Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU4811

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
529544 / AO VERZ 11-197
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsontbinding. Onwelgevoeglijk taalgebruik door de werknemer tegenover een uitzendkracht vormt geen dringende reden die tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet leiden en rechtvaardigt evenmin de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verandering in de omstandigheden. Het verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0932
RAR 2012/30

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Zaandam

zaak/rep.nr.: 529544 / AO VERZ 11-197

datum uitspraak: 3 november 2011

BESCHIKKING ONTBINDING ARBEIDSOVEREENKOMST

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PontMeyer Hout B.V.

te Zaandam

verzoekster

hierna te noemen PontMeyer

gemachtigde mr J.D. Uding

tegen

[verweerder]

te [woonplaats]

verweerder

hierna te noemen [verweerder]

gemachtigde mr W. de Langen

De procedure

Op 3 oktober 2011 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen van PontMeyer, op 26 oktober 2011 gevolgd door een aanvulling. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend en ter terechtzitting nog een schriftelijke verklaring in het geding gebracht. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2011. Op deze zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De gemachtigde van PontMeyer heeft pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

De feiten

[verweerder], inmiddels 47 jaar oud, is op 14 september 1992 bij PontMeyer in dienst getreden. Hij is thans werkzaam als medewerker intern transport A voor een salaris van € 2.674,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

Op 13 september 2011 is [verweerder] op non-actief gesteld.

Het verzoek

PontMeyer verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair wegens een dringende reden en subsidiair wegens veranderingen in de omstandigheden. PontMeyer stelt –samengevat – dat [verweerder] onder meer over goede communicatieve vaardigheden dient te beschikken omdat als onderdeel van zijn functie hij collega’s dient aan te spreken op hun fouten. Echter, op 12 september 2011 vroeg een uitzendkracht waar bepaalde goederen moesten worden geplaatst, waarop [verweerder] tegen die uitzendkracht heeft gezegd dat hij dat toch moest weten na zo lange tijd. Hierop heeft de uitzendkracht tegen [verweerder] gezegd dat hij serieus genomen wenste te worden, waarop [verweerder] heeft gereageerd met de woorden: “dan moet je je broek laten zakken”. De uitzendkracht is vervolgens bij de bedrijfsleiding beklag gaan doen, waarop [verweerder] hem luidkeels een lul heeft genoemd.

Volgens PontMeyer heeft [verweerder] hiermee haar gedragscode geschonden en een onveilige werksituatie voor (een van) haar medewerkers gecreëerd. In combinatie met drie eerder gegeven waarschuwingen is nu voor PontMeyer de maat vol.

Het verweer

[verweerder] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. [verweerder] voert aan dat het taalgebruik in de bedrijfscultuur bij PontMeyer af en toe niet ongebruikelijk wat grof te noemen valt; het is immers een havenbedrijf met havenwerkers en heftruckchauffeurs. [verweerder] erkent dat hij zich niet correct naar de uitzendkracht heeft gedragen, maar meent dat ontslag een disproportionele reactie is. Daarbij heeft hij opgemerkt dat de waarschuwing uit februari 2006 als afgedaan werd beschouwd, dat de waarschuwing van 1 oktober 2009 niets met een zaak als deze te maken heeft, zodat de waarschuwing van 5 oktober 2009 als enige eerdere overblijft.

Subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een vergoeding van € 47.651,00.

De beoordeling

De kantonrechter stelt vast dat het verzoek geen verband houdt met een opzegverbod.

Het onderhavige verzoek is door PontMeyer gebaseerd op het voorval d.d. 12 september 2011: het voorval tussen de bewuste uitzendkracht en [verweerder]. Als gevolg daarvan is een niet onbelangrijk deel van de energie die partijen aan deze zaak hebben besteed gericht op hetgeen daar toen (al dan niet) is gedaan en gezegd. Wat de kantonrechter betreft echter ten onrechte.

