Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU8684

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
182580 - FA RK 11-2073
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Alimentatie. Wijziging van omstandigheden: meerderjarige zoon woont inmiddels in bij vader en heeft geen inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 182580 / FA RK 11-2073

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 13 december 2011

in de zaak van:

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.E. Brinkman, kantoorhoudende te Purmerend,

tegen

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H.R. Kant, kantoorhoudende te Krommenie.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man van 16 juni 2011, ingekomen op dezelfde datum;

- het verweerschrift van de vrouw van 20 juli 2011;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 21 oktober 2011.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 november 2011 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. M.E. Brinkman en de vrouw door mr. H.R. Kant.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen zijn op [datum] 1986 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] 2010 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 11 mei 2010.

Deze beschikking is nadien gewijzigd door het Gerechtshof Amsterdam bij uitspraak van 4 januari 2011.

2.2 Uit dit huwelijk is geboren [naam], thans 23 jaar oud.

2.3 Bij de laatst genoemde uitspraak van het hof is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.813 per maand moet voldoen.

3 Verzoek

Met als grondslag dat de uitspraak van het hof door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan wettelijke maatstaven, dan wel vanaf aanvang af niet heeft beantwoord aan de wettelijke maatstaven doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, heeft de man verzocht deze beschikking te wijzigen in die zin, dat de partnerbijdrage zodanig wordt verminderd dat deze in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

4 Verweer

De vrouw heeft daartegen als verweer gevoerd dat het hof niet uitgegaan is van onjuiste gegevens, het onderhavige verzoek is een verkapt hoger beroep. De man beschikt over voldoende draagkracht om de vastgestelde partnerbijdrage te kunnen betalen.

5 Beoordeling

ontvankelijkheid

5.1 Op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer deze nadien voor wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Voorts kan een rechterlijke uitspraak op grond van artikel 1:401 lid 4 BW worden gewijzigd of ingetrokken indien deze van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.2 Door de vrouw is aangevoerd dat er sprake is van een verkapt hoger beroep. In het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2004, LJN: AO4015 heeft de Hoge Raad bepaald dat verzoeken tot wijziging van een rechtelijke uitspraak omdat deze van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan ook open staat als de benadeelde partij de vergissing heeft kunnen bemerken voor afloop van de termijn voor hoger beroep doch dat rechtsmiddel niet heeft aangewend om de vergissing te doen herstellen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat thans ter beoordeling voorligt of het hof is uitgegaan van onjuiste, dan wel onvolledige, gegevens.

5.3 De man heeft aangevoerd dat het hof uitgegaan is van onjuiste gegevens, nu ten onrechte is uitgegaan van de fiscale jaarcijfers van de onderneming van de man in plaats van de commerciële jaarcijfers. De rechtbank overweegt dat fiscale jaarcijfers het algemeen aanvaarde en gebruikelijke uitgangspunt zijn voor de beoordeling van het inkomen van een alimentatieplichtige. Hierin is dus geen aanleiding gelegen om de man te volgen in zijn standpunt dat het hof van onjuiste gegevens is uitgegaan. Voorts is in geschil of het hof het resultaat van de onderneming van de man had behoren te corrigeren. Hierbij is sprake van een rechterlijk oordeel, waarbij het hof de feiten en omstandigheden heeft afgewogen en aldus tot het oordeel is gekomen dat er geen aanleiding bestaat een nadere correctie op de winst toe te passen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet gebleken is dat het hof uit is gegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. De uitspraak van het hof kan dan ook niet op deze grond gewijzigd worden.

5.4 Ten aanzien van de door de man gestelde wijziging van omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat de 23 jarige zoon van partijen bij de vader woont. De zoon, [naam], kampt met een drugsverslaving en is daardoor bij zijn laatste werkgever in maart van dit jaar ontslagen. [naam zoon] is thans werkloos, ontvangt geen bijstandsuitkering en heeft vooralsnog geen zicht op een andere baan. De vrouw heeft ter zitting voornoemde feiten erkend. Zij stelt zich op het standpunt dat de zoon in eigen onderhoud dient te voorzien.

