Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU8919

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-11-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
10/5246, 11/5271, 11/5274
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Sopropé. Douanewaarde. Uitnodigingen tot betaling zijn niet in strijd met artikel 220 van het Communautair Douanewetboek opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 262

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige douanekamer

Zaaknummers: AWB 10/5246, 11/5271 tot en met 11/5274

Uitspraakdatum: 4 november 2011

Uitspraak in de gedingen tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigde: mr. A.T.M. Jansen

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

AWB 10/5246

1.1.1. Verweerder heeft op 14 februari 2007 aan eiseres een uitnodiging tot betaling met het nummer [A NUMMER] (hierna: utb 1) uitgereikt voor een bedrag van € 58.274,18 aan douanerechten.

AWB 11/5271

1.1.2. Verweerder heeft op 27 februari 2007 aan eiseres een uitnodiging tot betaling met het nummer [B NUMMER] (hierna: utb 2) uitgereikt voor een bedrag van € 185.852,55 aan douanerechten.

AWB 11/5272

1.1.3. Verweerder heeft op 27 februari 2007 aan eiseres een uitnodiging tot betaling met het nummer [C NUMMER] (hierna: utb 3) uitgereikt voor een bedrag van € 23.733,89 aan douanerechten.

AWB 11/5273

1.1.4. Verweerder heeft op 16 maart 2007 aan eiseres een uitnodiging tot betaling met het nummer [D NUMMER] (hierna: utb 4) uitgereikt voor een bedrag van € 1.842,50 aan douanerechten.

AWB 11/5274

1.1.5. Verweerder heeft op 19 maart 2007 aan eiseres een uitnodiging tot betaling met het nummer [E NUMMER] (hierna: utb 5) uitgereikt voor een bedrag van € 537.364,89 aan douanerechten.

Alle beroepen

1.2. Bij brief van 3 maart 2010 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar op de door eiseres ingediende bezwaarschriften tegen utb 1 tot en met utb 5. Bij uitspraak van 16 augustus 2010 heeft rechtbank Haarlem bepaald dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog uitspraak op de bezwaarschriften moet doen.

1.3. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 25 augustus 2010 de bezwaren tegen utb 1 tot en met 3 en 5 ongegrond verklaard en deze utb’s gehandhaafd. Verweerder heeft het bezwaar tegen utb 4 gegrond verklaard en heeft deze utb verminderd tot een bedrag van € 1.205,24 aan douanerechten.

1.4. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6. Verweerder heeft bij brief van 3 oktober 2011, ontvangen door de rechtbank op 4 oktober 2011, een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan eiseres.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2011. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, vergezeld van [A]. Namens verweerder is verschenen mr. T.J.W. Spanbroek, vergezeld van F. Lugthart en J.P.T. van Gerwen.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres heeft in de periode van 19 februari 2004 tot en met 14 september 2004 in totaal 18 aangiften voor de regeling in het vrije verkeer brengen gedaan voor voedingssupplementen. Eiseres heeft de aangiften gedaan als douane-expediteur in opdracht van [A BEDRIJF] B.V. en [B BEDRIJF] B.V.

2.2.1. Eiseres heeft bij de aangiften pro-forma invoices overgelegd die zijn opgemaakt door [C BEDRIJF]., USA (hierna: [C BEDRIJF] USA). Op deze pro-forma invoices werden de volgende eenheidsprijzen vermeld:

[A MERK] $ 2.80

[B MERK] $ 3.33

[C MERK] $ 9.90

[D MERK] $ 7.00

2.2.2. Eiseres heeft in een aantal gevallen bij de aangiften commercial invoices overgelegd die zijn opgemaakt door [D BEDRIJF], USA (hierna: [D BEDRIJF]). De vermelde eenheidsprijzen waren gelijk aan de eenheidprijzen zoals die waren vermeld op de onder 2.2.1 genoemde pro-forma invoices.

2.2.3. Eiseres is bij de berekening van de douanewaarde uitgegaan van de onder 2.2.1 genoemde pro-forma invoices. Indien eiseres de beschikking had over de onder 2.2.2 genoemde commercial invoices, heeft eiseres de douanewaarde berekend op basis van deze invoices.

2.3.1. [B BEDRIJF] B.V. is een 100 procent dochter van [E BEDRIJF] te Luxemburg. De activiteiten van [B BEDRIJF] B.V. bestaan onder andere uit de handel in voedingssupplementen en cosmetische producten. [B BEDRIJF] B.V. bestelt de goederen bij [C BEDRIJF] USA. [C BEDRIJF] USA is een zustermaatschappij van [B BEDRIJF] B.V. [C BEDRIJF] USA bestelt vervolgens de goederen bij een niet-verbonden fabrikant. [B BEDRIJF] B.V. betaalt voor de goederen de in het contract of delivery (zie onder 2.3.2) genoemde prijzen. Gelet op het supplement (zie onder 2.3.3) betaalt [B BEDRIJF] B.V. aan [C BEDRIJF] USA een aanvulling op de verkoopprijs per stuk, een provisie. [C BEDRIJF] USA betaalt deze provisie vervolgens aan [G BEDRIJF] Duitsland, die de provisie uitkeert aan de desbetreffende [NAAM BEDRIJF]-teampartners. Vanaf 1 januari 2004 betaalt [B BEDRIJF] B.V. voorts een handling fee van 0,25 procent van de aankoopprijs van de goederen aan [C BEDRIJF] USA voor de bemiddeling en afhandeling van de betalingen aan [G BEDRIJF] Duitsland die zijn bestemd voor de [NAAM BEDRIJF]-teampartners.

2.3.2. Tot de gedingstukken behoort een contract of delivery van 24 november 2003 tussen [C BEDRIJF] USA en [B BEDRIJF] B.V. In het contract of delivery is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“(…)

3.

[C BEDRIJF] guarantees price stability for the duration of one year. The fixed prices agreed upon net per tin without value-added tax are:

-[A MERK]: $ 11.98

-[C MERK]: $ 21.00

-[D MERK]: $ 11.63

The cost of transport and the accruing customs duty shall be borne bij the Seller. Delivery shall be effected on the respective valid terms of payment and delivery. (…)

4.

