Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU6957

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-10-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
185496 - KG ZA 11-428
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding tegen Stichtingsbestuur school.

(Artt. 28/29 Verdrag Rechte Kind; 2 Protocol en 8 EVRM; 1:247 BW; WVO)

Kind wordt door directeur niet toegelaten tot de lessen van het 4e leerjaar van het VMBO omdat hij niet voldoet aan de internaatsverplichting. Vordering van de ouders (namens zichzelf en het kind) tot plaatsing dan wel toelating van het kind tot de lessen en alle overige voorzieningen waar de leerlingen recht op hebben wordt afgewezen.

Ouders zijn weliswaar ontvankelijk in hun verzoek omdat zij een zelfstandig belang hebben bij de vordering, maar de Stichting heeft in beginsel de vrijheid om het onderwijs naar eigen bevinden in te richten en een internaatsverplichting op te leggen. Niet gebleken is dat internaatsverplichting in het onderhavige geval in strijd met belang van het kind is. In het kader van het kort geding is evenmin gebleken dat de (totstandkoming van de) internaatsverplichting gebreken vertoont. De Stichting mocht aan schending van de internaatsverplichting de ontzegging tot de lessen verbinden. Geen sprake van schorsing of verwijdering van een leerling, maar van opschorting van de nakoming van de lesgevende taken. Volgt weigering van de gevraagde voorzieningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2012/317
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 185496 / KG ZA 11-428

Vonnis in kort geding van 17 oktober 2011

in de zaak van

1. [de vader],

wonende te [plaats],

2. [de moeder],

wonende te [plaats],

eisers,

advocaat mr. K.J. Slump te Leersum,

tegen

de stichting

STICHTING DUNAMARE ONDERWIJSGROEP,

gevestigd te Haarlem,

gedaagde,

advocaat mr. drs. J.P. Dikker te Haarlem.

Partijen zullen hierna enerzijds (als eisers gezamenlijk worden bedoeld) de ouders en (als ieder apart wordt bedoeld) de vader of de moeder en anderzijds Dunamare genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de ouders

- de pleitnota van Dunamare.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Vader en moeder vormen samen met hun drie kinderen, waaronder de middelste zoon [A] (hierna te noemen [A], geboren op [datum]), een gezin van scheepslieden. Vader en de oudste zoon (hierna te noemen: [B]) varen. Het gezin woont in [plaats], dicht bij de Maritieme Academie Harlingen (hierna te noemen: de Maritieme Academie), waar [B] zijn schooltijd heeft doorlopen en [A] als leerling voor het 4e leerjaar VMBO staat ingeschreven.

2.2. De Maritieme Academie is een school voor Rijn-, binnen-, en kustvaart en leidt op voor het beroep van ‘matroos binnenvaart’. De Maritieme Academie is onderdeel van Dunamare.

2.3. Op de website van de Maritieme Academie (http://www.maritiemeacademieharlingen.nl) staat onder meer het volgende:

“De Maritieme Academie Harlingen is met haar 200 leerlingen de grootste van de drie vmbo-opleidingen die in Nederland de beroepskwalificerende opleiding Rijn-, binnen- en kustvaart aanbieden.

(…)

Omdat de leerlingen uit het hele land komen, is aan de school een 24-uurs interne huisvesting voor 150 leerlingen verbonden.

(…)

Vmbo

(…)

Voor jongeren die niet dagelijks van huis naar school kunnen reizen, bieden wij huisvestingen; in of dichtbij de school.“

(…)

Gebouw en huisvesting

(…)

Aan de school is huisvesting verbonden waar de leerlingen wonen. Die ligt aan de westkant van het schoolgebouw. Voor leerlingen van het eerste en tweede leerjaar VMBO wordt soms een uitzondering gemaakt als ze heel dicht bij de school wonen. Vanaf het derde jaar is deelname aan huisvesting verplicht. Het is ook een onderdeel van het onderwijsproces.

In de latere praktijk moeten bemanningsleden ook samenwonen op een schip. In het vierde leerjaar wordt ingezet op zo zelfstandig mogelijk wonen onder minimale begeleiding.”

2.4. In de schoolgids van de Maritieme Academie (schooljaar 2010/2011) staat onder meer het volgende:

“Schoolgebouw en huisvesting

(…)

Ten westen van het nieuwe schoolgebouw staat het gebouw van de huisvesting waarin de leerlingen wonen. Een uitzondering kan gemaakt worden voor leerlingen uit het eerste en tweede jaar die zo dichtbij wonen dat het onderwijs hiervan geen schade ondervindt. Vanaf het derde leerjaar is de huisvesting voor alle leerlingen verplicht.”

2.5. [B] heeft tijdens zijn schooltijd thuis gewoond. [A] heeft tot op heden eveneens thuis gewoond. Voor het 3e leerjaar heeft [A], op verzoek van de ouders, ontheffing gekregen van de internaatsplicht. Bij brief van 13 april 2010 heeft de directeur van de Maritieme Academie, (hierna te noemen: [de directeur]) de ouders destijds onder het volgende geschreven:

“Wij hebben besloten uw verzoek te honoreren. Het betreft het schooljaar 2010-2011.”

