Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU5195

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
15-700711-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige strafkamer. Promisvonnis. Doodslag. Verminderd toerekeningsvatbare dader. Oplegging gevangenisstraf en ter beschikkingstelling met dwangverpleging.

Het impliciet primair ten laste gelegde, te weten de moord, kan niet bewezen worden, nu niet is vast te stellen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Omtrent de gebeurtenissen direct voorafgaand aan het ten laste gelegde zijn slechts de verklaringen van verdachte beschikbaar en op basis daarvan kan niet worden vastgesteld dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat er gelegenheid was tot nadenken over de betekenis en/of de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van moord.

Uit het pro justitia rapport van het NIFP blijkt dat verdachte een 50-jarige man is met een gemengde persoonlijkheidsstoornis en een verslavingsproblematiek. Uit het psychologisch testmateriaal komt een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur naar voren die zou kunnen passen bij een psychotisch toestandsbeeld. Deze kwetsbaarheid kan worden verscherpt door de cocaïneafhankelijkheid. Verdachte heeft een moeilijke jeugd gehad en is veelvuldig in aanraking geweest met politie en justitie. Hij heeft in totaal 17 jaar gedetineerd gezeten vanwege diverse misdrijven, zoals zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend, vele gekwalificeerde diefstallen en verkrachting. Op zijn 24e begon verdachte met het gebruiken van cocaïne en jaren later, toen hij op straat zwierf, rookte hij ook heroïne. Tussen de detentieperiodes door heeft hij meerdere zelfmoordpogingen ondernomen. Ook heeft verdachte hulp gezocht bij de verslavingszorg en andere instellingen, maar hier werd hij niet geholpen.

Op 16 oktober 2010 ging verdachte naar het ziekenhuis in Groningen met een groot mes en zei dat hij stemmen hoorde en het gevoel had iemand neer te moeten steken. Enkele dagen ervoor had hij zijn laatste zelfmoordpoging gedaan door een overdosis drugs in te nemen. Na een gesprek met de psychiater in het ziekenhuis in Groningen is verdachte weggestuurd en is hij naar het latere slachtoffer in Zandvoort gegaan.

De psychische hoedanigheid van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde en de daaruit voortvloeiende beperkte keuzemogelijkheden, als gevolg van het verstoorde psychisch evenwicht, in samenhang met het drugsgebruik, waren naar het oordeel van de deskundigen van dien aard dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht voor het ten laste gelegde feit. De kans dat verdachte in de toekomst zou kunnen overgaan tot een breed scala aan al dan niet impulsief bepaalde gewelddadige feiten is reëel. Het gevaar voor recidive is ernstig.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit, het gevaar voor herhaling van een soortgelijk feit en gelet op de persoonlijkheid van verdachte, is de rechtbank, nu aan de voorwaarden van artikel 37a lid 1 en artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht is voldaan en in aanmerking genomen het hierboven vermelde deskundigenadvies, van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eist dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege wordt verpleegd.

Gelet op de omstandigheid dat het ten laste gelegde verdachte deels is toe te rekenen, is de rechtbank van oordeel dat met het uitsluitend opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling niet kan worden volstaan. De brute wijze waarop verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd rechtvaardigt, naast de genoemde maatregel, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur.

De rechtbank ziet geen aanleiding met toepassing van artikel 37b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, te adviseren dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal aanvangen na het uitzitten van tweederde van de vrijheidsstraf. Blijkens de wetsgeschiedenis beoogt deze bepaling met name de belangen van de verdachte te dienen. Nu de vordering van de officier ziet op vergeldingselementen ziet de rechtbank geen aanleiding haar daarin te volgen.

