Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU4782

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-10-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
519185 / CV EXPL 11-9117
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Gevolgencriterium. Opzegging zonder financiële voorziening maakt het ontslag niet zonder meer kennelijk onredelijk.

Bij de beoordeling van de vraag of de opzegging kennelijk onredelijk is, dienen alle over en weer aangevoerde argumenten zelfstandig te worden beoordeeld, ongeacht of deze ook reeds bij de procedure bij het UWV WERKbedrijf aan de orde zijn geweest. De kantonrechter acht het ontslag kennelijk onredelijk gelet op de wijze waarop de arbeidsovereenkomst is opgezegd. De bijzondere omstandigheden brengen mee dat de voor eiser nadelige gevolgen van de beëindiging van de arbeidsrelatie ten dele voor rekening van de werkgever dienen te komen. Bij de begroting van de schade houdt de kantonrechter rekening met de concrete omstandigheden van het geval en de aard en de ernst van het tekortschieten van de werkgever in zijn verplichting als goed werkgever te handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0933
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 519185 / CV EXPL 11-9117

datum uitspraak: 20 oktober 2011

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

hierna te noemen [eiser],

gemachtigde mr. J. van der Pijl,

tegen

[XXX] MOULDINGS B.V.,

gevestigd te Beverwijk,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

hierna te noemen [gedaagde],

gemachtigde mr. B.G. Baljet.

De procedure

[eiser] heeft [gedaagde] gedagvaard op 30 juni 2011. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en een eis in reconventie ingediend. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 25 augustus 2011 een comparitie van partijen gelast op 20 september 2011. Bij brief van 13 september 2011 heeft [eiser] op de eis in reconventie geantwoord. Partijen zijn ter comparitie verschenen, alwaar mr. Baljet een pleitnotitie heeft overgelegd en de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

De feiten

a. [gedaagde] houdt zich bezig met de ontwikkeling, productie en verkoop van verpakkingen.

b. [eiser], 59 jaar oud, is op 1 maart 2009 bij [gedaagde] in dienst getreden als manager Business Development, tegen een salaris van € 5.300,- bruto per maand (vermeerderd met vakantietoeslag).

c. Op 29 november 2010 heeft UWV WERKbedrijf aan [gedaagde] op basis van bedrijfseconomische gronden toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met [eiser] op te zeggen.

d. Tijdens een gesprek op 2 december 2010 heeft [XXX], de directeur van [gedaagde], [eiser] op non-actief gesteld.

e. Bij e-mailbericht van vrijdag 3 december 2010 heeft de raadsman van [eiser] als volgt aan [gedaagde] bericht:

“Zoals u weet behartig ik de belangen van de heer [eiser] in het kader van de door [gedaagde] B.V. nagestreefde beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Na ontvangst van de beschikking van het UWV leek het mij goed met u te overleggen over de verdere gang van zaken. Daarom belde ik u donderdagochtend. Ik kreeg u niet aan de lijn (…). Aan het eind van de middag kreeg ik een duidelijk geëmotioneerde heer [eiser] aan de lijn. Hij bevond zich in uw aanwezigheid. U bleek met hem te willen praten over de UWV-procedure. Hoewel cliënt liever had dat dit via mij geschiedde (daarom had ik u gebeld) was hij hiertoe schoorvoetend bereid, totdat bleek dat u er ook nog een derde persoon (de heer [YYY]) bij dat gesprek aanwezig wilde laten zijn. Dat was voor cliënt niet acceptabel. Dit voelde voor hem als “twee tegen één”. (…) Toen de heer [gedaagde] dit zei, antwoordde u dat hij geen eisen kon stellen en dat u hem anders de toegang tot het pand zou ontzeggen. U voegde kort daarna de daad bij het woord; u vroeg hem al zijn spullen in te leveren. De situatie liep uit de hand en de heer [eiser] voelde zich bedreigd. Hij heeft mij gebeld, in uw bijzijn. Ik merkte dat hij overstuur was en liet hem vragen of ik u mocht spreken. U weigerde dit, ik hoorde u zeggen dat u dit niet wilde. (…) Het bevreemdt mij (…) dat cliënt verzocht is om het pand te verlaten en alle spullen in te leveren. Daar bestaat in het geheel geen grond voor. De arbeidsovereenkomst is nog niet beëindigd.”

