Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU4391

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/1358
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft vastgesteld dat in het bestreden besluit niet is opgenomen dat het verkeersbord E6 tegenover het perceel aan [adres eiser] wordt verwijderd. Evenmin heeft verweerder in het bestreden besluit opgenomen dat het verkeersbord E6 ter hoogte van [locatie] zal worden geplaatst. Voorts geeft het bestreden besluit er geen blijk van dat verweerder, in het kader van een volledige heroverweging, de belangen van alle partijen heeft geïnventariseerd en kenbaar heeft gewogen. Ten slotte heeft verweerder zich ten onrechte voor wat betreft de parkeerdruk gebaseerd op een brief van 1 december 1993. De rechtbank heeft in een tussenuitspraak geoordeeld dat verweerder in de gelegenheid wordt gesteld om de aangeduide gebreken te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 1358

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2011

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [woonplaats]

eiser,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder,

derde partijen,

[naam en adres derde partij 1],

[naam en adres derde partij 2],

[naam en adres derde partij 3],

[naam en adres derde partij 4],

[naam en adres derde partij 5],

[naam en adres derde partij 6],

[naam en adres derde partij 7],

[naam en adres derde partij 8],

[naam en adres derde partij 9],

[naam en adres derde partij 10],

[naam en adresderde partij 11],

[naam en adres derde partij 12],

[naam en adres derde partij 13],

[naam en adres derde partij 14],

[naam en adres derde partij 15],

[naam en adres derde partij 16],

[naam en adres derde partij 17],

[naam en adres derde partij 18],

[naam en adres derde partij 19],

[naam en adres derde partij 20],

[naam en adres derde partij 21],

[naam en adres derde partij 22],

[naam en adres derde partij 23],

[naam en adres derde partij 24],

[naam en adres derde partij 25],

[naam en adres derde partij 26],

[naam en adres derde partij 27],

[naam en adres derde partij 28],

[naam en adres derde partij 29],

allen wonende te [woonplaats]

gemachtigde: [naam gemachtigde], wonende te [woonplaats] .

1. Procesverloop

In een besluit dat in 11 november 2010 in de Stadskrant van Haarlem is gepubliceerd, heeft verweerder aangegeven dat ten behoeve van eiser een gehandicaptenparkeerplaats zal worden aangelegd aan de achterzijde van de woning van eiser, te weten tegenover het perceel [adres eiser].

Tegen dit besluit hebben de derde partijen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 februari 2011 heeft verweerder de bezwaren gegrond verklaard en besloten om een gehandicaptenparkeerplaats aan te leggen aan de voorkant van de woning van eiser, te weten aan [locatie]. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van 19 januari 2011 van de Commissie beroep- en bezwaarschriften .

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 maart 2011, aangevuld bij brieven van 16 maart 2011, 28 april 2011, 27 mei 2011, 4 juli 2011 en 14 september 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en op 6 april 2011 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 29 september 2011, alwaar eiser in persoon is verschenen en alwaar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door C.W. Baars en M. Jardine. Voorts zijn verschillende personen verschenen die hierboven zijn vermeld onder derde partij.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank betrekt bij de beoordeling van het geschil de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is sinds enkele jaren in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart, in ieder geval vanaf 13 januari 1998. Deze kaart is laatstelijk verlengd tot 31 juli 2012. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat met betrekking tot het bepalen van de plek waar de gehandicaptenparkeerplaats moet worden aangelegd, geen op schrift gesteld beleid bestaat. In de praktijk wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de gehandicaptenparkeerplaats aan de voorkant van de woning wordt aangelegd. In het onderhavige geval heeft verweerder echter de gehandicaptenparkeerplaats aan de achterkant van eisers woning aangelegd, tegenover het perceel [adres eiser], middels het plaatsen van het verkeersbord E6, als bedoeld in bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, omdat op dat moment de [straatnaam locatie] werd gereconstrueerd. Inmiddels zijn de werkzaamheden op de [straatnaam locatie] beëindigd.

