Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU6855

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
11/165
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2013:2148
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Periode van non-activiteit behoort niet tot de houdsteractiviteiten van eiseres in de zin van artikel 20, vierde lid, van de Wet Vpb. Verlies is in casu niet aan te merken als houdsterverlies. Geen strijd met doel en strekking wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/3032
FutD 2011-3015 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 11/165

Uitspraakdatum: 2 december 2011

Uitspraak in het geding tussen

[X] U.A., gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigde: mr. drs. P. Boonstra

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij beschikking met dagtekening 31 mei 2010 heeft verweerder het vastgestelde verlies van eiseres in het belastingjaar 2007 van € 28.176 aangemerkt als houdsterverlies in de zin van artikel 20, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb). Tevens heeft verweerder op diezelfde datum bij beschikking het saldo van de boekwaarde van de vorderingen en schulden op verbonden lichamen als bedoeld in artikel 20, vierde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet Vpb vastgesteld op nihil.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 januari 2011 de beschikkingen gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2011. Voor eiseres is daar haar gemachtigde verschenen, vergezeld van mr. A.J. de Vries. Namens verweerder zijn verschenen W.S. Sastrokarijo, A. Laban en G.J. Drenth. De beroepen zijn gezamenlijk en gelijktijdig behandeld met de beroepen in de zaken AWB 11/697 ten name van [BEDRIJF A] B.V. en AWB 11/735 ten name van [BEDRIJF B] B.V.

1.5. Na de zitting heeft eiseres een nader stuk ingediend. Dit stuk is geretourneerd aan eiseres. De rechtbank heeft het stuk niet in haar beoordeling van het geschil betrokken.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres is opgericht op 23 oktober 2007. Het onderhavige boekjaar beslaat voor eiseres de periode van 23 oktober 2007 tot en met 31 december 2007.

2.2. Eiseres heeft op 7 november 2007 een belang van 98,89% verworven in [BEDRIJF C] S.A. welk belang haar enige deelneming is in 2007. Behalve deze verwerving heeft eiseres in 2007 geen andere activiteiten ontplooid.

2.3. De periode van 7 november 2007 tot en met 31 december 2007 is minder dan 90% van het boekjaar van eiseres.

2.4. Eiseres heeft als doel zich bezig te houden met houdster- en financieringsactiviteiten. Het door eiseres geleden verlies in 2007 is € 28.176. Dit verlies is ontstaan door kosten welke zijn gemaakt in het kader van houdsteractiviteiten.

3. Geschil

3.1. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of het door eiseres in 2007 geleden verlies dient te worden aangemerkt als houdsterverlies.

3.2. Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend met het argument dat zij minder dan 90% van het boekjaar een deelneming hield. Zij concludeert tot vernietiging van de twee aangevallen beschikkingen. Zij verzoekt een schadevergoeding wegens de door haar in bezwaar en beroep gemaakte onkosten.

3.3. Verweerder beantwoordt deze vraag bevestigend omdat de activiteiten van eiseres in het boekjaar uitsluitend hebben bestaan uit houdsteractiviteiten en concludeert dat het beroep ongegrond is en dat er voor schadevergoeding geen reden is.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De vraag die partijen verdeeld houdt is een vraag naar de interpretatie van artikel 20, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet Vpb. Deze bepaling, voorzover hier van belang, luidt als volgt:

Indien de feitelijke werkzaamheid van een belastingplichtige gedurende het gehele of nagenoeg het gehele jaar uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van met hem verbonden lichamen, is in afwijking van het tweede lid het verlies van dat jaar slechts verrekenbaar met de belastbare winsten, onderscheidenlijk de Nederlandse inkomens, van jaren waarin:

a. de feitelijke werkzaamheid van de belastingplichtige eveneens gedurende het gehele of nagenoeg het gehele jaar uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van met hem verbonden lichamen,

(…)

4.2. Deze verliesverrekeningsbeperking is derhalve van toepassing indien de feitelijke werkzaamheid van belastingplichtige aan de volgende twee cumulatieve voorwaarden voldoet:

a. deze werkzaamheid bestaat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van verbonden lichamen;

b. deze werkzaamheid vindt gedurende het gehele of nagenoeg gehele jaar plaats.