2.6. Bij brief van 12 januari 2011 heeft [de directeur] aan de ouders onder meer het volgende geschreven:

“Betreft: intern 4e leerjaar

Voordat u er erg in heeft, is het schooljaar alweer ten einde!

Ik hoop dat [A] aan het eind van dit jaar overgaat naar de vierde klas. Voor dit jaar heeft hij vrijstelling van de internaatsplicht maar volgend jaar moet hij intern.

Zoals wij al vaker met u hebben gecommuniceerd zullen wij uw zoon/dochter niet toelaten tot de 4e klas als hij/zij niet intern gehuisvest wordt.

Wij zullen u in maart de bijbehorende papieren toesturen.”

2.7. Bij brief van 14 februari 2011 aan [de directeur] hebben de ouders tegen de beslissing bezwaar aangetekend.

2.8. Bij brief van 11 maart 2011 heeft [de directeur] de ouders nogmaals geschreven dat hun verzoek om [A] in het 4e leerjaar thuis te laten wonen niet wordt gehonoreerd.

2.9. Op 22 maart 2011 heeft op school tussen de ouders en [de directeur] een bespreking plaatsgevonden over de internaatsplicht van [A], waarbij ook [C] (huisvesting) aanwezig was. Op 24 maart 2011 heeft op school hierover nog een bespreking plaatsgevonden tussen [A] en [de directeur], waarbij [C] en [D] (teamleider bovenbouw) aanwezig waren.

2.10. Bij brief van 19 juli 2011 heeft een administratieve medewerker van de Maritieme Academie aan de ouders om een inkomstenverklaring gevraagd. Bij brief van 21 juli 2011 hebben de ouders hierop als volgt gereageerd:

“Gezien het feit dat [A] niet intern gaat -dit is reeds schriftelijk, mondeling en telefonisch aan Directie en medewerkers gemeld/besproken door ondergetekenden- is daaruit voortvloeiend het overleggen van een inkomstenverklaring niet van toepassing.

Tevens is het onjuist dat wij hebben besproken, dat de inkomstenverklaring later ingeleverd mag worden. Zie bovenstaand schrijven.”

2.11. Bij brief van 22 juli 2011 heeft [de directeur] aan de ouders onder meer het volgende geschreven:

“U hebt van ons op 13 april 2010 een brief ontvangen waarin wij [A] ontheffing verlenen om gedurende het 3e leerjaar niet intern te hoeven wonen. Dit betrof uitdrukkelijk het schooljaar 2010-2011.

Op uw verzoek hebben wij, naar aanleiding van uw brieven die wij u op 12 januari 2011 en 11 maart 2011 hebben verzonden en waarin wij de interne plaatsing gedurende het 4e leerjaar bevestigden, daarover een gesprek gehad op 22 maart 2011. In dat gesprek hebben wij u er nogmaals op gewezen dat wij [A] alleen in het 4e leerjaar zullen accepteren als hij intern komt wonen op onze huisvesting. Vervolgens heb ik dat ook nog in een apart gesprek met [A] besproken op 24 maart 2011.

(…)

Daarnaast wijs ik u er op dat in een soortgelijk geval de rechtbank in 2010 een duidelijke uitspraak heeft gedaan dat het bestuur van de Maritieme Academie Harlingen gerechtigd is van haar leerlingen te eisen dat zij intern komen wonen op haar huisvesting.

Mocht u het niet eens zijn met deze brief dan kunt u in beroep gaan bij het bestuur van de Maritieme Academie Harlingen.”

2.12. Bij brief van 8 augustus 2011 hebben de ouders aan de voorzitter van het College van Bestuur van Dunamare (hierna te noemen: [de voorzitter]), onder meer het volgende geschreven (hierna te noemen: het beroep):

“Betreft: Beroep beslissing d.d. 22 juli 2011

(…)

Op 22 juli jl. is ons middels een schrijven van [de directeur] (verder: locatiedirecteur) van de Maritieme Academie Harlingen te kennen gegeven, dat onze zoon [A] de toegang tot het vierde leerjaar geweigerd zal worden aan de Maritieme Academie te Harlingen indien hij niet intern komt.

(…)

De strekking van het schrijven van de locatiedirecteur impliceert dat [A] van de Maritieme Academie zal worden verwijderd, indien hij zich niet zal intern melden.

(…)

Alvorens wij de redenen waarom wij tegen het internaat tegen het interne traject voor [A] uiteenzetten, graag nog uw aandacht voor het volgende:

• De locatiedirecteur van de Maritieme Academie Harlingen is o.i. niet gerechtigd tot het nemen van een besluit tot verwijdering. Dat is voorbehouden aan de centrale directie. Zie pagina 18 onder L. Strafmaatregelen punt 8.