2.2 De bewoners van de [straat adres eiser] hebben bezwaar gemaakt tegen een gehandicaptenparkeerplaats in de [straat adres eiser] vanwege de grote parkeerdruk in deze straat. Voorts zijn de derde partijen van mening dat door het aanleggen van een gehandicaptenparkeerplaats aan de voorkant van de woning van eiser, op de [straatnaam locatie], voldoende aan de belangen van eiser wordt tegemoet gekomen.

2.3 Verweerder heeft de bezwaren gegrond verklaard en heeft besloten de gehandicaptenparkeerplaats aan te leggen aan de voorkant van de woning van eiser aan [locatie].

2.4 Eiser kan zich daar niet mee verenigen, omdat de parkeerplaats aan de achterzijde van zijn woning voordelen meebrengt. Zo vervoert eiser zijn boodschappen vanuit zijn auto naar zijn woning met een kruiwagen. De kruiwagen staat in de afgesloten achtertuin. De kruiwagen kan niet in de voortuin blijven staan, want dan bestaat de kans dat deze gestolen wordt. Voorts heeft eiser vanwege het drukke verkeer op de [straatnaam locatie] niet de mogelijkheid om rustig in- of uit te parkeren, dan wel rustig in- of uit te stappen.

2.5 De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is en de rechtbank gaat daar ook vanuit, dat verweerder op 11 november 2010 in de Stadskrant van Haarlem het verkeersbesluit heeft gepubliceerd tot het plaatsen van het verkeersbord E6 in het kader van het aanleggen van de gehandicaptenparkeerplaats tegenover het perceel [adres eiser].

2.6 Voorts stelt de rechtbank vast dat in het besluit op bezwaar niet is opgenomen dat het verkeersbord E6 tegenover het perceel aan de [adres eiser] wordt verwijderd. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn betoog dat het besluit tot de aanleg van de gehandicaptenparkeerplaats aan de [locatie] een verwijdering van het verkeersbord E6 aan de [adres eiser] impliceert, nu de verwijdering van een verkeersbord expliciet als een beslissing in het bestreden besluit dient te worden opgenomen. Immers verweerder komt terug van de aanvankelijke plaatsing van het verkeersbord aan de [straat adres eiser]. Dit dient uit het besluit te blijken.

2.7 Verder heeft verweerder niet in het besluit op bezwaar opgenomen dat het verkeersbord E6, ter hoogte van de [locatie] zal worden geplaatst. De rechtbank volgt verweerder niet in de ter zitting gegeven toelichting dat het besluit tot plaatsing van het verkeersbord nog moet worden genomen en dat na publicatie van dat besluit het besluit pas kan worden uitgevoerd. In de bezwaarfase vindt een volledige heroverweging plaats waarbij alle feiten en omstandigheden die tijdens de bezwaarfase naar voren zijn gekomen worden betrokken. Nu verweerder zich in de bezwaarfase op het standpunt heeft gesteld dat aan de [locatie] een gehandicaptenparkeerplaats moet worden aangelegd, zal verweerder, gezien de strekking van artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb) daarover in het besluit op bezwaar een verkeersbesluit dienen te nemen.

2.8 Voorts geeft het bestreden besluit er geen blijk van dat verweerder, in het kader van een volledige heroverweging, de belangen van alle partijen heeft geïnventariseerd en kenbaar heeft afgewogen.

2.9 Verweerder heeft aan het bestreden besluit het advies van de Commissie beroep- en bezwaarschriften ten grondslag gelegd. De Commissie stelt vast het logisch is dat een gehandicaptenparkeerplaats voor de woning wordt aangelegd en dat er geen omstandigheden zijn waarom een parkeerplaats aan de achterzijde van de woning de voorkeur heeft. Niet gebleken is dat de Commissie of verweerder onderzoek heeft gedaan naar de redenen die eiser heeft om de voorkeur te geven aan een gehandicaptenparkeerplaats aan de achterzijde van zijn woning. De belangen van eiser zijn niet in kaart gebracht en zijn niet kenbaar betrokken bij de afweging die verweerder heeft gemaakt.