f. Bij brief van eveneens 3 december 2010 heeft [gedaagde] onder meer als volgt aan [eiser] meegedeeld:

“Betreft: Ontslag op staande voet

(…)

Gisterenmiddag hebben wij u voor een gesprek uitgenodigd om de afwikkeling van de UWV aanvraag met u te bespreken. Geheel tegen onze verwachtingen in hebt u niet aan dit gesprek willen deelnemen. Zonder dat er ook maar sprake is geweest van een conversatie heeft u volkomen onterecht tegen ondergetekende en mijn collega Dhr. [voornaam] [YYY] (….) geroepen dat u bedreigd werd. Zelfs mijn secretaresse is hier getuige van geweest en geconstateerd dat van een bedreiging absoluut geen sprake is geweest!

U heeft met uw advocaat gebeld en wederom hem/haar verteld dat u bedreigd werd. (…) Met klem wijzen wij deze uiting af. (…) Daarom hebben wij besloten dat het beter is dat u uw werk niet langer uitoefent.

Verder hebben wij moeten vaststellen dat u gisteren alle bestanden van uw computer stelselmatig heeft gewist. Dit heeft u gedaan nadat de uitspraak van het UWV ook aan u bekend is gemaakt. (…) Wij hebben gisterenmiddag ook vastgesteld dat u in de afgelopen periode heel veel bedrijfsgegevens heeft in gescand en naar uw computer heeft gestuurd en vervolgens heeft uitgeprint. Bedrijfsgegevens die voor u volstrekt niet relevant zijn en geen betrekking hebben op de uitoefening van uw functie. (…)

Wij sommeren u per direct alle bedrijfsgegevens en middelen aan ons af te geven en een sluitende verklaring af te geven (…). Mocht u daar geen gevolg aan geven en/of geen sluitende verklaring hebben voor bovenstaande dagen, dan zullen wij genoodzaakt zijn u per staande voet te ontslaan (…).”

g. Op 13 december 2010 heeft [gedaagde] de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd per 1 februari 2011. In de opzeggingsbrief staat onder meer vermeld:

“Momenteel verricht een extern bureau onderzoek in verband met mogelijke verduistering van bedrijfsgegevens. We zullen u nader informeren, indien de uitslag van dit onderzoek ons zal doen besluiten verdere stappen te ondernemen.”

h. Bij e-mailbericht van 3 januari 2011 heeft [eiser] aan [gedaagde] gevraagd of het onderzoek inmiddels was afgerond. In een reactie op diezelfde dag heeft [gedaagde] geantwoord dat contact zou worden opgenomen zodra het onderzoek was afgerond.

i. Op 11 februari 2011 heeft [gedaagde] [eiser] in het kader van het onderzoek verzocht mee te werken aan een gesprek met Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. Dit gesprek heeft op 22 februari 2011 plaatsgevonden. Van het gesprek is door Hoffmann Bedrijfsrecherche een gespreksverslag gemaakt.

j. Op 15 juni 2011 heeft [gedaagde] een getuigschrift aan [eiser] verstrekt.

De vordering in conventie

[eiser] vordert (samengevat weergegeven) veroordeling van [gedaagde] tot

a. betaling aan [eiser] een bedrag van € 54.528 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2011;

b. betaling aan [eiser] een bedrag van € 6.910,70 netto wegens achterstallige pensioenpremies, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2011;

c. betaling aan [eiser] van € 5.600,-, exclusief btw, wegens door hem voorafgaand aan deze procedure gemaakte kosten voor juridische bijstand;

d. betaling aan [eiser] van € 5.000,- wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2011;

e. betaling van de kosten van het geding.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag als bedoeld in artikel 7:681 BW, op grond waarvan hij aanspraak maakt op vergoeding van de door hem geleden schade. Ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag heeft [eiser] aangevoerd dat (i) het ontslag is gebaseerd op een voorgewende, dan wel valse reden, dat [gedaagde] niet als een goed werkgever heeft gehandeld door (ii) [eiser] op 2 december 2010 op non-actief te stellen en (iii) hem ten onrechte te beschuldigen van het “stelselmatig” wissen, scannen en kopiëren van bedrijfsgegevens, (iv) [gedaagde] ten onrechte maandenlang heeft geweigerd een getuigschrift te verstrekken en (v) [gedaagde] heeft nagelaten maatregelen of voorzieningen te treffen die de gevolgen van de opzegging van de arbeidsovereenkomst opvangen dan wel compenseren. Deze vijf gronden, zowel afzonderlijk als in onderling verband bezien, leiden volgens [eiser] tot de kennelijke onredelijkheid van het ontslag.