(…)

• Het nemen van een dergelijk besluit is gebonden aan strikt te volgen procedure, hetgeen hier vooralsnog niet is gebeurd.

• De locatiedirecteur wijst het verzoek tot ontheffing af zonder enige vermelding van de grond waarop, hetgeen eveneens strijdig is met de voorschriften. Het beroepen op een internaatsplicht is geen regen, doch een feit. Het weigeren van toegang tot de school en daarmee het volgen van de lessen, mist daardoor elke grondslag.

• Het weigeren van de toegang tot de school voor het vierde leerjaar en het volgen van dit laatste jaar op een reguliere VMBO school is in deze geen optie. De nautische vaardigheden welke voor een functie in de zeevaart benodigd zijn worden niet aangeboden op een regulier VMBO. [A] heeft recht op passend onderwijs en dat wordt hem dan zodoende ontnomen. Hij heeft zelf nadrukkelijk te kennen gegeven dat hij het dagelijks onderwijs op de Maritieme Academie wil volgen, echter niet intern. Verwijdering betekent o.i. een onoverkomelijke stagnering in zijn schoolloopbaan en daarmee de kans zich verder te ontwikkelen in de door hem gewenste richting en verdere nautische carrière.

(…)

• Het verlenen van ontheffing van de internaatsplicht voor het 3e en 4e leerjaar aan de broer van [A], die de opleiding succesvol heeft doorlopen en het nu zonder opgaaf van redenen weigeren daarvan aan [A] is in strijd met het wettelijke gelijkheidsbeginsel.

De redenen waarom wij ook voor het vierde en hiermee laatste leerjaar om een ontheffing van de internaatsplicht hebben verzocht zijn als volgt:

• Een ontheffing van de internaatsplicht heeft geen negatieve consequenties voor een nautische vervolgopleiding. Een verwijdering van de Maritieme Academie en als gevolg daarvan van afronden van het VMBO op een regulier middelbare school heeft dat wel.

• De locatiedirecteur heeft zelf een precedent geschapen voor de leden van ons gezin die op de Maritieme Academie onderwijs hebben gevolgd hebben dan wel volgen. Aan de oudste broer van [A] is zowel voor het 3e als het 4e leerjaar ontheffing verleend op de internaatsplicht.

• De Maritieme Academie Harlingen kan niet bewijzen dat het naschoolse interne traject een waardevolle toegevoegde waarde heeft die specifiek benodigd is voor deze opleiding. Uit niets blijkt dat de activiteiten en/of omstandigheden dar voldoende op zijn afgestemd.

• De resultaten van [A] wijken op geen enkele manier in negatieve zin af van zijn interne medeleerlingen. (…)

• De Maritieme Academie blijkt geen afdoende bescherming te kunnen bieden aan zijn minderjarige leerlingen tegen de bedreigingen van o.a. drugsproblematiek op school.

(…)

• [A] woont op 5 minuten fietsen van de Maritieme Academie Harlingen. Mochten er naschoolse (nautische) activiteiten plaatsvinden, dan is hij zonder meer in staat daar tijdig bij aanwezig te zijn en heeft dat tot op heden ook trouw en met enthousiasme gedaan.

Wij doen derhalve een dringend beroep om op basis van het bovenstaande toestemming te verlenen aan [A] het vierde (examen) jaar extern te laten afmaken op de Maritieme Academie Harlingen en daarmee de beslissing van de locatiedirecteur terug te draaien.”

2.13. Bij (ongedateerde) brief (van september 2011) heeft [de directeur] aan de ouders onder meer het volgende geschreven:

“Ik maak u attent op het volgende: wij verwachten [A] op dinsdag 6 september a.s. om 18.00 uur op de huisvesting van de Maritieme Academie Harlingen.

Wanneer hij zich niet meldt zal hij op woensdag 7 september geen toegang krijgen tot de lessen of overige activiteiten van de school.

Het staat u natuurlijk vrij om [A] aan te melden bij een andere school voor voortgezet onderwijs en wij zijn altijd bereid u daarbij te assisteren.

Ik heb inmiddels contact gehad met de RSG Simon Vestdijk in Harlingen. Zij zijn bereid om [A] een mogelijkheid te bieden om zijn VMBO af te maken.”

2.14. Bij brief van 8 september 2011 heeft mr. F.T. van Dormaël van de ARAG aan [de directeur] onder meer het volgende geschreven:

“Cliënten betwisten dat de Maritieme Academie [A] kunnen verplichten tot interne huisvesting. Daartoe hebben cliënten reeds schriftelijk bezwaar ingediend. Tot op heden heeft de Maritieme Academie op geen enkele wijze inhoudelijk gereageerd op de door cliënten aangevoerde bezwaren.