This contract shall become effective from 1st of January 2004 and shall be concluded for an unlimited period. (…)”

2.3.3. Tot de gedingstukken behoort voorts een supplement van 2 januari 2004 op het onder 2.3.2 genoemde contract of delivery 2003 tussen [C BEDRIJF] USA en [B BEDRIJF] B.V. In het supplement is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“(…)

Point 3 of the above mentioned agreement is changed as follows:

Additionally to the determined purchasing prices [C BEDRIJF] invoices to the seller a commission for all contractual products sent to the seller. This commission goes via [C BEDRIJF] to Germany to the [C BEDRIJF] GmbH. The latter mentioned company has the special task within the [C BEDRIJF] group of counting and paying out the commissions centrally for all [NAAM BEDRIJF] teampartners worldwide.

For [C BEDRIJF] this commission counting is just an item in transit with no influence on the profit-and-loss account.

For the contractual products commissions are determined as follows:

[E MERK]: 14.06 €

[D MERK]: 14.05 €

[C MERK]: 27.68 €

(…)”

2.4. Bij [B BEDRIJF] B.V. en [H BEDRIJF] Nederland B.V. is een controle na invoer (hierna: CNI) ingesteld. Naar aanleiding van de bevindingen van de CNI heeft de FIOD-ECD een onderzoek gestart. Tot de gedingstukken behoort een overzichtsproces-verbaal. In het proces-verbaal, dat op 9 oktober 2007 is opgemaakt, is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“(…)

1.3 Verdenkingen/Strafbare feiten

1.3.1 Vermoedelijke strafbare feiten

De hiervoor genoemde verdachten worden, mede gelet op de bepalingen genoemd in artikel 47, 48 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, verdacht van overtreding van het navolgende artikel, dan wel vermoeden wij dat zij feitelijk leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging:

- Artikel 48, lid 1 en lid 3 van de Douanewet, te weten:

Het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van een ingevolge een wettelijke bepaling vereiste (douane)aangifte, waarbij het feit ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven.

Bij de vermoedelijke opzettelijk onjuiste of onvolledige aangiften ten invoer gaat het om de invoer van voedingssupplementen herkomstig uit de Verenigde Staten van Amerika. Vermoedelijk zijn deze aangiften ten invoer onjuist of onvolledig omdat de douanewaarde is vastgesteld aan de hand van een (te) lage commercial invoice afkomstig van [D BEDRIJF] en/of een (te) lage Pro forma lnvoice/Shipper’s Declaration afkomstig van [C BEDRIJF] gevestigd te [adres]. USA. Bovendien is er bij het bepalen van de douanewaarde geen rekening gehouden met een provisie-betaling per stuk en per maand.

(…)

2.6.4 Facturatie van de voedingssupplementen

Wij hebben vastgesteld dat bij de daadwerkelijk verzending van de goederen uit de Verenigde staten van Amerika twee verschillende soorten invoices bij de voedingssupplementen aanwezig waren.

In het ene geval werden de goederen vergezeld door een zogenaamde commercial

invoice op naam van [D BEDRIJF] en in het andere geval was een zogenaamde Pro forma invoices/Shipper’s Declarations op naam van [C BEDRIJF] USA daadwerkelijk bij de goederen aanwezig.

(…)

“Hoge” invoice van [C BEDRIJF] USA

Ongeveer gelijktijdig met het opmaken van de commercial invoices c.q. pro forma invoices/Shipper’s Declarations werden door medewerkers van [C BEDRIJF] USA

ook invoices opgemaakt waarin een stuksprijs van $ 11,98 voor [A MERK] is vermeld. Deze prijs is later verhoogd naar $ 12,19 voor het nieuwe product [B MERK]. In deze invoices van [C BEDRIJF] USA, die gericht zijn aan [A BEDRIJF] BV of [B BEDRIJF] BV, is ook te lezen dat de verkoopprijs voor de [D MERK] $ 11,63 bedraagt. Deze door [C BEDRIJF] USA gefactureerde stuksprijzen van [A MERK] ($ 11,98) en [D MERK] ($ 11,63) zijn conform de hiervoor genoemde contractueel afgesproken stuksprijzen en beduidend hoger dan de stuksprijzen van de commercial invoices van [D BEDRIJF] en/of de pro forma invoices/Shipper’s Declarations van [C BEDRIJF] USA. Wellicht ten overvloede merken wij nogmaals op dat de “lage” commercial invoices en/of pro forma invoices/Shipper’s Declarations bij de Nederlandse douane overgelegd werden en als grondslag hebben gediend voor het berekenen van het invoerrecht.

(…)

Op 16 januari 2004 schrijft [B] , vanuit de Engelse taal vrij vertaald het volgende aan [C].

Hi [C],

Zoals je weet, we hebben in november hierover gesproken, is de facturering van de provisie bedragen vanaf 1januari 2004 veranderd. Vanaf deze datum is [C BEDRIJF] USA verantwoordelijk voor het factureren van de provisiebedragen naar NEL (Nederland) en de andere klanten, boven op de product prijs. Maar je moet afzonderlijke invoices maken, één voor de productprijs en één voor de provisies. Anders moeten jouw klanten ook douanerechten betalen voor de provisies.

De provisiebedragen zijn:

- [E MERK] € 14,06

- [C MERK] € 27,68

- [D MERK] € 14,05

Het is erg belangrijk dat deze bedragen zijn vastgesteld in €. Je kunt het factureren in $ met de dagelijkse €/$ wisselkoers, dit volgens de instructie: hoe de wisselkoersen te gebruiken.

Als compensatie voor het meerdere administratieve werk mag [C BEDRIJF] USA per kwartaal 0,25% provisie factureren aan [B BEDRIJF] BV. [B BEDRIJF] BV is de nieuwe naam van het Nederlandse bedrijf per 01.01.04.

