Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU4953

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/3027
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BX8218, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

matiging boete wegens aangifteverzuim vennootschapsbelasting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2751
FutD 2011-2981
V-N Vandaag 2011/2952
V-N 2012/8.3.1

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 11/3027

Uitspraakdatum: 17 november 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V., gevestigd te Q, eiseres,

gemachtigde: drs. M. Koelewijn

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 16 april 2011 op het bezwaar van eiseres tegen de aan haar opgelegde verzuimboete ad € 2.460 begrepen in de aanslag vennootschapsbelasting 2009, nr. xxx.V.96.0112.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2011. Namens eiseres is daar verschenen haar directeur A, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder is verschenen mr. drs. L.J.C. Vet.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor over deze betrekking heeft op de verzuimboete;

- vermindert de verzuimboete tot € 1.230 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 449,20, en

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 302 vergoedt.

Gronden

1.1. Eiseres is opgericht op 6 juni 2007. Voor het eerste boekjaar 2007/2008 heeft eiseres niet tijdig de aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) ingediend en dienaangaande is een verzuimboete van € 113 opgelegd.

1.2. In februari 2010 is aan eiseres een uitnodiging gestuurd om vóór 1 juni 2010 aangifte te doen voor de Vpb over het jaar 2009. Met dagtekening 6 juli 2010 heeft verweerder aan eiseres een herinnering gestuurd om vóór 20 juli 2010 aangifte Vpb voor het jaar 2009 te doen. Met dagtekening 13 september 2010 heeft verweerder eiseres aangemaand om alsnog aangifte Vpb voor het jaar 2009 te doen tot uiterlijk 27 september 2010. In de aanmaning heeft verweerder eiseres erop gewezen dat een boete zal worden opgelegd als de aangifte niet vóór deze datum ontvangen is.

1.3. Verweerder heeft met dagtekening 11 december 2010 de aanslag Vpb 2009 ambtshalve vastgesteld. Bij aparte beschikking is aan eiseres een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 2.460.

1.4. Op 15 december 2011 is een pro forma bezwaarschrift tegen de aanslag ingediend. Op 13 januari 2011 heeft eiseres het aangiftebiljet Vpb 2009 ingediend.

1.5. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de te laat ingediende aangifte gevolgd en de aanslag verminderd. De opgelegde verzuimboete is hierbij gehandhaafd.

2. In geschil is of terecht en tot het juiste bedrag een verzuimboete is opgelegd. Eiseres is primair van mening dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld. Subsidiair is eiseres van mening dat de boete in geen verhouding staat tot het te laat indienen van de aangifte. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.1. De rechtbank overweegt dat, indien een belastingplichtige niet binnen de daarvoor gestelde termijn aangifte heeft gedaan, sprake is van een verzuim waarvoor een boete kan worden opgelegd. Voor het opleggen van de verzuimboete moet verweerder de belastingplichtige hebben aangemaand om binnen een bepaalde termijn aangifte te doen, waaraan de belastingplichtige vervolgens niet heeft voldaan.

3.2. Vast staat dat de uitnodiging tot het doen van aangifte, de herinnering en de aanmaning naar het adres van eiseres zijn verstuurd, zij hierop niet heeft gereageerd en dat de aangifte te laat is ingediend. Gesteld noch gebleken is dat voor het inleveren van de aangifte Vpb 2009 uitstel is gevraagd.

3.3. Nu verweerder eiseres heeft aangemaand om aangifte te doen binnen een bepaalde termijn en eiseres niet binnen de gestelde termijn alsnog aangifte Vpb 2009 heeft gedaan, kan een boete worden opgelegd. Op grond van artikel 67a, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen legt de inspecteur dan een verzuimboete op van ten hoogste € 4.920. Ingevolge § 21, derde lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst legt de inspecteur een verzuimboete op van 50% van het wettelijk maximum. Verweerder heeft aan eiseres conform dit besluit een boete opgelegd van € 2.460.

3.4. De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van een dergelijke boete is niet vereist dat er sprake is van opzet of grove schuld. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een boete achterwege te blijven.

