij dat – ondanks dat verdachte zich op zijn zwijgrecht had beroepen – verbalisanten herhaaldelijk dezelfde vraag aan hem bleven stellen en zij het enkele minuten later nogmaals probeerden. Het recht op zwijgen van verdachte is daarmee niet gerespecteerd.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Als uitgangspunt geldt dat indien een verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept, dit door de verhorende verbalisanten gerespecteerd dient te worden. Een beroep op dit recht houdt echter niet in dat een verdachte reeds daarom geen vragen mogen worden gesteld, dat vragen niet (vele keren) mogen worden herhaald of dat hem door verbalisanten niet veelvuldig feiten of omstandigheden mogen worden voorgehouden die voor zijn strafzaak of voor de waarheidsvinding van belang zijn. Niet valt in te zien dat verdachtes zwijgrecht daardoor niet gerespecteerd zou zijn. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

B. Pressie

De raadsvrouw betoogt verder dat de grens van geoorloofde versus ongeoorloofde druk tijdens de verhoren op 11 november 2010 is overschreden. Zij stelt daartoe dat de kinderen van verdachte vlak voor diens verhoor door de gangen van het cellencomplex rondliepen toen verdachte werd opgehaald en dat er bovendien geen enkele noodzaak was om de verhoren van verdachte op één dag te laten plaatsvinden en wel van half tien ‘s ochtends tot tien uur ’s avonds, derhalve gedurende ruim twaalf uur. Hierdoor heeft hij immers niet de kans gekregen om na te denken of hij zichzelf onnodig aan het belasten was en evenmin de mogelijkheid gekregen tussentijds met zijn raadsvrouw te overleggen.

Ook is er sprake van pressie door de wijze van verhoren, immers steeds weer werd dezelfde vraag herhaald, ondanks dat verdachte zich op zijn zwijgrecht had beroepen. Verdachte is daardoor onder druk gezet, aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daarbij als volgt.

De rechtbank stelt vast dat het eerste verhoor van 9.35 uur tot 10.42 uur plaatsvond, het 2e verhoor van 10.52 uur tot 15.28 uur, het 3e verhoor van 15.39 uur tot 17.17 uur en het 4e verhoor van 17.35 uur tot 22.06 uur. Dit is weliswaar lang, maar niet is gebleken dat verbalisanten dit bewust hebben gedaan om verdachte onder druk te zetten. Voorts is er blijkens de betreffende processen-verbaal tussentijds diverse malen kort gepauzeerd en is er tweemaal ook langer gepauzeerd. Zo is het tweede verhoor om 12.34 uur onderbroken voor het nuttigen van een lunch waarbij dit verhoor om 13.30 uur werd voortgezet, en is het vierde verhoor om 19.20 uur onderbroken voor het avondeten, welk verhoor vervolgens om 20.17 uur is voortgezet. Daar komt bij dat verdachte gedurende de dag desgevraagd meermalen heeft verklaard tegen voortzetting van het verhoor geen bezwaar te hebben. Ook is hem nog gevraagd of hij op een eerdere verklaring wilde terugkomen, hetgeen niet het geval was (zie voortzetting 2e verhoor om 13.30 uur).

Verdachte is die dag derhalve weliswaar lang verhoord, maar, gelet op de gehouden pauzes en het feit dat verdachte met voortzetting van de verhoren heeft ingestemd, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van ontoelaatbare pressie. Niet is gebleken dat verdachte zijn verklaringen niet in vrijheid heeft afgelegd.

De stelling van de raadsvrouw dat verdachte die dag ook onder druk zou zijn gezet doordat hij vlak voor zijn verhoor met zijn kinderen is geconfronteerd, die, zo stelt de raadsvrouw, klaarblijkelijk een nacht in de cel hebben doorgebracht, mist feitelijke grondslag. Immers, de officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat de kinderen van verdachte op 10 november 2010, derhalve een dag eerder, samen met hun moeder naar het bureau zijn meegenomen en dat zij diezelfde middag nog door de politie zijn thuisgebracht. Zij waren dus niet op het bureau toen verdachte op 11 november 2010 werd verhoord.

Ten slotte wordt het verweer van de raadsvrouw dat verdachte tijdens het verhoor onder druk is gezet door - ondanks zijn beroep op het zwijgrecht - steeds dezelfde vragen te blijven stellen verworpen. Dit verweer moet zien op de verhoren van verdachte vanaf het vijfde verhoor aangezien hij zich vanaf dat moment op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Zoals hiervoor reeds overwogen houdt een beroep op het zwijgrecht niet in dat aan een verdachte geen (repeterende) vragen zouden mogen worden gesteld of dat hij niet zou mogen worden geconfronteerd met feiten of omstandigheden die voor zijn zaak of de waarheidsvinding van belang zijn. De rechtbank wil aannemen dat verdachte mogelijk enige druk in zijn verhoren heeft ervaren. Echter, dat wil niet zeggen dat deze druk ongeoorloofd is geweest. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De rechtbank merkt overigens op dat verdachte in zijn verhoren kennelijk ook bestand is geweest tegen de door hem gevoelde druk aangezien hij – ondanks herhaalde vragen van verbalisanten – is blijven zwijgen. Ook dit verweer wordt derhalve verworpen.

C. Cautie

De raadsvrouw wijst er verder op dat blijkens het proces-verbaal van het derde verhoor (zowel de uitgewerkte als niet-uitgewerkte versie) aan verdachte voorafgaand aan dat verhoor niet de cautie is gegeven, waardoor dit verhoor van het bewijs dient te worden uitgesloten.

De rechtbank stelt met betrekking tot het derde verhoor op 11 november 2010 feitelijk het volgende vast. Het betreft een verhoor als bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering. Noch uit het proces-verbaal noch uit het letterlijk uitgewerkte verhoor blijkt dat aan verdachte is meegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De rechtbank concludeert dan ook dat aan verdachte voorafgaand aan het derde verhoor de cautie niet is gegeven.

De rechtbank constateert evenwel dat het derde verhoor om 15.39 uur aanvangt na een korte onderbreking. Het tweede verhoor was beëindigd om 15.28 uur. Bij aanvang en bij tussentijdse voortzetting van zowel het eerste als het tweede verhoor eerder die dag, is aan verdachte wèl de cautie gegeven. Op grond van de omstandigheid dat verbalisanten verdachte voorafgaande aan de twee verhoren die kort daarvoor waren afgenomen wèl de cautie hebben gegeven, neemt de rechtbank aan dat verdachte bij de aanvang van zijn derde verhoor op de hoogte was van zijn zwijgrecht. Verdachte is door het vormverzuim niet in ernstige mate in zijn verdedigingsbelangen geschaad zodat de rechtbank aan het verzuim dan ook geen consequenties zal verbinden. De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat verdachte blijkens het vierde verhoor dat op dezelfde dag plaatsvond, aan verdachte wèl weer de cautie is gegeven, terwijl hij zich daar evenmin op zijn zwijgrecht heeft beroepen.

D. Eigen bewoording

De raadsvrouw stelt ten slotte dat de eis van lid 3 van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering een garantie beoogt te geven dat de verklaring van een verdachte zo precies en zuiver mogelijk wordt weergegeven. Zij stelt dat uit de letterlijk uitgewerkte verhoren blijkt dat niet alles wat verdachte heeft gezegd door verbalisanten is geverbaliseerd.

De rechtbank stelt voorop dat het gebruikelijk is dat een proces-verbaal van verhoor een samenvatting en daarmee een zakelijke weergave van het betreffende verhoor betreft. De processen-verbaal worden daardoor voor een ieder lees- en werkbaar. Eveneens gebruikelijk is dat een dergelijke zakelijke weergave aan het eind van het verhoor aan verdachte wordt voorgelezen, waarna deze wordt gevraagd of hij daarmee kan instemmen en zo ja, of hij die verklaring dan wil ondertekenen. Indien men er niet mee kan instemmen, kan men wijzigingen aanbrengen. Ook in dit geval zijn de zakelijke weergaven van de verhoren, voor zover hij dat wenste, aan verdachte voorgelezen, heeft verdachte wijzigingen laten aanbrengen en heeft verdachte de processen-verbaal daarna ondertekend. Niet valt in te zien dat daarmee de eis die artikel 29 lid 3 aan de verklaring van de verdachte stelt, is geschonden. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat de zakelijke weergave van het verhoor dermate verschilt van de letterlijke weergave dat daarmee de waarheid geweld is aangedaan en dat sprake van een dergelijke schending zou zijn. De rechtbank verwerpt mitsdien het verweer.

Inzet tolken

Volgens de raadsvrouw is niet aan de Aanwijzing inzet tolken en vertalers in het opsporingsonderzoek in strafzaken voldaan. Immers, zo stelt zij, een proces-verbaal bevindingen waaruit blijkt dat verdachte ondubbelzinnig heeft begrepen dat het verhoor in het Nederlands zou plaatsvinden ontbreekt. Verder voert zij aan dat uit de uitgewerkte verklaringen van verdachte blijkt dat zowel de tolk als verdachte de Nederlandse taal niet geheel machtig is.