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren en gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met bevel tot verpleging van overheidswege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700711-10

Uitspraakdatum: 21 november 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van

5 september 2011 en 7 november 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres],

thans gedetineerd in [detentieplaats]

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 oktober 2010 te Zandvoort, in elk geval in Nederland, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] (met kracht) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp één of meermalen in zijn lichaam gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging gevorderd en daarbij aan de rechtbank conform artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) verzocht te adviseren dat de maatregel eerst ingaat nadat verdachte tweederde van zijn vrijheidsstraf heeft uitgezeten. Van de in beslag genomen goederen heeft de officier van justitie gevorderd dat de nummers 1 tot en met 9 op de beslaglijst retour worden gegeven aan verdachte, het telefoontoestel en de videocamera aan de nabestaanden van het slachtoffer worden gegeven, en het mes wordt ontrokken aan het verkeer. De officier van justitie heeft bij haar eis rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

4. Bewijs

4.1. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank kan het impliciet primair ten laste gelegde, te weten de moord, niet bewezen worden. Hiervoor is vereist dat komt vast te staan dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Omtrent de gebeurtenissen direct voorafgaand aan het ten laste gelegde zijn slechts de verklaringen van verdachte beschikbaar. Op basis van deze verklaringen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat er gelegenheid was tot nadenken over de betekenis en/of de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van moord.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit op grond van het navolgende.

Op 17 oktober 2010 meldde verdachte zich op het politiebureau te Zandvoort met de mededeling dat hij 'iets ergs had gedaan.' Hij zou [voornaam slachtoffer] hebben neergestoken op het adres [[adres]huisnummer]. Op beide armen van verdachte ter hoogte van zijn polsen zat bloed2 van het slachtoffer [slachtoffer].3 Verbalisanten troffen vervolgens het levenloze lichaam van [slachtoffer] aan in de hal van zijn woning aan [adres]. In de badkamer werd een bebloed lemmet van een vleesmes aangetroffen.4 Het slachtoffer was overleden5 door functieverlies van het hart en verbloeding ontstaan ten gevolge van steekletsels.6

Verdachte is op 16 oktober 2010 bij het slachtoffer in Zandvoort aangekomen en heeft daar de nacht doorgebracht.7 Toen verdachte de volgende morgen wakker werd, vroeg het slachtoffer aan verdachte om hem vast te binden op een stoel in de badkamer. Daartoe had het slachtoffer in de badkamer touw en een mes klaargelegd. Het slachtoffer is op de stoel in de badkamer gaan zitten en verdachte heeft hem vastgebonden met zijn handen op zijn rug.8 Vervolgens heeft verdachte het mes gepakt9 en het slachtoffer in zijn zij en borst gestoken.10 Tijdens het steken voelde verdachte dat het mes afbrak in het lichaam van het slachtoffer.11 Hij had alleen nog de handgreep in zijn handen.12 Verdachte heeft vervolgens de woning verlaten, de handgreep van het mes weggegooid, en is naar het politiebureau gegaan.13

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 17 oktober 2010 te Zandvoort opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met kracht met een mes meermalen in zijn lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Doodslag

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van de pro justitia rapportage van het NIFP d.d. 14 juli 2011.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op een man die hij via het internet had leren kennen. Hij heeft zijn slachtoffer in hulpeloze toestand gebracht door hem vast te binden en hem vervolgens op wrede wijze van het leven beroofd. Misdrijven tegen het leven gericht behoren tot de ernstigste delicten die men kan begaan, waardoor aan de nabestaanden onuitsprekelijk leed wordt berokkend, zoals treffend is verwoord in de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring. Door toedoen van verdachte is een kwetsbaar persoon, een man met een verstandelijke beperking, bruut van het leven beroofd. Een feit als het onderhavige schokt de rechtsorde op ernstige wijze en veroorzaakt sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het NIFP rapport d.d. 14 juli 2011 van de deskundigen Bruijns en Jansen. Hieruit blijkt het navolgende.

Verdachte is een 50-jarige man met een gemengde persoonlijkheidsstoornis en een verslavingsproblematiek. De persoonlijkheidsstoornis heeft enerzijds aspecten van een borderline persoonlijkheidsstoornis welke vooral tot uiting komen in de vorm van wispelturigheid van de affectregulatie. Verdachte kan heftig, impulsief en dikwijls overtrokken reageren op stressvolle situaties, hij heeft suïcide neigingen en een labiel zelfbeeld. Anderzijds heeft de persoonlijkheidsstoornis antisociale aspecten die zich kenmerken door het onvermogen zich te conformeren aan maatschappelijke normen en regels, zijn oneerlijkheid en prikkelbaarheid en de gebrekkige gewetensfuncties.

