Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU6813

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
05-12-2011
Zaaknummer
403343
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat de minderjarige zich verzet tegen haar terugkeer naar Polen en dat dit verzet verder strekt dan de wens om bij haar moeder te blijven. Voor de minderjarige is het leven in Polen zodanig verweven met en beïnvloed door haar vader dat zij zich niet alleen verzet tegen hereniging met haar vader maar evenzeer tegen terugkeer naar Polen. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek om teruggeleiding van de minderjarige afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Nevenzittingsplaats 's-Gravenhage

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Rekestnummer : FA RK 11-7336

Zaaknummer : 403343

Datum beschikking : 8 november 2011

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 15 september 2011 ingekomen verzoek van:

de Directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische zaken van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Staatsblad 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Tractatenblad 1987, 139),

gevestigd te 's-Gravenhage,

verder te noemen: de Centrale Autoriteit,

optredend voor zichzelf en namens:

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats vader] (Polen).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats moeder],

advocaat: mr. T.M. Coppes te Aerdenhout.

Procedure

Van de zijde van de vader is op 11 maart 2011 bij de Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding van na te noemen minderjarige [de minderjarige] naar Polen. Op 15 september 2011 heeft de Centrale Autoriteit onderhavig verzoekschrift bij de rechtbank Haarlem ingediend.

De rechtbank Haarlem is bevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Bij beschikking d.d. 20 september 2011 heeft zij echter op de bepaald dat de behandeling van dit verzoek op de in de beschikking genoemde gronden plaatsvindt in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het faxbericht met bijlagen d.d. 6 oktober 2011 van de Centrale Autoriteit;

- het verweerschrift.

De rechtbank heeft gelet op de inhoud van de zich in het dossier bevindende stukken aanleiding gezien om het InternatHet vionaal Juridisch Instituut (hierna: het IJI) te vragen wat het betekent voor het gezagsrecht van de ouders dat er naar Pools recht een curator over de minderjarige is benoemd. Op 11 oktober 2011 heeft de rechtbank het rapport van het IJI ontvangen. Partijen hebben ter zitting een afschrift van dit rapport ontvangen.

De minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Polen), heeft op 11 oktober 2011 in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.

Op 11 oktober 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. J.A. Krab;

- de moeder en haar advocaat alsmede mevrouw H.K. Makulska die de vrouw bijstond als tolk in de Poolse taal.

Na de zitting heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

- het faxbericht met bijlagen d.d. 24 oktober 2011 van de zijde van de moeder;

- het faxbericht d.d. 24 oktober 2011 van de Centrale Autoriteit;

- de brief met bijlagen d.d. 31 oktober 2011 van de zijde van de moeder;

- het faxbericht d.d. 7 november 2011 van de Centrale Autoriteit.

Feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat het volgende vast:

* De vader en de moeder zijn op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk] (Polen) met elkaar gehuwd.

* Uit dit huwelijk is geboren de minderjarige:

* [de minderjarige], op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Polen).

* De ouders hebben tevens een zoon [minderjarige 2] (geboren op [geboortedatum]) die bij de vader in Polen woont.

* Bij vonnis van [datum vonnis] heeft de rechtbank te Opole (Polen) - voor zover hier van belang -:

* de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken;

* de uitoefening van het ouderlijk gezag met betrekking tot de twee minderjarige kinderen toevertrouwd aan de vader, terwijl de moeder bevoegd en verplicht is tot het meebeslissen in belangrijke vragen met betrekking tot de kinderen en tot contact met de kinderen;

* aan het ouderlijk gezag van de ouders grenzen gezet door het benoemen van een curator.

* De moeder is in 2008 naar Nederland vertrokken. Zij staat sedert [datum inschrijving] 2008 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

* In januari 2011 is de moeder naar Polen gegaan om [de minderjarige] te ontmoeten. Zij heeft [de minderjarige] op 21 januari 2011 meegenomen en zij zijn vervolgens samen vanuit Polen naar Nederland vertrokken.

* Bij beslissing van [datum vonnis] 2011 van de rechtbank te Kedzierzyn-Kozle (Polen) is het verzoek van de moeder om haar - in afwachting van een definitieve uitspraak - tijdelijk met het gezag over [de minderjarige] te belasten afgewezen.

* Bij beslissing van [datum vonnis] 2011 van de rechtbank te Kedzierzyn-Kozle (Polen) is de behandeling van het verzoek van de moeder tot wijziging van het ouderlijk gezag zoals aan de ouders opgedragen in het echtscheidingsvonnis, aangehouden in afwachting van de uitspraak in onderhavige teruggeleidingsprocedure.