De raadsvrouw stelt dat daarmee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim waardoor zowel de (letterlijk uitgewerkte) verklaringen als de geluidsfragmenten van verdachte van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Voorts dienen de verklaringen van medeverdachten van het bewijs te worden uitgesloten nu deze zijn verkregen door en na het voorhouden van de verklaringen van verdachte.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Blijkens voornoemde Aanwijzing wordt in de gevallen waarin verdachte en verbalisant van oordeel zijn dat zij allebei een andere taal dan de Nederlandse taal in voldoende mate beheersen en dat het verhoor in die taal kan geschieden, het verhoor in die taal afgenomen. In het proces-verbaal wordt in dat geval gerelateerd dat het verhoor met instemming van verdachte in een andere taal heeft plaatsgevonden. In onderhavige zaak doet dit geval zich niet voor.

De rechtbank constateert dat blijkens de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van verhoor van verdachte zowel aan het begin van het eerste verhoor van verdachte op 11 november 2010 om 9.35 uur als het tweede verhoor om 10.52 uur met verdachte overleg is geweest over de beheersing van de Nederlandse taal door verdachte en over het al dan niet vertalen door de tolk. Te lezen is dat met verdachte duidelijk is afgesproken dat verbalisanten de vragen in het Nederlands zullen stellen en dat verdachte, indien hij een vraag niet begrijpt, naar de tolk kijkt, waarna de tolk de vraag dan voor hem zal vertalen. Verdachte heeft verklaard hiermee in te stemmen. Uit het verhoor blijkt verder dat verdachte conform deze afspraak sommige vragen door de aanwezige tolk heeft laten vertalen. Niet valt in te zien dat daarmee in strijd met voormelde Aanwijzing is gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een vormverzuim en kunnen de verklaringen van verdachte, de geluidsfragmenten en de verklaringen van de medeverdachten – indien nodig -voor het bewijs worden gebezigd. Het verweer zal mitsdien worden verworpen.

Waarde tapgesprekken

De raadsvrouw stelt dat diverse tapgesprekken verkeerd vertaald zijn. Bovendien is gebleken dat een - na opdracht van de rechtbank daartoe - opnieuw vertaald tapgesprek door dezelfde tolk is vertaald.

Voorts zou uit het dossier niet blijken wie de stemherkenningen heeft gedaan en of de diegenen daartoe wel gekwalificeerd waren. Dit klemt te meer, nu verdachte een verkeerd tapgesprek is voorgehouden waarin hij aangeeft zichzelf niet te horen.

Ook op grond hiervan dienen de tapgesprekken van het bewijs te worden uitgesloten, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank constateert dat verdachte bij het voorhouden van tapgesprekken waaraan hij deelnam zijn eigen stem heeft herkend. Sterker nog, hij heeft in hem abusievelijk voorgehouden tapgesprekken waaraan hij niet deelnam, zèlf aangegeven dat hij die gesprekken niet heeft gevoerd. Dit is vervolgens ook door de verbalisanten in het proces-verbaal gerelateerd. Niet valt in te zien wat het al dan niet gekwalificeerd zijn van politieambtenaren daaraan kan afdoen. Ook in het geval er volgens verdachte sprake was van een andere uitleg of vertaling van een tapgesprek is dat door hem aan verbalisanten aangegeven en is dat vervolgens door hen in het proces-verbaal gerelateerd. Niet valt in te zien dat verdachte daardoor in zijn belangen is geschaad. Ook om die reden behoeven de tapgesprekken niet van het bewijs te worden uitgesloten. Voor het overige is dit verweer door de raadsvrouw niet nader geconcretiseerd zodat de rechtbank het om die reden passeert.

Verklaringen [verdachte]

De rechtbank merkt op dat zij bij de bewijswaardering rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat [verdachte] in zijn verklaringen sommige feiten en omstandigheden heeft verward of door elkaar heeft gehaald. Dit maakt echter niet dat de verklaringen van [verdachte] in zijn geheel ongeloofwaardig zijn, zoals is betoogd. Naar het oordeel van de rechtbank is het zeer wel mogelijk dat [verdachte], die bij een groot aantal transporten betrokken is geweest, niet al hetgeen hij in de telefoongesprekken over deze transporten heeft besproken nog volledig voor ogen heeft gehad. Dit doet er echter niet aan af dat de verklaringen van [verdachte] in grote lijnen consistent zijn en dat zijn verklaringen zowel in grote lijnen als ook in details worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de tapgesprekken, vluchtgegevens en bevindingen van de KMar. De rechtbank kent aan de verklaringen van [verdachte] dan ook zwaarwegende betekenis toe en acht deze overwegend geloofwaardig. Het feit dat [verdachte] bij de rechter-commissaris zijn verklaring niet heeft bevestigd, maar zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, doet hier niet aan af.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden

Ten aanzien feit 1 primair: (zaaksdossier B5)

Op 13 en 14 september 2010 hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] telefonisch contact gehad. Gesproken wordt over “morgen doen” en die “van de avond” en “’s middags”. Op woensdag 15 september om 15.25 uur heeft [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] gevraagd of “in de dier” vanavond kan gaan en of in de middag kan. [medeverdachte 2] antwoordt hierop “dat het kan gaan”. [medeverdachte 3] heeft direct daarna om 15.26 uur met [medeverdachte 1] gebeld en gezegd dat “hij die van de avond bedoelt”. De volgende dag heeft [medeverdachte 3] wederom contact gehad met [medeverdachte 2]. In het gesprek heeft [medeverdachte 2] gevraagd: “vanavond?”, waarop [medeverdachte 3] antwoordt: “Nee, morgenavond”.

Op 17 september 2010 hebben [medeverdachte 2] om 5.18 uur en [medeverdachte 5] om 5.57 uur het beveiligde gebied van Schiphol betreden. Tussen 8.43 en 8.54 uur hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] vijfmaal telefonisch contact gehad, dan wel geprobeerd telefonisch contact te maken. Diezelfde dag om 9.03 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] heeft tegen [medeverdachte 2] gezegd: “Ik zeg dat de dingens is gekomen, wat moet ik ermee doen? Moet ik het aan Frankie geven zodat je het van haar overneemt?”. [medeverdachte 2] heeft vervolgens gezegd dat hij op zijn werk is en gevraagd of hij het op zijn werk over moet nemen. Verderop in het gesprek heeft [medeverdachte 3] gezegd: “…je gaat hem/haar bij de grens tegemoet komen, dan geeft hij/zij het aan jou”. Daarop heeft [medeverdachte 2] gezegd “dat hij niet weet wanneer hij tijd heeft om naar buiten te gaan”. Tussen 10.01 en 10.04 uur hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] achtmaal telefonisch contact gehad, dan wel geprobeerd contact te maken. Hierna heeft [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] gebeld en gezegd dat hij het aan [medeverdachte 5] heeft gegeven en dat hij, [medeverdachte 2], het later op kan gaan halen. Een uur later heeft [medeverdachte 2] met [verdachte] gebeld en gezegd tegen hem dat “hij naar [medeverdachte 5] moet gaan en het “ding” moet ophalen dat zij van “[tweede bijnaam medeverdachte 3]” heeft gekregen. Met “[tweede bijnaam medeverdachte 3]” wordt [medeverdachte 3] bedoeld. [verdachte] was op dat moment nog niet aan het werk op de luchthaven. [verdachte] heeft van [medeverdachte 2] de opdracht gekregen om een briefje met daarop een code voor de verstopplaats van de verdovende middelen op te halen.

Om 11.12 uur heeft [medeverdachte 2] het beveiligde gebied van Schiphol verlaten en om 11.41 uur die dag heeft [verdachte] het beveiligde gebied van Schiphol betreden. Tussen 11.45 en 12.43 uur is er tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] en tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] wederom een aantal keren telefonisch contact geweest. [verdachte] was namelijk nog niet bij [medeverdachte 5] langs geweest om het briefje op te halen en [medeverdachte 2] had [verdachte] gebeld om hem aan te sporen dit te doen voordat [medeverdachte 5] klaar zou zijn met werken en dus de luchthaven zou verlaten. Met het briefje kon de cocaïne aan boord van het vliegtuig snel worden gevonden.

Om 13.10 uur heeft [medeverdachte 2] het beveiligde gebied van Schiphol betreden en om 13.42 heeft [medeverdachte 5] het beveiligde gebied van Schiphol verlaten.

Om 15.58 uur is de vlucht KQ116 met registratienummer 5YKQT van Kenia Airways afkomstig uit Nairobi (Kenia) op Schiphol aangekomen.

Om 16.48 uur heeft [medeverdachte 2] telefonisch contact gehad met [verdachte]. [medeverdachte 2] heeft tegen [verdachte] gezegd dat hij in het vliegtuig zit. [medeverdachte 2] zou [verdachte] een seintje geven zodra de mensen die in het vliegtuig aan het werken waren, weg gingen zodat [verdachte] het vliegtuig in kon gaan en het briefje met de verstopplek aan [medeverdachte 2] kon geven zodat hij wist waar hij moest zoeken. Twee minuten later heeft [medeverdachte 2] met [verdachte] gebeld en gezegd dat “hij naar binnen kan komen. [verdachte] moest doen alsof hij bezig was met het checken van de schoonmakers”. [verdachte] heeft vervolgens het briefje met de codes aan [medeverdachte 2] gegeven.