Laat mij aub weten of je al deze voorwaarden begrijpt. Als je vragen hebt aarzel dan niet om deze mij te vragen.

Met vriendelijke groeten

[B]

(…)

8.2.2 2e Verklaring van 5e verdachte [D]

Op 12 mei 2007 is [D], voormalig boekhouder/administrateur van [A BEDRIJF] BV, [H BEDRIJF] Nederland BV en [B BEDRIJF] BV, een tweede maal als verdachte

gehoord. Hij heeft onder andere de volgende verklaring afgelegd:

(…)

Ik weet dat de provisie aan ons apart berekend werd omdat deze provisie niets met de goederenwaarde te maken had. Als de berekende provisie wel tot de goederenwaarde zou worden berekend zou de handelswaarde van de magazijnvoorraad erg hoog zijn geweest en niet reëel omdat de provisie geen onderdeel uitmaakte van de goederenwaarde. Volgens mij is dat ook niet toegestaan en moeten de goederen op de balans worden gewaardeerd voor de werkelijke goederenwaarde. Ik weet dat de provisie aan ons werd berekend en dat de berekende provisie door ons werd betaald aan [C BEDRIJF] USA. Ik weet wel dat de aan ons berekende provisie werd verdeeld onder de wereldwijde partners van de [I BEDRIJF]

(…)

8.3.4 4e verhoor van 6e verdachte [E]

Op 2 maart 2007 is [E], voormalig financieel directeur van [A BEDRIJF] BV en [H BEDRIJF] Nederland BV, voor de derde maal als verdachte gehoord. Hij heeft de volgende verklaring afgelegd:

(…)

Vraag verbalisanten:

Werden de goederen rechtstreeks van [D BEDRIJF]

gekocht?

Antwoord gehoorde:

Nee, alles ging via [C BEDRIJF] Amerika, daar bestelden wij en daarvan krijgen wij geleverd. Het

zou best kunnen zijn dat er ergens op verschepingspapieren de naam [D BEDRIJF] heeft gestaan, maar dat heb ik in ieder geval nooit gezien.

Vraag verbalisanten:

Werd voor de geleverde goederen rechtstreeks aan [D BEDRIJF] te

Las Vegas betaald?

Antwoord gehoorde:

Nee, we betaalden aan [C BEDRIJF] Amerika, aan niemand anders, absoluut niet.

(…)

8.7 Verklaring van 10e verdachte [F]

Op 14 november 2006 is [F], voormalig administartue medewerker bij [C BEDRIJF] te Export/USA gehoord als gedachte. Ze verklaarde onder andere het volgende:

(…)

Vraag 28:

Door wie en waarom zijn deze commercial invoices opgemaakt?

Antwoord:

Ik stelde zowel de commercial invoices en pro forma invoices op. Wij ontvingen een order van de Nederlandse klant. Ik belde dan [G] bij [D BEDRIJF] als we niet genoeg in voorraad hadden. Ik maakte dan een pro forma invoice op, die met de zending meeging. Ik maakte ook een commercial invoice op, waarde echte waarde van de goederen op stond. Ik faxte de commercial invoice naar de klant, soms [E]. Vervolgens werd de originele/echte invoice per [J BEDRIJF] naar de klant gestuurd, want zij wilden een origineel hebben. Ik stuurde deze invoices ook naar [D BEDRIJF]. In het begin maakte ik deze invoices eerst op en werden ze door [C] ondertekend. Later ondertekende ik ze.

Vraag 29:

Waarom is er geen commercial invoice van [C BEDRIJF] bij de invoer overgelegd?

Antwoord:

[C] zei me dat ik dat niet moest doen. Ik denk nu dat zij belasting en rechten wilden ontwijken. [C] heeft me dat geloof ik eens verteld; maar gezond verstand ….

(…)

8.8 Verklaring van 12e verdachte [H]

Op 5 juli 2006 is [H], importmanager bij [K BEDRIJF], als verdachte gehoord. Hij heeft de volgende verklaring afgelegd:

(…)

Vraag verbalisanten:

Wordt binnen [K BEDRIJF] Interne Controle uitgevoerd om er voor te zorgen dat op aangiften de juiste waarden worden verantwoord?

Antwoord gehoorde:

Bij een douaneexpediteur ligt niet de kennis om de juiste waarde te bepalen van alle in

te klaren goederen. We gaan uit van de facturen die we krijgen aangereikt.

De overgelegde facturen worden dan ook niet op juistheid gecontroleerd. Hier bestaat dan ook geen interne controles op. Wel hebben we richtlijnen over welke goederen we wel en welke goederen we niet inklaren als bedrijf. We hebben geen flauw benul van wat een zending met vitaminepillen moet kosten.

(…)

8.9 Verklaring van 13e verdachte [I ] en 14e verdachte [J] (geb. [NAAM])

Op 5 juli 2006 zijn [I ] en [J] beide werkzaam bij [K BEDRIJF], samen als verdachten gehoord. Zij hebben de volgende verklaring afgelegd:

(…)

Vraag Verbalisanten:

Waarom werd de vermelde waarde op lnvoice [F NUMMER] door [K BEDRIJF] niet gehanteerd voor het berekenen van de aan te geven douanewaarde in de aangifte?

Antwoord gehoorde [J]

Omdat deze factuur bovenop lag hebben we die gehanteerd. We hebben niet verder gekeken in het dossier. Deze aangifte heb ik zelf behandeld. Dit kan ik zien aan de omslag van het dossier. Daar staat mijn handschrift op en op het kopietje van de pro forma staat ook mijn handschrift. Je kunt ook aan het formulier “nood procedure” zien wie de aangifte heeft behandeld. Onderaan dit formulier in de dubbel gedrukte tekst staat namelijk te lezen “Tel aangever 4940244 [J]”.

Deze pro forma invoice is gehanteerd omdat deze boven op het dossier lag. Het is niet gebruikelijk dat verder in het dossier wordt gekeken of er andere facturen liggen.