2.10 Daarnaast heeft de commissie aangenomen dat de parkeerdruk in de [straat adres eiser] een bijkomende reden vormt om de gehandicaptenparkeerplaats niet in die straat aan te leggen. De commissie baseert zich voor wat betreft de parkeerdruk op een brief van 1 december 1993, welke brief overigens niet aan de rechtbank is overgelegd. De verwijzing naar een brief uit 1993 kan niet meer fungeren als grondslag voor een standpunt over de parkeerdruk in 2011. Indien verweerder van oordeel is dat de parkeerdruk een rol dient te spelen bij het nemen van een beslissing over de plaats van de gehandicaptenparkeerplaats van eiser, dient verweerder actuele informatie te verzamelen over de parkeerdruk in de [straatnaam locatie] en de [straat adres eiser].

2.11 Het voorgaande leidt ertoe dat het bestreden besluit vanwege het ontbreken van de vereiste zorgvuldigheid en de vereiste motivering, waardoor artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuurswet (Awb) worden geschonden, voor vernietiging in aanmerking komt.

2.12 Nu er aan het besluit gebreken kleven, zal de rechtbank verweerder op grond van artikel 8:51a van de Awb in de gelegenheid stellen de onder 2.6, 2.7, 2.9 en 2.10 aangeduide gebreken te herstellen. Daartoe dient verweerder onderzoek te verrichten naar de parkeerdruk in zowel de [straatnaam locatie] als de [straat adres eiser]. Voorts dient verweerder de belangen van alle partijen kenbaar tegen elkaar af te wegen, afgezet tegen de uitkomst van het onderzoek naar de parkeerdruk. Indien dit ertoe leidt dat verweerder er bij blijft dat de gehandicaptenparkeerplaats van eiser aan de [straat adres eiser] dient te komen, dient verweerder in een besluit op te nemen dat het verkeersbord E6, tegenover het perceel aan de [adres eiser], wordt verwijderd en dat dit verkeersbord ter hoogte van de [locatie] zal worden geplaatst.

2.13 Verweerder dient, gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb, zo spoedig mogelijk - en wel binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak - kenbaar te maken of van de gelegenheid tot herstel gebruik zal worden gemaakt. In het geval verweerder ertoe mocht besluiten het geconstateerde gebrek te herstellen, dan bepaalt de rechtbank met toepassing van artikel 8:51a, tweede lid, Awb dat verweerder binnen vier weken na het verzenden van deze uitspraak tot herstel zal moeten zijn overgegaan.

2.14 Vervolgens kunnen eiser en de derde partijen binnen vier weken nadat verweerder heeft bericht op welke wijze het gebrek is hersteld, schriftelijk hun zienswijze naar voren brengen over de wijze waarop het gebrek is hersteld.

2.15 Verlenging van de hiervoor genoemde termijnen is slechts mogelijk in bijzondere gevallen. Een gemotiveerd verzoek om verlenging van een termijn moet worden ingediend binnen de in deze tussenuitspraak bepaalde termijn.

2.16 Indien verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid tot herstel, dan wel na het ongebruikt verstrijken van de termijn van vier weken voor het herstellen van het gebrek, zal de rechtbank binnen zes weken na het verstrijken van de gestelde termijn of het ontvangen van het bericht van verweerder einduitspraak doen.

2.17 Indien verweerder is overgegaan tot herstel van het gebrek, zal de rechtbank einduitspraak doen binnen zes weken na het verstrijken van de termijn van vier weken voor de zienswijze van eiser en de derde partijen.

2.18 Tenzij er aanleiding bestaat anders te beslissen, zal met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Awb een nader onderzoek ter zitting achterwege blijven.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 heropent het onderzoek;

3.2 stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit op bezwaar te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen, onder de voorwaarde dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank te kennen geeft van die gelegenheid gebruik te willen maken;

3.3 houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2011.

De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet kan tegen deze uitspraak nog geen hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.