De verslavingsproblematiek bestaat vooral uit cocaïne afhankelijkheid en hangt samen met de borderline problematiek. Beide stoornissen waren ook aanwezig in de periode van het ten laste gelegde.

Verdachte zegt last te hebben van ernstig geheugenverlies en het horen van stemmen. Er is geen grond om te veronderstellen dat bij verdachte sprake is van ingrijpende defecten in zijn geheugenfunctie. Gedragsneurologisch onderzoek heeft geen aanwijzingen voor ernstige cognitieve problemen bij verdachte gegeven. De aanwezigheid van stemmen, die verdachte zegt te horen en waarvan hij opdrachten krijgt, is niet te verifieren. Tijdens de opnameperiode zijn ook geen andere psychotische symptomen waargenomen of vermoed. Uit het psychologisch testmateriaal komt een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur naar voren die zou kunnen passen bij een psychotisch toestandsbeeld. Deze kwetsbaarheid kan worden verscherpt door de cocaïneafhankelijkheid.

Verdachte heeft een moeilijke jeugd gehad en is veelvuldig in aanraking geweest met politie en justitie. Hij heeft in totaal 17 jaar gedetineerd gezeten vanwege diverse misdrijven, zoals zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend, vele gekwalificeerde diefstallen en verkrachting. Op zijn 24e begon verdachte met het gebruiken van cocaïne en jaren later, toen hij op straat zwierf, rookte hij ook heroïne. Tussen de detentieperiodes door heeft hij meerdere zelfmoordpogingen ondernomen. Ook heeft verdachte hulp gezocht bij de verslavingszorg en andere instellingen, maar hier werd hij niet geholpen. Er zijn periodes geweest dat het goed met verdachte ging, dat hij clean was en een vriendin had, maar telkens is hij weer teruggevallen in drugsgebruik en criminaliteit. In mei 2010 kwam verdachte na een jarenlange detentie vrij en ging hij naar een begeleid wonen traject. Het opbouwen van een nieuw bestaan viel hem echter zwaar. Hij gaf snel tekenen van een zeer labiel psychisch evenwicht door het doen van suïcidepogingen en het terugvallen in drugsgebruik. Hij wilde opgenomen worden bij een psychiatrische instelling en gaf te kennen stemmen te horen. Op 16 oktober 2010 ging verdachte naar het ziekenhuis in Groningen met een groot mes en zei dat hij stemmen hoorde en het gevoel had iemand neer te moeten steken. Enkele dagen ervoor had hij zijn laatste zelfmoordpoging gedaan door een overdosis drugs in te nemen. Na een gesprek met de psychiater in het ziekenhuis in Groningen is verdachte weggestuurd en is hij naar het latere slachtoffer in Zandvoort gegaan.

De psychische hoedanigheid van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde en de daaruit voortvloeiende beperkte keuzemogelijkheden, als gevolg van het verstoorde psychisch evenwicht, in samenhang met het drugsgebruik, waren naar het oordeel van de deskundigen van dien aard dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht voor het ten laste gelegde feit.

De kans dat verdachte in de toekomst zou kunnen overgaan tot een breed scala aan al dan niet impulsief bepaalde gewelddadige feiten is reëel. Het gevaar voor recidive is ernstig. De enige maatregel die het ernstige recidivegevaar kan beperken is de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. In de behandeling zou aandacht moeten worden besteed aan de verslavingsproblematiek en het beter kunnen hanteren van de emotionele labiliteit vanuit de borderline problematiek door verdachte.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen over en maakt deze tot de hare.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit, het gevaar voor herhaling van een soortgelijk feit en gelet op de persoonlijkheid van verdachte, is de rechtbank, nu aan de voorwaarden van artikel 37a lid 1 en artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht is voldaan en in aanmerking genomen het hierboven vermelde deskundigenadvies, van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eist dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege wordt verpleegd. De rechtbank zal derhalve een dienovereenkomstige last geven.