(…)

Antwoord gehoorde [J]:

Deze Commercial invoice is wel gebruikt voor de berekening van de douanewaarde. Ik zie dat aan de aantekeningen die er op staan. Ik kan alleen zeggen dat als er een pro forma invoice ligt, en ook een commercial invoice, ik de commercial invoice ten behoeve van de invoeraangifte gebruik. Daarbij wil ik wel nog even zeggen dat ik niet een heel dossier door ga spitten, maar de volgorde van de documentatie bepalend is voor de aangifte.

(…)”

2.5. Naar aanleiding van het onderzoek van de FIOD-ECD zijn de onder 1.1.1 tot en met 1.1.5 genoemde utb’s uitgereikt. De utb’s zijn uitgereikt voor de hierna genoemde aangiften.

Utb 1 heeft betrekking op de volgende aangifte:

Aangiftenummer Datum Geadresseerde Verkoper Selectiekleur Aantal

(…)[NUMMER H] 19-2-2004 [A BEDRIJF] B.V. Rood 10 pallets

Utb 2 heeft betrekking op de volgende aangiften:

Aangiftenummer Datum Geadresseerde Verkoper Selectiekleur Aantal

(…)[NUMMER I] 3-3-2004 [A BEDRIJF] B.V. Groen/oranje 4 pallets

(…)[NUMMER J] 8-3-2004 [A BEDRIJF] B.V. Oranje 8 pallets

(…)[NUMMER K] 19-3-2004 [A BEDRIJF] B.V. Rood 10 pallets

(…)[NUMMER L] 31-3-2004 [A BEDRIJF] B.V. Rood 12 pallets

Utb 3 heeft betrekking op de volgende aangifte:

Aangiftenummer Datum Geadresseerde Verkoper Selectiekleur Aantal

(…)[NUMMER M] 19-3-2004 [C BEDRIJF] Wit 5 pallets

Utb 4 heeft betrekking op de volgende aangifte:

Aangiftenummer Datum Geadresseerde Verkoper Selectiekleur Aantal

(…)[NUMMER N] 8-6-2004 [B BEDRIJF] B.V. Wit 1 pallet

Utb 5 heeft betrekking op de volgende aangiften:

AangiftenummerDatum Geadresseerde Verkoper Selectiekleur Aantal

(…)[NUMMER O] 26-5-2004 [A BEDRIJF] B.V. Oranje 1 pallets

(…)[NUMMER R] 2-6-2004 [A BEDRIJF] B.V. Groen/oranje 7 pallets

(…)[NUMMER Q] 2-6-2004 [A BEDRIJF] B.V. Groen/oranje 12 pallets

(…)[NUMMER S] 25-6-2004 [A BEDRIJF] B.V. Rood 10 pallets

(…)[NUMMER T] 1-7-2004 [A BEDRIJF] B.V. Rood 10 pallets

(…)[NUMMER U] 8-7-2004 [A BEDRIJF] B.V. Rood 12 pallets

(…)[NUMMER V] 16-7-2004 [C BEDRIJF] Wit 1 pallets

(…)[NUMMER W] 28-7-2004 [C BEDRIJF] Wit 10 pallets

(…)[NUMMER Y] 24-8-2004 [C BEDRIJF] Wit 10 pallets

(…)[NUMMER Aa] 27-8-2004 [C BEDRIJF] Wit 10 pallets

(…)[NUMMER Bb] 14-9-2004 [D BEDRIJF] Corp Wit 10 pallets

2.6. Verweerder heeft voor de onder 2.5 genoemde 18 aangiften per aangifte de volgende bescheiden overgelegd:

- de aangifte;

- de utb;

- een berekening van de douanewaarde;

- een factuur van [D BEDRIJF] aan [A BEDRIJF] B.V. of een factuur van [D BEDRIJF] aan [B BEDRIJF] B.V., Nederland;

- een factuur van [C BEDRIJF] USA, aan [B BEDRIJF] B.V., Nederland;

- een factuur van [C BEDRIJF] USA aan [B BEDRIJF] B.V., Nederland betreffende de provisie;

- een factuur van [C BEDRIJF] USA, aan [B BEDRIJF] B.V., Nederland betreffende de handling fee.

2.7.1. Tot de gedingstukken behoren formulieren van de fysieke controles (hierna: fyco-formulier) van de onder 2.5 vermelde aangiften die rood zijn geselecteerd. Uit deze formulieren volgt dat eiseres bij de fysieke controles vertegenwoordigd is geweest.

2.7.2. Uit vak 10 van het fyco-formulier behorende bij de aangifte (…)[NUMMER H] volgt dat er specifieke aandacht was voor het land van oorsprong.

2.7.3. Uit vak 10 van het fyco-formulier behorende bij de aangifte (…)[NUMMER K] volgt dat er specifieke aandacht was voor de goederenomschrijving.

2.7.4. Uit vak 2 van het fyco-formulier behorende bij de aangifte (…)[NUMMER L] volgt dat er drie monsters zijn genomen. Uit het aanvraagformulier behorende bij het monsteronderzoek volgt dat het verlangde onderzoek betrekking heeft op soort en indeling in het tarief.

2.7.5. Uit vak 2 van het fyco-formulier behorende bij de aangifte (…)[NUMMER T] volgt dat er drie monsters zijn genomen. Uit vak 10 volgt dat er specifieke aandacht was voor het land van oorsprong.

2.7.6. Uit vak 2 van het fyco-formulier behorende bij de aangifte (…)[NUMMER U] volgt dat er drie monsters zijn genomen. Uit vak 6 volgt dat de monsters zijn genomen ter vaststelling van de inhoud.

2.7.7. De aangifte met het nummer (…)[NUMMER S] is ook rood geselecteerd. Van deze aangifte zit geen fyco-formulier bij de stukken. In de mededeling beëindiging verificatie staat dat de aangifte globaal is gecontroleerd, de uitslag van de controle conform is en er geen bevindingen zijn. In het bescheid ten behoeve van de afhandeling van de aangifte staat in het vak aantekeningen met pen geschreven: “Afwijking van Rood (Steekproef)”.