* Bij beslissing van [datum vonnis] van de appelrechter te Opole (Polen) is het beroep van de moeder tegen de beslissing van [datum vonnis] 2011 van de rechtbank te Kedzierzyn-Kozle (Polen) verworpen.

* De moeder, de vader en [de minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit.

Verzoek en verweer

De Centrale Autoriteit heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Wet van 2 mei 1990 (Staatsblad 202), de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige] naar Polen te bevelen, althans te bevelen dat de terugkeer van [de minderjarige] vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum zal geschieden, waarbij de moeder haar dient terug te brengen naar Polen, dan wel - indien zij nalaat [de minderjarige] terug te brengen - een datum te bepalen waarop [de minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal worden afgegeven zodat hij haar kan meenemen naar Polen.

Hiertoe is door de Centrale Autoriteit - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

* Polen dient als staat van het gewone verblijf van [de minderjarige] te worden aangemerkt. [de minderjarige] woonde voorafgaand aan de overbrenging in Polen en zij heeft daar haar leven opgebouwd.

* Beide ouders hebben het gezag over [de minderjarige]. De moeder heeft [de minderjarige] zonder toestemming van de vader meegenomen naar Nederland waarmee zij in strijd heeft gehandeld met het gezagsrecht van de vader.

Gelet op het voorgaande meent de Centrale Autoriteit dat er sprake is van ongeoorloofde overbrenging als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag), zodat ingevolge artikel 12 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige] naar Polen dient te volgen. De Centrale Autoriteit is van mening dat zich in de onderhavige zaak geen van de in het Verdrag voorziene uitzonderingen voordoet op grond waarvan teruggeleiding van [de minderjarige] naar Polen achterwege zou moeten blijven.

De moeder heeft verweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht het verzoek van de Centrale Autoriteit af te wijzen.

Volgens de moeder is er geen sprake van kinderontvoering nu Nederland als de staat van het gewone verblijf van [de minderjarige] dient te worden aangemerkt. Voorts heeft zij subsidiair aangevoerd dat er sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

Beoordeling

Het Verdrag heeft - voor zover hier van belang - tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Ongeoorloofd overbrengen in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag

Allereerst dient de rechtbank te beoordelen te beoordelen of [de minderjarige] ten tijde van de door de Centrale Autoriteit gestelde overbrenging haar gewone verblijfplaats in Polen had. De rechtbank merkt hierbij op dat het begrip "gewone verblijfplaats" als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheid van het concrete geval.

[de minderjarige] heeft vanaf haar geboorte tot aan haar overbrenging naar Nederland in januari 2011 in Polen gewoond en zij ging daar ook naar school. Gelet hierop staat genoegzaam vast dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] onmiddellijk vóór haar overbrenging in Polen was. De stelling van de moeder dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] is gewijzigd omdat zij - zoals zij betoogt - voorafgaand aan haar vertrek naar Nederland met [de minderjarige] toestemming van de politie heeft gekregen om [de minderjarige] mee te nemen naar Nederland, doet hieraan niet af. Immers, beide ouders dienen hierover te beslissen. De politie is hiertoe niet bevoegd.

Nu [de minderjarige] ten tijde van haar overbrenging naar Nederland haar gewone verblijfplaats in Polen had, was ten tijde van die overbrenging het Poolse recht van toepassing op het gezag. De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of de overbrenging al dan niet heeft plaatsgevonden in strijd met het Poolse gezagsrecht.

Niet in geschil is dat de ouders bij het echtscheidingsvonnis gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] hebben gekregen, waarbij de vader als verzorgende ouder is aangemerkt en waarbij de moeder recht op omgang heeft gekregen en recht om mee te beslissen in belangrijke zaken aangaande [de minderjarige]. Dat er tevens een curator is benoemd over [de minderjarige] maakt dit niet anders. Immers, niet gebleken is dat deze curator het gezag van de ouders zodanig heeft ingeperkt dat hun beider instemming voor het vertrek van [de minderjarige] naar een ander land niet langer noodzakelijk zou zijn.

Nu de vader zijn gezag vóór de overbrenging daadwerkelijk uitoefende - [de minderjarige] woonde immers bij hem - en hij niet heeft ingestemd met de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland, is de overbrenging geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader. De overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland dient derhalve als ongeoorloofd te worden beschouwd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient ingevolge artikel 12 van het Verdrag in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Weigeringsgronden ex artikel 13 lid 1 sub b en lid 2 van het Haagse Verdrag

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag. Zij heeft daartoe gesteld dat de vader [de minderjarige] zowel lichamelijk als geestelijk heeft mishandeld en haar tevens seksueel heeft misbruikt. Volgens de moeder is [de minderjarige] erg bang voor haar vader en wil zij onder geen beding terug naar Polen.