Ook al heeft PontMeyer een gedragscode en spelregels bij ongewenste omgangsvormen waarmee zij – volkomen terecht – kaders stelt waarbinnen het gedrag van haar werknemers zich dient af te spelen, moet toch blijven gelden dat PontMeyer een groothandel in hout en bouwmaterialen is waar uit de aard der zaak mensen werken die af en toe door elkaar worden geïrriteerd en die elkaar dan, bijvoorbeeld, voor lul uitschelden. Taalgebruik als waarvan in dit geval sprake was is ongewenst en kan door PontMeyer worden bestreden, desgeraden met sancties, maar is niet zo extreem dat het een dringende reden voor ontslag vormt. Op zichzelf beschouwd kan het voorval van 12 september 2011 het primaire verzoek dan ook niet dragen.

Subsidiair meent PontMeyer dat sprake is van gewichtige redenen, door het voorval van 12 september 2011 in verband te brengen met drie eerder gegeven waarschuwingen.

De eerste waarschuwing, uit 2006, was volgens [verweerder] afgedaan en uit de door PontMeyer verstrekte gegevens blijkt de kantonrechter niet van het tegendeel. Die blijft dus verder buiten beschouwing.

De tweede waarschuwing, van 1 oktober 2009, had blijkens het als prod. 12 aan het verzoekschrift gehechte stuk betrekking op de ongemotiveerde werkhouding van [verweerder]; die is klaarblijkelijk tussen partijen besproken, waarbij ook een verbetertraject werd afgesproken. Op zichzelf bezien is die waarschuwing niet geschikt om het voorval van 12 september 2011 aan betekenis te laten winnen.

De derde waarschuwing, van 5 oktober 2009, had blijkens het als prod. 13 aan het verzoekschrift gehechte stuk betrekking op een opmerking die [verweerder] over een collega had gemaakt; toen betrokkene van die opmerking hoorde heeft hij daarover zijn ongenoegen geuit waarop [verweerder] heeft gezegd dat hij de opmerking beter niet had kunnen maken.

Dit voorval is ter terechtzitting besproken, en daarbij is de kantonrechter duidelijk geworden dat het hier ging om een weliswaar ongewenste maar niet alle perken te buiten gaande opmerking. Een voorval derhalve, min of meer vergelijkbaar met dat van 12 september j.l.

Ook dat derde voorval had niet tot ontslag kunnen leiden, en het feit dat PontMeyer in haar brief opmerkt: “bij de volgende waarschuwing zullen wij het dienstverband met u beëindigen” maakt dat niet anders.

Al het voorgaande in aanmerking nemende komt de kantonrechter tot de conclusie dat er onvoldoende redenen bestaan om de arbeidsovereenkomst nu te ontbinden, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Ten overvloede wordt nog het volgende opgemerkt.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het verzoek werd door PontMeyer duidelijk gemaakt dat wat haar betreft het vertrouwen in [verweerder] is komen te vervallen. Dat kan de vraag doen rijzen of voortzetting van de arbeidsrelatie wel in de rede ligt. De kantonrechter realiseert zich dat bij [verweerder] in de nabije toekomst het gevoel kan ontstaan dat hij op eieren moet lopen. Toch wordt voor de onderstaande beslissing gekozen. Het is aan PontMeyer om [verweerder] op de juiste wijze duidelijk te maken dat wat haar betreft de grens is bereikt en dat hij zich geen “echte” misstappen meer kan permitteren. Indien PontMeyer daartoe aanleiding ziet kan zij het verzoek, op aangepaste grondslag zodat voor [verweerder] duidelijk is waartegen hij zich heeft te verweren, herhalen; daarop zal dan door een andere kantonrechter worden beslist.

Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft verder geen bespreking, omdat dat niet tot een andere beslissing leidt.

Vanwege de aard van deze procedure draagt iedere partij de eigen kosten.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek af;

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr B. Doorewaard Boekhout en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

Coll.