2.8. Tot de gedingstukken behoort een e-mail van 16 januari 2004 van [E BEDRIJF] Luxemburg aan [C BEDRIJF] USA. In deze e-mail is - voor zover van belang - vermeld:

“(…) But you must write two seperate invoices: one for the product price and one for the commission. Otherwise your clients would have to pay custom charges for the commission too.

(…)

As a compensation for the more office work [C BEDRIJF] USA is allowed to invoice quarterly 0,25% of commission amount to [B BEDRIJF] B.V. [B BEDRIJF] B.V. is the new name of the NEL-company from 01.01.04. (…)”

2.9. Tot de gedingstukken behoort voorts een brief van 5 september 2006 van [E BEDRIJF] Luxemburg aan [C BEDRIJF] Int USA. In deze brief is - voor zover van belang -vermeld:

“(…)

From now on you are instructed to use only copies of TVA invoices (commercial invoices) as accompanying documents for deliveries to Europe. The usage of Pro-Forma invoices is no longer allowed to you.

With this change we want to avoid problems in customs in the future. Using only TVA invoices makes it impossible that too low selling prices are taken as basis for counting customs charges and import VAT. (…)”

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of de utb’s terecht aan eiseres zijn uitgereikt. Meer in het bijzonder is in geschil of eiseres de juiste douanewaarde heeft toegepast bij het doen van de aangiften waarop de utb’s betrekking hebben. Tevens is in geschil of bij de oplegging van de in geding zijnde utb’s het verdedigingsbeginsel is geschonden. Voorts is in geschil of de utb’s zijn opgelegd in strijd met artikel 220, tweede lid, sub b, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW). Tot slot is in geschil of verweerder heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

3.2. Standpunten eiseres:

1. Het recht van verdediging is geschonden. De utb’s zijn opgelegd voordat het proces-verbaal is opgemaakt en zonder dat eiseres in de gelegenheid is gesteld haar standpunt kenbaar te maken. Eiseres is door de schending benadeeld. Eiseres is geen partij bij de commerciële koop-verkooptransactie en heeft geen wetenschap van de geldstromen binnen het concern van haar opdrachtgever. Nu de utb’s rauwelijks zijn uitgereikt kon eiseres niet bij haar opdrachtgever informeren. Tevens heeft verweerder geweigerd bescheiden ter beschikking te stellen. Als eiseres eerder in het bezit van de bescheiden was geweest dan zou zij in staat zijn geweest om haar standpunt te bepalen omtrent de vaststelling van de douanewaarde. Bovendien had eiseres maatregelen kunnen nemen om haar schade te beperken.

Bovendien heeft verweerder de utb’s uitgereikt terwijl er nog geen beslissing op het rulingverzoek ter zake van de vaststelling van de waarde was genomen.

Het nadeel dat eiseres heeft geleden, kan niet worden weggenomen door het uitreiken van nieuwe utb’s.

2. De douanewaarde is juist aangegeven. Eiseres is geen partij bij de koop-verkooptransacties. [C BEDRIJF] USA is opgetreden als inkoopcommissionair. De betaalde commissie die op de facturen van [C BEDRIJF] Int USA aan [B BEDRIJF] B.V. is vermeld, moet als inkoopcommissie buiten de douanewaarde blijven. De provisie is een vergoeding voor diensten die de Teampartners verrichten nadat de goederen zijn ingevoerd. De provisie is geen voorwaarde voor verkoop van de goederen. Ook de handling fee heeft betrekking op diensten die na de invoer hebben plaatsgevonden.

3. Verweerder heeft niet voldaan aan zijn bewijslast dat de douanewaarde niet juist is aangegeven. Verweerder wil afwijken van de aangiften en moet daarvoor het bewijs leveren. Eiseres kan geen relatie leggen tussen de bescheiden die verweerder per aangifte heeft overgelegd. Eiseres stelt in dit kader verder dat partijen per zending kunnen afwijken van hetgeen zij eerder overeenkwamen. Het FIOD-onderzoek heeft bovendien slechts betrekking op één aangifte en niet op de andere aangiften die in de utb’s zijn genoemd. De naam [A BEDRIJF] is niet veranderd in [B BEDRIJF] B.V. Het zijn twee aparte rechtspersonen.

4. De utb’s zijn in strijd met artikel 220 van het CDW uitgereikt. De boeking heeft niet rechtsgeldig plaatsgevonden omdat eiseres niet voorafgaande aan de uitreiking van de utb’s haar standpunt kenbaar heeft kunnen maken. Er is sprake van een vergissing van de douaneautoriteiten. De douane heeft 5 van de 18 aangiften gecontroleerd en conform afgedaan. Eiseres kon die vergissing niet ontdekken. Eiseres beschikte niet over de gegevens die twijfel opriepen over de juistheid van de aangegeven douanewaarde. Tevens had zij geen wetenschap over de betalingen die [B BEDRIJF] B.V. deed. Eiseres heeft te goeder trouw gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte voldaan.

5. Verweerder heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Verweerder had gebruik moeten maken van zijn keuzemogelijkheid en in overeenstemming met de eis van zorgvuldigheid moeten navorderen bij de opdrachtgevers van eiseres. Eiseres is geheel te goeder trouw.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de utb’s. Eiseres verzoekt om veroordeling van verweerder in de werkelijke kosten van de procedure zowel in bezwaar als in beroep. Voorts verzoekt eiseres verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.3. Verweerder neemt de tegenovergestelde standpunten in.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4. Beoordeling van het geschil

Schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging

4.1. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 18 december 2008 in zaak C-349/07 (Sopropé) volgt dat de ‘eerbiediging van de rechten van de verdediging’ een algemeen beginsel van unierecht vormt dat ook van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen.