4.3. De zinsnede ‘gedurende het gehele jaar of nagenoeg het gehele jaar’ betekent een gedeelte van het jaar van 90% of meer. Met het woord ‘jaar’ wordt ingevolge artikel 7, vierde lid, van de Wet Vpb een boekjaar bedoeld.

4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de feitelijke werkzaamheid van eiseres in het onderhavige boekjaar uitsluitend heeft bestaan uit het houden van de deelneming.

4.5. Voor zover verweerder meent dat voorbereidende werkzaamheden zijn verricht voorafgaande aan de verwerving van de deelneming en zich op het standpunt stelt dat deze voorbereidende werkzaamheden voor de toepassing van de bepaling zijn toe te rekenen aan de houdsteractiviteiten van eiseres, volgt de rechtbank hem niet. Dit is een extensieve interpretatie welke geen steun vindt in de wet of de wetsgeschiedenis. Voorbereidende werkzaamheden voor het gaan houden van een deelneming kwalificeren niet als “het houden van deelnemingen” als vermeld in de onderhavige bepaling.

4.6. Uitgangspunt bij de beoordeling van dit geschil is derhalve dat eiseres gedurende meer dan 10% van het jaar geen activiteiten heeft ontplooid.

4.7. De vraag is of deze periode van non-activiteit tot de houdsteractiviteiten van eiseres in de zin van artikel 20, vierde lid, van de Wet Vpb moet worden gerekend.

4.8. Artikel 20, vierde lid, van de Wet Vpb is tegelijk met enige andere maatregelen bij de Nota van Wijziging aan het Belastingplan 2004 toegevoegd. Een van die samenhangende maatregelen is de introductie van de aftrekbaarheid van deelnemingskosten in buitenlandse deelnemingen. In de in de Nota opgenomen toelichting is over ratio en inhoud het volgende gezegd:

Vennootschappen die zich nagenoeg uitsluitend bezig houden met het houden van deelnemingen, hebben weinig belastbare winst. De voordelen uit de deelnemingen zijn immers vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling. Als gevolg van de uitspraak van het Hof van Justitie van de EG kunnen de kosten die verband houden met deelnemingen voortaan wel volledig worden aftgetrokken. Dit geldt ook voor jaren waarover de aanslag nog niet definitief is vastgesteld. Voor deze jaren zal de aftrek van deze kosten voor houdstermaatschappijen daarom in veel gevallen leiden tot een compensabel verlies. Bij een ongewijzigde voortzetting van de activiteiten van een houdstermaatschappij zal dit compensabele verlies niet of slechts in beperkte mate kunnen worden verrekend. Voor de houdstermaatschappij zou dit aanleiding kunnen zijn om naast houdsteractiviteiten andere activiteiten te gaan verrichten, waarmee belastbare winst wordt gerealiseerd. Indien dit activiteiten zijn waarvan de winst voordien reeds in Nederland in de heffingsgrondslag werd betrokken, zou dit leiden tot een uitholling van de heffingsgrondslag. Daarom wordt een maatregel voorgesteld die de verliesverrekening door houdstermaatschappijen beperkt.

De maatregel houdt in dat verliezen die worden geleden in een jaar waarin de belastingplichtige kwalificeert als houdstermaatschappij, uitsluitend mogen worden verrekend met winsten die betrekking hebben op jaren waarin de belastingplichtige ook als zodanig kwalificeert. Als een belastingplichtige als gevolg van «bijmenging» van activiteiten zijn status van houdstermaatschappij verliest, kunnen de compensabele verliezen die op dat moment bestaan, derhalve niet worden verrekend met winsten die worden behaald in een jaar dat de belastingplichtige niet kwalificeert als houdstermaatschappij. Onder een houdstermaatschappij wordt in dit verband verstaan een maatschappij waarvan de werkzaamheden het gehele of nagenoeg gehele jaar uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaan uit het houden van deelnemingen of het financieren van verbonden lichamen.

(Kamerstukken 29 210, Wijziging van enkele belastingwetten c.a., nummer 8 Nota van Wijziging, Algemeen deel, paragraaf 6)

4.9. Tijdens de parlementaire behandeling merkt de staatssecretaris op:

Voor houdstermaatschappijen die deelnemingskosten maken, gaat van het feit dat deze deelnemingskosten voortaan aftrekbaar zijn een stimulans uit voor het ontplooien van nieuwe winstgevende “niet-houdster”activiteiten in Nederland. Vanaf het moment dat deze nieuwe activiteiten uitgeoefend worden, zal de desbetreffende vennootschap niet meer als houdster worden aangemerkt en kunnen de deelnemingskosten die vanaf dat moment gemaakt worden zowel binnen het jaar als over de jaargrens heen worden verrekend met de winsten uit deze nieuwe activiteiten.