De rechtbank overweegt dat de vader weliswaar geen wettelijke onderhoudsplicht heeft ten aanzien van [naam zoon] op grond van boek 1 BW, maar er is wel sprake van een natuurlijke verbintenis. Indien een kind (tijdelijk) geen inkomsten heeft dan wel geen recht heeft op een uitkering, ook al is dit in overwegende mate aan hemzelf te wijten, zijn de ouders gehouden het kind op basale wijze financieel te ondersteunen. Er is dan ook sprake van een gewijzigde omstandigheid en het beroep is daarom ontvankelijk.

draagkracht

5.5 Bij de beoordeling van de draagkracht aan de zijde van de man is de rechtbank uitgegaan van de volgende, aan de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ontleende gegevens:

- zelfstandigenaftrek van € 7.222;

- bijtelling eigen-woningforfait van € 1.166 op jaarbasis;

- fiscaal aftrekbare hypotheekrente van € 3.996 op jaarbasis.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende heffingskortingen:

- algemene heffingskorting;

- arbeidskorting.

De rechtbank houdt tevens rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent, en een draagkrachtpercentage van 60.

Voorts worden de volgende niet, of niet langer bestreden maandelijkse lasten van de man in aanmerking genomen:

- de aftrekbare hypotheekrente van € 333;

- de niet aftrekbare hypotheekrente van € 333;

- het forfait overige eigenaarslasten van € 95;

- op aanslag zelf betaalde inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van € 157;

- de premie Zorgverzekeringswet, van € 65, waarbij rekening wordt gehouden met het in de bijstandsnorm verdisconteerde bedrag;

- de (zelf te betalen) premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 520;

- de premie voor lijfrente van € 300.

Daarentegen twisten partijen thans nog over de – omvang van de – volgende, hierna te bespreken posten.

De rechtbank kiest als basis voor de berekening van de draagkracht van de man de winst in de onderneming over de laatste drie jaren, te weten 2008, 2009 en 2010. Hierbij wordt uitgegaan van de fiscale jaarcijfers. Voor een correctie, zoals door de man aangegeven, is dan ook geen plaats. De rechtbank gaat uit van een bedrijfsresultaat over die jaren van gemiddeld € 57.988.

5.6 Ten aanzien van de kosten van [naam zoon] overweegt de rechtbank als volgt. [naam zoon] woont in bij de man. Niet in geschil is dat [naam zoon] zonder toestemming geld van de bankrekening van de man opneemt. [naam zoon] gaat circa éénmaal per week bij de vrouw eten. Zij ondersteunt [naam zoon] materieel niet op andere wijze. De rechtbank acht het onjuist dat de kosten van de man voor [naam zoon] ter hoogte van de bijstandsnorm worden opgevoerd. Hoewel de man heeft aangegeven dat hij zich geroepen voelt om de financiële verplichtingen die door [naam zoon] zijn aangegaan, te voldoen, bestaat daartoe geen wettelijke grondslag. De rechtbank acht het redelijk om uit te gaan van een bedrag van € 200 per maand, die de man zal uitgeven aan voedsel en verzekeringen van [naam zoon]. Nu de man een alimentatieverplichting heeft jegens de vrouw zal de rechtbank in redelijkheid bepalen dat voornoemd bedrag tot 1 juni 2012 of zoveel eerder als [naam zoon] weer een arbeidsbetrekking heeft, in mindering wordt gebracht op zijn draagkracht. De rechtbank is van oordeel dat verwacht mag worden dat [naam zoon] binnen zes maanden weer op eigen benen kan staan.

5.7 Op grond van voormelde gegevens, hetgeen hiervoor is overwogen en rekening houdend met de fiscale effecten, wordt de man in staat geacht tot betaling van een partnerbijdrage van € 1.252 per maand, met ingang van 1 maart 2011, de maand waarin [naam zoon] werkloos is geworden, tot 1 juni 2012 of zoveel korter indien [naam zoon] eerder in zijn levensonderhoud kan voorzien. Vanaf 1 juni 2012 wordt de man in staat geacht tot betaling van een partnerbijdrage van € 1.459 per maand.

De rechtbank zal in die zin beslissen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Bepaalt met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van het Gerechtshof Amsterdam 4 januari 2011 dat de man aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud € 1.252 per maand, met ingang van 1 maart 2011 tot 1 juni 2012, en voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.

6.2 Bepaalt dat de man nadat met ingang van 1 juni 2012 aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen € 1.459 per maand

6.3 Wijst er – ten overvloede – op dat de hiervoor vastgestelde bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

6.4 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.5 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Otter, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Loggen-ten Hoopen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2011.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.