4.2. Dit beginsel vereist, voor zover hier van belang, dat de (potentiële) adressaat van een besluit dat zijn belang aanmerkelijk raakt, in staat wordt gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Deze procedurele verplichting rust op de autoriteiten van de lidstaten wanneer zij voornemens zijn dergelijke bezwarende besluiten te nemen, voor zover die besluiten binnen de werkingssfeer van het unierecht vallen. Ook uit eerdere jurisprudentie van het HvJ blijkt dat het recht van verdediging vereist dat een ieder tegen wie een bezwarend besluit dreigt te worden genomen naar behoren de gelegenheid krijgt zijn standpunt kenbaar te maken (arrest van 24 oktober 1996, Commissie-Lisrestal), C-32/95, arrest van 21 september 2000, Mediocurso/Commissie, C-462/98, en het arrest van 12 december 2002, Cipriani, C-395100). Het recht om te worden gehoord voordat een nadelige individuele maatregel wordt genomen is daarenboven vastgelegd in artikel 41 van het op 7 december 2000 geproclameerde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Pb C 364/1 van 18 december 2000), alsmede in het op 1 december 2009 in werking getreden nieuwe Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Pb. C 303/1 van 14 december 2007).

4.3. De bestreden besluiten betreffen boekingen achteraf van douanerechten, gebaseerd op artikel 220 van het CDW. Deze besluiten zijn aan eiseres meegedeeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 221 van het CDW en vallen daarom binnen de werkingssfeer van het recht van de Europese Unie. Tussen partijen is niet in geschil dat de utb’s de belangen van eiseres aanmerkelijk raken.

4.4. Nu vaststaat dat de utb’s zijn uitgereikt zonder dat eiseres in staat is gesteld naar behoren haar standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie de boekingen achteraf wil baseren, heeft verweerder niet voldaan aan het unierechtelijke vereiste van eerbieding van de rechten van de verdediging. Hieraan doet niet af dat twee medewerkers van eiseres, haar importmanager en de coördinator afdeling declaraties op 5 juli 2006 door de FIOD als verdachten zijn gehoord (zie 2.4) en daarbij vernomen hebben dat het strafrechtelijk onderzoek betrekking had op de door eiseres aangegeven douanewaarde van aangiften gedaan in opdracht van haar klant [B BEDRIJF].

4.5. Procedurele fouten bij de totstandkoming van een besluit leiden echter, gelet op zowel het nationale als het unierecht, niet zonder meer tot vernietiging van het desbetreffende besluit. In dit verband zij wat het recht van de Europese Unie betreft verwezen naar het arrest HvJ 10 juli 1980, Distillers Company/Commissie, zaak 30/78, Jurispr. blz. 2229, waarin in punt 26 het volgende wordt overwogen:

“26. Gelet op het vorenoverwogene is een onderzoek van de door verzoekster gestelde procedurefouten niet nodig. Dit ware slechts anders indien de administratieve procedure, waren deze fouten niet gemaakt, eventueel tot een ander resultaat had kunnen leiden (…).”

Wat het nationale recht betreft zij onder meer verwezen naar de arresten van de Hoge Raad, 18 april 2003, nr. 37 790, BNB 2003/267 en 15 mei 2009, nr. 08/00437, BNB 2009/169, waaruit volgt dat de schending van procedureregels geen gevolgen heeft indien de belastingplichtige door de gang van zaken niet is benadeeld.

4.6. Eiseres voert aan dat zij door het handelen van verweerder wezenlijk in haar verdedigingsbelangen is geschaad. Eiseres was geen partij bij de commerciële koop/verkooptransacties. Zij kon daardoor geen wetenschap hebben van de geldstromen binnen het concern waartoe haar opdrachtgever behoort. Door het rauwelijks uitreiken van de utb’s kon eiseres voor het uitreiken van de utb’s bij haar opdrachtgever geen opheldering vragen over de feiten die tot de navordering hebben geleid. Eiseres kon niet tijdig een zekerheid of garantie eisen van haar opdrachtgever om een eventuele navordering af te dekken.

4.7. De rechtbank stelt vast dat de feiten en gegevens waarop de utb’s zijn gebaseerd, alle afkomstig zijn uit het FIOD-onderzoek en niet van eiseres. Kennisgeving van het voornemen om de utb’s uit te reiken zou eiseres weliswaar de gelegenheid hebben geboden navraag te doen bij haar opdrachtgever, maar zou aan de bij het onderzoek bevonden gegevens niets hebben kunnen veranderen. Eiseres heeft ook na het opleggen van de utb’s geen nieuwe feiten aangedragen. Eiseres verschilt wel met verweerder van mening over de waardering en interpretatie van deze feiten. Dit zijn echter geschillen van juridische aard die kunnen worden getoetst in de bezwaar- en beroepsfase. De enkele omstandigheid dat deze toetsing na en niet vóór het uitreiken van de utb’s plaatsvindt, vormt op zichzelf geen wezenlijke schending van de verdedigingsbelangen van eiseres (vgl. Hof Amsterdam 28 april 2011, 10/00166, LJN-nummer: BQ7221). De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding enig gevolg te verbinden aan het feit dat een procedurele fout is gemaakt bij het opleggen van de utb’s.

4.8. De stelling van eiseres dat zij is benadeeld omdat zij pas vanaf het moment van opleggen van de utb’s navraag bij haar opdrachtgever heeft kunnen doen en dat door het opleggen van de utb’s de verhouding met haar opdrachtgever zodanig was verstoord dat onderzoek bij haar niet meer zinvol was, volgt de rechtbank niet. De rechtbank merkt hierover op dat de FIOD op 31 mei 2006 ten kantore van eiseres onder andere een vordering tot inbeslagneming op grond van artikel 81 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen heeft gedaan en aldaar voorwerpen in beslag heeft genomen. Voorts merkt de rechtbank op dat op 5 juli 2006 twee van haar medewerkers door de FIOD zijn verhoord (zie 4.4 hiervoor). In verband hiermee mag worden aangenomen dat eiseres op de hoogte was van het FIOD-onderzoek en dat dit onderzoek betrekking had op de douanewaarden van de goederen in de aangiften die zij ten behoeve van haar opdrachtgever had gedaan. Eiseres, een professioneel marktdeelnemer, moet hebben kunnen bevroeden dat een dergelijk onderzoek ook voor haar consequenties zou kunnen hebben ten aanzien van haar aansprakelijkheid voor de douanerechten. Reeds vanaf dat moment was er voor haar alle aanleiding om bij haar opdrachtgever navraag te doen over de feiten en zekerheid en garantie te eisen. Eiseres heeft dit nagelaten, hetgeen voor haar rekening en risico dient te blijven.