3.5. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval geen sprake van avas. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. Vast staat dat de aangifte te laat is ingediend. Eiseres heeft naar voren gebracht dat er in de aanloopperiode van de onderneming financiële en organisatorische problemen zijn geweest en dat zij om die reden in de loop van 2009-2010 van adviseur is veranderd. Daarbij is afgesproken dat de oude adviseur de aangifte voor het jaar 2009 zou afhandelen. Ook al gaat het hier om een onderneming in een hectische opbouwfase welke te maken heeft (gehad) met opstartproblemen, het had op de weg van eiseres gelegen om ook bij een wijziging van adviseur de overgang van werkzaamheden goed te regelen en zo nodig bij zowel haar oude als haar nieuwe adviseur te informeren naar de stand van zaken betreffende de indiening van de aangifte. Eiseres heeft bovendien ter zitting verklaard dat na het inschakelen van de nieuwe adviseur, de post van verweerder ongezien naar de voormalige adviseur werd doorgestuurd. In haar beroepschrift heeft eiseres aangegeven dat inmiddels duidelijk was dat de operationele administratie en het werk van die adviseur onvoldoende van kwaliteit was. Onder deze omstandigheden treft eiseres het verwijt ter zake van het te laat doen van aangifte en kan geen sprake zijn van avas.

4.1. De verzuimboete bedraagt 50% van het toegestane wettelijke maximum (€ 2.460). Met betrekking tot de hoogte van de opgelegde boete overweegt de rechtbank als volgt.

4.2. Eiseres heeft sinds haar oprichting verliezen geleden. Ter zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat over 2010 er een verlies is van € 13.000 en dat naar verwachting het verlies over het jaar 2011 € 6.000 zal bedragen. De omzet van eiseres is inmiddels wel stijgend. Hoewel de boete onafhankelijk is van de hoogte van het belastbaar bedrag, is de rechtbank van oordeel dat het resultaat van eiseres mee kan wegen bij het oordeel of de boete passend en geboden is. Onder bijzondere omstandigheden kunnen financiële omstandigheden aanleiding geven een opgelegde boete te matigen (vgl. § 7 lid 5 van het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst). De rechtbank is van oordeel dat in casu sprake is van een dergelijke bijzondere omstandigheid. Bij de beoordeling van de hoogte van de boete neemt de rechtbank ook in ogenschouw dat de wetgever de verzuimboetes bij aanslagbelastingen bewust heeft verhoogd, om zo de bereidheid van belastingplichtigen in te scherpen om hun wettelijke verplichtingen na te komen (Kamerstukken II 2008-2009, 32 128, nr. 3 blz. 33-35). Omdat na het verstrijken van de termijn om aangifte te doen eerst een herinnering en vervolgens nog een aanmaning wordt verzonden, zal de verhoging van de verzuimboete alleen diegenen treffen die moedwillig hun aangifteverplichtingen niet (tijdig) nakomen, aldus ook de wetgever met betrekking tot de onderhavige boete (Kamerstukken II 2008-2009, 32 128, nr. 10, blz. 67). Voorts neemt de rechtbank bij de beoordeling van de hoogte van de boete in aanmerking dat eiseres over het voorgaande boekjaar ook is beboet wegens het te laat indienen van de aangifte. De rechtbank begrijpt dat het belopen van deze boete over het voorgaande jaar mede gevolg is geweest van genoemde aanloopproblemen en dat dezelfde aanloopproblemen met betrekking tot het onderhavige aangifteverzuim eveneens een rol hebben gespeeld. Ter zitting heeft eiseres voorts aannemelijk gemaakt dat het aangiftegedrag in de toekomst zal worden verbeterd. De jaarrekening over 2010 ligt inmiddels klaar en er is uitstel voor het indienen van de aangifte Vpb gevraagd en verleend.

4.3. Gelet op het voorgaande en de ernst van het verzuim acht de rechtbank een boete ten bedrage van 25% van het wettelijk maximum passend en geboden. De boete is om die reden verminderd tot een bedrag van € 1.230.

5. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 437 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 0,5). Voor de overige door eiseres genoemde proceskosten, te weten reiskosten, wordt verweerder, eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 12,20.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Ruis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.