(Kamerstukken 29 210, Wijziging van enkele belastingwetten c.a., nummer 25 Nota naar aanleiding van het nader verslag, pagina 18)

4.10. Zowel de wettekst als de toelichting noemen uitdrukkelijk als bestanddeel van de definitie van houdstermaatschappij het gedurende tenminste 90% van het jaar verrichten van de omschreven feitelijke werkzaamheid. Indien een grammaticale interpretatie wordt gevolgd, voldoet eiseres niet aan dit bestanddeel van de definitie van houdstermaatschappij. Zij heeft immers gedurende een periode van meer dan 10% geen feitelijke werkzaamheden verricht en daarmede een periode van minder dan 90% van het boekjaar een deelneming gehouden.

4.11. Voorts is de vraag aan de orde of op enige wijze doel en strekking van de wetgeving moeten leiden tot de conclusie dat het verlies van eiseres als houdsterverlies in de zin van artikel 20, vierde lid, van de Wet Vpb moet worden aangemerkt.

4.12. Het antwoord op deze vraag luidt ontkennend. Uitgangspunt in het wetsvoorstel is dat deelnemingskosten aftrekbaar zijn en verliezen die ontstaan door deelnemingskosten verrekenbaar zijn. Artikel 20, vierde lid, van de Wet Vpb vormt een beperking op deze verliesverrekening. Echter, uitdrukkelijk is niet het gehele houdsterverlies van verrekening uitgesloten; de bepaling is zo geformuleerd dat het houdsterverlies slechts in een beperkt aantal gevallen met winsten uit andere ondernemingsactiviteiten kan worden verrekend. Deze beperking van de verliesverrekening is voorts slechts met de hierboven geciteerde definities van houdstermaatschappij afgebakend; dit heeft tot gevolg dat op basis van feitelijk vast te stellen percentages wordt beslist of een verlies als houdsterverlies moet worden aangemerkt. De wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat een principiële keuze is gemaakt. Indien een belastingplichtige zich gedurende een periode van minder dan 90% van het (boek)jaar bezighoudt met het houden van deelnemingen of het financieren van met hem verbonden lichamen, bestaat er geen beperking voor de verrekening van haar in dat jaar gemaakte verliezen. Er is daarom geen aanleiding deze bepaling, die de verliesverrekening beperkt, in de situatie van eiseres in het nadeel van eiseres extensief te interpreteren.

4.13. Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat de rechtbank, anders dan verweerder, van oordeel is dat noch aan de statutaire doelstelling, noch aan de oorsprong van de kosten, hetzij zelfstandig, hetzij in onderlinge samenhang beschouwd, doorslaggevende betekenis toekomt voor het antwoord op de vraag of eiseres houdstermaatschappij is in de zin van artikel 20, vierde lid, van de Wet Vpb. Het begrip ‘feitelijke werkzaamheid’ dwingt de kwalificatie te doen plaatsvinden op basis van de feitelijk uitgevoerde activiteiten en de oorsprong van de kosten is niet van belang nu het uitgangspunt is dat deelnemingskosten wel aftrekbaar zijn.

4.14. Het beroep van eiseres is gegrond; de beschikking vaststelling kwalificatie verlies als houdsterverlies en de beschikking vaststelling saldo gelieerde vorderingen en schulden dienen te worden vernietigd.

5. Proceskosten

5.1. De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het bezwaar en het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Daarvan is echter niet gebleken. De rechtbank acht niet aannemelijk dat ten tijde van de uitspraak op bezwaar duidelijk was dat de onderhavige beschikkingen geen stand zouden houden in de beroepsprocedure.

5.2. De kosten van eiseres zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.092,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 218,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de beschikkingen vaststelling kwalificatie verlies 2007 als houdsterverlies en de vaststelling saldo gelieerde vorderingen en schulden 2007 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.092,-;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 302,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Koole, voorzitter, mr. A.A. Fase en mr. J.M. van Kempen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Ruis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.