4.9. Eiseres klaagt er voorts over dat verweerder haar in de bezwaarfase niet alle gegevens en bescheiden heeft verstrekt. Nu verweerder onvoldoende weersproken heeft aangevoerd dat aan eiseres, zij het met enige haperingen, alle gevraagde gegevens zijn verstrekt, verbindt de rechtbank hieraan de conclusie dat de rechten van de verdediging niet in zodanige mate zijn geschonden dat de utb’s niet in stand kunnen blijven.

Bewijs

4.10. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard niet langer te bestrijden dat de onder 2.6 genoemde facturen betrekking hebben op de aangiften. De rechtbank zal partijen hierin volgen, zij acht met partijen aannemelijk dat de onder 2.6 genoemde facturen betrekking hebben op de 18 aangiften.

Douanewaarde

4.11. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van het CDW is de douanewaarde van ingevoerde goederen de transactiewaarde van die goederen, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap worden verkocht, in voorkomend geval na aanpassing overeenkomstig de artikelen 32 en 33 van het CDW. In artikel 29, derde lid, sub a, van het CDW is bepaald dat de prijs de totale betaling is die door een koper aan de verkoper of ten behoeve van de verkoper aan een derde, voor de ingevoerde goederen ingevolge een voorwaarde van de verkoop wordt voldaan.

Artikel 32 van het CDW bepaalt het volgende:

“1. Voor het vaststellen van de douanewaarde met toepassing van artikel 29 wordt de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs verhoogd met:

a) de volgende elementen, voor zover zij ten laste komen van de koper en niet begrepen zijn in de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs:

i) commissies en courtage, met uitzondering van inkoopcommissies,

(…)

c) royalties en licentierechten met betrekking tot de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald, die de koper, als voorwaarde voor de verkoop van deze goederen, hetzij direct, hetzij indirect

moet betalen, voor zover deze royalties en licentierechten niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn begrepen;

(…)

4. In dit hoofdstuk wordt onder „inkoopcommissies” verstaan, de door een importeur aan zijn agent betaalde vergoedingen voor de dienst die erin bestaat hem te vertegenwoordigen bij de aankoop van

de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald.

5. Niettegenstaande het bepaalde in lid 1, onder c),

(…)

b) worden de door de koper verrichte betalingen ter verkrijging van het recht tot distributie of wederverkoop van de ingevoerde goederen niet aan de werkelijk voor de ingevoerde goederen betaalde of te betalen prijs toegevoegd indien deze betalingen geen voorwaarde zijn voor de verkoop van de ingevoerde goederen voor uitvoer naar de Gemeenschap.”

4.12. Ter zitting heeft de gemachtigde de klacht ingetrokken dat de facturen die zijn uitgereikt op grond van het onder 2.3.2 genoemde contract of delivery geen deel uitmaken van de douanewaarde. De gemachtigde heeft bevestigd dat deze facturen de juiste facturen zijn en niet de bij de aangifte gebruikte facturen. De rechtbank volgt partijen hierin. Het gelijk is in zoverre aan verweerder.

4.13. Ten aanzien van de facturen bij de 18 aangiften uitgereikt op grond van het onder 2.3.3 genoemde supplement bij het contract of delivery, is de rechtbank van oordeel dat deze niet tot de douanewaarde kunnen worden gerekend. De facturen verwijzen weliswaar naar de ingevoerde goederen, maar deze verwijzing moet worden gezien als een rekeneenheid op grond waarvan de provisie (commission) voor de teampartners, de verkopers, kan worden berekend. Dit blijkt duidelijk uit het supplement. De commissie gaat via [C BEDRIJF] USA naar [G BEDRIJF] GmbH in Duitsland. Laatstgenoemde heeft de speciale taak om binnen de [I BEDRIJF] centraal de commissie te berekenen en uit te betalen voor alle [NAAM BEDRIJF] teampartners wereldwijd. Voor [C BEDRIJF] USA is deze commissie louter een doorlooppost, die geen invloed heeft op de winst- en verliesrekening. Verweerder erkent dat op basis van de stukken de betalingen op deze facturen bestemd zijn om de [NAAM BEDRIJF] teampartners voor de daadwerkelijke verkopen aan consumenten te belonen en dat dit kosten zijn ten behoeve van diensten na de invoer, maar dat hij bij gebrek aan wetenschap eraan twijfelt of deze betalingen ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal verweerder daarin niet volgen. Nu er verder geen aanwijzingen zijn om af te wijken van de bedoeling van partijen zoals deze uit het supplement bij het contract of delivery blijkt, moet van de daarin geschetste gang van zaken worden uitgegaan. Dit brengt mee dat deze betalingen niet als een betaling voor de ingevoerde goederen kunnen worden aangemerkt, maar als betalingen ten behoeve van de beloning voor de verkopen door de [NAAM BEDRIJF] teampartners. De subsidiaire stelling van verweerder dat de facturen een commissie betreffen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, sub a, onder i, van het CDW volgt de rechtbank evenmin. Uit niets blijkt dat het hier een dergelijke commissie betreft. De in dit artikel bedoelde commissies zijn immers vergoedingen die aan personen (bemiddelaars, agenten, commissionairs) voor hun medewerking bij het afsluiten van het koopcontract tussen twee partijen betaald worden. In het onderhavige geval is geen sprake van bemiddeling tussen koper en verkoper. De hier bedoelde commissie wordt aan de verkoper betaald.