Vrijdag 9 september a.s. vindt hieromtrent hoorzitting plaats. Zonder de uitkomst van deze hoorzitting c.q. mondelinge toelichting van cliënten af te wachten heeft de Maritieme Academie aangekondigd [A] niet toe te laten tot de lessen indien hij zich niet meldt bij het internaat. Los van het feit dat het zeer stuitend is dat de Maritieme Academie voorafgaand aan de hoorzitting zo een beslissing zal nemen, is de locatiedirecteur van de Maritieme Academie geheel niet bevoegd om tot verwijdering van een leerling over te gaan. Immers uit het leerlingenstatuut blijkt dat de bevoegdheid tot verwijdering enkel toekomt aan de centrale directie.

Om te voorkomen dat in dit geschil het kind de dupe wordt is getracht om in ieder geval voor deze week nog een regeling te bewerkstelligen. Telefonisch heeft de secretaris van het College van Bestuur de standpunten meer dan duidelijk gemaakt. Uit het telefoongesprek kon worden opgemaakt dat de Dunamare Onderwijsgroep, althans de secretaris van de het College van Bestuur, het standpunt van de Maritieme Academie volgt. Sterker nog, er werd medegedeeld dat de locatiedirecteur wel degelijk bevoegd zou zijn om woensdag a.s. het besluit tot verwijdering te nemen. Dit zou immers reeds door de voorzieningenrechter te Haarlem d.d. 30-09-2010 zijn beslist. Cliënten zijn van mening dat deze uitspraak niet te vergelijken is met de onderhavige kwestie.

Nu op voorhand duidelijk is wat de uitkomst van de mondelinge toezegging zal zijn, zien cliënten zich op voorhand genoodzaakt de nodige rechtsmaatregelen te treffen. De kosten van de procedure zullen cliënten op de Maritieme Academie verhalen.”

2.15. Op 9 september 2011 heeft de hoorzitting in de beroepsprocedure plaatsgevonden.

2.16. Bij brief van 14 september 2011 heeft [F], namens [E], aan de ouders onder meer het volgende geschreven (hierna te noemen: de beslissing van Dunamare):

“Onderwerp

Beslissing

(…)

Naar aanleiding van uw beroep op de beslissing van de Directeur van de Maritieme Academie bericht ik u over mijn oordeel.

Ik zal ingaan op de argumenten die u schriftelijk bij brief d.d. 8 augustus en mondeling op 9 september hebt aangevoerd.

De directeur van de Maritieme Academie, [de directeur], is krachtens het directiestatuut van Dunamare bevoegd tot het nemen van dergelijke besluiten. Overigens heeft hij niet besloten [A] te verwijderen. Hij heeft besloten dat interne huisvesting een noodzakelijke voorwaarde is voor het vervolgen van de opleiding.

(…)

U bent van mening dat de verplichting voor [A] niet zou moeten gelden omdat hij veelvuldig op een schip verblijft. Wij zijn dat niet met u eens. De omstandigheden op het internaat, waar hij zonder op bekenden terug te vallen, leert om zichzelf te handhaven, zijn ook op [A] van toepassing.

De MAH is ervan overtuigd dat een intern traject wel degelijk bijdraagt aan het functioneren tijdens het uitoefenen van een zee of binnenvarend beroep. Of dat wel of niet het geval is en of dat bewezen kan worden is hier niet aan de orde. Behaalde resultaten op school spelen hier ook geen rol. Het verblijf op de huisvesting richt zich op het aanleren van sociale beroepscompetenties. Het feit dat [A] uit een zeervarend gezin komt kan geen rol spelen in het al dan niet intern gaan wonen.

(…)

Alle argumenten overziend kom ik tot de conclusie dat er geen aanleiding is het besluit van de directeur te herzien. [A] zal ook het huisvestingsgedeelte van de opleiding moeten doen. Ik acht dat ook in zijn belang.”

2.17. Bij e-mailbericht van 27 september 2011 heeft [G] van de onderwijsinspectie aan [de directeur] onder meer het volgende geschreven:

“Ter info: ik kreeg via jullie en via de leerplichtambtenaar de melding door van leerling [A], die thuis zit omdat hij – en zijn ouders – niet willen dat hij intern bij jullie verblijft. Vraag van de lpa was of de inspectie voor deze leerling hetzelfde standpunt hanteert als vorig jaar, in het geval van leerling Honderd. Ik heb geantwoord dat wij inderdaad op hetzelfde standpunt staan: gezien jullie opleidingsprogramma en de beroepscompetenties die dit opleidingsprogramma behelst is het een reële eis dat de leerling intern is bij jullie. Bovendien staat deze eis duidelijk vermeld in jullie schoolgids, dus ouders en leerlingen weten van tevoren dat dit een gegeven is.”