Het verweer

[gedaagde] betwist de vordering. Zij voert aan dat de door [eiser] aangevoerde gronden niet juist zijn en dat geen van deze gronden het ontslag kennelijk onredelijk maakt. Daarom bestaat volgens [gedaagde] geen grond voor schadevergoeding. Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat, mocht zij al aansprakelijk zijn, de vordering niet kan worden toegewezen omdat iedere verhouding tussen de gestelde schade en het korte dienstverband ontbreekt.

De vordering in reconventie

[gedaagde] vordert (samengevat weergegeven) veroordeling van [eiser] tot afgifte van de bij partijen genoegzaam bekende USB-stick aan Hoffmann Bedrijfsrecherche, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag. Tevens vordert [gedaagde] veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

[gedaagde] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij belang heeft bij controle van de betreffende USB-stick en teruggave van de gegevens daarop, omdat het commerciële en concurrentiegevoelige informatie betreft.

[eiser] betwist de vordering. Volgens hem is bij [gedaagde] reeds bekend welke informatie op de USB-stick stond, is de USB-stick inmiddels leeg en is de USB-stick zijn eigendom.

De beoordeling van het geschil in conventie

1. Bij de beoordeling van de vraag of het aan [eiser] verleende ontslag kennelijk onredelijk is in de zin van artikel 7:681 BW, gaat het in de kern om de vraag of het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap, waarbij zowel de reden voor en de wijze en gevolgen van de opzegging een rol spelen.

2. [eiser] heeft dienaangaande in de eerste plaats gesteld dat sprake is van een valse, dan wel voorgewende reden. Ter onderbouwing van zijn stelling dat van een valse reden sprake is, heeft [eiser] gesteld dat geen bedrijfseconomische noodzaak bestond om hem te ontslaan. [gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat het UWV WERKbedrijf een afgewogen oordeel heeft gegeven omtrent de bedrijfseconomische noodzaak op grond waarvan de toestemming is verleend en dat de discussie bij het UWV niet over kan worden gedaan. Dit verweer faalt. Bij de beoordeling van de vraag of de opzegging kennelijk onredelijk is, dienen immers alle over en weer aangevoerde argumenten zelfstandig te worden beoordeeld, ongeacht of deze ook reeds bij de procedure bij het UWV WERKbedrijf aan de orde zijn geweest.

3. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat geen bedrijfseconomische noodzaak voor de opzegging bestond, aangevoerd dat van een omzetdaling als gesteld door [gedaagde] niet te verwachten viel omdat een tweetal concrete projecten tot opdrachten zou leiden. Nu [gedaagde] echter gemotiveerd heeft bestreden dat de betreffende projecten ten tijde van de opzegging op korte termijn tot omzet zouden leiden, treft dit betoog geen doel. Ditzelfde geldt voor de enkele stelling van [eiser] dat het bij een terugloop van de omzet niet logisch is dat het dienstverband van degene die de omzet moet binnenhalen, [eiser] dus, wordt opgezegd. Een dergelijke beslissing betreft immers niet alleen de beleidsvrijheid van [gedaagde] om haar onderneming te voeren zoals zij voor ogen heeft, ook heeft [gedaagde] onbestreden aangevoerd dat haar directeur de acquisitietaken op zich neemt. Nu [eiser] ook overigens geen omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan anders moet worden geoordeeld, kan niet worden gezegd dat geen bedrijfseconomische noodzaak voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst met [eiser] bestond.

4. Ook van een voorgewende reden is niet gebleken. De enkele stelling van [eiser] dat de werkelijke reden voor zijn ontslag is gelegen in de omstandigheid dat [gedaagde] hem als werknemer lastig vond, kan in het licht van de betwisting daarvan door [gedaagde] niet slagen.

