Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU6484

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-11-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
10/6025
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX3903, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderopvangtoeslag. Geen recht op kinderopvangtoeslag over de berekeningsjaren 2008 en 2009. Geen sprake van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko gelezen in samenhang met artikel 11 van de Regeling, die de basis vormt voor de kinderopvang en reeds daarom vanaf 1 januari 2008 geen recht op een voorschot kinderopvangtoeslag. Dat vanaf 2008 feitelijk kinderopvang heeft plaatsgevonden, is gelet op artikel 52 van de Wko niet relevant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 6025

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2011

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. S. Akkas, advocaat te Haarlem,

tegen:

Belastingdienst/Toeslagen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 30 september 2009 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aan eiser toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag voor de jaren 2008 en 2009 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 26 oktober 2010 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 13 januari 2011 heeft verweerder een herziene beslissing op bezwaar genomen. Daarbij zijn de redenen tot nihilstelling komen te vervallenen. Voorts is de tenaamstelling op de Verklaring omtrent het gedrag niet meer in geschil. De bezwaren worden voor het overige (opnieuw) ongegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 8 april 2011, alwaar eiser en zijn echtgenote in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.V. Ravoo, werkzaam bij de Belastingdienst/Toeslagen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde gemachtigde van eiser in de gelegenheid te stellen om uiterlijk 1 juni 2011 de stelling dat in het jaar 2008 dan wel een gedeelte van dat jaar daadwerkelijk kinderopvang heeft plaatsgevonden, nader te onderbouwen en voorts het standpunt dat het besluit van 13 januari 2011 in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur omdat verweerder ten onrechte nieuwe argumenten ten grondslag legt aan dit besluit, te onderbouwen door jurisprudentie over te leggen.

Bij brief van 6 juni 2011 heeft eiser nadere stukken toegestuurd.

Bij brief van 30 augustus 2011 heeft verweerder zijn nadere reactie gegeven.

Partijen hebben geen toestemming gegeven het onderzoek te sluiten en zonder nadere zitting uitspraak te doen.

De zaak is vervolgens behandeld ter zitting van 4 oktober 2011 alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Aangezien verweerder het besluit van 26 oktober 2010 heeft herzien, heeft eiser geen belang meer bij de beoordeling van het beroep voor zover het is gericht tegen dit besluit. Het beroep wordt, voor zover het daartegen is gericht., niet-ontvankelijk verklaard.

2.2 Ingevolge het bepaald in artikel 6:18 en 6:19 van de Awb wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 13 januari 2011. Nu het herziene besluit niet tegemoet komt aan de bezwaren van eiser, zal gelet op het bepaalde in artikel 6:19 het door hem ingestelde beroep worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 13 januari 2011.

2.3 Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko) zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang,heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk, indien het betreft gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau. Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling), voor zover hier van belang, bevat de administratie van een kindercentrum afschriften van alle met de vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en, indien van toepassing, de bemiddelingskosten, naam en geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

2.4 Tussen partijen is niet in geschil dat eiser staat ingeschreven bij gastouderbureau [naam], geregistreerd in het register kinderopvang van de gemeente [plaatsnaam].

2.5 Het geschil beperkt zich tot de vraag of eiser over de berekeningsjaren 2008 en 2009 recht heeft op kinderopvangtoeslag.

2.6 Gemachtigde van eiser heeft ter zitting van 4 oktober 2011 verzocht om schorsing van de behandeling om op een nadere zitting in het bijzijn van verweerder getuigen te horen die kunnen verklaren dat in 2008 en 2009 feitelijk kinderopvang heeft plaatsgevonden en dat voor die kinderopvang is betaald. De rechtbank overweegt als volgt. De behandeling van de zaak op de zitting van 8 april 2011 is geschorst om eiser in staat te stellen aan te tonen dat sprake was van kinderopvang in 2008 op grond van een overeenkomst. Bij brief van 6 juni 2011 heeft eiser een aantal verklaringen van familieleden en oppassen overgelegd over wat zij weten over het oppassen op het kindje van eiser. Daarop is door de rechtbank aan partijen gevraagd om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Verweerder heeft vervolgens op 30 augustus 2011 een aanvullend verweerschrift ingediend. Gemachtigde van eiser heeft niet op het verzoek van de rechtbank noch op het verweerschrift gereageerd. Gelet hierop passeert de rechtbank het ter zitting gedane bewijsaanbod als tardief. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de getuigen niet meer kunnen verklaren uit eigen wetenschap over data, uren en kosten van de kinderopvang dan zij inmiddels schriftelijk hebben gedaan.

2.7 Omdat kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op aanspraak betreft, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat er aan de voorwaarden wordt voldaan om in aanmerking te komen voor de toeslag. Meer concreet is het aan eiser om aannemelijk te maken dat sprake was van gastouderopvang in 2008 en 2009 op grond van de Wko.

2.8 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door eiser op 6 juni 2011 overgelegde verklaringen geen beeld geven van data, uren en kosten van kinderopvang in 2008. De overeenkomst die ziet op 2008 is niet gedagtekend. Nu niet vastgesteld kan worden of en eventueel met ingang van welke datum er sprake was van kinderopvang en de gemaakte kosten door eiser niet zijn aangetoond, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang voor het jaar 2008. Nu voor het berekeningsjaar 2009 geen overeenkomst is overgelegd, is niet voldaan aan artikel 52 Wko en is er geen sprake van kinderopvang, zodat voor het jaar 2009 geen recht op kindertoeslag bestaat.

2.9 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit standpunt kan worden gevolgd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 27 juli 2011 (LJN:BR3218) bepaald dat uit artikel 52 van de Wko, gelezen in samenhang met artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, volgt dat de overeenkomst, bedoeld in artikel 52 van de Wko, in elk geval de gegevens, genoemd in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling moet bevatten. De door eiser overgelegde overeenkomst die ziet op 2008 vermeldt, naar verweerder, terecht heeft opgemerkt, niet de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en de ingangsdatum van de overeenkomst. Gelet daarop is geen sprake van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko die de basis vormt voor de kinderopvang en bestond reeds daarom niet vanaf 1 januari 2008 recht op een voorschot kinderopvangtoeslag. Eisers stelling dat vanaf 1 januari 2008 feitelijk kinderopvang heeft plaatsgevonden, is gelet op artikel 52 van de Wko niet relevant en maakt vorenstaande niet anders.

2.10 Met betrekking tot het verzoek van eiser om alsnog een overeenkomst voor het jaar 2009 over te leggen, overweegt de rechtbank als volgt. In het verweerschrift van 17 maart 2011 heeft verweerder gesteld dat voor het berekeningsjaar 2009 geen overeenkomst is overgelegd. Ter zitting van 8 april 2011, zoals neergelegd in het proces-verbaal van gemaakte afspraken op de regiezitting van 8 april 2011, heeft eiser desgevraagd verklaard voor het jaar 2009 geen overeenkomst te hebben ontvangen en dat hij alle contracten met gastouderbureau [naam] aan verweerder heeft toegestuurd. Het gedane bewijsaanbod passeert de rechtbank als tardief. Nu over het jaar 2009 geen overeenkomst is overgelegd, is niet aan alle wettelijke voorwaarden voldaan en is eiser daar verantwoordelijk voor, zodat ook over het berekeningsjaar 2009 geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat.

2.11 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2010 niet ontvankelijk;

3.2 verklaart het beroep tegen het besluit van 13 januari 2011 ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, rechter, in tegenwoordigheid van M.J.E. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.