3. Het geschil

3.1. De ouders, mede in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van [A], vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Dunamare zal veroordelen om binnen één dag na betekening van dit vonnis over te gaan tot plaatsing dan wel toelating van [A] tot de lessen in 4 VMBO van de Maritieme Academie Harlingen en tot alle overige voorzieningen waar leerlingen op grond van hun inschrijving aanspraak op kunnen maken, tevens om [A] in staat te stellen om de inmiddels opgelopen achterstanden in te lopen en de schoolexamens voor hem zo vorm te geven dat hij in staat wordt gesteld dit jaar zijn eindexamen te behalen, en hem daarbij adequaat te begeleiden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 3.000,- voor ieder dag of gedeelte van de dag dat Dunamare in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, alsmede tot betaling van nakosten, tevens, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, een bedrag van € 87,41 zijnde de kosten van de betekening, een en ander met veroordeling van Dunamare in de proceskosten.

3.2. De ouders leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat Dunamare toerekenbaar tekort schiet in de uitvoering van de onderwijsovereenkomst, dan wel dat zij onrechtmatig handelt, door [A] niet toe te laten tot de lessen (en de overige voorzieningen ten behoeve) van het 4e leerjaar. Zij stellen zich daarbij op het volgende standpunt.

Op grond van de artikelen 28 en 29 van het Verdrag Inzake de Rechten van het Kind en artikel 2 van het Protocol bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft [A] recht op onderwijs en moet het recht van de ouders om zich van dat onderwijs te verzekeren overeenkomstig hun eigen filosofische overtuigingen worden geëerbiedigd. Op grond van artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn de ouders verplicht om de geestelijke en lichamelijke welzijn van [A] te bevorderen. Op grond van artikel 8 van het EVRM hebben de ouders en [A] recht op ‘Family life’. De Maritieme Academie is een van overheidswege bekostigde school die gehouden is aan de Wet Voortgezet Onderwijs (WVO), in het bijzonder aan de artikelen 23a, 23b en 24 en aan het Inrichtingsbesluit WVO, in het bijzonder aan de artikelen 13, 14. Dunamare heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een wettelijke grondslag bestaat voor de internaatsplicht en evenmin dat de internaatsplicht onderdeel uitmaakt van het onderwijscurriculum. Het door de Maritieme Academie aan [A] te bieden onderwijs is gratis en de ouders kunnen door de school niet verplicht worden om bij te dragen in de aan de internaatsplicht verbonden kosten, nu dit in strijd is met artikel 27 lid 2 WVO. Op grond van het voorgaande is de Maritieme Academie gehouden om de bij haar ingeschreven leerplichtige leerling [A] toe te laten tot de lessen en kan de weigering van [A], om aan de door de Maritieme Academie gehanteerde interneringseis te voldoen, geen grond voor schorsing (althans een schorsing van langer dan vijf dagen) en/of (het voornemen tot) verwijdering zijn.

De beslissing van het Maritieme Academie om [A] niet toe te laten tot de lessen voldoet niet aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur nu in de belangenafweging niet is voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. De beslissing is onvoldoende gemotiveerd en dus gebrekkig. Daarnaast is er geen sprake van een interneringsbeleid, althans is dit beleid in strijd met onderwijs wet- en regelgeving en is er sprake van willekeur bij de toepassing van het beleid.

De beslissing van Dunamare (op het beroepschrift van de ouders) voldoet evenmin aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur omdat geen afweging van belangen is gemaakt en die beslissing ook overigens onvoldoende is gemotiveerd. Dunamare heeft geen inzicht gegeven over de wijze waarop aan de verplichte inspraak van de ouders, als oudergeleding van de medezeggenschapsraad, door de Maritieme Academie is vormgegeven. Ter onderbouwing van deze stelling hebben de ouders gemotiveerd aangevoerd op welke punten Dunamare geen afweging van belangen heeft gemaakt, op welke punten de beslissing onvoldoende is gemotiveerd en op welke punten Dunamare inzicht had moeten verschaffen.

Het is voor [A] niet mogelijk om elders onderwijs te volgen omdat de VMBO scholen in de omgeving de leerlingen niet de specifieke nautische kennis aanleren die nodig is om voor het beroep ‘matroos binnenvaart’ en de scholen, die dat - naast de Maritieme Academie - wel doen, te weten de Maritieme Academies van IJmuiden en Rotterdam te ver weg liggen.

De Maritieme Academie is niet drugsvrij en evenmin in staat gebleken om, na een drugsgerelateerd incident, adequate maatregelen te treffen om dit in de toekomst te voorkomen. De ouders vrezen dat de veiligheid van [A], van wie gebleken is dat hij bij de inname van drugs een meer dan gemiddelde risico loopt, door de Maritieme Academie niet gewaarborgd kan worden als hij intern woont.

Het spoedeisend belang van de vordering is erin gelegen dat [A] op dit moment zonder onderwijs thuiszit en hij hierdoor een leerachterstand oploopt die mogelijkerwijs ertoe zal leiden dat hij niet in staat zal zijn aan het eind van dit eindexamenjaar zijn diploma te behalen.

3.3. Dunamare voert het volgende verweer.

De ouders moeten niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering, voor zover zij voor zichzelf optreden, omdat zij geen leer- of onderwijsovereenkomst met Dunamare hebben.