Gelet op de omstandigheid dat het ten laste gelegde verdachte deels is toe te rekenen, is de rechtbank van oordeel dat met het uitsluitend opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling niet kan worden volstaan. De brute wijze waarop verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd rechtvaardigt, naast de genoemde maatregel, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank in overweging dat verdachte vele ernstige feiten op zijn justitiële documentatie heeft staan en al heel veel jaar gedetineerd heeft gezeten. Ondanks de re-integratietrajecten is verdachte telkens teruggevallen in zijn criminele gedrag.

Ten voordele van verdachte neemt de rechtbank mee dat verdachte op eigen initiatief hulp heeft gezocht door zich kort voor het ten laste gelegde in het ziekenhuis te melden met de mededeling dat hij stemmen hoorde die hem de opdracht gaven op iemand in te steken, en daar de wens uit te spreken opgenomen te worden op de psychiatrische afdeling.

De rechtbank ziet geen aanleiding met toepassing van artikel 37b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, te adviseren dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal aanvangen na het uitzitten van tweederde van de vrijheidsstraf. Blijkens de wetsgeschiedenis beoogt deze bepaling met name de belangen van de verdachte te dienen. Nu de vordering van de officier ziet op vergeldingselementen ziet de rechtbank geen aanleiding haar daarin te volgen.

8. Maatregelen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen voorwerp, te weten het keukenmes dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van dat mes is begaan.

Het ongecontroleerde bezit hiervan is in strijd met het algemeen belang.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36b, 36c, 37a, 37b, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte impliciet primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van

vijf (5) jaren;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met bevel tot verpleging van overheidswege;

onttrekt aan het verkeer:

- (13) zilverkleurig keukenmes, 152060;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- (1) blauwe trui met capuchon, stax, 147970, witte Engelse tekst;

- (2) zwarte riem, jeans, 147971;

- (3) blauwe spijker jas, status quo, 147972;

- (4) wit T-shirt, crossland comf, 147975;

- (5) wit hemd, beeren tricot, 147976;

- (6) zwart schoeisel, black Stone leer, 147977, 147978;

- (7) blauwe broek, brams paris, 147979;

- (8) sok, 147980, 147981;

- (9) ondergoed, don underwear, 147982;

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, zijnde de nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] van:

- (10) zwart telefoontoestel, Nokia 1661;

- (11) zilverkleurige videocamera, jvc everio, 148257.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.P.W van de Ven, voorzitter,

mr. J. Snitker en mr. K.G. Witteman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. I. Hermans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 november 2011.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 oktober 2010 (dossierpagina 47);

3 Proces-verbaal van aanvraag DNA-onderzoek sporen d.d. 22 oktober 2010 (dossierpagina 526-528) en deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 28 oktober 2010, met kenmerk

[nummer], opgesteld door drs. K. Vos (dossierpagina 549-552);

4 Proces-verbaal van sporenonderzoek plaats delict d.d. 29 december 2010 (dossierpagina 431);

5 Verslag betreffende een niet natuurlijke dood d.d. 17 oktober 2010 (dossierpagina 229);

6 Pathologisch onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 17 november 2010, met sectienummer [nummer], opgesteld door Dr. B. Kubat (dossierpagina 543);

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 18 oktober 2010 (dossierpagina 193-194);

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d.19 oktober 2010 (dossierpagina 210-211);

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d.19 oktober 2010 (dossierpagina 212);

10 Proces-verbaal van voorgeleiding ivm aanhouding d.d. 17 oktober 2010 (dossierpagina 39);

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 oktober 2010 (dossierpagina 49);

12 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d.19 oktober 2010 (dossierpagina 211);

13 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 18 oktober 2010 (dossierpagina 202).

??

??

??

??

Parketnummer: 15/700711-10

Inzake: [verdachte] blad 6

vonnis