5. Voorts heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde] niet als een goed werkgever heeft gehandeld, door hem ten tijde van de opzegging van de arbeidsovereenkomst onverwacht en rücksichtslos op non-actief te stellen en door hem ten onrechte van ‘stelselmatig’ wissen, scannen en kopiëren van bedrijfsgegevens te beschuldigen.

6. Nu de beschuldiging van [gedaagde] dat [eiser] bedrijfsgegevens zou wissen en kopiëren, wat daar overigens ook van moge zijn, niet aan de opzegging ten grondslag ligt en ook niet verband houdt met de wijze van opzeggen en de gevolgen daarvan, kan niet worden gezegd dat deze beschuldiging als zodanig de opzegging kennelijk onredelijk maakt. Het betoog van [eiser] treft in zoverre dan ook geen doel.

7. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] zich bij de wijze van opzeggen van de arbeidsovereenkomst niet als een goed werkgever heeft gedragen en dat dit meebrengt dat het ontslag kennelijk onredelijk is.

8. Uit de stukken van het geding en de stellingen van partijen volgt dat (de directeur van) [gedaagde] [eiser] op 2 december 2010 heeft verzocht mee te gaan voor een gesprek over de wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit gesprek zou op dat moment plaats moeten vinden in bijzijn van een andere medewerker van [gedaagde]. Toen [eiser] aangaf dit gesprek niet in bijzijn van die derde persoon te willen voeren, is de situatie geëscaleerd en heeft [gedaagde] aanleiding gezien [eiser] per direct op non-actief te stellen. Niet alleen rechtvaardigt deze gang van zaken een dergelijk ingrijpende beslissing niet, ook had het op de weg van [gedaagde] gelegen om [eiser] tijdig van het gesprek op de hoogte te stellen en om een voor hem veilige omgeving te creëren. Door dat na te laten, heeft [gedaagde] de belangen van [eiser] miskend. Nu zij voorts ook op een later moment niet heeft getracht alsnog een gesprek met [eiser] over de wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan te gaan, heeft zij bij de wijze van opzegging niet als een goed werkgever gehandeld.

9. [gedaagde] heeft in dit verband ter comparitie nog aangevoerd dat zij geen reden meer zag voor een gesprek over de wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de daarbij te treffen voorzieningen, omdat inmiddels zou zijn gebleken dat [eiser] bedrijfsgegevens had gewist en gekopieerd. Dit verweer doet echter aan het voorgaande niet af. [gedaagde] heeft deze beschuldiging immers, zoals [eiser] onbestreden heeft gesteld, eerst in de opzeggingsbrief van 13 december 2010 aan [eiser] meegedeeld. Hierdoor heeft zij [eiser] de mogelijkheid onthouden om op de beschuldiging te reageren en deze zo mogelijk te weerleggen. Aldus heeft [gedaagde] zich bij de wijze van de opzegging, en daarmee bij de beslissing om geen voorzieningen meer voor [eiser] te willen treffen, laten leiden door een eenzijdige en – (ook) op dat moment nog – niet, althans onvoldoende concreet onderbouwde beschuldiging. Daarenboven heeft [gedaagde] nagelaten [eiser] naar behoren te informeren over de voortgang en de uitkomsten van het dienaangaande ingestelde onderzoek. Ook deze omstandigheden maken dat [gedaagde] zich bij de wijze waarop zij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, niet als een goed werkgever heeft gehandeld.

10. [eiser] heeft verder gesteld dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat [gedaagde] ten onrechte maandenlang heeft geweigerd een getuigschrift te verstrekken, waardoor hij schade heeft geleden. Nu [eiser] zijn stelling dat hij daardoor schade heeft geleden niet nader heeft onderbouwd en [gedaagde] onvoldoende weersproken heeft gesteld dat het verzoek haar niet eerder had bereikt en zij derhalve geen opzet had bij eerst in juni 2011 verstrekken van het getuigschrift, treft dit betoog geen doel.