De internaatsplicht, althans de eis van de Maritieme Academie om de leerlingen in het 3e en 4e leerjaar intern te laten wonen, is een noodzakelijk onderdeel van de opleiding omdat de leerlingen door de verplichte huisvesting competenties aangeleerd krijgen die essentieel zijn voor het specifieke beroep waarvoor ze worden opgeleid. De internaatsplicht is een voorwaarde om onderwijs te volgen bij de Maritieme Academie en om daar het diploma ‘matroos binnenvaart’ te krijgen. De Maritieme Academie hanteert het interneringsbeleid en maakt hierop alleen in bijzondere gevallen een uitzondering. Dit staat ook zo vermeld op de website en in de schoolgids van de school. De ouders hebben bij de inschrijving van [A] op de Maritieme Academie ingestemd met de internaatsplicht. Bij diverse gelegenheden zijn de ouders, zowel mondeling als schriftelijk, nogmaals op de internaatsplicht gewezen, waarbij uitdrukkelijk te kennen is gegeven dat voor [B] gedurende zijn schooltijd en voor [A] gedurende het (1e, 2e en) 3e leerjaar een uitzondering is gemaakt. Het verzoek van de ouders om [A] voor het 4e leerjaar ontheffing te verlenen van de internaatsplicht is door de school afgewezen, waarbij aan hen te kennen is gegeven dat de door hen aangevoerde omstandigheden onvoldoende bijzonder zijn om tot een andere beslissing te komen.

Het door de Maritieme Academie aan [A] te bieden onderwijs is gratis in die zin dat lesmateriaal en schoolboeken voor rekening van de school komen en dat voor eventuele extra kosten een bijdrage van de ouders kan worden gevraagd, hetgeen bij de Maritieme Academie het geval is voor slechts een deel van de huisvestingskosten, die afhankelijk zijn van het inkomen van de ouders, die overigens van de overheid extra kinderbijslag krijgen voor uitwonende kinderen.

De artikelen 13 en 14 van het Inrichtingsbesluit WVO zijn op de beslissing niet van toepassing. Anders dan de ouders stellen, is de beslissing van de Maritieme Academie om [A] de toegang tot de lessen (en de overige voorzieningen ten behoeve) van het 4e leerjaar te ontzeggen niet een schorsing of een (voornemen tot) verwijdering, maar een opschorting van haar onderwijsplicht zolang [A] zich niet houdt aan één van de opleidingseisen. De Maritieme Academie is tot deze opschorting bevoegd en handelt daarmee niet onrechtmatig jegens [A] of zijn ouders, noch in strijd met de onderwijsovereenkomst tussen de Maritieme Academie en [A].

Dunamare betwist dat beslissingen van de overheidswege bekostigde instellingen zoals de Maritieme Academie moeten voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voor zover de school wel aan deze beginselen moet voldoen, stelt Dunamare dat de Maritieme Academie hieraan voldoet. Zij heeft de internaatsplicht op rechtsgeldige wijze vastgesteld en was (en is) bevoegd om [A] de toegang tot de lessen te ontzeggen zolang hij niet voldoet aan die verplichting. Voor zover de ouders stellen dat de school willekeur toepast omdat [B], de oudste broer van [A], niet intern heeft gewoond gedurende de opleiding, stelt Dunamare, dat in dat geval sprake was van overmacht aan de zijde van de Maritieme Academie omdat er in die periode een tekort aan huisvestingsplaatsen was, welk probleem inmiddels is opgelost door de uitbreiding/nieuwbouw van de huisvesting in augustus 2008.

Dunamare betwist dat de beslissing op het beroep van de ouders niet voldoet aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De beslissing is op rechtgeldige wijze tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Dunamare heeft als eerste verweer aangevoerd dat eisers niet ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering, voor zover zij deze hebben ingesteld voor zichzelf. Het verweer faalt. Gelet op het bepaalde in artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek (BW), aangaande het recht op opvoeding en artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), hebben de ouders van [A] een zelfstandig belang bij de vordering, zodat zij daarin behoren te worden ontvangen.

4.2. Naar de kern genomen gaat in het in dit geding om de vraag of Dunamare van (de ouders van) [A] kan vergen dat [A] intern woont gedurende (een deel van) zijn opleiding aan de Maritieme Academie en zo ja, of aan [A] de toegang tot de lessen kan worden ontzegd, indien hij niet aan die internaatsverplichting voldoet.

4.3. Uitgangspunt bij de beantwoording van deze vragen is dat Dunamare op grond van artikel 23, tweede lid van de Grondwet in beginsel de vrijheid heeft om het onderwijs naar eigen bevinden in te richten. Dit uitgangspunt brengt mee dat de rechter het beleid van de school ter zake met terughoudendheid heeft te toetsen.