Om 18.06 uur heeft [verdachte] met [medeverdachte 3] gebeld. [verdachte] heeft tegen [medeverdachte 3] gezegd “ouwe dingens is mij niet gelukt”. [medeverdachte 3] heeft in het gesprek gezegd dat het zit bij “waar de voeten gezet worden”, “daar waar men gaat poepen” en “voorin”. Kort daarna heeft [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] gebeld en gezegd dat “wij dat ding niet konden doen”. Tussen 18.15 en 18.44 uur is er tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] veelvuldig contact geweest dan wel hebben ze elkaar geprobeerd te bereiken. Om 18.31 uur heeft [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] gebeld en [medeverdachte 2] heeft gezegd “dat het nu goed is”. Direct daarna heeft Anane-Gyasi met [medeverdachte 1] gebeld en hem laten weten dat hij kan komen en dat hij nieuws heeft. Om 18.45 uur heeft [verdachte] contact gehad met [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] heeft tegen [verdachte] gezegd dat “hij [medeverdachte 3] al heeft gesproken en hem heeft gezegd dat het “oké” was”. Om 20.34 uur heeft [verdachte] (middels de telefoon van [medeverdachte 2]) contact gehad met [medeverdachte 3]. [verdachte] heeft doorgegeven dat hij klaar is met zijn werk en gaat kijken waar hij de verdovende middelen heeft neergelegd. Het waren twee pakketten in één. Het was één geheel, maar bestond uit twee delen. Een kwartier later heeft [verdachte] het beveiligde gebied van Schiphol verlaten. Op het treinstation van Schiphol heeft [verdachte] de pakketten met drugs aan [medeverdachte 3] gegeven.

Een aantal weken later, op 4 oktober 2010, heeft [medeverdachte 3] naar [verdachte] gebeld en tegen hem gezegd dat “de ene gaar” is , hetgeen betekent dat de pakketten die [verdachte] op 17 september 2010 uit het vliegtuig heeft gehaald zijn verkocht. [verdachte] heeft voor zijn bijdrage in totaal 1000 euro gekregen.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in het vonnis onder “algemeen” heeft overwogen omtrent cocaïne en het medeplegen komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich samen met medeverdachten op 17 september 2010 schuldig heeft gemaakt aan de invoer van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne.

Ten aanzien van feit 2 primair: (zaaksdossier B6)

Op 4 oktober om 05.49 uur heeft [medeverdachte 3] het beveiligde gebied van Schiphol betreden.

Op 4 oktober 2010 belt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 4] en geeft aan hem een cijfer en lettercombinatie door, te weten 4R (Rotterdam) 4L (Lagos). [medeverdachte 1] zegt daarbij dat de R en de L nieuwe plaatsen zijn. Een notitie met daarop de tekst KQT, KQU en KQZ (zijnde vliegtuigregistratienummers van vluchten uit Kenia) en 4R4L is aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1]. Twee minuten later belt [medeverdachte 1] wederom naar [medeverdachte 4] en geeft hem door “het zijn drie kinderen die naar school gaan” en “daarom gaan ze naar school op twee plaatsen”. Om 8.57 uur die dag belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 4]. Nadat [medeverdachte 3] “aha” heeft gezegd, zegt [medeverdachte 4] direct “ja. Hij heeft het ding aan mij gegeven”. [medeverdachte 3] vraagt daarop “of hij de kerel heeft gebeld?” [medeverdachte 4] zegt daarop dat hij “op zoek is naar het nummer van die kerel”. [medeverdachte 3] zegt dat “de laatste nummers 705 zijn”. Één van de telefoonnummers van [verdachte] eindigt op deze nummers. Om 9.07 uur belt [medeverdachte 4] met [verdachte] en vraagt “of [verdachte] hier langs kan komen”. [verdachte] zegt daarop dat “hij hem belt en dan de informatie krijgt”. Om 9.31 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 4] en vraagt “of hij het “ene” aan hem door wil geven”. [medeverdachte 4] geeft daarop de eerder op de dag van [medeverdachte 1] doorgekregen cijfer/lettercombinatie door als: 4 Rita 4 Lagos. Vervolgens zegt [medeverdachte 4] dat “het om drie schoolkinderen gaat”.

De cijfer/lettercombinatie 4R4L is een codering voor de verstopplaats van verdovende middelen onder de toiletten aan boord van het vliegtuig, afkomstig uit Kenia, dat die dag op Schiphol zal landen. Boven de deuren van de toiletten van een Boeing 777-200 met als registratienummer 5YKQU was de code 4A-R en 4A-L aangebracht.

Om 10.13 uur belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 4] en vraagt of hij NN te pakken heeft gekregen en of hij “het” aan NN heeft doorgegeven waarop [medeverdachte 4] bevestigend antwoordt. Om 11.27 uur heeft [verdachte] het beveiligde gedeelte van de luchthaven Schiphol betreden.

Om 16.00 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 3] en zegt tegen hem “dat [medeverdachte 4] de code aan hem heeft doorgegeven”. [verdachte] zegt vervolgens “maar de manier waarop de kinderen binnen zitten” en “die dingens mensen zitten erin”. [verdachte] antwoordt bevestigend op de vraag of het “groene mensen” zijn.

Voornoemd vliegtuig uit Nairobi (Kenia) is die middag omstreeks 16.00 uur gecontroleerd door Douanemedewerkers. Doordat er zoveel mensen aan boord van het vliegtuig zijn, kon [verdachte] de verdovende middelen niet van boord van het vliegtuig halen, hetgeen hij heeft doorgegeven aan [medeverdachte 3]. [verdachte] zegt dat als het moeilijk wordt, hij het op een andere dag doet. [medeverdachte 3] belt om 17.11 uur naar [medeverdachte 1] en informeert [medeverdachte 1] over “hij zegt dat de Schiphol leraren”, “als hij het doet en gaat niet goed, gaat hij het laten gaan” en “hij zegt dat hij niet kan, want de leraren zijn ongeveer 15”.

Om 18.04 uur belt [medeverdachte 3] naar [verdachte]. [verdachte] geeft aan [medeverdachte 3] door dat “hij de drie pakketten met verdovende middelen heeft gevonden”. De pakketten bestonden ieder uit één groot en één kleiner pakket. [verdachte] heeft de pakketten uit het vliegtuig gehaald. De pakketten waren verstopt bij de achterkant van de toiletpotten.

Om 20.13 uur heeft [verdachte] het beveiligde gebied van Schiphol via hek 60 verlaten. Om 20.16 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en vraagt of alles goed is gegaan. [medeverdachte 3] antwoordt dat hij “hem” gaat bellen. Om 20.28 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 3] en zegt dat hij eraan komt.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in het vonnis onder “algemeen” heeft overwogen omtrent cocaïne en medeplegen komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich samen met [medeverdachte 2], [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] op 4 oktober 2010 schuldig heeft gemaakt aan de invoer van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne.

Ten aanzien van feit 3: (zaaksdossier B18)

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 10 november 2010 wordt een laptoptas aangetroffen. Deze hangt op dat moment buiten de woning, op het balkon van de tweede etage aan de kant van de buren maar met de schouderband aan de kant van de woning van verdachte. De laptoptas met inhoud is in beslag genomen. In voornoemde tas is een geldbedrag van € 11.800 in coupures van €20, €50 en €100 aangetroffen.

Verdachte is van 2 juni 2010 tot 6 februari 2010 opgenomen geweest in de schuldhulpverlening. In die periode heeft hij € 3.451 ontvangen voor overige uitgaven.

Acht biljetten aangetroffen bij verdachte zijn in de periode 29 april 2010 tot 15 september 2010 bij De Nederlandse Bank gesorteerd.

Verdachte heeft verklaard dat hij ongeveer € 1700,- per maand verdient, dat hij een hypotheek voor de woning heeft en € 1400 vaste lasten. Verder heeft hij € 13.000,- schulden en zit hij in de schuldsanering.

Voorts heeft hij verklaard dat hij, nadat er was aangebeld naar boven, naar de zolder is gerend en dat het geld in de tas van een man is voor wie hij een auto zou kopen. Iemand had dat geld vanuit Ghana meegenomen van een persoon genaamd Aryee. Hij kon het geld niet op zijn rekening zetten. Hij weet niet hoe die tas aan de railing van het balkon is komen te hangen. Hij heeft verklaard dat die tas een goede plek is om geld in te verstoppen. Tot slot heeft hij verklaard dat hij denkt in totaal ongeveer 5000 euro te hebben verdiend met naar buiten brengen van pakketten.

Bewijsoverweging

De verklaring van verdachte dat hij het geld had gekregen van een Ghanese man genaamd Aryee voor de aanschaf van een auto acht de rechtbank ongeloofwaardig nu hij van deze man geen verdere gegevens kan verschaffen. Daarbij komt dat de aangetroffen biljetten al eerder in de sorteermachine van De Nederlandse Bank zijn gesorteerd in de periode 29 april 2010 tot 15 september 2010. Dat de omloopsnelheid van euro’s van Ghana naar Nederland zodanig is dat het geld al eerder in Nederland is geweest, zoals de verdediging heeft aangevoerd, acht de rechtbank niet aannemelijk temeer daar sommige biljetten in voornoemde periode tweemaal zijn gesorteerd.