4.14. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de onder 2.8 genoemde “handling fee” het lot van de betalingen op de facturen uitgereikt op grond van het supplement bij het delivery contract moet volgen, aangezien de “handling fee” geen betrekking heeft op de ingevoerde goederen, maar een vergoeding is voor de hiervoor genoemde dienst die [C BEDRIJF] USA voor de opdrachtgever van eiseres verricht. De rechtbank zal verweerder hierin volgen nu deze zienswijze geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op hetgeen onder 4.13 is overwogen kan de betaling voor de “handling fee” evenmin tot de douanewaarde worden gerekend.

Vetrouwensbeginsel

4.15. Eiseres voert aan dat de utb’s in strijd met artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW zijn opgelegd. Ingevolge dit artikel kan niet tot boeking achteraf worden overgegaan indien het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingplichtige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan. Eiseres staaft haar beroep op het vertrouwensbeginsel met een verwijzing naar vijf aangiften welke door verweerder fysiek zijn gecontroleerd. Nu eiseres alleen weet dat bij deze vijf aangiften de goederen daadwerkelijk zijn opgenomen en van de daadwerkelijke opname van de goederen ten aanzien van de aangiften eindigend op [NUMMER H] en [NUMMER K] verder in het geheel geen informatie heeft ontvangen anders dan hetgeen staat vermeld op de utb’s, is eiseres van mening dat bij deze aangiften ook de douanewaarde is gecontroleerd. Verweerder bestrijdt deze opvatting en stelt dat met het daadwerkelijk (fysiek) opnemen van de goederen bij de aangifte nimmer de douanewaarde kan worden gecontroleerd, dit niet is gebeurd en evenmin de indruk is gewekt dat een dergelijke controle heeft plaatsgevonden. Voor controle van de douanewaarde moet de administratie worden gecontroleerd. De rechtbank is het met verweerder eens dat er bij de aangiften geen onderzoek is gedaan naar de juistheid van de douanewaarde, hetgeen blijkt uit de onder 2.7 vermelde fyco-formulieren. De stelling van eiseres dat zij door onvoldoende informatie daarover, er vanuit mag gaan dat ook de douanewaarde is gecontroleerd, treft geen doel. Immers als professionele douaneaangever hoort zij te weten dat voor een controle van de douanewaarde de daadwerkelijke opname van de goederen onvoldoende is. Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het wettelijk verschuldigde bedrag niet is geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf.

Zorgvuldigheidsbeginsel

4.16. De klacht van eiseres dat verweerder bij het gebruikmaken van zijn discretionaire bevoegdheid om de rechten na te vorderen van één of meerdere schuldenaren, niet zorgvuldig heeft gehandeld door alleen bij eiseres na te vorderen en niet bij haar opdrachtgever, die bewust onjuiste gegevens heeft verstrekt, slaagt niet. Ingevolge artikel 201, derde lid, van het CDW is de aangever schuldenaar. Weliswaar kan ingevolge dat artikel ook de persoon die de voor de aangifte de benodigde gegevens heeft verstrekt als douaneschuldenaar worden aangemerkt, maar er is geen rangorde. Het is aan verweerder om te bepalen aan wie hij de utb’s uitreikt. De enkele omstandigheid dat de opdrachtgever van eiseres de onjuiste gegevens heeft verstrekt, maakt niet dat aan eiseres als aangever geen utb’s kunnen worden opgelegd.

Gelet op hetgeen onder 4.13 en 4.14 is overwogen dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

5.1. Eiseres verzoekt onder verwijzing naar artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: besluit) om verweerder te veroordelen in de werkelijke kosten van de procedure zowel in bezwaar als in beroep. Voor de bezwaarfase voert zij aan dat zij meer dan gebruikelijke kosten heeft moeten maken en voor de beroepsfase wordt aangevoerd dat verweerder tegen beter weten in heeft doorgeprocedeerd. Bovendien heeft eiseres ook in deze fase extra kosten moeten maken. Voorts verzoekt eiseres, met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, om een veroordeling van verweerder tot vergoeding van de schade in bestaande uit een bedrag aan invorderingsrente dat eiseres moet betalen ingeval zij de achteraf geboekte douanerechten alsnog verschuldigd zou zijn.

5.2. Op grond van artikel 2, derde lid, van het besluit kan de rechtbank een integrale proceskostenvergoeding uitspreken indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad bestaat er grond voor een integrale proceskostenvergoeding indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft, respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen gestelde procedure geen stand zal houden. Daarvan is in deze zaak geen sprake en er is dan ook geen reden om een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen.

5.3. Eiseres heeft wel recht op een forfaitaire kostenvergoeding op grond van het besluit. De kostenvergoeding is als volgt berekend: 1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde van € 161 per punt, zwaarte 1, factor 1,5 wegens samenhangende zaken. Totaal in de bezwaarfase € 483. Verweerder heeft reeds wegens gegrondverklaring van het bezwaar tegen de utb 4 € 436 vergoed, zodat nu nog € 47 voor vergoeding in aanmerking komt. In de beroepsfase is de vergoeding als volgt berekend: 1 punt voor het instellen van beroep, 0,5 punt voor de conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde van € 437 per punt , zwaarte 1 en factor 1,5 wegens samenhangende zaken. Totaal in de beroepsfase € 1.638,75.

5.4. Het verzoek tot veroordeling van verweerder tot een schadevergoeding wegens ontoelaatbaar lange vertraging, bestaande uit de kosten die uit die vertraging voortvloeien en in ieder geval bestaat uit een bedrag aan invorderingsrente, wijst de rechtbank af. De invorderingsrente wordt bij een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking aan eiseres bekend gemaakt. Bij die gelegenheid heeft eiseres de mogelijkheid genoemde grieven aan te voeren.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de utb’s tot:

utb 1: € 19.687,18,

utb 2: € 58.565,43,

utb 3: € 8.240,90,

utb 4: € 296,27,

utb 5: € 182.318,44;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.685,75;

- gelast dat verweerder aan eiseres het griffierecht van € 298 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Roke, voorzitter, mr. A. van Dongen en

mr. C.J. Hummel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.