4.4. Dunamare heeft uiteengezet op welke gronden zij tot de internaatsverplichting heeft besloten. Deze verplichting maakt deel uit van het onderwijscurriculum om de leerlingen voor te bereiden op een leven aan boord van een schip, waarbij samenleven en samenwerken in een kleine ruimte essentiële vaardigheden vormen. Met de internaatsverplichting voor een belangrijk deel voldaan aan het van overheidswege opgelegde verplichte aantal vaardagen voor het diploma matroos. De aldus geschetste internaatsverplichting komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor, zodat moet worden aangenomen dat Dunamare haar leerlingen in beginsel een dergelijke verplichting kan opleggen.

4.5. De bezwaren van (de ouders van) [A] tegen de internaatsverplichting vallen uiteen in twee categorieën. Enerzijds hebben zij bezwaar tegen de internaatsverplichting op zich, omdat zij menen dat deze niet in het belang van [A] is. Anderzijds menen zij dat (de totstandkoming van) deze verplichting van de Maritieme Academie gebreken vertoont. Bovendien wijzen de ouders van [A] op de ontheffing – ook voor het vierde leerjaar – die door de Maritieme Academie aan hun oudste zoon is verleend.

4.6. Invoelbaar is de wens van de ouders om zelf voor [A] te zorgen, die vijftien jaar oud is, en om hem thuis te laten wonen, zeker aangezien [A] en zijn ouders vlak bij het gebouw van de Maritieme Academie wonen. Deze wens rechtvaardigt op zichzelf echter niet een inbreuk op de als niet onredelijk aangemerkte internaatsverplichting.

4.7. Aan het voorgaande doet niet af dat de vader van [A] als schipper slechts weinig thuis is. Met recht voeren de ouders van [A] aan dat het van belang is dat [A] (ook) met zijn vader een band opbouwt, maar daar waar de langdurige afwezigheid van de vader van [A] kennelijk niet als onoverkomelijk wordt beschouwd, kan zij niet aan Dunamare worden tegengeworpen als argument tegen de internaatsverplichting. Het beroep op artikel 8 EVRM faalt dus.

4.8. Evenmin kan aan de internaatsverplichting afdoen de omstandigheid dat [A] als schipperskind ervaring heeft met het leven aan boord. Dunamare heeft hiertegen aangevoerd dat deze ervaring is opgedaan in gezinsverband en daarmee wezenlijk verschilt van de situatie waarop de internaatsverplichting beoogt voor te bereiden. De voorzieningenrechter oordeelt dat Dunamare gelet hierop in redelijkheid heeft kunnen weigeren om [A] ontheffing te verlenen van de internaatsverplichting.

4.9. Eisers hebben voorts betoogd dat het internaat niet veilig is. De ouders van [A] hebben in dit verband aangevoerd dat het internaat niet (soft)drugsvrij is en zij hebben gewezen op een drugsgerelateerd incident, waarbij [A], vanwege zijn toen gebleken hennepallergie, in een levensbedreigende situatie is beland. Dunamare heeft daartegenover gewezen op het antidrugsbeleid dat wordt gevoerd op de Maritieme Academie. Het incident waarop de ouders hebben gewezen heeft zich niet voorgedaan in het internaat, maar aan boord van een van de stageschepen, en kan om die reden geen grond vormen voor het oordeel dat het internaat onvoldoende veilig is. Voor het overige hebben de ouders onvoldoende concreet aangegeven dat en in hoeverre op het internaat drugs circuleren om tegenover het daarop gerichte beleid van de school tot het oordeel te komen dat sprake is van een onveilige situatie.

4.10. Gelet op de voorgaande overwegingen komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat de bezwaren van de ouders tegen de internering van [A] onvoldoende zwaarwegend zijn om Dunamare te verplichten hem daarvan te ontheffen.

4.11. Eisers hebben betoogd dat de internaatsverplichting, gelet op de daaraan verbonden financiële bijdrage, in strijd is met artikel 27, tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs, dat verbiedt dat toelating van een leerling afhankelijk wordt gesteld van een geldelijke bijdrage. De voorzieningenrechter verwerpt het betoog. Gesteld noch gebleken is dat de toelating van [A] tot de Maritieme Academie afhankelijk is gesteld van het betalen van een geldelijke bijdrage in de kosten van het internaat. De weigering om [A] toe te laten tot de lessen is ook niet ingegeven door de weigering om de internaatsbijdrage te voldoen. Gelet hierop kan de meer principiële vraag of en zo ja, op welke wijze een geldelijke bijdrage in de internaatskosten verplicht kan worden gesteld in dit kort geding buiten bespreking blijven.

4.12. Eisers hebben ook een beroep gedaan op de artikelen 23a en 24 Wvo in verbinding met artikel 10 van de Wet medezeggenschap scholen en in dat verband gesteld dat Dunamare ten onrechte heeft nagelaten de internaatsverplichting op te nemen in het schoolplan. Daarnaast hebben eisers aangevoerd dat Dunamare geen internaatsverplichting kan opleggen of handhaven, zo lang die niet is opgenomen in het Programma voor Toetsing en Afsluiting.