Voorts heeft verdachte geen verklaring kunnen geven waarom de laptoptas buiten aan het balkon hing. Aangenomen moet worden dat de tas verborgen moest blijven voor verbalisanten. Aangezien verdachte in de schuldsanering zat, kan ook overigens niet worden vastgesteld dat het geld een legale afkomst had. Daar staat tegenover dat verdachte zich heeft bezig gehouden met een aanzienlijk aantal drugstransporten of voorbereidingshandelingen daartoe. Hij heeft verklaard dat hij daarmee ongeveer 5000 euro heeft verdiend. Naar het oordeel van de rechtbank moet dan ook worden aangenomen dat het geld van misdrijf afkomstig is en dat verdachte daarvan wetenschap had.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het feit tezamen en in vereniging heeft gepleegd. De echtgenote van verdachte heeft verklaard dat zij niet wist dat er geld in de tas zat maar dat zij meende dat haar papieren in de tas zaten. Nu zij illegaal in Nederland verbleef, kan niet uitgesloten worden dat zij deze papieren verborgen wilde houden. Een bewuste en nauwe samenwerking kan daarom niet bewezen worden.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen met uitzondering van het medeplegen. Daarvan zal verdachte partieel worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4: (parketnummer 15/810111-11 en zaaksdossier B3)

De criminele drugsorganisatie

Voor het aannemen van het bestaan van een criminele organisatie dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband, met een zekere structuur en duurzaamheid tussen twee of meer verdachten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van één grote criminele organisatie die het oogmerk had cocaïne uit Suriname, Kenia en Ghana in te voeren en waarbij alle verdachten die in het onderzoek Elbrus betrokken zijn deel van uitmaken. De rechtbank deelt dit oordeel niet. Er zijn geen feiten of omstandigheden bekend geworden waaruit op enigerlei wijze blijkt dat de verschillende activiteiten met betrekking tot Ghana, Suriname en Kenia door de verdachten onderling op elkaar waren afgestemd. Evenmin is gebleken van enig gemeenschappelijk doel gericht op de invoer van verdovende middelen uit Kenia, Ghana en Suriname noch van enige afspraak of betrokkenheid tussen de verdachten om dit doel te bereiken. Op dit punt dienen de verdachte en zijn medeverdachten dan ook te worden vrijgesproken.

De vraag die thans aan de orde komt is of sprake is geweest van een of meer kleinere samenwerkingsverbanden. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Suriname - Nederland

Naar het oordeel van de rechtbank is tussen de verdachten [medeverdachte 8], [medeverdachte 6], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] sprake van een samenwerkingsverband dat gestructureerd en duurzaam van aard was.

[medeverdachte 8] had een organiserende rol binnen dit verband. Hij regelde dat de cocaïne in Suriname op het vliegtuig naar Nederland werd gezet. De relevante vluchtinformatie gaf hij vervolgens (in versluierde taal) door aan zijn vriendin [medeverdachte 6] en/of aan haar buurman [medeverdachte 3]. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] hadden vervolgens ook veelvuldig onderling contact. Zij waren de vaste tussenpersonen binnen de organisatie. [medeverdachte 3], werkzaam bij Asito op Schiphol, stuurde vervolgens zijn collega’s [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] aan. Zij moesten er, naar de rechtbank begrijpt, al dan niet door middel van het doorgeven van boodschappen voor zorgen dat de cocaïne van het vliegtuig gehaald werd. Zij deden dit tijdens hun werkzaamheden als schoonmakers van Asito. [medeverdachte 6] ontving van [medeverdachte 8] grote sommen geld. Een gedeelte van dit geld was voor haar werkzaamheden als tussenpersoon. Een ander deel betaalde zij, op verzoek van [medeverdachte 8], uit aan [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] zorgde er, naar de rechtbank aanneemt, op zijn beurt voor dat de Asito medewerkers betaald werden voor hun werkzaamheden. De omstandigheid dat voornoemde verdachten elkaar mogelijk niet allemaal kenden en dat zij niet allen (frequent) met elkaar contact onderhielden staat niet aan het aannemen van deze criminele organisatie in de weg. Ieder van de voornoemde verdachten had een eigen rol in het geheel en hield, via één of meerdere medeverdachte(n), het samenwerkingsverband op de hoogte van zijn handelen.

Er is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake van een zekere duurzaamheid. Uit hetgeen hierboven is weergegeven volgt immers dat verdachten zich gedurende de periode van 21 september tot en met 22 oktober 2010 in vereniging hebben beziggehouden met de invoer van cocaïne uit Suriname naar Nederland. Het aldus duurzame en gestructureerde samenwerkingsverband van verdachte en zijn medeverdachten had als oogmerk het invoeren van cocaïne uit Suriname. Dit volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang beschouwd.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 8], [medeverdachte 6], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] hebben deelgenomen aan voornoemde criminele organisatie.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] bij deze criminele organisatie betrokken waren. Zij hebben immers geen enkele rol gespeeld binnen deze organisatie en waren op geen enkele wijze betrokken bij de door deze organisatie ingevoerde cocaïne. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] waren gedurende de periode van 12 april 2010 tot en met 16 oktober 2010 bezig met het opzetten van een eigen lijn uit Suriname. Deze voorbereidingshandelingen hebben er in geresulteerd dat [medeverdachte 9] op 14 oktober 2010 aan [medeverdachte 1] een sms bericht heeft verzonden met daarin de volgende tekst: “registraci nummer is ph kca rechts van bisnies klas stoel nummer 2”. Naar aanleiding van deze sms heeft [medeverdachte 1] op 15 en 16 oktober 2010 contact onderhouden met [medeverdachte 3], die op zijn beurt op deze dagen contact heeft gehad met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2].

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat tussen [medeverdachte 9], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] sprake is geweest van een – andere – criminele organisatie in de zin van artikel 11a van de Opiumwet met als oogmerk het invoeren van cocaïne uit Suriname. Er is immers geen sprake geweest van enige duurzaamheid, nu de contacten tussen het merendeel van deze personen zich slechts hebben uitgestrekt over een periode van twee dagen. Evenmin kan, aldus de rechtbank, gesproken worden van een criminele organisatie tussen [medeverdachte 9] en [medeverdachte 1]. Tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] is wel sprake geweest van enige duurzaamheid maar (nog) niet van enige structuur in de samenwerking.

Ghana - Nederland

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat de verdachten die betrokken zijn bij de transporten uit Ghana een criminele organisatie hebben gevormd in de zin van artikel 11a van de Opiumwet. Weliswaar hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] meerdere keren telefonisch contact met elkaar onderhouden over het invoeren van cocaïne uit Ghana naar Nederland, maar dit is onvoldoende voor het bewijs dat sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachten. Immers heeft de rechtbank geen zicht gekregen op een eventuele taakverdeling, de wijze van samenwerken, de mogelijke onderlinge afspraken of de eventuele hiërarchie van de verschillende verdachten.

Kenia – Nederland

Naar het oordeel van de rechtbank is er tussen de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 2] en [verdachte] wel sprake van een samenwerkingsverband dat gestructureerd en duurzaam van aard was.

[medeverdachte 1] had een organiserende rol binnen dit verband. Hij was de persoon die wist wanneer er een vlucht uit Kenia met cocaïne aan boord verstopt op Schiphol aankwam . De relevante vluchtinformatie en de precieze verstopplaats gaf hij vervolgens (in versluierde taal) door aan [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] gaf deze informatie door aan [medeverdachte 2] of [verdachte]. Voor het doorgeven en ontvangen van informatie fungeerde [medeverdachte 5] soms als tussenpersoon voor [medeverdachte 3]. [medeverdachte 2] en [verdachte] moesten er vervolgens voor zorgen dat de cocaïne van het vliegtuig werd gehaald en van het vliegveld werd vervoerd. Meestal gebeurde dit tijdens hun werkzaamheden als schoonmakers bij Asito en via hek 60 op Schiphol. [verdachte] heeft voor zijn hulp geld ontvangen. Hij kreeg dit geld van [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3]. [medeverdachte 4], de huisgenoot van [medeverdachte 3], vervulde binnen de organisatie een ondergeschikte, maar niet onbelangrijke rol. Hij ontving en gaf relevante informatie door op de momenten dat [medeverdachte 3] niet beschikbaar was. De mogelijkheid dat niet alle verdachten elkaar kenden en dat zij niet allen (frequent) met elkaar contact onderhielden, staat niet aan het aannemen van een criminele organisatie in de weg. Ieder van de voornoemde verdachten had een eigen rol en hield, via één of meerdere medeverdachte(n), het samenwerkingsverband op de hoogte van zijn handelen.

Er is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake van een zeker duurzaamheid. Uit hetgeen hierboven is weergegeven volgt immers dat verdachten zich gedurende de periode van 17 september 2010 tot en met 4 oktober 2010 in vereniging hebben beziggehouden met de invoer van cocaïne uit Kenia naar Nederland. Het aldus duurzame en gestructureerde samenwerkingsverband van verdachte en zijn medeverdachten had als oogmerk het invoeren van cocaïne uit Kenia. Dit volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang beschouwd.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan deze criminele organisatie in de periode van 17 september 2010 tot en met 4 oktober 2010. Voor zover de ten laste gelegde periode ruimer is, zal verdachte daarvan partieel worden vrijgesproken omdat niet vastgesteld kan worden dat buiten genoemde periode verdachten ook reeds een samenwerkingsverband vormden..

Uit de zendmasten die zijn aangestraald toen de verdachten de telefoongesprekken met elkaar voerden, de schipholpasgegevens dan wel uit de inhoud van de telefoongesprekken zelf, leidt de rechtbank af dat het feit heeft plaatsgevonden te Amsterdam en Schiphol, gemeente Haarlemmermeer.

Ten aanzien van feit 5 primair: (zaaksdossier B8)

Op 16 oktober 2010 is [medeverdachte 2] om 21.58 uur door [medeverdachte 7] gebeld. [medeverdachte 7] heeft in dit gesprek doorgegeven dat het morgen voor overmorgen wordt. Op 17 oktober 2010 is [medeverdachte 2] opnieuw gebeld door [medeverdachte 7]. In dit gesprek heeft [medeverdachte 7] tegen [medeverdachte 2] de volgende boodschap doorgegeven: “Fausti 1” en “Fausti links, de linkerkant”.