11. [eiser] beroept zich voorts op het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 sub b BW. Dienaangaande geldt als volgt. Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor [eiser] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [gedaagde] bij de opzegging, dienen alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te worden genomen. Daarbij kunnen een rol spelen de omstandigheden die verband houden met het dienstverband en de opzegging, de (on)mogelijkheden voor ander passend werk, de financiële gevolgen van de opzegging en de getroffen voorzieningen. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] de arbeidsovereenkomst met [eiser] heeft opgezegd zonder dat zij ten behoeve van hem een financiële voorziening heeft getroffen, brengt in het algemeen nog niet mee dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de voor [eiser] nadelige gevolgen van de beëindiging van de arbeidsrelatie geheel of ten dele voor rekening van [gedaagde] dienen te komen.

12. Voor wat betreft de omstandigheden die verband houden met het dienstverband en

de opzegging daarvan, kan het volgende worden vastgesteld. [eiser] is bijna 2 jaar bij [gedaagde] in dienst geweest. Gesteld noch gebleken is dat hij niet naar behoren heeft gefunctioneerd. De reden voor de opzegging ligt in de risicosfeer van [gedaagde]. [eiser] valt immers geen verwijt te maken van de omstandigheid dat zijn functie ten gevolge van de bedrijfseconomische omstandigheden komt te vervallen. Van inspanningen van [gedaagde] om binnen of buiten haar organisatie een andere passende functie voor [eiser] te vinden of om op een andere wijze de gevolgen van de beëindiging voor hem te compenseren, is niet gebleken. Zoals hiervoor is overwogen, rechtvaardigt de ongefundeerde beschuldiging dat [eiser] bedrijfsgegevens zou hebben gekopieerd en gewist, dit niet. Aan te nemen valt voorts dat de kansen van [eiser] op de arbeidsmarkt, gelet op zijn leeftijd, beperkt zullen zijn.

13. De kantonrechter is van oordeel dat de hiervoor genoemde bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat de nadelige gevolgen voor [eiser] van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor een deel voor rekening van [gedaagde] dienen te komen. Nu zij geen enkele financiële voorziening voor [eiser] heeft getroffen, moet de opzegging ook in zoverre als kennelijk onredelijk worden aangemerkt. Dit geldt te meer nu, zoals ter zitting is gebleken, de andere medewerker van wie de arbeidsovereenkomst gelijktijdig en ook op bedrijfseconomische gronden is opgezegd, wel is begeleid en een vergoeding is toegekend.

14. Nu het ontslag kennelijk onredelijk is, heeft [eiser] recht op een vergoeding.

15. De hoogte van die vergoeding houdt nauw verband met de omstandigheden die tot

het oordeel over de kennelijke onredelijkheid van het ontslag hebben geleid en is

mede afhankelijk van omstandigheden zoals de duur van het dienstverband, de leeftijd

van de werknemer en diens kans op het vinden van ander passend werk. Gelet op de aard van de schadevergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag (een zekere genoegdoening verschaffen die in overeenstemming is met de aard en de ernst van de tekortkoming van de werkgever) en het bepaalde in artikel 6:97 BW (schade wordt begroot op de wijze die het meest in overeenstemming daarmee is en mag worden geschat als deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld), heeft de kantonrechter een grote mate van vrijheid bij de begroting van de schade. Wel moet de kantonrechter zich steeds nauwkeurig rekenschap geven van de concrete omstandigheden en factoren die de hoogte van de vergoeding bepalen en daarvan verantwoording afleggen. De vergoeding moet worden gerelateerd aan de aard en de ernst van het tekortschieten van de werkgever in zijn verplichting als goed werkgever te handelen en de daaruit voor de werknemer voortvloeiende nadelen.