4.13. De voorzieningenrechter gaat aan deze stellingen voorbij. De aard van het kort geding brengt mee dat beoordeeld moet worden of gronden aanwezig zijn om [A] bij wijze van voorziening bij voorraad (in afwachting van een procedure ten gronde) toe te laten tot de lessen van de Maritieme Academie. De door eisers betoogde schendingen lenen zich niet voor behandeling in kort geding en dienen in een bodemprocedure dan wel op de in genoemde wetten voorziene wijze aan de orde te worden gesteld.

4.14. Ten slotte hebben de ouders van [A] betoogd dat Dunamare in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel door in andere gevallen (te weten ten aanzien van hun oudste zoon [B]) wel ontheffing te verlenen van de internaatsverplichting voor het vierde jaar, maar in het geval van [A] niet. Dunamare heeft uiteengezet dat de beslissing ten aanzien van [B] was ingegeven door een noodsituatie, namelijk ruimtegebrek, en dat om die reden een uitzondering is gemaakt op het uitgangspunt dat voor het vierde leerjaar geen ontheffing wordt verleend. Inmiddels is er geen ruimtegebrek meer. Daarmee heeft Dunamare voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen.

4.15. De voorgaande overwegingen leiden tot de slotsom dat in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond wordt gevonden om in dit kort geding te oordelen dat Dunamare [A] geen internaatsverplichting mag opleggen. Aldus rijst de vraag of Dunamare aan schending van de internaatsverplichting de ontzegging tot de lessen mag verbinden.

4.16. Eisers hebben ten slotte betoogd dat de weigering van Dunamare om [A] tot de lessen toe te laten op gebrekkige wijze tot stand is gekomen en hebben in dat verband gewezen op een aantal beginselen van behoorlijk bestuur die volgens hen zijn geschonden. Zij hebben voorts gewezen op de artikelen 13 en 14 Inrichtingsbesluit Wvo omtrent de schorsing en verwijdering van leerlingen.

4.17. De door Dunamare genomen beslissing om [A] toegang tot de lessen te ontzeggen kan de toets der kritiek doorstaan. Daarvoor acht de voorzieningenrechter van belang dat het aan de ouders van [A] reeds voorafgaand aan de opleiding duidelijk was of moest zijn dat daaraan een internaatsverplichting was verbonden. Ook hun oudste zoon had immers al de Maritieme Academie doorlopen en aan hem was ontheffing van de reeds bestaande verplichting verleend. De ouders van [A] hadden moeten begrijpen dat deze ontheffing een uitzondering vormde op de bestaande regels. De directeur van de Maritieme Academie heeft tijdig kenbaar gemaakt dat voor het vierde leerjaar géén ontheffing zou worden verleend. Dunamare heeft eisers in de gelegenheid gesteld om hun bezwaren tegen de internaatsverplichting kenbaar te maken en heeft, gehoord deze bezwaren, in redelijkheid kunnen beslissen om de internaatsverplichting te handhaven. Dunamare heeft in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat [A], indien hij niet intern komt wonen, aan het einde van zijn opleiding niet zal voldoen aan de van overheidswege opgelegde vaardageneis en om die reden niet het diploma matroos zal kunnen verwerven. Bij die stand van zaken kan van Dunamare niet worden verlangd dat zij wel doorgaat met het geven van onderwijs aan [A] en kan de weigering om hem de toegang tot de lessen te ontzeggen niet als disproportioneel of anderszins niet passend worden aangemerkt.

4.18. Ten slotte verwerpt de voorzieningenrechter ook het beroep op de artikelen 13 en 14 Inrichtingsbesluit Wvo omtrent schorsing en verwijdering van leerlingen. Dunamare heeft gemotiveerd aangegeven dat geen sprake is van een sanctie, maar van opschorting van de nakoming van haar lesgevende taken, zolang [A] zijnerzijds niet aan de internaatsverplichting voldoet. [A] heeft het lesmateriaal behouden en blijft toegang houden tot de digitale systemen van de school, om de lesachterstand zo veel mogelijk te beperken. Wat er zij van de vraag naar de kwalificatie van de in geding zijnde beslissing, in het licht van het beperkte toetsingskader van de kort gedingrechter kan niet worden geoordeeld dat de handelwijze van Dunamare zodanige gebreken vertoont dat de vorderingen van eisers dienen te worden toegewezen.

4.19. Buiten kijf staat dat [A] zo snel mogelijk weer naar school moet. Dunamare mag daar evenwel de voorwaarde aan verbinden dat [A] op het internaat verblijft. Aan de voorzieningenrechter staan geen middelen ten dienste om die gewenste situatie te bewerkstelligen en zal dan ook moeten volstaan met een afwijzing van de vorderingen van eisers. Aldus wordt beslist. Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Dunamare worden begroot op:

- vast recht € 560,-

- salaris advocaat € 816,-

Totaal €1.376,-

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1 weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2 veroordeelt de ouders in de proceskosten, aan de zijde van Dunamare tot op heden begroot op €1.376,-,

5.3 verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Sicking en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2011.?