Op 18 oktober 2010 heeft [medeverdachte 2] om 5.41 uur het beveiligd gebied van Schiphol betreden.

Op 18 oktober 2010 is om 5.54 uur het vliegtuig van de KLM uit Accra (Ghana) met registratienummer PH-BQF bij de gate E17 op Schiphol aangekomen. De laatste letter van het registratienummer komt overeen met de eerste letter van “Fausti”, het woord dat door [medeverdachte 7] op 17 oktober 2010, zijnde de dag van vertrek van voornoemd vliegtuig uit Ghana, aan [medeverdachte 2] is doorgegeven.

Op 18 oktober 2010 heeft de KMar naar aanleiding van de inhoud van bovenstaande telefoongesprekken in de vroege ochtend een doorzoeking verricht in voornoemd vliegtuig. Tijdens deze doorzoeking zijn geen verdovende middelen aangetroffen.

Op 18 oktober 2010 heeft [medeverdachte 2] om 6.16 uur gebeld naar [medeverdachte 7]. In dit gesprek heeft [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 7] gezegd dat de mensen daarbinnen zijn, dat ze het ding dicht hebben gemaakt en dat niemand naar binnen mag. Even later in het gesprek heeft [medeverdachte 2] het over “de stoel van de grote mensen”. Om 7.22 uur heeft [medeverdachte 2] opnieuw naar [medeverdachte 7] gebeld en hem gevraagd of er iemand anders is die rond het ding speelt en hem gezegd dat de “Agric” hier zijn. Volgens de tolk Twi kan “Agric” douane, politie of landbouwinspecteurs betekenen. Op 18 oktober 2010 heeft [medeverdachte 2] om 10.20 uur wederom naar [medeverdachte 7] gebeld. In dit gesprek heeft [medeverdachte 2] enkel oké, oké gezegd en heeft [medeverdachte 7] met bye geantwoord. Op 18 oktober 2010 heeft [verdachte] om 11.27 uur het beveiligd gebied van Schiphol betreden.

Om 21.17 uur is [verdachte] via hek 60 het beveiligde gebied van Schiphol afgegaan.

Op 18 oktober 2010 is [medeverdachte 2] om 21.19 uur door [verdachte] gebeld. In dit gesprek heeft [verdachte] tegen [medeverdachte 2] gezegd dat hij daar langs is geweest, maar dat er niets was. [medeverdachte 2] heeft hierop geantwoord met: “oké wij gaan naar buiten met een machine”.

Op 18 oktober 2010 is [medeverdachte 2] om 21.21 uur via hek 60 het beveiligde gebied van Schiphol afgegaan.

Op 18 oktober 2010 heeft [medeverdachte 2] om 21.41 uur naar [medeverdachte 7] gebeld. In dit gesprek heeft [medeverdachte 2] gezegd: “10 minuten”. In een gesprek dat nog geen seconde later heeft plaatsgevonden heeft [medeverdachte 7] tegen [medeverdachte 2] gezegd dat “als het mogelijk is hij naar zijn plaats zal bellen en [medeverdachte 2] dan de pepe gaat ophalen”. Volgens de tolk Twi kan “pepe” geld betekenen.

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 2] pakketten met drugs van vliegtuigen op Schiphol haalde en dat hij hem soms hielp met het naar buiten brengen van die pakketten, waarmee hij bedoelt dat hij soms [medeverdachte 2] met de pakketten moest ophalen bij de F-pier en naar hek 60 moest brengen. Bij hek 60 ging [medeverdachte 2] van airside naar landside. Verdachte heeft verder verklaard dat hij enkel in de middag werkte, dat de pakketten aankwamen op een vlucht in de ochtend, dat ze dan tijdelijk bij de toiletten bij de F-pier werden neergelegd en dat hij aan het einde van zijn dienst de pakketten van [medeverdachte 2] kreeg, zodat hij ze mee naar buiten kon nemen. Het kwam ook voor dat hij [medeverdachte 2] naar hek 60 bracht en dat [medeverdachte 2] met de tas met pakketten naar buiten ging. [verdachte] heeft voor zijn hulp aan [medeverdachte 2] geld gekregen. In totaal heeft hij € 5.000,- ontvangen.

Bewijsoverweging

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in het vonnis onder “Algemeen” en “Lijn Ghana - Nederland” heeft overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich samen met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] op 18 oktober 2010 schuldig heeft gemaakt aan de invoer van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne uit Ghana. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de telefoongesprekken tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] en de verklaring van verdachte worden afgeleid dat sprake is geweest van een gelukt transport. Dit oordeel vindt steun in de telefoongesprekken die verdachte en [medeverdachte 2] op 18 oktober 2010 hebben gevoerd, alsmede in de Schipholpasgegevens van verdachte en [medeverdachte 2]. Klaarblijkelijk heeft verdachte op 18 oktober 2010 om 21.17 uur gekeken of er bij hek 60 een controle plaatsvond. Nadat hij meteen daarop aan [medeverdachte 2] had doorgegeven dat dat niet het geval was, heeft [medeverdachte 2] nog geen twee minuten later via datzelfde hek de airside verlaten. Nu de vraag of er bij hek 60 wel of niet gecontroleerd wordt alleen van belang is op het moment dat er contrabande vervoerd wordt, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat [medeverdachte 2] op dat moment in het bezit was van het pakket, waarover hij en [medeverdachte 7] in versluierd taalgebruik gesproken hadden en dat hij klaarblijkelijk die ochtend van de vlucht van Ghana gehaald had. Deze conclusie vindt steun in de hierboven weergegeven verklaring van verdachte. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel dienen te leiden, zijn gebleken noch aannemelijk geworden.

Ten aanzien van feit 6 primair: (zaaksdossier B10)

Op 17 september 2010 om 22.04 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3]. [medeverdachte 1] vraagt “zullen we gaan of niet? [medeverdachte 3] zegt “dat het maandag wordt”. De eerst volgende maandag is 20 september 2010. Op 19 september 2010 om 15.22 uur belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 1] en vraagt “of zij ’s middags kunnen gaan”, hetgeen [medeverdachte 1] bevestigt.

Op maandag 20 september 2010 om 7.23 uur heeft [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] gebeld en heeft [medeverdachte 3] gevraagd “heb je niets gehoord?” waarop [medeverdachte 1] heeft geantwoord “dat hij gaat bellen en [medeverdachte 3] dan terug belt”. Om 7.25 uur heeft [medeverdachte 1] [medeverdachte 3] opgebeld en gezegd dat “hij heeft gezegd dat ik moet wachten”.

Tussen 8.20 en 11.05 uur hebben [verdachte] en [medeverdachte 3] een aantal malen telefonisch contact gehad. Om 11.08 heeft [medeverdachte 3] met [medeverdachte 1] gebeld en gevraagd “of ze op twee verschillende plaatsen zijn”. [medeverdachte 1] heeft geantwoord dat “ze allemaal op één plek zijn”.

Om 11.46 uur heeft [verdachte] het beveiligde gebied van Schiphol betreden. Om 15.55 is het toestel met registratienummer 5YKQU afkomstig uit Nairobi (Kenia) gearriveerd op Schiphol.

Om 17.00 uur heeft [verdachte] gebeld met [medeverdachte 3] en gezegd dat “hij de kinderen is gaan kijken en de plaats waar zij zijn. Waar de grote mensen zitten”. [verdachte] heeft toen gekeken naar de pakketten met drugs, maar het was voor hem “moeilijk” omdat de drugs voorin zaten en daar de stewardessen soms gelijk weer aan boord komen. Direct na dit gesprek, om 17.03 uur heeft [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] gebeld en hem gezegd dat “het daar moeilijk is geworden”. Om 17.43 uur heeft [verdachte] met [medeverdachte 3] gebeld en hem gezegd dat “de kinderen zijn gekomen en dat het er twee zijn”. [verdachte] heeft één pakket, bestaande uit twee delen, met drugs aan boord van het vliegtuig gevonden en meegenomen. Wederom direct daarna heeft [medeverdachte 3] met [medeverdachte 1] gebeld en doorgegeven dat alles goed is.

Om 20.12 uur heeft [verdachte] het beveiligde gebied van Schiphol verlaten en is hij op weg om [medeverdachte 3] te ontmoeten en hem de drugs te overhandigen.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in het vonnis onder “algemeen” heeft overwogen omtrent cocaïne en medeplegen komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich op 20 september 2010 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de invoer van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne.

Ten aanzien van feit 7 primair: (zaaksdossier B14)

Op 20 september 2010 om 23.46 uur heeft [medeverdachte 3] gebeld met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft gezegd dat als hij moet gaan werken, het overmorgen wordt, waarop [medeverdachte 3] heeft gezegd dat dat geen probleem is.

Op 21 september 2010 te 18.38 uur heeft [medeverdachte 2] naar [verdachte] gebeld. [medeverdachte 2] heeft tegen [verdachte] gezegd “dat hij die van hem morgen doet”. [verdachte] heeft daarop gezegd dat hij daar morgen ook is. Hiermee wordt bedoeld dat op 22 september 2010 voor [medeverdachte 2] een pakket komt om uit het vliegtuig te halen.