De rechtbank overweegt dat de weigeringsgronden waar de moeder zich op beroept nevengeschikt en geheel onafhankelijk van elkaar zijn. Voor de toepasselijkheid van artikel 13 lid 1 sub b is vereist dat de moeder aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door haar terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Deze weigeringsgrond dient restrictief te worden toegepast. Dit ernstige risico is geen voorwaarde voor het verzet van het kind als bedoeld in lid 2 van artikel 13. Ingevolge dit artikel kan de rechtbank weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn of haar mening rekening wordt gehouden. Het verzet van het kind moet op zijn eigen merites worden beoordeeld, waarbij onder meer van belang is of het verzet authentiek is en van het kind zelf afkomstig is en of het verzet verder strekt dan de - sterke - wens van het kind om bij de ontvoerende ouder te blijven.

De rechtbank zal allereerst beoordelen of er sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

De rechtbank stelt in dit kader voorop dat het gerechtvaardigd is om met de mening van kinderen rekening te houden indien zij oud en rijp genoeg zijn om de gevolgen van hun wensen op korte en lange termijn te overzien. In zijn algemeenheid acht de rechtbank kinderen van veertien jaar hiertoe oud en rijp genoeg. Bijzondere omstandigheden kunnen evenwel tot het oordeel leiden dat een kind van deze leeftijd niet die mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn of haar mening rekening wordt gehouden. Nu in onderhavige zaak gesteld noch gebleken is dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden - waarbij de rechtbank haar indrukken betrekt die zij tijdens het verhoor van [de minderjarige] heeft gekregen - komt de rechtbank tot het oordeel dat [de minderjarige] een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met haar mening rekening wordt gehouden.

[de minderjarige] (thans veertien jaar oud) is - als gezegd - in raadkamer gehoord. De rechtbank heeft ter zitting van dit verhoor verslag gedaan. [de minderjarige] heeft in raadkamer verklaard dat zij in Polen is geslagen, vernederd en verkracht door haar vader. Zij heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zij niet terug wil naar haar vader en dat zij zichzelf iets zal aandoen wanneer zij toch dient terug te keren naar Polen. Zij heeft in Polen ook al eens geprobeerd om haar aderen door te snijden vanwege de situatie bij haar vader.

De verklaring van [de minderjarige] in raadkamer wordt ondersteund door haar schriftelijke verklaring d.d. [datum verklaring] 2011 ten overstaan van de politie te Kedzierzyn-Kozle (Polen) waarin [de minderjarige] heeft verklaard: " [..] omdat mijn vader mij slaat, chanteert, begluurt, aanraakt, wast en nog een aantal onaangename zaken." Overigens blijkt uit de door de moeder nagezonden stukken dat het Openbaar Ministerie te Kedzierzyn-Kozle (Polen) op 1 februari 2011 een onderzoek is gestart naar het strafbare feit "het veelvuldig de minderjarige [de minderjarige] ertoe leiden zich te onderwerpen aan een andere seksuele handeling in de periode van 2007 tot en met 17 januari 2011."

De rechtbank gaat ervan uit dat de angst van [de minderjarige] voor haar vader authentiek is, gelet op de oprechte en consistente wijze waarop zij hierover heeft verklaard. Bovendien is bovendien sprake van een expliciete persoonlijke wens van [de minderjarige] die niet door de moeder is ingegeven.

De rechtbank stelt aldus vast dat [de minderjarige] zich verzet tegen haar terugkeer en dat dit verzet verder strekt dan de wens om bij haar moeder te blijven. Voor [de minderjarige] is het leven in Polen zodanig verweven met en beïnvloed door haar vader dat zij zich niet alleen verzet tegen hereniging met haar vader maar evenzeer tegen terugkeer naar Polen. Daarbij komt nog dat zij - ingevolge het vonnis van de rechtbank te Opole (Polen) van [datum vonnis] haar hoofdverblijf heeft bij haar vader, terwijl niet gebleken is dat hiervoor een alternatief is.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er op grond van het bepaalde in artikel 13 lid 2 van het Verdrag aanleiding is de teruggeleiding te weigeren. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de Centrale Autoriteit tot teruggeleiding van [de minderjarige] naar Polen afwijzen.

Nu de rechtbank het verzoek van de Centrale Autoriteit zal afwijzen, behoeven de overige verweren van de moeder verder geen bespreking meer.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige:

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Polen),

naar Polen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. Alt-van Endt, B. Meijer en A.M.A. Keulen, kinderrechters, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2011.