16. Gelet op voormelde maatstaven oordeelt de kantonrechter als volgt. Uit de hiervoor onder 8, 9, 12 en 13 genoemde omstandigheden die de kantonrechter hebben gebracht tot het oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is, volgt dat het [gedaagde] kan worden aangerekend dat zij bij de wijze van opzegging niet als een goed werkgever heeft gehandeld en dat zij geen inspanningen heeft verricht om een andere werkkring voor [eiser] te vinden dan wel op een andere wijze de gevolgen van de beëindiging te verzachten. Dit alles brengt naar het oordeel van de kantonrechter mee, dat de schade voor rekening van [gedaagde] dient te komen. Bij het begroten van de schade gaat de kantonrechter er ook vanuit dat het weliswaar niet eenvoudig voor [eiser] zal zijn om gelijksoortig werk te vinden, maar dat hij, nu hij tevens als leraar Engels werkzaam kan zijn, in staat zal zijn voor zichzelf inkomsten te verwerven (hetgeen ook is gebleken). De kantonrechter houdt er voorts rekening mee dat het ontslag heeft plaatsgevonden wegens bedrijfseconomische omstandigheden en dat het dienstverband slechts 2 jaar heeft geduurd. Ten slotte worden bij de begroting van de schade betrokken de leeftijd van [eiser] ten tijde van het ontslag (58 jaar) en het gegeven dat hij naar behoren heeft gefunctioneerd. Ten aanzien van de leeftijd van [eiser] ten tijde van het ontslag zal tevens rekening worden gehouden met het feit dat [eiser] ook reeds op leeftijd was toen hij in dienst bij [gedaagde] trad en hij daarvoor – zoals [gedaagde] onbestreden heeft aangevoerd – geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had opgegeven. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, begroot de kantonrechter de schade (ter zake van inkomstenderving, pensioenschade en immateriële schade) die voor rekening van [gedaagde] dient te komen op € 25.000,- bruto.

17. Voorts heeft [eiser] nog gesteld dat voor zover de handelwijze van [gedaagde] niet aan het ontslag kan worden toegerekend, sprake is van handelen door [gedaagde] in strijd met de in artikel 7:611 BW neergelegde verplichting om zich als goed werkgever te gedragen, dan wel van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW. Dit door [gedaagde] bestreden betoog treft, bij gebreke aan een nadere onderbouwing daarvan, geen doel.

18. De gevorderde, door [gedaagde]

bestreden, juridische kosten, zullen worden afgewezen. Deze kosten zien blijkens de stellingen van [eiser] op de juridische bijstand in het kader van de UWV WERKbedrijf-procedure, het onderzoek door Hoffmann Bedrijfsrecherche en de op non-actiefstelling. Deze kosten kunnen echter niet als schade door het kennelijk onredelijke ontslag worden aangemerkt. Voorts zijn deze kosten volgens [eiser] gemaakt ten behoeve van de voorbereiding van deze zaak. Dergelijke kosten worden echter onder de proceskostenvergoeding geacht te zijn begrepen, zodat de kosten ook om die reden niet voor vergoeding in aanmerking komen.

19. De gevorderde wettelijke rente zal, nu deze niet is bestreden, worden toegewezen.

20. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat zij in het ongelijk wordt gesteld.

De beoordeling van het geschil in reconventie

21. [gedaagde] vordert afgifte van een USB-stick, omdat daarop volgens haar bedrijfsgegevens vermeld staan en zij belang heeft bij teruggave daarvan omdat het commerciële en concurrentiegevoelige informatie betreft.

22. Dienaangaande geldt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de USB-stick als zodanig eigendom is van [eiser]. [gedaagde] kan derhalve slechts aanspraak maken op de inhoud daarvan voor zover dit haar bedrijfsgegevens betreffen.

23. Met betrekking tot de inhoud heeft [eiser] aangevoerd dat alle bedrijfsgegevens die op deze USB-stick stonden reeds door hem zijn gewist. Nu [gedaagde] dit niet, althans onvoldoende heeft weersproken, moet worden aangenomen dat op de USB-stick niet langer bedrijfsgegevens van [gedaagde] aanwezig zijn. [gedaagde] heeft dan ook geen belang (meer) bij haar vordering tot afgifte. De vordering wordt daarom afgewezen.

24. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat zij in het ongelijk wordt gesteld.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

- veroordeelt [gedaagde] om binnen een week na de datum van betekening van dit vonnis aan [eiser] een schadevergoeding van € 25.000,- bruto te betalen, op een door [eiser] aan te geven fiscaal toelaatbare wijze, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2011;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot en met vandaag worden begroot op de volgende bedragen:

dagvaarding € 90,81

vastrecht € 142,00

salaris gemachtigde € 1.200,00;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot en met vandaag worden begroot op het volgende bedrag:

salaris gemachtigde € 100,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.

Coll.