[medeverdachte 2] heeft op 22 september om 5.16 uur het beveiligde gebied van Schiphol betreden. [verdachte] heeft die dag om 11.46 uur het beveiligde gebied van Schiphol betreden.

Op 22 september 2010 om 12.45 uur heeft [medeverdachte 3] gebeld met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 3] heeft tegen [medeverdachte 1] gezegd “als jullie brieven gaan sturen, moet je het niet in die brievenbus zetten” en “als je de brief stuurt, stuur je het op de verkeerde manier. Als je dat doet, dan krijg je probleem met de persoon”. [medeverdachte 1] heeft hierop geantwoord “het is daar dat zij verkeerd deden. Maar het gaat niet meer gebeuren”.

Om 15.23 uur is een vliegtuig met registratienummer 5YKQT afkomstig uit Kenia geland op Schiphol.

Twee uur nadat het vliegtuig is geland, heeft [verdachte] gebeld met [medeverdachte 2]. [verdachte] heeft gezegd dat hij “daar” is geweest, dat het gelukt is en dat hij naar de basis gaat”. [verdachte] heeft één pakket van boord van het vliegtuig gehaald en is onderaan het vliegtuig door [medeverdachte 2] met een busje opgehaald. [verdachte] heeft het pakket aan [medeverdachte 2] gegeven. Om 19.31 uur heeft [verdachte] aan [medeverdachte 3] doorgegeven dat alles goed is gegaan en dat hij het pakket aan [medeverdachte 2] heeft gegeven. Om 19.48 uur heeft [verdachte] telefonisch contact met [medeverdachte 2]. [verdachte] heeft gezegd dat hij klaar is met werken. [medeverdachte 2] is dan bij Fox 2 en [verdachte] is daar heen gegaan. [medeverdachte 2] heeft [verdachte] daar opgehaald en toen zijn zij naar hek 60 gereden. Daar hebben zij samen de drugs naar buiten gebracht. [verdachte] heeft om 20.03 uur via hek 60 het beveiligde gebied van Schiphol verlaten. Om 20.23 heeft [medeverdachte 3] gebeld met [verdachte] en hebben zij afgesproken elkaar te ontmoeten. Kort na dit gesprek heeft [medeverdachte 2] met [verdachte] gebeld en heeft [medeverdachte 2] geïnformeerd of bij [verdachte] alles goed gaat. Tijdens de ontmoeting met [medeverdachte 3] heeft [verdachte] het pakket met drugs aan [medeverdachte 3] gegeven.

Op 23 september 2010 in de avond heeft [verdachte] wederom een ontmoeting met [medeverdachte 3]. Tijdens deze ontmoeting heeft [verdachte] 800 euro van [medeverdachte 3] gekregen voor zijn bijdrage om het pakket op 22 september 2010 van het beveiligde gebied van Schiphol af te krijgen.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in het vonnis onder “algemeen” heeft overwogen omtrent cocaïne en medeplegen komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich samen met [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] op 22 september 2010 schuldig heeft gemaakt aan de invoer van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne binnen Nederland.

Ten aanzien van feit 8: (zaaksdossier B15)

Op 23 september om 2010 heeft [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] gebeld. [medeverdachte 3] heeft gevraagd of er “spelen” is. “Nee, antwoordt [medeverdachte 1]”. Op 24 september 2010 te 19.51 uur is er een gesprek geweest tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft daarin gezegd dat hij misschien overmorgen kan “lopen”. Op zaterdag 25 september 2010 heeft [medeverdachte 1] in een telefoongesprek met [medeverdachte 3] laten weten “wij gaan morgen weg”. [medeverdachte 3] heeft hierop geantwoord dat “dat geen probleem is”.

Op 27 september 2010 om 5.51 uur heeft [medeverdachte 3] het beveiligde gebied van Schiphol betreden. Om 6.20 uur heeft [medeverdachte 2] het beveiligde gebied van Schiphol betreden.

Op 27 september 2010 om 9.21 uur heeft [verdachte] naar [medeverdachte 4] gebeld. [medeverdachte 4] heeft aan [verdachte] gevraagd “of hij naar beneden kan komen om het “ding” op te halen”. [verdachte] heeft daarop gezegd dat “hij zo naar beneden komt”. Om 9.48 uur heeft [verdachte] naar de telefoon van [medeverdachte 3] gebeld. De telefoon werd opgenomen door [medeverdachte 4]. [verdachte] heeft gezegd “over dat ding. Je kan me over de drie nummers in de eerste plaats zijn vertellen. Je hoeft niet te noemen”. De drie nummers zijn de nummers van het vliegtuig afkomstig uit Kenia en zijn altijd KQT of KQU. [verdachte] heeft met [medeverdachte 3] afgesproken dat de drie nummers niet hoeven te worden genoemd. [medeverdachte 4] heeft geantwoord “ahaa, oké, oké, oké, goed. Hij zegt dat het voorin is” en “voorin op dezelfde plaats. Het is voorin”. [verdachte] heeft daarop geantwoord “oh, ik heb vaker tegen hen gezegd dat ze niet naar niet moeten gaan. Oké, ik ga mijn best doen”. [medeverdachte 4] heeft daarop geantwoord “aha, oké”. [verdachte] heeft verder in dit gesprek gezegd “zeg tegen hem als hij thuis is. Ik heb per se tegen hen gezegd. Als ik daar ben en kan niet doen, is dat niet mijn schuld”. [verdachte] vindt voorin een slechte plek om de drugs te verstoppen.

Om 11.03 uur heeft [medeverdachte 3] naar [verdachte] gebeld. [verdachte] heeft aan [medeverdachte 3] laten weten dat de vent hem heeft gebeld en dat die vent heeft gezegd dat het voorin is. [verdachte] heeft gezegd dat “het daar moeilijk is”. [medeverdachte 3] heeft [verdachte] laten weten “dat hij het echt aan hen heeft verteld”. Hij zegt “probeer het maar te doen”.

Op 27 september 2010 om 11.35 uur betreedt [verdachte] het beveiligde gedeelte van Schiphol.

Op 27 september 2010 om 15.17 uur is een vliegtuig afkomstig uit Kenia op Schiphol geland. Dit vliegtuig had registratienummer 5YKQT.

Op 27 november 2010 om 13.52 uur heeft [medeverdachte 2] het beveiligde gebied van Schiphol verlaten.

Op 27 september 2010 om 16.38 uur heeft [medeverdachte 3] met [medeverdachte 1] gebeld. [medeverdachte 3] heeft gezegd “waarom willen jullie niet altijd doen wat we afspreken”.

Vrijspraak primair

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte hiervan vrij. Weliswaar zijn er op basis van de telefoongesprekken sterke aanwijzingen dat [medeverdachte 1] verdovende middelen in het vliegtuig heeft laten plaatsen en dat deze door [medeverdachte 2] en/of verdachte van het vliegtuig moesten worden gehaald, maar uit de gesprekken kan niet worden afgeleid dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd en dat deze gesprekken zien op een op die dag aangekomen vliegtuig uit Kenia. De verklaring van verdachte biedt daarover geen duidelijkheid. Hij heeft niet verklaard dat hij de pakketten zelf van het vliegtuig uit Kenia heeft gehaald, terwijl het zeer onwaarschijnlijk is dat [medeverdachte 2] dat heeft kunnen doen. Immers, het vliegtuig uit Kenia landde die dag om 15.17 uur op Schiphol, terwijl [medeverdachte 2] blijkens zijn schipholpasgegevens 16 minuten later al het beveiligde gebied van Schiphol heeft verlaten. Nu niet kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een geslaagd transport, is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Subsidiair

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in het vonnis onder “algemeen” en onder “lijn Kenia-Nederland” heeft overwogen wel bewezen dat verdachte zich tezamen met anderen in de periode van 23 tot en met 27 september 2010 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

Uit de zendmasten die zijn aangestraald toen de verdachten de telefoongesprekken met elkaar voerden, leidt de rechtbank af dat het feit heeft plaatsgevonden te Amsterdam en Schiphol, gemeente Haarlemmermeer.

Ten aanzien van feit 9 primair: (zaaksdossier B16)

Op 22 september 2010 heeft [medeverdachte 2] om 19.04 uur naar [medeverdachte 7] gebeld. [medeverdachte 2] heeft in dit gesprek gevraagd of “het ding vandaag voor morgen gaat gebeuren” en [medeverdachte 7] heeft dat bevestigd. Op 22 september 2010 is [medeverdachte 2] om 22.02 uur gebeld door [medeverdachte 7]. In dit gesprek heeft [medeverdachte 7] tegen [medeverdachte 2] de volgende boodschap doorgegeven: “De zoon van Kojo is 4 maanden oud”.

Op 23 september 2010 heeft [medeverdachte 2] om 5.26 uur het beveiligd gebied van Schiphol betreden. Hij heeft die dag niet bij Asito gewerkt.

Op 23 september 2010 is rond 5.59 uur het vliegtuig van de KLM uit Accra (Ghana) met registratienummer PH-BQK op Schiphol aangekomen. De laatste letter van het registratienummer komt overeen met de eerste letter van “Kojo”, het woord dat door [medeverdachte 7] op 22 september 2010, zijnde de dag van vertrek van voornoemd vliegtuig uit Ghana, aan [medeverdachte 2] is doorgegeven.

Op 23 september 2010 heeft de KMar naar aanleiding van de inhoud van bovenstaande telefoongesprekken een doorzoeking verricht in voornoemd vliegtuig. Tijdens de doorzoeking werd door een van de verbalisanten om 6.19 uur aan [medeverdachte 2] de toegang tot het vliegtuig ontzegd. Er zijn geen verdovende middelen in het vliegtuig aangetroffen.

Om 6.48 uur heeft [medeverdachte 2] het beveiligde gebied van Schiphol verlaten.

Op 23 september 2010 heeft [medeverdachte 2] om 7.25 uur gebeld naar [medeverdachte 7]. In dit gesprek heeft [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 7] gezegd dat hij die ochtend naar de dinges is gegaan, dat er veel Agric en veel blauw waren bij de rijke mensen en dat ze de stoelen doorzochten, dat ze hem vroegen wat hij kwam doen en dat niemand naar binnen mocht. Verder heeft hij gezegd dat ze “de dingens naar downtown sturen en dat hij niet gelooft dat het om die van hen gaat”.

Op 23 september 2010 (een donderdag) is [medeverdachte 2] om 11.54 uur door [verdachte] gebeld. In dit gesprek heeft [medeverdachte 2] tegen [verdachte] gezegd dat “hij vanmorgen is gekomen, dat hij in de dingens is geweest, dat hij het niet kon doen, dat er bijna 20 mensen waren, daar waar de grote mensen zitten en dat ze de stoelen hadden weggehaald”.

Voornoemd toestel van de KLM met registratienummer PH-BQK is op zaterdag 25 september 2010 om 14.48 uur op Schiphol aangekomen uit Osaka Kansai en op zondag 26 september 2010 om 10.11 uur vertrokken naar Sao Paulo. Op maandag 27 september 2010 is het vliegtuig om 12.02 uur uit Sao Paulo aangekomen op Schiphol en om 14.36 vertrokken naar New York.

Op 26 september 2010 heeft er om 23.33 uur een gesprek plaatsgevonden tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2]. In dit gesprek heeft [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 7] gezegd dat hij morgen de dingens gaat checken. [medeverdachte 7] heeft daarop gereageerd met de opmerking dat als [medeverdachte 2] deze heeft gecheckt en daarmee klaar is er verder wordt gegaan. Even later in het gesprek heeft [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 7] gevraagd of de kerel nog niets gehoord heeft waarop [medeverdachte 7] geantwoord heeft: “Nee, nee, nee. Zelfs aan de Kumasi kant heeft hij de Ga’s gevraagd of er iets is gekomen in het paleis van de Ashanti koning? Niets, oké.”

Op 27 september 2010 is [medeverdachte 2] om 6.20 uur het beveiligde gebied van Schiphol opgegaan.

Op 27 september 2010 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [medeverdachte 2] en [verdachte]. In dit gesprek heeft [verdachte] aan [medeverdachte 2] medegedeeld dat hij net op zijn werk is aangekomen. [medeverdachte 2] heeft gezegd dat hij ook nog op het werk is.

[verdachte] is om 11.35 uur het beveiligde gebied van Schiphol opgegaan.

Om 12.49 uur op deze dag is [medeverdachte 2] gebeld door [medeverdachte 7]. Op de vraag van [medeverdachte 2] of ze het voor morgen doen heeft [medeverdachte 7] gereageerd met de opmerking dat ze eerst over deze willen weten en dat er dus eerst moet worden gewacht tot de dingens goed gaan. Om 13.30 uur heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] waarin door [medeverdachte 2] enkel “oké, oké” en “bye” gezegd is en [medeverdachte 7] met “oké” heeft geantwoord.

Om 13.41 uur heeft er een gesprek tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] plaatsgevonden waarin [medeverdachte 2] tegen [verdachte] heeft gezegd dat “ze vanavond rond 6 uur iets kleins gaan doen”. [verdachte] heeft hierop geantwoord dat dat goed is, omdat hij nu security doet. [verdachte] heeft naar aanleiding van dit gesprek verklaard dat hij die dag [medeverdachte 2] van fox pier naar hek 60 heeft gereden en dat [medeverdachte 2] toen een tas met (naar hij denkt) pakketten bij zich had. [medeverdachte 2] heeft om 15.33 uur het beveiligde gebied van Schiphol verlaten en is niet meer teruggekomen.

Om 17.05 uur heeft er wederom een gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] plaatsgevonden. In dit gesprek heeft [medeverdachte 2] tegen [verdachte] gezegd dat hij al lang thuis was. [verdachte] heeft gezegd dat hij het ding kon ophalen en dat hij achtervolgd werd. Hij heeft toen die van hem eruit gehaald. [medeverdachte 2] heeft hierop als volgt gereageerd: “De vriend, de ene van de Ga stam, er is iets daar, weet je dat ik je op donderdag daarover heb verteld, ik heb het al gedaan, het was erin toen ik daar was.” Even verderop heeft hij gezegd dat hij het rond 12 uur gedaan heeft. [medeverdachte 2] zegt: “die van jou is oke dus.” Daarop heeft [verdachte] bevestigend geantwoord.

[verdachte] heeft naar aanleiding van dit gesprek verklaard dat hij die dag van [medeverdachte 2] in de auto een pakket kreeg. Het pakket moest, aldus [verdachte], door hem naar [medeverdachte 3] gebracht worden en [verdachte] was daar blij om, omdat hij op die manier wat geld kon verdienen. Met de Ga stam doelt [medeverdachte 2] op een man uit Ghana die uit Accra komt. Voorts heeft hij verklaard dat hij die dag een pakket bij [medeverdachte 3] heeft afgeleverd en dat hij hiervoor € 500,- heeft ontvangen. Met “die van jou is oke” wordt bedoeld dat het ene pakket van vandaag ook gelukt is.

Bewijsoverweging

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het telefoongesprek van 13.41 uur betrekking op voornoemd transport uit Ghana. Het kan in ieder geval geen betrekking hebben op een transport uit Kenia diezelfde dag (zaak B15) aangezien de vlucht uit Kenia om 15.17 uur is aangekomen en [medeverdachte 2] om 15.33 uur de luchthaven heeft verlaten. De rechtbank acht dit tijdsbestek te kort om pakketten uit het vliegtuig afkomstig uit Kenia te halen en deze vervolgens via hek 60 van airside naar landside te brengen.

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in het vonnis onder “Algemeen” en “Lijn Ghana - Nederland” heeft overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich samen met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] in de periode van 23 tot en met 27 september 2010 schuldig heeft gemaakt aan de invoer van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne uit Ghana. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de telefoongesprekken tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] en de verklaring van verdachte worden afgeleid dat sprake is geweest van een gelukt transport. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel dienen te leiden, zijn gebleken noch aannemelijk geworden.

Ten aanzien van feit 10 subsidiair: (zaaksdossier B21)

Op 26 september 2010 om 10.28 uur belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt: “wij gaan morgen doen”. [medeverdachte 3] zegt dan: “Als jullie morgen doen, dan wordt het op woensdag. De eerstvolgende woensdag is 29 september 2010. Om 5.50 uur betreedt [medeverdachte 5] het beveiligde gebied van Schiphol. Op 29 september 2010 om 10.04 uur heeft [medeverdachte 3] gebeld met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 3] was toen al aan het werk op Schiphol. [medeverdachte 1] heeft aan [medeverdachte 3] doorgegeven dat het “twee kinderen in de dier zijn” waarop [medeverdachte 3] heeft geantwoord dat het geen probleem is en dat “de jongens de pilaren eruit halen”. Met kinderen wordt bedoeld pakketten met drugs. Om 10.26 uur heeft [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 5] gebeld. [medeverdachte 3] heeft aan [medeverdachte 5] laten weten dat ze weer “hetzelfde probleem” hebben gemaakt. [medeverdachte 3] heeft vervolgens gezegd “je moet iets tegen je vriend zeggen, want als ik het zeg, krijg ik het op mijn kop”. [medeverdachte 5] heeft daarna, gebruikmakend van de telefoon van [medeverdachte 3], [verdachte] gebeld en hem gesmeekt vandaag drugs van boord van het vliegtuig te halen. [medeverdachte 5] heeft gezegd “de mensen hebben nog dat gekke ding gedaan” en [medeverdachte 5] heeft aan [verdachte] gevraagd of ze het weer “voorin” hebben gebracht”. [medeverdachte 5] heeft verderop in het gesprek gezegd “hij zegt dat hij niet dingens daarom kan hij niet dinges. Daarom smeken we je, alleen voor vandaag”. [medeverdachte 5] heeft [verdachte] omdat zij niemand anders had gesmeekt de drugs van boord van het vliegtuig te halen. [verdachte] heeft ermee ingestemd.

Om 10.53 uur heeft [medeverdachte 5] met [medeverdachte 3] gebeld. [medeverdachte 5] heeft aan [medeverdachte 3] gevraagd waar hij is. [medeverdachte 3] heeft daarop geantwoord dat hij thuis is. Voorts heeft hij gezegd “we zijn aan de voorkant. Ben je aangekomen?”. [medeverdachte 5] heeft daarop geantwoord dat zij aangekomen is. [medeverdachte 3] heeft daarop weer gereageerd met “we hebben niet veel tijd”. Daarop heeft [medeverdachte 3] gezegd “we komen eraan”.

Om 11.10 uur heeft [verdachte] het beveiligde gebied van Schiphol betreden.

Om 14.07 uur verlaat [medeverdachte 5] en om 14.18 uur verlaat [medeverdachte 3] het beveiligde gebied van Schiphol.

Om 14.22 uur is [medeverdachte 3] gebeld door [medeverdachte 5]. [medeverdachte 3] heeft in dat gesprek gezegd dat “we eraan komen”.

Om 15.32 uur is een vliegtuig met registratienummer 5YKQT afkomstig uit Kenia op Schiphol geland.

Om 19.44 uur heeft [verdachte] het beveiligde gebied van Schiphol verlaten. Om 19.46 uur heeft [verdachte] telefonisch aan [medeverdachte 3] doorgegeven dat hij er iets later zou zijn. [medeverdachte 3] heeft daarop aan [verdachte] gevraagd om bij hem thuis te komen. Om 20.34 uur heeft [verdachte] het beveiligde gebied van Schiphol voor de tweede keer die dag betreden. Om 20.51 uur heeft [verdachte] het beveiligde gebied van Schiphol weer verlaten. Om 21.21 uur heeft [medeverdachte 3] met [verdachte] gebeld. [verdachte] heeft aan [medeverdachte 3] doorgegeven dat hij beneden in de buurt is. Direct daarna heeft [medeverdachte 1] [medeverdachte 3] contact gehad met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 3] heeft in dat gesprek op de vraag van [medeverdachte 1] hoe het gaat doorgegeven dat het goed is, waarop [medeverdachte 1] weer heeft geantwoord “ahaa, oké”. Kort daarna, om 21.37 en 21.43 uur, hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] ook nog contact met elkaar gehad.

Vrijspraak primair

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich op 29 september 2010 schuldig heeft gemaakt aan de invoer van verdovende middelen. Uit de hierboven aangehaalde telefoongesprekken leidt de rechtbank af dat een vliegtuig met daarin drugs werd verwacht en dat verdachte is gevraagd de pakketten van het vliegtuig te halen. Hij heeft echter verklaard dat er die dag geen drugs in het vliegtuig zaten en dat hij dat van [medeverdachte 3] had gehoord , zodat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een geslaagd transport.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Subsidiair

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in het vonnis onder “algemeen” en onder “lijn Kenia-Nederland” heeft overwogen wel bewezen dat verdachte zich tezamen met anderen in de periode van 26 tot en met 29 september 2010 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8 subsidiair, 9 primair en 10 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

feit 1 primair: (zaaksdossier B5)

hij op 17 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 2 primair: (zaaksdossier B6)

hij op 4 oktober 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een (onbekend gebleven) hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 3: (zaaksdossier B18)

hij op 10 november 2010 te Almere een voorwerp, te weten een geldbedrag van 11.800 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

feit 4: (parketnummer 15/810111-11 en zaaksdossier B3)

hij op tijdstippen in de periode van 17 september 2010 tot en met 4 oktober 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam en/of in Suriname heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte en zijn mededaders behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vijfde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, te weten

- het telkens tezamen en in vereniging met een of meer bovengenoemde anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van telkens een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I en

- het telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van telkens een hoeveelheid cocaïne, telkens zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

* zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van datfeit heeft getracht te verschaffen en

* een of meer anderen getracht te bewegen om dat feit mede te plegen, en/of daartoe gelegenheid, en/of inlichtingen te verschaffen;

feit 5 primair: (zaaksdossier B8)

hij op 18 oktober 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 6 primair: (zaaksdossier B10)

hij op 20 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 7 primair: (zaaksdossier B14)

hij op 22 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 8 subsidiair:(zaaksdossier B15)

hij 23 september 2010 tot en met 27 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft verschaft en

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen, en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) daartoe:

- met elkaar en opdrachtgever(s) telefonische contacten onderhouden en

- afspraken gemaakt en- instructies (door)gegeven en ontvangen o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen en

- vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en

- telefonisch geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en

- een persoon benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en van de luchthaven af te brengen;

feit 9 primair: (zaaksdossier B16)

hij op 27 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 10 subsidiair:(zaaksdossier B21)

hij in de periode van 26 september 2010 tot en met 29 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen, en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen

immers heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) daartoe:

- met elkaar en/of opdrachtgever(s) telefonische contacten onderhouden en

- afspraken gemaakt en

- instructies (door)gegeven en/of ontvangen (o.a. met betrekking tot de verbergplaats(en) van de verdovende middelen) en

- (telefonisch) geïnformeerd naar de beschikbaarheid en/of aanwezigheid van medewerkers op de luchthaven Schiphol en

- een persoon benaderd en/of geregeld om op de luchthaven Schiphol die verdovende middelen van een vliegtuig af te halen en van de luchthaven af te brengen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8 subsidiair, 9 primair en 10 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien feit 1 primair: (zaaksdossier B5)

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 2 primair: (zaaksdossier B6)

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 3: (zaaksdossier B18)

Witwassen;

Ten aanzien van feit 4: (parketnummer 15/810111-11 en zaaksdossier B3)

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet;

Ten aanzien van feit 5 primair: (zaaksdossier B8)

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 6 primair: (zaaksdossier B10)

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 7 primair: (zaaksdossier B14)

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 8 subsidiair: (zaaksdossier B15)

Medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

Ten aanzien van feit 9 primair: (zaaksdossier B16)

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 10 subsidiair: (zaaksdossier B21)

Medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen – in een relatief korte periode - schuldig gemaakt aan het tot zesmaal toe via Schiphol invoeren van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne en het tweemaal verrichten van voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne. Ten aanzien van de onbekend gebleven hoeveelheden neemt de rechtbank aan, op grond van de aangehaalde tapgesprekken en de verklaringen van verdachte hierover, dat het steeds grote hoeveelheden cocaïne betrof die voor de verdere verspreiding en handel bestemd moeten zijn geweest. Tevens vormde verdachte met anderen een criminele organisatie die tot doel had op georganiseerde wijze cocaïne via Schiphol in te voeren.

Bij de drugstransporten werd vrijwel steeds op dezelfde manier samengewerkt. Elke verdachte had daarbij een specifieke rol. Zo hielden enkele verdachten contact met de opdrachtgevers dan wel de personen die in direct contact stonden met de personen die de verdovende middelen aan boord van het vliegtuig konden (laten) zetten. Voorts waren er verdachten die als tussenpersoon fungeerde tussen de opdrachtgevers en de bij Asito werkzame personen die de verdovende middelen van boord van het vliegtuig haalden en deze van het beveiligde gebied van Schiphol afbrachten.

Verdachte was werkzaam als schoonmaker bij Asito en vervulde ook securitydiensten. Dat de verdachte daarbij zijn dienstbetrekking bij Asito en aldus zijn kennis over de gang van zaken op het beveiligde gebied van Schiphol heeft misbruikt, rekent de rechtbank verdachte in het bijzonder aan. Door deze rol had verdachte toegang tot de vliegtuigen en was hij in staat verdovende middelen uit het vliegtuig te halen. Met zijn handelen heeft verdachte de integriteit van zijn werkgever Asito en die van de luchthaven Schiphol in diskrediet gebracht. Verdachte heeft voor zijn bijdrage een financiële beloning gekregen en heeft zich daardoor kennelijk laten leiden door financieel gewin.

Bovendien heeft verdachte door zijn handelswijze een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag. Door aldus te handelen heeft verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken. Het witwassen van criminele gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Door witwassen wordt bovendien het plegen van strafbare feiten gefaciliteerd.

De rechtbank heeft ten voordele van verdachte in aanmerking genomen dat hij openheid van zaken heeft gegeven en dat hij, blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie, in het verleden niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Mede in aanmerking nemend de hoeveelheid bewezen verklaarde feiten en de rol die verdachte daarbij heeft gespeeld, de hoeveelheid cocaïne die het naar schatting betreft en de straffen die ten aanzien van dit soort misdrijven in soortgelijke gevallen worden opgelegd, acht de rechtbank een vrijheidsbenemende straf van lange duur passend en geboden. Van deze straf dient naar het oordeel van de rechtbank een sterk generaal preventief effect uit te gaan, ook naar huidige medewerkers van Asito en van de luchthaven Schiphol.

De rechtbank komt evenwel tot oplegging van een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank tot vrijspraak komt van de onder 8 primair en 10 primair ten laste gelegde feiten waarop de officier van justitie mede haar eis had gebaseerd.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geld, te weten 11.800 euro dient te worden verbeurdverklaard. Bewezen is verklaard dat verdachte samen met anderen meermalen opzettelijk cocaïne in Nederland heeft gebracht. Verdachte heeft verklaard dat hij voor deze drugstransporten beloningen ontving. Aangenomen moet worden dat het bij verdachte aangetroffen en hem toebehorende geldbedrag, met name gelet op de hoogte daarvan, geheel of grotendeels door middel van de hiervoor bewezen verklaarde feiten is verkregen.

De rechtbank is van oordeel dat ook het in beslag genomen voorwerp, te weten de Boeingsleutel, verbeurd dient te worden verklaard nu dit een voorwerp betreft dat tot het begaan van het misdrijf is bestemd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10, 10a en 11a van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de hem onder 8 primair en 10 primair ten laste gelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8 subsidiair, 9 primair en 10 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8 subsidiair, 9 primair en 10 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- Geld euro, 9 x 100 euro;

- Geld euro, 178 x 50 euro;

- Geld euro, 100 x 20 euro;

- 1.00 STK Sleutel, Boeingsleutel.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- 1.00 STK Navigatieapparaat, Tomtom.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.P.J. Ruijpers, voorzitter,

mrs. N.E. Kwak en C.M. Cichowski-van der Kleijn, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers, mrs. D.M.A. Richelle en L.P. van Os,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 november 2011.